Berouw.
Het was reeds bijna donker toen de jongens zacht en behoedzaam
wegslopen. Ze durfden naar rechts noch links te zien; ze durfden bijna
niet ademhalen. Hun hartjes klopten zoo luide dat het was of ieder in
den omtrek ze moest hooren kloppen; het klonk hun zelf in de ooren als
ver verwijderde hamerslagen. Hand in hand, eerst langzaam, op de teenen,
maar dan al harder en harder liepen ze voort. Ze vlogen meer dan ze
liepen! Een weinig buiten het dorp liep de straatweg langs een dicht
dennebosch. Als ze dáár maar eenmaal waren, dacht Paul, dan waren ze
gered. Diep in het bosch tusschen de lage dennen zou niemand hen vinden,
en beiden gaven een zucht van verlichting toen ze de eerste rijen
boomen van het bosch achter zich hadden, daar gevoelden ze zich veilig,
voor ieders oog verborgen. Tusschen de boomen was het veel donkerder dan
op den weg; ze konden geen hand voor oogen zien en liepen maar op den
tast voort.
Nu eens struikelde Paul over een tak of viel Dickie in een kuil; dan
weer schramden ze zich gezicht en handen aan de struiken of liepen zich
een buil tegen de boomen. Maar pijn voelden ze niet; ze dachten aan
niets anders dan aan loopen, loopen zoo hard ze maar konden, hoe verder
hoe beter. Doch eindelijk konden ze niet meer, het bosch leek wel veel
grooter en dieper dan ze zich voorgesteld hadden en de nacht was zoo
donker en de wind ruischte zoo klagend door de boomtoppen. Angstig
door de duisternis, die maar geen einde scheen te nemen en doodelijk
vermoeid, vielen beide jongens op den met dennenaalden bezaaiden grond
neer en schreiden bitter. Stijf hielden ze elkander omklemd tot Dickie,
moe van 't huilen, in slaap viel.
Paul durfde zich niet verroeren uit vrees dat Dick dan wakker zou
worden. Een gevoel van groote wroeging en diep medelijden met zijn arm
klein slachtoffer werd steeds sterker bij hem en het besef, dat hij
niets ongedaan kon maken van alles wat zijn kleine metgezel door hem
geleden had, gaf hem een gevoel van wanhoop zóó groot, dat hij op dit
oogenblik alles wel had willen geven en alles wel had willen doen,
wanneer hij Dickie daardoor weer behouden in zijns vaders huis kon doen
terugkeeren.
Daar zaten ze nu samen in het bosch op den grond in den donkeren nacht.
Niets zag Paul om zich heen dan duisternis; niets hoorde hij dan den
wind en de ademhaling van Dickie, die nog snikte in zijn slaap. O! die
vreeselijke nacht! Alles wat ze de laatste dagen doorleefd hadden kwam
Paul zoo helder voor den geest, als zag hij het vóór zich en steeds weer
zag hij zichzelf: kwaad doende, ondeugend, anderen plagend, een onnutte
deugniet. Wat hij ook voor onaangenaams ondervonden had, 't was allemaal
door eigen schuld.—Had hij er ooit aan gedacht welk een verdriet hij
zijn ouders aandeed? Zorgden ze niet voor hem met veel meer liefde dan
hij verdiende?
Zij leefden alléén voor hem, voor zijn zusjes en voor allen, die ze
liefhadden. En hij?
Hij leefde alleen voor zichzelf. _Hun_ genoegen was anderen gelukkig te
maken. _Zijn_ genoegen was anderen het leven te verbitteren en dit
vermeend genoegen eindigde altijd met straf, scheldwoorden, onrust en
onaangenaamheid.
Hoe snakte hij op 't oogenblik naar rust, naar kalmte, naar een
aangenaam tehuis.
Als het nu licht werd en zijne moeder stond op eenmaal voor hem, hoe zou
hij haar om den hals vallen vol schaamte en berouw.
Nu besefte hij eerst recht wat zij geleden moest hebben door zijn
onhebbelijk gedrag.
