Kalm en bedaard hoorde de 70 jarige grijsaard dit vonnis aan. Zijne

leerlingen echter waren ten prooi aan de grootste droefheid en wanhoop.

"Ach," zegt Apollodorus, "het grieft mij, dat gij zoo onschuldig moet

sterven." Glimlachend antwoordt Socrates: "Zoudt gij misschien liever

willen, dat ik schuldig stierf?" Maar men wil den geliefden meester

bevrijden. Voor geld kan men in Athene veel gedaan krijgen. Criton heeft

de wachters omgekocht. Alles is tot de vlucht naar Thessalië voorbereid.

Criton kende echter nog niet de strenge beginselen van zijn' leeraar en

vriend. "Mijn lieve Criton!" zegt Socrates, "ik heb zoolang de

zegeningen genoten van de wetten van den staat, zoude ik er mij nu nog

aan bezondigen? En bovendien wijs mij eene plaats aan waar men niet

sterft."

De laatste dagen bracht Socrates met zijne geliefde jongeren in den

kerker door, sprekende over de onsterfelijkheid der ziel en andere

merkwaardige zaken.

Kalm en onverschrokken dronk de edele man den giftbeker. Met hem stierf

Griekenlands edelste en beste burger. Pas was Socrates gestorven, of

Athene besefte, dat het eene misdaad tegen hem gepleegd had. Men haastte

zich zooveel mogelijk, zijne nagedachtenis te huldigen en zijne eer te

herstellen, en de rechters, die voor zijnen dood gestemd hadden, werden

zoodanig aan de openbare verachting prijsgegeven, dat sommigen de stad

verlieten en anderen zich van het leven beroofden.

14. ALCIBIADES (PELOPONNESISCHE OORLOG).

Toen wij over Pericles spraken, hebben wij tevens gewaagd van een'

oorlog, die ontstond tusschen Athene en de bondgenooten, met Sparta aan

het hoofd (431-404). In dien voor Griekenland zoo treurigen tijd

verschijnt een man op het wereldtooneel, die zoowel door de fortuin als

door de natuur rijk gezegend was. Wij bedoelen #Alcibiades#. Van zeer

aanzienlijke geboorte, bovenmate rijk, bezat hij tevens een schoonen

lichaamsbouw, en had hij, bij een allergunstigsten aanleg, lust en

liefde voor kunsten en wetenschappen. Ook was hij, 't geen in Athene

niet weinig gold, ruim bedeeld met de gave der welsprekendheid. Hij

zoude dus een waardig opvolger van Pericles zijn geworden, wanneer hij

rust en bezadigdheid en minder eer- en heerschzucht bezeten had.

De bloedige oorlog tusschen de Grieksche staten had reeds 10 jaren

geduurd, toen er door den vrede van Nicias een eind aan werd gemaakt.

(421 v. C.) Echter voor korten tijd; de haat tusschen de beide

voornaamste steden was te groot, dan dat een duurzame vrede mogelijk

geweest ware.

Niemand was blijder, toen de oorlog weder uitbrak, dan de jonge

Alcibiades. In den oorlog toch was roem te behalen, kon hij van zich

laten spreken, kon hij schitteren. Hij wist dan ook te bewerken, dat er

eene groote vloot werd uitgezonden naar Sicilië, om Syracuse en

vervolgens het geheele korenrijke eiland te overmeesteren. 't Spreekt

van zelf, dat hij zorgde, een der bevelhebbers te worden. Maar zijne

talrijke vijanden zochten zijnen ondergang te bewerken. Nog eer de vloot

uitliep, waren in Athene op zekeren nacht al de Hermeszuilen

(standbeelden aan den god Mercurius gewijd) verminkt, en algemeen

beschuldigde men Alcibiades, dat hij met zijne brooddronken soldaten,

deze heiligschennis gepleegd had. Men liet hem echter eerst met de vloot

uitzeilen, want zijne persoonlijkheid en welsprekendheid waren

betooverend, en hij was de lieveling des volks.

