leerlingen echter waren ten prooi aan de grootste droefheid en wanhoop.
"Ach," zegt Apollodorus, "het grieft mij, dat gij zoo onschuldig moet
sterven." Glimlachend antwoordt Socrates: "Zoudt gij misschien liever
willen, dat ik schuldig stierf?" Maar men wil den geliefden meester
bevrijden. Voor geld kan men in Athene veel gedaan krijgen. Criton heeft
de wachters omgekocht. Alles is tot de vlucht naar Thessalië voorbereid.
Criton kende echter nog niet de strenge beginselen van zijn' leeraar en
vriend. "Mijn lieve Criton!" zegt Socrates, "ik heb zoolang de
zegeningen genoten van de wetten van den staat, zoude ik er mij nu nog
aan bezondigen? En bovendien wijs mij eene plaats aan waar men niet
sterft."
De laatste dagen bracht Socrates met zijne geliefde jongeren in den
kerker door, sprekende over de onsterfelijkheid der ziel en andere
merkwaardige zaken.
Kalm en onverschrokken dronk de edele man den giftbeker. Met hem stierf
Griekenlands edelste en beste burger. Pas was Socrates gestorven, of
Athene besefte, dat het eene misdaad tegen hem gepleegd had. Men haastte
zich zooveel mogelijk, zijne nagedachtenis te huldigen en zijne eer te
herstellen, en de rechters, die voor zijnen dood gestemd hadden, werden
zoodanig aan de openbare verachting prijsgegeven, dat sommigen de stad
verlieten en anderen zich van het leven beroofden.
14. ALCIBIADES (PELOPONNESISCHE OORLOG).
Toen wij over Pericles spraken, hebben wij tevens gewaagd van een'
oorlog, die ontstond tusschen Athene en de bondgenooten, met Sparta aan
het hoofd (431-404). In dien voor Griekenland zoo treurigen tijd
verschijnt een man op het wereldtooneel, die zoowel door de fortuin als
door de natuur rijk gezegend was. Wij bedoelen #Alcibiades#. Van zeer
aanzienlijke geboorte, bovenmate rijk, bezat hij tevens een schoonen
lichaamsbouw, en had hij, bij een allergunstigsten aanleg, lust en
liefde voor kunsten en wetenschappen. Ook was hij, 't geen in Athene
niet weinig gold, ruim bedeeld met de gave der welsprekendheid. Hij
zoude dus een waardig opvolger van Pericles zijn geworden, wanneer hij
rust en bezadigdheid en minder eer- en heerschzucht bezeten had.
De bloedige oorlog tusschen de Grieksche staten had reeds 10 jaren
geduurd, toen er door den vrede van Nicias een eind aan werd gemaakt.
(421 v. C.) Echter voor korten tijd; de haat tusschen de beide
voornaamste steden was te groot, dan dat een duurzame vrede mogelijk
geweest ware.
Niemand was blijder, toen de oorlog weder uitbrak, dan de jonge
Alcibiades. In den oorlog toch was roem te behalen, kon hij van zich
laten spreken, kon hij schitteren. Hij wist dan ook te bewerken, dat er
eene groote vloot werd uitgezonden naar Sicilië, om Syracuse en
vervolgens het geheele korenrijke eiland te overmeesteren. 't Spreekt
van zelf, dat hij zorgde, een der bevelhebbers te worden. Maar zijne
talrijke vijanden zochten zijnen ondergang te bewerken. Nog eer de vloot
uitliep, waren in Athene op zekeren nacht al de Hermeszuilen
(standbeelden aan den god Mercurius gewijd) verminkt, en algemeen
beschuldigde men Alcibiades, dat hij met zijne brooddronken soldaten,
deze heiligschennis gepleegd had. Men liet hem echter eerst met de vloot
uitzeilen, want zijne persoonlijkheid en welsprekendheid waren
betooverend, en hij was de lieveling des volks.
In zijne afwezigheid werd hij van heiligschennis beschuldigd, en een
schip de vloot nagezonden, om hem te halen.