Zou hij wel ooit weer terugkeeren onder zijns vaders dak? Wanneer hij
dan weer zijn middageten kreeg aan een zindelijk gedekte tafel, dan
zouden zijn ouders niet meer behoeven te klagen, dat hij morste en
onhebbelijk at. Hij gruwde van het eten in den kermiswagen van de vuile
en morsige Koningin der Isofagus-eilanden. Hoe was het mogelijk, dat hij
zich 's morgens óók wel eens niet gewasschen had! Zou zijn moeder hem
dan ook zoo vies gevonden hebben? Met een onuitputtelijk geduld maande
zij hem steeds weer aan toch zindelijk te zijn en hij gaf er den brui
van.
Voortaan zou en moest dat anders worden. Hij wilde zijn haren niet meer
ongeborsteld laten, zijn nagels ongeschuierd, zijn lichaam ongewasschen.
Men zou eens zien hoe netjes hij aan 't ontbijt zou komen, hoe flink hij
zijn lessen zou leeren, hoe hij in alles zou trachten zijn best te doen.
„O Dickie! Dickie!” snikte hij uit, „als jij me dan maar vergeven kunt!”
en hij drukte het kleine ventje met zoo'n onstuimigheid tegen zich aan,
dat Dick wakker werd.
En Dick verweet hem niets; hij voelde als bij instinct hoe diep en
ernstig het berouw was van zijn lotgenoot. Al liefkoozend liet hij zijn
hand over die van Paul gaan en hield haar stevig vast.
Van dit oogenblik af waren zij onafscheidelijke vrinden. Hand in hand
sliepen ze beiden in tot het daglicht hen wekte.
Het was geen vroolijk lachende zon, die aan den hemel stond. De lucht
was bedekt met dikke grijze wolken en de regen begon langzaam te vallen.
De jongens richtten zich op beide handen op en wreven zich de oogen uit,
want ze dachten eerst nog dat ze droomden, toen ze bemerkten, dat ze
's nachts in hun haast om steeds verder te loopen, door de duisternis
misleid, gedurig van richting waren veranderd, waardoor ze maar op een
paar meter afstand lagen van de plaats waar ze het bosch waren
binnengegaan.
En nog grooter werd hunne verbazing, toen ze door de boomen den Markies
met „de Zwarte” op den straatweg zagen loopen, druk pratend.
„De Zwarte” nam spoedig afscheid en liep haastig door, maar de Markies
kwam recht op de plaats af waar zij lagen, alsof dit zoo vanzelf sprak
en zei: „Wel, wel, heb jelui lekker geslapen? 't Is wel eens verkwikkend
zoo'n nacht in de open lucht.”
De jongens waren zoo verbluft, dat ze geen woord konden zeggen.
„Hoor eens,” zei Paul eindelijk, „ik ben van plan mijn leven te beteren;
ik wil naar huis om daar alles weer goed te maken en wanneer u me dat
niet wilt toestaan, zal ik 't aan den eersten den besten veldwachter
vertellen dien we tegenkomen.”
De Markies blies verscheidene kringetjes in de lucht, maar door den
regen ging het effect ervan verloren.
„Als het je hetzelfde is,” zei hij, „zullen we later samen eens kalmpjes
over dat zaakje praten. Jelui kwaamt beiden geheel uit eigen vrijen wil
bij mijn gezelschap en ik zou zeggen, dat een dergelijk engagement maar
niet zoo in eens verbroken kan worden, doch het kan zijn, dat jij het
beter weet. Ook zou ik het hoogst ondankbaar vinden, wanneer je mijn
gezelschap verliet, nadat ik zooveel moeite ten koste heb gelegd je tot
een goed acteur te vormen. Het weer is op 't oogenblik te slecht om in
de open lucht een rede te houden over de ondankbaarheid. 't Eenigste wat
ik nog te zeggen heb is dit: Jelui blijft voorloopig beiden bij me, want
ik heb daar zoo juist eene uitnoodiging ontvangen om eene voorstelling
te komen geven op een buitenplaats hier in de nabijheid en daarvoor kan
ik geen enkele mijner sujetten missen. Zie je daar in de verte dat
troepje, dat er uitziet als een hoop natte kippen? Dat is alles wat
overgebleven is van het prachtige spel van den Markies van Galimedes.