In zijne afwezigheid werd hij van heiligschennis beschuldigd, en een

schip de vloot nagezonden, om hem te halen.

Alcibiades ging eerst ook werkelijk mede, doch bedenkende, hoe wankel de

volksgunst is, wist hij te ontvluchten naar eene veilige plaats. Te

Athene werd hij nu ter dood veroordeeld.

"Ik wil hun toonen, dat ik nog leef," zeide hij en vertrok naar Sparta,

Athene's doodvijand, waar hij met open armen ontvangen werd. Hier bewees

hij den Spartanen dan ook voortreffelijke diensten door hun aanwijzingen

te geven, hoe zij Athene het meeste kwaad konden berokkenen. De tocht

naar Sicilië mislukte geheel. De aanvoerder Nicias werd openlijk te

Syracuse onthoofd en eene groote menigte gevangenen zagen hun leven

ellendig verkwijnen in de steengroeven van Syracuse.

Het gelukte Alcibiades intusschen niet, voortdurend het vertrouwen der

Spartanen te behouden. Zijn overmoed verwekte hem ook hier vele vijanden

en toen hij zijne veiligheid te Sparta bedreigd zag, vertrok hij naar

het eiland Samos, waar de Atheensche vloot lag.

Nadat hij zich met zijne vaderstad verzoend had, behaalde de vloot onder

zijne leiding verschillende overwinningen op de Spartanen en hunne

bondgenooten. Nu was hij weder de man des volks. Hij, de ter dood

veroordeelde, werd onder het gejubel der menigte te Athene ingehaald; de

zuil, waarop zijne misdaad gegrift was, in zee geworpen en het

opperbevel over de land- en zeemacht hem opgedragen. Eenige maanden

later werd het hem echter weer ontnomen, toen zijn onderbevelhebber, in

weerwil van zijn uitdrukkelijk bevel, in zijne afwezigheid slag leverde

tegen de Spartanen, welke slag met de vernietiging der Atheensche vloot

eindigde. Hij vluchtte vervolgens naar Thracië en daarna naar den

Perzischen stadhouder in Klein-Azië; maar de Spartanen, zijnen invloed

en zijne bekwaamheden vreezende, vervolgden hem ook hier, en lieten hem

door sluipmoordenaars om 't leven brengen. (404).

Dat was het uiteinde van den schitterenden en hoogbegaafden, maar

zelfzuchtigen en eerzuchtigen Alcibiades.

Athene ging nu met rassche schreden zijnen ondergang te gemoet.

Lysander, de Spartaansche veldheer, versloeg de Atheners geheel en al;

een vijandelijk leger bezette de stad; de muren werden afgebroken, de

vloot weggevoerd, de democratische regeering afgeschaft en een

aristocratisch bestuur (30 tirannen) er voor in de plaats gesteld.

Athene's grootheid was voor altijd te niet.

15. EEN GEVAARLIJK HELPER (PHILIPPUS).

Wij zien van nu aan Griekenland ten prooi aan binnenlandsche onlusten.

Nadat Sparta een' tijdlang eene drukkende tirannie had uitgeoefend,

gelukte het aan het kleine Thebe, om onder zijne dappere veldheeren

#Epaminondas# en #Pelopidas# voor een korten tijd de hegemonie te

verkrijgen. We zeggen voor een korten tijd, want weldra mengde zich een

vreemdeling in de Grieksche zaken, waardoor de zelfstandigheid van

Griekenland geheel te niet ging. Die man was de bekwame, maar sluwe

#Philippus van Macedonië#. Door list en geweld had hij zich den weg tot

den troon gebaand; door list en geweld wist hij zich invloed en macht in

Griekenland te bezorgen. De aanleiding hiertoe was deze. De bewoners van

het landschap Phocis, waarin de heilige stad Delphi lag, hadden #heilig

land# bebouwd en waren daarom tot betaling eener groote somme gelds

veroordeeld. Toen de betaling achterwege bleef, werd besloten tot een'

krijgstocht tegen Phocis (heilige oorlog 355). De Phocensen wierven

huurtroepen aan en vielen daarmede zegevierend in Thessalië.

