EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Berouw.

Het was reeds bijna donker toen de jongens zacht en behoedzaam

wegslopen. Ze durfden naar rechts noch links te zien; ze durfden bijna

niet ademhalen. Hun hartjes klopten zoo luide dat het was of ieder in

den omtrek ze moest hooren kloppen; het klonk hun zelf in de ooren als

ver verwijderde hamerslagen. Hand in hand, eerst langzaam, op de teenen,

maar dan al harder en harder liepen ze voort. Ze vlogen meer dan ze

liepen! Een weinig buiten het dorp liep de straatweg langs een dicht

dennebosch. Als ze dáár maar eenmaal waren, dacht Paul, dan waren ze

gered. Diep in het bosch tusschen de lage dennen zou niemand hen vinden,

en beiden gaven een zucht van verlichting toen ze de eerste rijen

boomen van het bosch achter zich hadden, daar gevoelden ze zich veilig,

voor ieders oog verborgen. Tusschen de boomen was het veel donkerder dan

op den weg; ze konden geen hand voor oogen zien en liepen maar op den

tast voort.

Nu eens struikelde Paul over een tak of viel Dickie in een kuil; dan

weer schramden ze zich gezicht en handen aan de struiken of liepen zich

een buil tegen de boomen. Maar pijn voelden ze niet; ze dachten aan

niets anders dan aan loopen, loopen zoo hard ze maar konden, hoe verder

hoe beter. Doch eindelijk konden ze niet meer, het bosch leek wel veel

grooter en dieper dan ze zich voorgesteld hadden en de nacht was zoo

donker en de wind ruischte zoo klagend door de boomtoppen. Angstig

door de duisternis, die maar geen einde scheen te nemen en doodelijk

vermoeid, vielen beide jongens op den met dennenaalden bezaaiden grond

neer en schreiden bitter. Stijf hielden ze elkander omklemd tot Dickie,

moe van 't huilen, in slaap viel.

Paul durfde zich niet verroeren uit vrees dat Dick dan wakker zou

worden. Een gevoel van groote wroeging en diep medelijden met zijn arm

klein slachtoffer werd steeds sterker bij hem en het besef, dat hij

niets ongedaan kon maken van alles wat zijn kleine metgezel door hem

geleden had, gaf hem een gevoel van wanhoop zóó groot, dat hij op dit

oogenblik alles wel had willen geven en alles wel had willen doen,

wanneer hij Dickie daardoor weer behouden in zijns vaders huis kon doen

terugkeeren.

Daar zaten ze nu samen in het bosch op den grond in den donkeren nacht.

Niets zag Paul om zich heen dan duisternis; niets hoorde hij dan den

wind en de ademhaling van Dickie, die nog snikte in zijn slaap. O! die

vreeselijke nacht! Alles wat ze de laatste dagen doorleefd hadden kwam

Paul zoo helder voor den geest, als zag hij het vóór zich en steeds weer

zag hij zichzelf: kwaad doende, ondeugend, anderen plagend, een onnutte

deugniet. Wat hij ook voor onaangenaams ondervonden had, 't was allemaal

door eigen schuld.—Had hij er ooit aan gedacht welk een verdriet hij

zijn ouders aandeed? Zorgden ze niet voor hem met veel meer liefde dan

hij verdiende?

Zij leefden alléén voor hem, voor zijn zusjes en voor allen, die ze

liefhadden. En hij?

Hij leefde alleen voor zichzelf. _Hun_ genoegen was anderen gelukkig te

maken. _Zijn_ genoegen was anderen het leven te verbitteren en dit

vermeend genoegen eindigde altijd met straf, scheldwoorden, onrust en

onaangenaamheid.

Hoe snakte hij op 't oogenblik naar rust, naar kalmte, naar een

aangenaam tehuis.

Als het nu licht werd en zijne moeder stond op eenmaal voor hem, hoe zou

hij haar om den hals vallen vol schaamte en berouw.

Nu besefte hij eerst recht wat zij geleden moest hebben door zijn

onhebbelijk gedrag.