Laten we naar hen toe gaan.”
„Paul,” fluisterde Dickie, „laten we maar meegaan. Zoo gauw we op die
buitenplaats zijn vertellen we alles aan de menschen daar.”
Paul knikte en 't duurde niet lang of de spellebaas was met de jongens
bij den troep gekomen.
De Markies had wel gelijk, zijn spel was er droevig aan toe. Al zijn
dieren had hij verloren en de kermiswagen was ook geheel verbrand. De
tooneelcostumes, eenige dingen die bij het goochelen gebruikt werden en
nog 'n oud orgel was het eenigste wat hij, met gevaar voor eigen leven,
had kunnen redden.
Doch, vreemd genoeg, hij scheen door het verlies van bijna alles wat tot
zijn levensonderhoud moest dienen, in 't minst niet terneergeslagen.
„Als we bij alle tegenspoeden, die we op onzen levensweg ontmoeten,
dadelijk ons zelf de haren uit gaan trekken,” zei hij, „zouden we
gauw allemaal kale hoofden hebben. Laten we de dingen maar wijsgeerig
opvatten en een glaasje klare gaan drinken. „Heb geen zorgen vóór den
tijd” en „Iederen dag heeft genoeg aan z'n eigen leed” zijn, geloof ik,
gezegden van een wijs man uit de oudheid. Maar komaan, we moeten onzen
tijd niet staan te verpraten, we hebben nog een heel eind te loopen en
we kunnen natuurlijk niet allemaal rijden. De Koningin zal op den rug
van Bucefalus zeker een zeer bevallig figuur maken en de meisjes kunnen
op de beurt wel op Marengo plaats nemen. Jelui beiden, jongens, en ik,
wij gaan te voet, want wel is waar hebben we alles verloren, maar de
hoffelijkheid voor 't schoone geslacht is ons gelukkig nog bijgebleven.”
„Jonas is er waarschijnlijk stilletjes uitgeknepen. Natuurlijk, dat is
zoo der menschen aard, waar geen aas is zijn ook geen gieren.
Voorwaarts, armzalige troep!”
Paul en Dickie vonden het heerlijk, dat ze eindelijk op weg konden gaan,
ze werden moe van 't wachten in koude en regen; en de buitenplaats nam
al hun gedachten in beslag.
Den geheelen dag sukkelde de troep voort over den spiegelgladden weg,
nat en glad door regen en slik. Water was boven, modder beneden en slik
rondom hen.
[Illustratie: ... sukkelde de troep voort over den spiegelgladden weg.]
Alles zag er even vies en ellendig uit.
De koeien langs den weg, tot de knieën in 't water, hoestten alsof ze
smoorverkouden waren.
Moe, met pijnlijke voeten en doornat liepen de twee jongens stilzwijgend
naast elkaar voort en dachten aan huis.
Om twaalf uur ongeveer gebruikten allen in de open lucht een pover
middagmaal. Nog later op den dag tracteerde de Koningin op een soort
vocht, dat ze thee noemde, maar dat meer naar looi smaakte.
Eindelijk hield, tegen den avond, de regen op, de wolken braken en in 't
westen vertoonde zich nog even de bloedroode schijf van de ondergaande
zon. De vogels, die zich reeds tusschen de struiken te slapen hadden
gezet, werden wakker en sjilpten en fladderden als van dankbaarheid voor
dit korte oogenblik van licht en warmte.
De regendroppels schitterden in het roode licht als robijnen en de
geheele aarde scheen voor een oogenblik overgoten met een rose
vreugdeschijn.
Zelfs de neus van den Markies straalde met een ongewonen glans.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]