De Thessaliërs verzochten den Macedonischen koning om hulp, die deze hun

ook verleende.

Hij versloeg de Phocensen en wist later door list en omkooping zooveel

te bewerken, dat hij in een' oorlog tegen de bewoners van 't landschap

Locris tot opperbevelhebber over 't Grieksche leger werd benoemd.

Te laat zagen de Grieken in, dat zij een' wolf tot herder over de kudde

hadden aangesteld; te laat lieten zij recht wedervaren aan den beroemden

#Demosthenes#, die niet opgehouden had met zijn onnavolgbaar

redenaarstalent tegen de heerschzucht van den Macedoniër te waarschuwen.

Toen de Grieken zich nu met geweld van wapenen van den geweldenaar

wilden ontdoen, werden zij in den geduchten slag bij #Chaeronea# (338)

geheel verslagen. Met de Grieksche vrijheid was het gedaan.

De eerzuchtige plannen van Philippus waren veel omvattend. Het groote,

maar reeds kwijnende Perzische rijk te doen vallen, was zijn doel. Te

dien einde liet hij zich door de Grieken tot opperbevelhebber van een'

krijgstocht tegen de Perzen benoemen. Deze tocht was echter weggelegd

voor zijn beroemden zoon Alexander. Hij zelf werd op een bruiloftsfeest

verraderlijk vermoord.

16. ALEXANDER DE GROOTE.

Alexander was een prins van den voortreffelijksten aanleg. Zijn vader

Philippus trachtte dezen aanleg door allerlei lichaamsoefeningen en een

goed onderwijs op de beste wijze te ontwikkelen.

Te dien einde riep hij den beroemden #Aristoteles# aan zijn hof, om de

opvoeding van zijn hoopvollen zoon op zich te nemen. "Ik verheug mij,"

schreef hij aan Aristoteles, "dat het kind geboren is, terwijl gij

leeft, om het te kunnen onderrichten en tot een goed koning op te

leiden."

Alexander was in alle opzichten zulk eenen leermeester waardig; want hij

leerde met den grootsten ijver en was met zijne gansche ziel aan zijnen

leermeester verknocht. Reeds vroeg haakte Alexander naar verhevene,

roemwaardige daden.

Koning te zijn over de geheele wereld was zijn vurigste wensch. Zoo

dikwijls boden de tijding brachten van de overwinningen zijns vaders,

werd hij bedroefd en zeide eens weenend: "Ach, mijn vader zal nog de

geheele wereld veroveren en mij niets overlaten." Het liefst hoorde hij

zijne leermeesters vertellen van de groote daden der oude helden, van

oorlogen en veldslagen. Homerus was daarom zijn lievelingsdichter. Hij

wenschte een held te worden als Achilles en hoopte even schoon bezongen

te worden.

Op zijne veldtochten had hij Homerus' gedichten in een gouden kistje dan

ook altijd bij zich. Op den ouderdom van achttien jaren toonde hij reeds

zijne dapperheid in den slag bij Chaeronea, waarin de Grieken hunne

vrijheid verloren.

Toen hij twee jaren later, na de vermoording zijns vaders, zelf koning

werd, dachten de Grieken van zijne jonkheid en onervarenheid gebruik te

kunnen maken om hunne vroegere onafhankelijkheid weder te herwinnen. De

stad Thebe moest echter ondervinden, dat met den twintigjarigen

Macedonischen koning niet te spotten viel. De stad werd stormenderhand

ingenomen en tot den grond geslecht.

Alleen het huis van Pindarus, den dichter, die in schoone liederen de

overwinnaars in de Grieksche kampspelen bezongen had, liet Alexander

sparen.

Nu weigerde geen der Grieksche staten den moedigen en ondernemenden

jongeling meer gehoorzaamheid. Te Corinthe liet hij zich benoemen tot

opperbevelhebber der Grieken tegen de Perzen. Aan het hoofd van een

leger van 35000 man trok Alexander dan ook in 334 op om het reeds

kwijnende Perzische rijk aan te vallen.