Zou hij wel ooit weer terugkeeren onder zijns vaders dak? Wanneer hij

dan weer zijn middageten kreeg aan een zindelijk gedekte tafel, dan

zouden zijn ouders niet meer behoeven te klagen, dat hij morste en

onhebbelijk at. Hij gruwde van het eten in den kermiswagen van de vuile

en morsige Koningin der Isofagus-eilanden. Hoe was het mogelijk, dat hij

zich 's morgens óók wel eens niet gewasschen had! Zou zijn moeder hem

dan ook zoo vies gevonden hebben? Met een onuitputtelijk geduld maande

zij hem steeds weer aan toch zindelijk te zijn en hij gaf er den brui

van.

Voortaan zou en moest dat anders worden. Hij wilde zijn haren niet meer

ongeborsteld laten, zijn nagels ongeschuierd, zijn lichaam ongewasschen.

Men zou eens zien hoe netjes hij aan 't ontbijt zou komen, hoe flink hij

zijn lessen zou leeren, hoe hij in alles zou trachten zijn best te doen.

„O Dickie! Dickie!” snikte hij uit, „als jij me dan maar vergeven kunt!”

en hij drukte het kleine ventje met zoo'n onstuimigheid tegen zich aan,

dat Dick wakker werd.

En Dick verweet hem niets; hij voelde als bij instinct hoe diep en

ernstig het berouw was van zijn lotgenoot. Al liefkoozend liet hij zijn

hand over die van Paul gaan en hield haar stevig vast.

Van dit oogenblik af waren zij onafscheidelijke vrinden. Hand in hand

sliepen ze beiden in tot het daglicht hen wekte.

Het was geen vroolijk lachende zon, die aan den hemel stond. De lucht

was bedekt met dikke grijze wolken en de regen begon langzaam te vallen.

De jongens richtten zich op beide handen op en wreven zich de oogen uit,

want ze dachten eerst nog dat ze droomden, toen ze bemerkten, dat ze

's nachts in hun haast om steeds verder te loopen, door de duisternis

misleid, gedurig van richting waren veranderd, waardoor ze maar op een

paar meter afstand lagen van de plaats waar ze het bosch waren

binnengegaan.

En nog grooter werd hunne verbazing, toen ze door de boomen den Markies

met „de Zwarte” op den straatweg zagen loopen, druk pratend.

„De Zwarte” nam spoedig afscheid en liep haastig door, maar de Markies

kwam recht op de plaats af waar zij lagen, alsof dit zoo vanzelf sprak

en zei: „Wel, wel, heb jelui lekker geslapen? 't Is wel eens verkwikkend

zoo'n nacht in de open lucht.”

De jongens waren zoo verbluft, dat ze geen woord konden zeggen.

„Hoor eens,” zei Paul eindelijk, „ik ben van plan mijn leven te beteren;

ik wil naar huis om daar alles weer goed te maken en wanneer u me dat

niet wilt toestaan, zal ik 't aan den eersten den besten veldwachter

vertellen dien we tegenkomen.”

De Markies blies verscheidene kringetjes in de lucht, maar door den

regen ging het effect ervan verloren.

„Als het je hetzelfde is,” zei hij, „zullen we later samen eens kalmpjes

over dat zaakje praten. Jelui kwaamt beiden geheel uit eigen vrijen wil

bij mijn gezelschap en ik zou zeggen, dat een dergelijk engagement maar

niet zoo in eens verbroken kan worden, doch het kan zijn, dat jij het

beter weet. Ook zou ik het hoogst ondankbaar vinden, wanneer je mijn

gezelschap verliet, nadat ik zooveel moeite ten koste heb gelegd je tot

een goed acteur te vormen. Het weer is op 't oogenblik te slecht om in

de open lucht een rede te houden over de ondankbaarheid. 't Eenigste wat

ik nog te zeggen heb is dit: Jelui blijft voorloopig beiden bij me, want

ik heb daar zoo juist eene uitnoodiging ontvangen om eene voorstelling

te komen geven op een buitenplaats hier in de nabijheid en daarvoor kan

ik geen enkele mijner sujetten missen. Zie je daar in de verte dat

troepje, dat er uitziet als een hoop natte kippen? Dat is alles wat

overgebleven is van het prachtige spel van den Markies van Galimedes.