Alcibiades ging eerst ook werkelijk mede, doch bedenkende, hoe wankel de
volksgunst is, wist hij te ontvluchten naar eene veilige plaats. Te
Athene werd hij nu ter dood veroordeeld.
"Ik wil hun toonen, dat ik nog leef," zeide hij en vertrok naar Sparta,
Athene's doodvijand, waar hij met open armen ontvangen werd. Hier bewees
hij den Spartanen dan ook voortreffelijke diensten door hun aanwijzingen
te geven, hoe zij Athene het meeste kwaad konden berokkenen. De tocht
naar Sicilië mislukte geheel. De aanvoerder Nicias werd openlijk te
Syracuse onthoofd en eene groote menigte gevangenen zagen hun leven
ellendig verkwijnen in de steengroeven van Syracuse.
Het gelukte Alcibiades intusschen niet, voortdurend het vertrouwen der
Spartanen te behouden. Zijn overmoed verwekte hem ook hier vele vijanden
en toen hij zijne veiligheid te Sparta bedreigd zag, vertrok hij naar
het eiland Samos, waar de Atheensche vloot lag.
Nadat hij zich met zijne vaderstad verzoend had, behaalde de vloot onder
zijne leiding verschillende overwinningen op de Spartanen en hunne
bondgenooten. Nu was hij weder de man des volks. Hij, de ter dood
veroordeelde, werd onder het gejubel der menigte te Athene ingehaald; de
zuil, waarop zijne misdaad gegrift was, in zee geworpen en het
opperbevel over de land- en zeemacht hem opgedragen. Eenige maanden
later werd het hem echter weer ontnomen, toen zijn onderbevelhebber, in
weerwil van zijn uitdrukkelijk bevel, in zijne afwezigheid slag leverde
tegen de Spartanen, welke slag met de vernietiging der Atheensche vloot
eindigde. Hij vluchtte vervolgens naar Thracië en daarna naar den
Perzischen stadhouder in Klein-Azië; maar de Spartanen, zijnen invloed
en zijne bekwaamheden vreezende, vervolgden hem ook hier, en lieten hem
door sluipmoordenaars om 't leven brengen. (404).
Dat was het uiteinde van den schitterenden en hoogbegaafden, maar
zelfzuchtigen en eerzuchtigen Alcibiades.
Athene ging nu met rassche schreden zijnen ondergang te gemoet.
Lysander, de Spartaansche veldheer, versloeg de Atheners geheel en al;
een vijandelijk leger bezette de stad; de muren werden afgebroken, de
vloot weggevoerd, de democratische regeering afgeschaft en een
aristocratisch bestuur (30 tirannen) er voor in de plaats gesteld.
Athene's grootheid was voor altijd te niet.
15. EEN GEVAARLIJK HELPER (PHILIPPUS).
Wij zien van nu aan Griekenland ten prooi aan binnenlandsche onlusten.
Nadat Sparta een' tijdlang eene drukkende tirannie had uitgeoefend,
gelukte het aan het kleine Thebe, om onder zijne dappere veldheeren
#Epaminondas# en #Pelopidas# voor een korten tijd de hegemonie te
verkrijgen. We zeggen voor een korten tijd, want weldra mengde zich een
vreemdeling in de Grieksche zaken, waardoor de zelfstandigheid van
Griekenland geheel te niet ging. Die man was de bekwame, maar sluwe
#Philippus van Macedonië#. Door list en geweld had hij zich den weg tot
den troon gebaand; door list en geweld wist hij zich invloed en macht in
Griekenland te bezorgen. De aanleiding hiertoe was deze. De bewoners van
het landschap Phocis, waarin de heilige stad Delphi lag, hadden #heilig
land# bebouwd en waren daarom tot betaling eener groote somme gelds
veroordeeld. Toen de betaling achterwege bleef, werd besloten tot een'
krijgstocht tegen Phocis (heilige oorlog 355). De Phocensen wierven
huurtroepen aan en vielen daarmede zegevierend in Thessalië.