Hij stak den Hellespont over, en toen hij den voet op Aziatischen bodem

zette, riep hij zegevierend uit: "Azië is mijn!"

Nadat Alexander het slagveld van Troje en vooral het graf van Achilles

bezocht had, kwam het bij een klein riviertje de #Granicus# tot een

hardnekkig gevecht tusschen het Grieksch Macedonisch leger en het

Perzische, waarbij Alexander zoude gedood zijn, had niet zijn vriend

Clitus hem gered.

Door deze overwinning werd hij meester van Klein-Azië. De eene

overwinning volgde nu op de andere. Steden, die zich niet vrijwillig

overgaven, werden stormenderhand ingenomen. Toch besloot de Perzische

koning Darius Codomannus alle pogingen aan te wenden om den

zegevierenden Macedoniër in zijne overwinningen te stuiten.

Met een leger van 600,000 man viel Darius het veel zwakkere leger van

Alexander aan bij _Issus_, maar de Grieksche dapperheid en krijgskunst

behaalden ook hier weder de zege op de overmacht. (333).

Honderdduizend Perzen sneuvelden; Darius vluchtte. Zijne moeder, zijne

vrouw, twee dochters en een zoon benevens een onmetelijke buit vielen

den overwinnaar in handen. Geheel tegen het toenmalige krijgsgebruik

behandelde hij zijne aanzienlijke gevangenen met de grootste achting en

eerbied. Toen Darius dit vernam, werd hij daardoor zoo getroffen, dat

hij uitriep: "Goden! laat mij mijn rijk behouden, maar hebt gij den

ondergang er van besloten, geef het dan aan Alexander van Macedonië."

De jonge held trok nu, zonder zich verder om Darius te bekommeren, langs

de zeekust naar het zuiden, veroverde en verwoestte de rijke en machtige

handelsstad Tyrus, maakte zich vervolgens meester van Palaestina en

rukte eindelijk over de landengte van Suez naar Aegypte.

Aegypte was vroeger door Cambyses, koning van Perzië, veroverd en steeds

hard behandeld; daarom beschouwden de Aegyptenaren de Perzen als hunne

doodvijanden.

Geen wonder dus, dat men in Aegypte Alexander als redder begroette. Zijn

tocht door het land geleek een zegetocht. Aan een der monden van den

Nijl stichtte hij een nieuwe handelsstad, naar hem Alexandria genoemd,

die weldra in plaats van het verwoeste Tyrus de zetel van den

wereldhandel werd. In de groote Lybische zandwoestijn lag eene oase en

daarin een tempel, aan Jupiter gewijd. Van de priesters van dezen god

werd, evenals van die te Delphi, gezegd, dat ze de toekomst konden

voorspellen. Alexander wenschte dien tempel te zien, die priesters te

hooren en ondernam daarom een gevaarvollen tocht door de woestijn, dien

hij echter gelukkig volbracht.

Door de priesters van Jupiter werd hij tot zijn groote vreugde voor een'

zoon van Jupiter verklaard. Na dezen grooten uitstap keerde hij naar

Azië terug, om Darius op te zoeken. Hij vond hem bij #Arbela# in Assyrië

met een leger, in aantal wederom verre het zijne overtreffende.

Alexanders krijgskunde en de dapperheid zijner troepen behaalden echter

ook hier de overwinning. (331).

Nu was het Perzische rijk geheel in de macht van den stoutmoedigen

Macedoniër. De voornaamste Perzische steden Babylon, Susa, Persépolis en

Ecbatana vielen den overwinnaar in handen. Darius zocht zijn heil in de

vlucht, maar werd door zijnen landvoogd Bessus gevangengenomen en

verraderlijk vermoord. Deze laaghartige kreeg echter weldra de straf

voor zijne snoodheid. Alexander liet hem vervolgen: hij werd gevat en

ter dood gebracht. Darius' lijk liet hij echter naar Persépolis, de

begraafplaats der Perzische koningen, brengen en daar op koninklijke

wijze ter aarde bestellen. 't Scheen Alexander ondertusschen in Azië

goed te bevallen, althans hij toonde volstrekt geen lust om naar

Macedonië terug te keeren.