Laten we naar hen toe gaan.”

„Paul,” fluisterde Dickie, „laten we maar meegaan. Zoo gauw we op die

buitenplaats zijn vertellen we alles aan de menschen daar.”

Paul knikte en 't duurde niet lang of de spellebaas was met de jongens

bij den troep gekomen.

De Markies had wel gelijk, zijn spel was er droevig aan toe. Al zijn

dieren had hij verloren en de kermiswagen was ook geheel verbrand. De

tooneelcostumes, eenige dingen die bij het goochelen gebruikt werden en

nog 'n oud orgel was het eenigste wat hij, met gevaar voor eigen leven,

had kunnen redden.

Doch, vreemd genoeg, hij scheen door het verlies van bijna alles wat tot

zijn levensonderhoud moest dienen, in 't minst niet terneergeslagen.

„Als we bij alle tegenspoeden, die we op onzen levensweg ontmoeten,

dadelijk ons zelf de haren uit gaan trekken,” zei hij, „zouden we

gauw allemaal kale hoofden hebben. Laten we de dingen maar wijsgeerig

opvatten en een glaasje klare gaan drinken. „Heb geen zorgen vóór den

tijd” en „Iederen dag heeft genoeg aan z'n eigen leed” zijn, geloof ik,

gezegden van een wijs man uit de oudheid. Maar komaan, we moeten onzen

tijd niet staan te verpraten, we hebben nog een heel eind te loopen en

we kunnen natuurlijk niet allemaal rijden. De Koningin zal op den rug

van Bucefalus zeker een zeer bevallig figuur maken en de meisjes kunnen

op de beurt wel op Marengo plaats nemen. Jelui beiden, jongens, en ik,

wij gaan te voet, want wel is waar hebben we alles verloren, maar de

hoffelijkheid voor 't schoone geslacht is ons gelukkig nog bijgebleven.”

„Jonas is er waarschijnlijk stilletjes uitgeknepen. Natuurlijk, dat is

zoo der menschen aard, waar geen aas is zijn ook geen gieren.

Voorwaarts, armzalige troep!”

Paul en Dickie vonden het heerlijk, dat ze eindelijk op weg konden gaan,

ze werden moe van 't wachten in koude en regen; en de buitenplaats nam

al hun gedachten in beslag.

Den geheelen dag sukkelde de troep voort over den spiegelgladden weg,

nat en glad door regen en slik. Water was boven, modder beneden en slik

rondom hen.

[Illustratie: ... sukkelde de troep voort over den spiegelgladden weg.]

Alles zag er even vies en ellendig uit.

De koeien langs den weg, tot de knieën in 't water, hoestten alsof ze

smoorverkouden waren.

Moe, met pijnlijke voeten en doornat liepen de twee jongens stilzwijgend

naast elkaar voort en dachten aan huis.

Om twaalf uur ongeveer gebruikten allen in de open lucht een pover

middagmaal. Nog later op den dag tracteerde de Koningin op een soort

vocht, dat ze thee noemde, maar dat meer naar looi smaakte.

Eindelijk hield, tegen den avond, de regen op, de wolken braken en in 't

westen vertoonde zich nog even de bloedroode schijf van de ondergaande

zon. De vogels, die zich reeds tusschen de struiken te slapen hadden

gezet, werden wakker en sjilpten en fladderden als van dankbaarheid voor

dit korte oogenblik van licht en warmte.

De regendroppels schitterden in het roode licht als robijnen en de

geheele aarde scheen voor een oogenblik overgoten met een rose

vreugdeschijn.

Zelfs de neus van den Markies straalde met een ongewonen glans.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 24 / 25 题