De Thessaliërs verzochten den Macedonischen koning om hulp, die deze hun
ook verleende.
Hij versloeg de Phocensen en wist later door list en omkooping zooveel
te bewerken, dat hij in een' oorlog tegen de bewoners van 't landschap
Locris tot opperbevelhebber over 't Grieksche leger werd benoemd.
Te laat zagen de Grieken in, dat zij een' wolf tot herder over de kudde
hadden aangesteld; te laat lieten zij recht wedervaren aan den beroemden
#Demosthenes#, die niet opgehouden had met zijn onnavolgbaar
redenaarstalent tegen de heerschzucht van den Macedoniër te waarschuwen.
Toen de Grieken zich nu met geweld van wapenen van den geweldenaar
wilden ontdoen, werden zij in den geduchten slag bij #Chaeronea# (338)
geheel verslagen. Met de Grieksche vrijheid was het gedaan.
De eerzuchtige plannen van Philippus waren veel omvattend. Het groote,
maar reeds kwijnende Perzische rijk te doen vallen, was zijn doel. Te
dien einde liet hij zich door de Grieken tot opperbevelhebber van een'
krijgstocht tegen de Perzen benoemen. Deze tocht was echter weggelegd
voor zijn beroemden zoon Alexander. Hij zelf werd op een bruiloftsfeest
verraderlijk vermoord.
16. ALEXANDER DE GROOTE.
Alexander was een prins van den voortreffelijksten aanleg. Zijn vader
Philippus trachtte dezen aanleg door allerlei lichaamsoefeningen en een
goed onderwijs op de beste wijze te ontwikkelen.
Te dien einde riep hij den beroemden #Aristoteles# aan zijn hof, om de
opvoeding van zijn hoopvollen zoon op zich te nemen. "Ik verheug mij,"
schreef hij aan Aristoteles, "dat het kind geboren is, terwijl gij
leeft, om het te kunnen onderrichten en tot een goed koning op te
leiden."
Alexander was in alle opzichten zulk eenen leermeester waardig; want hij
leerde met den grootsten ijver en was met zijne gansche ziel aan zijnen
leermeester verknocht. Reeds vroeg haakte Alexander naar verhevene,
roemwaardige daden.
Koning te zijn over de geheele wereld was zijn vurigste wensch. Zoo
dikwijls boden de tijding brachten van de overwinningen zijns vaders,
werd hij bedroefd en zeide eens weenend: "Ach, mijn vader zal nog de
geheele wereld veroveren en mij niets overlaten." Het liefst hoorde hij
zijne leermeesters vertellen van de groote daden der oude helden, van
oorlogen en veldslagen. Homerus was daarom zijn lievelingsdichter. Hij
wenschte een held te worden als Achilles en hoopte even schoon bezongen
te worden.
Op zijne veldtochten had hij Homerus' gedichten in een gouden kistje dan
ook altijd bij zich. Op den ouderdom van achttien jaren toonde hij reeds
zijne dapperheid in den slag bij Chaeronea, waarin de Grieken hunne
vrijheid verloren.
Toen hij twee jaren later, na de vermoording zijns vaders, zelf koning
werd, dachten de Grieken van zijne jonkheid en onervarenheid gebruik te
kunnen maken om hunne vroegere onafhankelijkheid weder te herwinnen. De
stad Thebe moest echter ondervinden, dat met den twintigjarigen
Macedonischen koning niet te spotten viel. De stad werd stormenderhand
ingenomen en tot den grond geslecht.
Alleen het huis van Pindarus, den dichter, die in schoone liederen de
overwinnaars in de Grieksche kampspelen bezongen had, liet Alexander
sparen.
Nu weigerde geen der Grieksche staten den moedigen en ondernemenden
jongeling meer gehoorzaamheid. Te Corinthe liet hij zich benoemen tot
opperbevelhebber der Grieken tegen de Perzen. Aan het hoofd van een
leger van 35000 man trok Alexander dan ook in 334 op om het reeds
kwijnende Perzische rijk aan te vallen.