Hij huwde eene Perzische vrouw, liet zich op Oostersche wijze bedienen,

eischte, dat men zich op Oostersche wijze voór hem zou nederwerpen en

kleedde zich als een Pers. Hij hoorde gaarne, dat men hem bovenmate

vleide; wie dit niet verkoos te doen, maakte zijn' toorn gaande, zooals

bleek, toen hij zijn' vriend Clitus, die niet instemmen wilde met de

laffe vleierijen der anderen, eigenhandig doorstak.

Het bezit van het Perzische rijk was echter op verre na niet voldoende

om de eer- en heerschzucht van Alexander te bevredigen. Indië, het

fabelachtige, rijke Indië te onderwerpen was nu het doel van zijn

streven. Toen hij de grensrivier, den Indus, overtrok, kwamen hem

verscheidene vorsten met rijke geschenken te gemoet. Eén koning echter,

de dappere #Porus#, poogde hem het verder doordringen te beletten. Maar

hoewel hij en zijn leger wonderen van dapperheid ten toon spreidden,

moest ook hij het onderspit delven. Met wonden bedekt werd hij

gevangengenomen, maar door Alexander allergrootmoedigst behandeld; hij

kreeg niet alleen zijn geheel koninkrijk terug, maar ontving daarenboven

nog verschillende nieuwe provinciën.

Na de onderwerping van Porus zou het Alexander niet moeielijk zijn

gevallen geheel Indië te veroveren, wanneer zijne Macedoniërs niet

oproerig geworden waren en geweigerd hadden hem verder te volgen.

Alexander moest dus tot den terugtocht besluiten, die dan ook onder de

grootste bezwaren ondernomen werd. Te Babylon aangekomen, ontwierp hij

weder nieuwe veroveringsplannen, maar te midden zijner groote

toerustingen rukte de dood hem weg in den nog jeugdigen ouderdom van 33

jaren. (323).

Treurig en mismoedig stonden zijne veldheeren en vrienden bij zijn

sterfbed.

Hij reikte hen de hand, en na hen veelbeteekend aangezien te hebben,

zeide hij: "Ik heb een voorgevoel, dat er na mijnen dood bloedige

twisten zullen ontstaan." Men vroeg hem nog, wien hij tot opvolger

bestemde.

Hij antwoordde: "den waardigste." Alexanders voorzegging kwam uit. Zijn

dood was het sein tot een langen en bloedigen strijd. Toch hebben zijne

veroveringen zeer veel goeds tot stand gebracht; want daardoor kwamen de

Grieken met de Oostersche volken in aanraking, werden beschaafder en

leerden elkander meer achten als menschen van gelijke beweging en

afkomst.

17. DE STICHTING VAN ROME.

(753).

We willen nu Griekenland, dat langen tijd het tooneel der

wereldgebeurtenissen was, verlaten en verplaatsen ons met onze gedachten

naar het heerlijke Italië. Nog altijd blijft Rome de merkwaardigste stad

van Italië niet alleen, maar in vele opzichten ook van de wereld.

Vooreerst wegens hare oudheid, waarin weinige steden van Europa met haar

kunnen wedijveren, maar ook vooral wegens de groote rol, die zij langen

tijd in de geschiedenis der wereld heeft gespeeld en in zekeren zin nog

speelt. Het verhaal van de stichting dezer stad is zoo wonderlijk, dat

men aan eene sage moet denken, waarin waarheid en verdichting zoodanig

dooreengemengd zijn, dat de eerste moeielijk is aan te wijzen, het

verhaal luidt aldus:

Na de verwoesting van Troje vluchtte de koningszoon #Aeneas# met eenige

getrouwen naar Italië, en wel naar 't landschap Latium, welks koning hem

vriendschappelijk opnam. Zijn zoon Ascanius stichtte de stad Alba Longa,

die weldra de hoofdstad werd van een koninkrijk van dien naam. De

achtste koning, Procus genaamd, liet bij zijn overlijden twee zonen na,

Numitor en Amulius, van welken de oudste hem zou opvolgen.

Numitor werd echter door zijn heerschzuchtigen, jongeren broeder van den

troon gestooten, die ook zijn' zoon op de jacht doodde en zijne dochter

Rhea Silvia dwong Vestaalsche maagd (priesteres van Vesta) te worden,

waardoor zij de gelofte moest afleggen, nimmer te huwen.

In weerwil van die gelofte huwde zij in stilte en kreeg tweelingzonen.

Toen Amulius dit gewaar werd, was zijne woede grenzenloos. Hij liet de

moeder in de gevangenis, de kinderen in den Tiber werpen.

De Tiber was juist buiten zijne oevers getreden, en de kinderen bleven,

toen 't water wegliep, in hun mandje op het droge staan. Eene wolvin,

die daar kwam, zoogde de van honger schreiende knaapjes en een specht

deelde de voedsterzorgen met haar.

Zoo werden zij door Faustulus, herder van Amulius, gevonden. Deze, wel

wetende, wat er gebeurd was, giste dadelijk de afkomst der kinderen en,

bewogen met hun lot, nam hij ze mee naar zijne vrouw, die ze als hare

kinderen opvoedde. De knapen, #Romulus# en #Remus# genaamd, onderscheidden

zich reeds spoedig van de andere herdersknapen door hunnen moed. Zij

verdedigden de kudden van hunnen pleegvader tegen wilde dieren en

roovers. Ook kwamen zij niet zelden in strijd met andere herders over de

beste kudden. Bij een gevecht met Numitors herders werd Remus eens

gevangengenomen en voor Numitor gevoerd. Nu snelde Faustulus met Romulus

spoedig naar Numitor en ontdekte het gansche geheim. Dadelijk waren de

driftige jongelingen er op bedacht, zich op hunnen wreeden oudoom te

wreken. Zij riepen hunne gezellen op, overvielen Amulius in Alba Longa,

doodden hem en herstelden Numitor in zijne verloren waardigheid. Deze

gaf hun tot loon een stuk land, ongeveer ter plaatse, waar zij door

Faustulus gered waren, met den raad, daar eene stad te bouwen. De

broeders volgden dien raad en bouwden eene stad, die natuurlijk eerst

zeer onaanzienlijk was. Toen het bouwen gedaan was, moest de stad eenen

naam hebben. Nu ontstond er twist tusschen de beide broeders, wie dien

zou geven. Daar men 't niet eens kon worden, wilde men de beslissing aan

de goden overlaten. Deze zouden door de vlucht hunner vogels (de

adelaars) aanwijzen, wie de eer zouden hebben, de stad te benoemen. Maar

ziet! nu ontstond er weer verschil, daar Remus het eerst zes arenden en

Romulus er kort daarna twaalf zag.

Remus beweerde, omdat hij ze 't eerst gezien had, de gunsteling der

goden te zijn, terwijl Romulus hetzelfde volhield, omdat hij de #meeste#

vogels gezien had.

Toen Remus zijn' broeder daarenboven nog bespotte over de geringheid van

den bouw, en ten bewijze daarvan over den ringmuur heensprong, werd

Romulus zoo toornig, dat hij zijn' zwaard greep en zijn' broeder

versloeg. Nu had hij dus geenen mededinger meer, en zijne stichting

kreeg den naam van Rome.

Thans kwam het er op aan bewoners in de stad te krijgen. Daarom noodigde

Romulus allen uit, onverschillig wie, om zich in de nieuwe stad

metterwoon te vestigen.

Dat de bevolking, die er kwam, niet van de allerfijnste soort was, laat

zich licht begrijpen, en dat de inwoners van Rome weldra niet ter goeder

naam en faam bekend stonden, eveneens. Daarom konden de Romeinen ook

geene vrouwen ten huwelijk krijgen, hoeveel moeite zij daartoe ook

aanwendden. Zij gingen nu hunne toevlucht tot list en geweld nemen.