Hij stak den Hellespont over, en toen hij den voet op Aziatischen bodem
zette, riep hij zegevierend uit: "Azië is mijn!"
Nadat Alexander het slagveld van Troje en vooral het graf van Achilles
bezocht had, kwam het bij een klein riviertje de #Granicus# tot een
hardnekkig gevecht tusschen het Grieksch Macedonisch leger en het
Perzische, waarbij Alexander zoude gedood zijn, had niet zijn vriend
Clitus hem gered.
Door deze overwinning werd hij meester van Klein-Azië. De eene
overwinning volgde nu op de andere. Steden, die zich niet vrijwillig
overgaven, werden stormenderhand ingenomen. Toch besloot de Perzische
koning Darius Codomannus alle pogingen aan te wenden om den
zegevierenden Macedoniër in zijne overwinningen te stuiten.
Met een leger van 600,000 man viel Darius het veel zwakkere leger van
Alexander aan bij _Issus_, maar de Grieksche dapperheid en krijgskunst
behaalden ook hier weder de zege op de overmacht. (333).
Honderdduizend Perzen sneuvelden; Darius vluchtte. Zijne moeder, zijne
vrouw, twee dochters en een zoon benevens een onmetelijke buit vielen
den overwinnaar in handen. Geheel tegen het toenmalige krijgsgebruik
behandelde hij zijne aanzienlijke gevangenen met de grootste achting en
eerbied. Toen Darius dit vernam, werd hij daardoor zoo getroffen, dat
hij uitriep: "Goden! laat mij mijn rijk behouden, maar hebt gij den
ondergang er van besloten, geef het dan aan Alexander van Macedonië."
De jonge held trok nu, zonder zich verder om Darius te bekommeren, langs
de zeekust naar het zuiden, veroverde en verwoestte de rijke en machtige
handelsstad Tyrus, maakte zich vervolgens meester van Palaestina en
rukte eindelijk over de landengte van Suez naar Aegypte.
Aegypte was vroeger door Cambyses, koning van Perzië, veroverd en steeds
hard behandeld; daarom beschouwden de Aegyptenaren de Perzen als hunne
doodvijanden.
Geen wonder dus, dat men in Aegypte Alexander als redder begroette. Zijn
tocht door het land geleek een zegetocht. Aan een der monden van den
Nijl stichtte hij een nieuwe handelsstad, naar hem Alexandria genoemd,
die weldra in plaats van het verwoeste Tyrus de zetel van den
wereldhandel werd. In de groote Lybische zandwoestijn lag eene oase en
daarin een tempel, aan Jupiter gewijd. Van de priesters van dezen god
werd, evenals van die te Delphi, gezegd, dat ze de toekomst konden
voorspellen. Alexander wenschte dien tempel te zien, die priesters te
hooren en ondernam daarom een gevaarvollen tocht door de woestijn, dien
hij echter gelukkig volbracht.
Door de priesters van Jupiter werd hij tot zijn groote vreugde voor een'
zoon van Jupiter verklaard. Na dezen grooten uitstap keerde hij naar
Azië terug, om Darius op te zoeken. Hij vond hem bij #Arbela# in Assyrië
met een leger, in aantal wederom verre het zijne overtreffende.
Alexanders krijgskunde en de dapperheid zijner troepen behaalden echter
ook hier de overwinning. (331).
Nu was het Perzische rijk geheel in de macht van den stoutmoedigen
Macedoniër. De voornaamste Perzische steden Babylon, Susa, Persépolis en
Ecbatana vielen den overwinnaar in handen. Darius zocht zijn heil in de
vlucht, maar werd door zijnen landvoogd Bessus gevangengenomen en
verraderlijk vermoord. Deze laaghartige kreeg echter weldra de straf
voor zijne snoodheid. Alexander liet hem vervolgen: hij werd gevat en
ter dood gebracht. Darius' lijk liet hij echter naar Persépolis, de
begraafplaats der Perzische koningen, brengen en daar op koninklijke
wijze ter aarde bestellen. 't Scheen Alexander ondertusschen in Azië
goed te bevallen, althans hij toonde volstrekt geen lust om naar
Macedonië terug te keeren.
Hij huwde eene Perzische vrouw, liet zich op Oostersche wijze bedienen,
eischte, dat men zich op Oostersche wijze voór hem zou nederwerpen en
kleedde zich als een Pers. Hij hoorde gaarne, dat men hem bovenmate
vleide; wie dit niet verkoos te doen, maakte zijn' toorn gaande, zooals
bleek, toen hij zijn' vriend Clitus, die niet instemmen wilde met de
laffe vleierijen der anderen, eigenhandig doorstak.
Het bezit van het Perzische rijk was echter op verre na niet voldoende
om de eer- en heerschzucht van Alexander te bevredigen. Indië, het
fabelachtige, rijke Indië te onderwerpen was nu het doel van zijn
streven. Toen hij de grensrivier, den Indus, overtrok, kwamen hem
verscheidene vorsten met rijke geschenken te gemoet. Eén koning echter,
de dappere #Porus#, poogde hem het verder doordringen te beletten. Maar
hoewel hij en zijn leger wonderen van dapperheid ten toon spreidden,
moest ook hij het onderspit delven. Met wonden bedekt werd hij
gevangengenomen, maar door Alexander allergrootmoedigst behandeld; hij
kreeg niet alleen zijn geheel koninkrijk terug, maar ontving daarenboven
nog verschillende nieuwe provinciën.
Na de onderwerping van Porus zou het Alexander niet moeielijk zijn
gevallen geheel Indië te veroveren, wanneer zijne Macedoniërs niet
oproerig geworden waren en geweigerd hadden hem verder te volgen.
Alexander moest dus tot den terugtocht besluiten, die dan ook onder de
grootste bezwaren ondernomen werd. Te Babylon aangekomen, ontwierp hij
weder nieuwe veroveringsplannen, maar te midden zijner groote
toerustingen rukte de dood hem weg in den nog jeugdigen ouderdom van 33
jaren. (323).
Treurig en mismoedig stonden zijne veldheeren en vrienden bij zijn
sterfbed.
Hij reikte hen de hand, en na hen veelbeteekend aangezien te hebben,
zeide hij: "Ik heb een voorgevoel, dat er na mijnen dood bloedige
twisten zullen ontstaan." Men vroeg hem nog, wien hij tot opvolger
bestemde.
Hij antwoordde: "den waardigste." Alexanders voorzegging kwam uit. Zijn
dood was het sein tot een langen en bloedigen strijd. Toch hebben zijne
veroveringen zeer veel goeds tot stand gebracht; want daardoor kwamen de
Grieken met de Oostersche volken in aanraking, werden beschaafder en
leerden elkander meer achten als menschen van gelijke beweging en
afkomst.
17. DE STICHTING VAN ROME.
(753).
We willen nu Griekenland, dat langen tijd het tooneel der
wereldgebeurtenissen was, verlaten en verplaatsen ons met onze gedachten
naar het heerlijke Italië. Nog altijd blijft Rome de merkwaardigste stad
van Italië niet alleen, maar in vele opzichten ook van de wereld.
Vooreerst wegens hare oudheid, waarin weinige steden van Europa met haar
kunnen wedijveren, maar ook vooral wegens de groote rol, die zij langen
tijd in de geschiedenis der wereld heeft gespeeld en in zekeren zin nog
speelt. Het verhaal van de stichting dezer stad is zoo wonderlijk, dat
men aan eene sage moet denken, waarin waarheid en verdichting zoodanig
dooreengemengd zijn, dat de eerste moeielijk is aan te wijzen, het
verhaal luidt aldus:
Na de verwoesting van Troje vluchtte de koningszoon #Aeneas# met eenige
getrouwen naar Italië, en wel naar 't landschap Latium, welks koning hem
vriendschappelijk opnam. Zijn zoon Ascanius stichtte de stad Alba Longa,
die weldra de hoofdstad werd van een koninkrijk van dien naam. De
achtste koning, Procus genaamd, liet bij zijn overlijden twee zonen na,
Numitor en Amulius, van welken de oudste hem zou opvolgen.