Romulus noodigde de omliggende volken, vooral de Sabijnen, uit tot een

groot feest. Deze kwamen in de vreedzaamste stemming der wereld

ongewapend met hunne vrouwen en dochters. Te midden van het feest

evenwel vielen de gewapende Romeinen op de niets kwaads vermoedende

vrouwen aan en sleepten ze in hunne huizen, terwijl hare mannen,

broeders en vaders vluchtten. Dezen kwamen natuurlijk spoedig gewapend

terug, om hunne betrekkingen op te vorderen. De vrouwen scheen het

evenwel bij de Romeinen zoo goed te bevallen, dat zij eene verzoening

wisten te bewerken. Nu werd er besloten, dat de Sabijnen en de Romeinen

voortaan één volk zouden uitmaken, waarover Romulus en de Sabijnsche

koning Titus gemeenschappelijk zouden regeeren.

Romulus ruimde zijn' medekoning echter spoedig uit den weg en regeerde

overigens zoo willekeurig en wreed, dat hij den algemeenen haat der

aanzienlijken (patriciërs) op zich laadde. Dezen maakten hem daarom in

een raadsvergadering van kant en vertelden aan 't volk, dat hij uit hun

midden ten hemel was gevaren.

18. EEN VRIEND VAN ZIJN VADERLAND (BRUTUS).

250 Jaren lang regeerden er koningen over Rome. Slechts onder een

enkelen van deze en wel onder den opvolger van Romulus, den Sabijn #Numa

Pompilius#, bleef het zwaard rusten.

Numa maakte zich voor Rome verdienstelijk door het geven van wijze

wetten en de regeling van den godsdienst. Zijn tienjarig bestuur was de

gelukkigste tijd, dien Rome onder zijne koningen had. De meeste zijner

opvolgers waren er op bedacht Rome's grondgebied te vergrooten, zoodat

de tempel van Janus door Numa, den man des vredes, gesticht, maar zelden

gesloten was. Deze tempel n.l. mocht alleen in vredestrijd gesloten

worden.

Langzamerhand werden de volken in de onmiddellijke nabijheid van Rome

door de oorlogzuchtige Romeinen onderworpen en wel het eerst de bewoners

van de moederstad Alba Longa (Horatiërs en Curatiërs). De laatste der

koningen was #Tarquinius# om zijne trotschheid de _trotsche_ (superbus)

geheeten. Door vele misdaden en bezoedeld met het bloed zijns

schoonvaders Servius Tullius was hij tot den troon gekomen; door geweld

en wreedheid zocht hij zich staande te houden. Hij begon zijne regeering

met het dooden van al de leden zijner familie, met uitzondering van

Lucius Junius, die, door zich onnoozel te houden, den dood ontkwam en

als een onschadelijk wezen ten speelbal der hovelingen aan het hof bleef

leven. Daarom kreeg hij den bijnaam van Brutus (de onnoozele).

Tarquinius maakte zich intusschen door zijne trotschheid bij

aanzienlijken en geringen meer en meer gehaat, totdat de schandelijke

daad van zijn' zoon Sextus de maat deed overvloeien. Terwijl Tarquinius

eene vijandelijke stad belegerde, ging Sextus de vrouw van een' der

legeraanvoerders, Collatinus, op eene gruwelijke wijze beleedigen.

Lucretia, zoo heette de vrouw, liet daarop haren man en eenige beproefde

vrienden uit het leger komen, verhaalde hun het voorgevallene en, den

aangedanen smaad niet willende overleven, haalde zij een' dolk voor den

dag en stak zich dien in het hart.--Nu toonde Brutus, dat zijne

onnoozelheid slechts schijn was. Hij liet het lijk van Lucretia naar de

markt brengen, verhaalde aan 't verzamelde volk de toedracht der zaak,

trok den dolk uit de borst der edele vrouw en riep vervolgens het volk

op om het juk van den gehaten tiran af te schudden.

Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen · 第 3 / 10 段