Numitor werd echter door zijn heerschzuchtigen, jongeren broeder van den
troon gestooten, die ook zijn' zoon op de jacht doodde en zijne dochter
Rhea Silvia dwong Vestaalsche maagd (priesteres van Vesta) te worden,
waardoor zij de gelofte moest afleggen, nimmer te huwen.
In weerwil van die gelofte huwde zij in stilte en kreeg tweelingzonen.
Toen Amulius dit gewaar werd, was zijne woede grenzenloos. Hij liet de
moeder in de gevangenis, de kinderen in den Tiber werpen.
De Tiber was juist buiten zijne oevers getreden, en de kinderen bleven,
toen 't water wegliep, in hun mandje op het droge staan. Eene wolvin,
die daar kwam, zoogde de van honger schreiende knaapjes en een specht
deelde de voedsterzorgen met haar.
Zoo werden zij door Faustulus, herder van Amulius, gevonden. Deze, wel
wetende, wat er gebeurd was, giste dadelijk de afkomst der kinderen en,
bewogen met hun lot, nam hij ze mee naar zijne vrouw, die ze als hare
kinderen opvoedde. De knapen, #Romulus# en #Remus# genaamd, onderscheidden
zich reeds spoedig van de andere herdersknapen door hunnen moed. Zij
verdedigden de kudden van hunnen pleegvader tegen wilde dieren en
roovers. Ook kwamen zij niet zelden in strijd met andere herders over de
beste kudden. Bij een gevecht met Numitors herders werd Remus eens
gevangengenomen en voor Numitor gevoerd. Nu snelde Faustulus met Romulus
spoedig naar Numitor en ontdekte het gansche geheim. Dadelijk waren de
driftige jongelingen er op bedacht, zich op hunnen wreeden oudoom te
wreken. Zij riepen hunne gezellen op, overvielen Amulius in Alba Longa,
doodden hem en herstelden Numitor in zijne verloren waardigheid. Deze
gaf hun tot loon een stuk land, ongeveer ter plaatse, waar zij door
Faustulus gered waren, met den raad, daar eene stad te bouwen. De
broeders volgden dien raad en bouwden eene stad, die natuurlijk eerst
zeer onaanzienlijk was. Toen het bouwen gedaan was, moest de stad eenen
naam hebben. Nu ontstond er twist tusschen de beide broeders, wie dien
zou geven. Daar men 't niet eens kon worden, wilde men de beslissing aan
de goden overlaten. Deze zouden door de vlucht hunner vogels (de
adelaars) aanwijzen, wie de eer zouden hebben, de stad te benoemen. Maar
ziet! nu ontstond er weer verschil, daar Remus het eerst zes arenden en
Romulus er kort daarna twaalf zag.
Remus beweerde, omdat hij ze 't eerst gezien had, de gunsteling der
goden te zijn, terwijl Romulus hetzelfde volhield, omdat hij de #meeste#
vogels gezien had.
Toen Remus zijn' broeder daarenboven nog bespotte over de geringheid van
den bouw, en ten bewijze daarvan over den ringmuur heensprong, werd
Romulus zoo toornig, dat hij zijn' zwaard greep en zijn' broeder
versloeg. Nu had hij dus geenen mededinger meer, en zijne stichting
kreeg den naam van Rome.
Thans kwam het er op aan bewoners in de stad te krijgen. Daarom noodigde
Romulus allen uit, onverschillig wie, om zich in de nieuwe stad
metterwoon te vestigen.
Dat de bevolking, die er kwam, niet van de allerfijnste soort was, laat
zich licht begrijpen, en dat de inwoners van Rome weldra niet ter goeder
naam en faam bekend stonden, eveneens. Daarom konden de Romeinen ook
geene vrouwen ten huwelijk krijgen, hoeveel moeite zij daartoe ook
aanwendden. Zij gingen nu hunne toevlucht tot list en geweld nemen.
Romulus noodigde de omliggende volken, vooral de Sabijnen, uit tot een
groot feest. Deze kwamen in de vreedzaamste stemming der wereld
ongewapend met hunne vrouwen en dochters. Te midden van het feest
evenwel vielen de gewapende Romeinen op de niets kwaads vermoedende
vrouwen aan en sleepten ze in hunne huizen, terwijl hare mannen,
broeders en vaders vluchtten. Dezen kwamen natuurlijk spoedig gewapend
terug, om hunne betrekkingen op te vorderen. De vrouwen scheen het
evenwel bij de Romeinen zoo goed te bevallen, dat zij eene verzoening
wisten te bewerken. Nu werd er besloten, dat de Sabijnen en de Romeinen
voortaan één volk zouden uitmaken, waarover Romulus en de Sabijnsche
koning Titus gemeenschappelijk zouden regeeren.
Romulus ruimde zijn' medekoning echter spoedig uit den weg en regeerde
overigens zoo willekeurig en wreed, dat hij den algemeenen haat der
aanzienlijken (patriciërs) op zich laadde. Dezen maakten hem daarom in
een raadsvergadering van kant en vertelden aan 't volk, dat hij uit hun
midden ten hemel was gevaren.
18. EEN VRIEND VAN ZIJN VADERLAND (BRUTUS).
250 Jaren lang regeerden er koningen over Rome. Slechts onder een
enkelen van deze en wel onder den opvolger van Romulus, den Sabijn #Numa
Pompilius#, bleef het zwaard rusten.
Numa maakte zich voor Rome verdienstelijk door het geven van wijze
wetten en de regeling van den godsdienst. Zijn tienjarig bestuur was de
gelukkigste tijd, dien Rome onder zijne koningen had. De meeste zijner
opvolgers waren er op bedacht Rome's grondgebied te vergrooten, zoodat
de tempel van Janus door Numa, den man des vredes, gesticht, maar zelden
gesloten was. Deze tempel n.l. mocht alleen in vredestrijd gesloten
worden.
Langzamerhand werden de volken in de onmiddellijke nabijheid van Rome
door de oorlogzuchtige Romeinen onderworpen en wel het eerst de bewoners
van de moederstad Alba Longa (Horatiërs en Curatiërs). De laatste der
koningen was #Tarquinius# om zijne trotschheid de _trotsche_ (superbus)
geheeten. Door vele misdaden en bezoedeld met het bloed zijns
schoonvaders Servius Tullius was hij tot den troon gekomen; door geweld
en wreedheid zocht hij zich staande te houden. Hij begon zijne regeering
met het dooden van al de leden zijner familie, met uitzondering van
Lucius Junius, die, door zich onnoozel te houden, den dood ontkwam en
als een onschadelijk wezen ten speelbal der hovelingen aan het hof bleef
leven. Daarom kreeg hij den bijnaam van Brutus (de onnoozele).
Tarquinius maakte zich intusschen door zijne trotschheid bij
aanzienlijken en geringen meer en meer gehaat, totdat de schandelijke
daad van zijn' zoon Sextus de maat deed overvloeien. Terwijl Tarquinius
eene vijandelijke stad belegerde, ging Sextus de vrouw van een' der
legeraanvoerders, Collatinus, op eene gruwelijke wijze beleedigen.
Lucretia, zoo heette de vrouw, liet daarop haren man en eenige beproefde
vrienden uit het leger komen, verhaalde hun het voorgevallene en, den
aangedanen smaad niet willende overleven, haalde zij een' dolk voor den
dag en stak zich dien in het hart.--Nu toonde Brutus, dat zijne
onnoozelheid slechts schijn was. Hij liet het lijk van Lucretia naar de
markt brengen, verhaalde aan 't verzamelde volk de toedracht der zaak,
trok den dolk uit de borst der edele vrouw en riep vervolgens het volk
op om het juk van den gehaten tiran af te schudden.