LAATSTE HOOFDSTUK.

Met het vallen van den avond kwam de troep eindelijk op zijne bestemming

aan. Het was een groote en deftige buitenplaats, waar de Markies

genoodigd was eene voorstelling te geven. Een ijzeren hek gaf toegang

tot de oprijlaan van statige beuken.

Tegen een der pijlers van het hek leunde een forsch gebouwd man, die

daar blijkbaar op den troep wachtte. Het was „de Zwarte”. Hij liep

vooruit naar het huis, waarvan alle vensters verlicht waren. Achter de

neergelaten gordijnen zag men de schaduwen van een aantal menschen zich

druk heen en weer bewegen. Doch bij de voordeur die open stond, was

niemand te zien; in de groote vestibule ook geen mensch. Ze liepen door

verscheidene kamers, alle schitterend verlicht, maar nergens ontmoetten

ze een levend wezen. Het geleek wel het paleis van de Schoone Slaapster

uit het sprookje.

De „Zwarte” bracht hen in een tamelijk groot vertrek met twee deuren en

zeide:

„Deze kamer is tot kleedkamer bestemd, ge vindt hier alles wat ge noodig

hebt en door die deur dáár komt ge achter op het tooneel. Alles is daar

reeds voor de voorstelling in orde gemaakt.”

Daarop verdween hij.

„Kinderen,” sprak de Markies hierop, „het zal zeer moeilijk voor ons

zijn een dragelijke voorstelling te geven met de weinige hulpmiddelen,

die we nog na den brand hebben overgehouden. Toch zullen we beproeven

onzen goeden naam zooveel mogelijk op te houden.”

„Voor de meisjes is het niet moeilijk; zij kunnen hunne verrichtingen op

het slappe koord en hunne kunsten als slangenmenschen zonder

noemenswaardige hulpmiddelen vertoonen.”

„De Koningin zal het publiek wel op eenige grappige liedjes willen

onthalen.”

„Ik zelf heb nog wel een en ander waarmede het me gelukken zal mijne

zeldzame goocheltoeren uit te voeren, maar wat moet er bij deze

voorstelling van de beide kleine ongeluksvogels worden?”

„Ik heb nu al zóóveel rollen bedacht, waarin ik hoopte dat ge beiden

zoudt uitblinken, maar de eenigste rol die je natuurlijk hebt gespeeld,

was die van vuurduivels en die rol speelde je nu eigenlijk weer al

te natuurlijk. Waarlijk, ik zou voor een oogenblik de vindingrijke

verbeeldingskracht van een oorlogscorrespondent wenschen te bezitten, om

iets te bedenken waarvoor jelui beiden nu eens wèl geschikt zijt.”

„Komaan! Optreden moeten jelui. We zullen je dus aan het publiek

voorstellen als de Siameesche tweelingen. Dat is een rol, waarin je

niets te zeggen en gelukkig ook niets te doen hebt. Ik durf dus bijna

wel veronderstellen, dat jelui met dien rol eer zult inleggen.”

Daarop bond de Markies Paul en Dickie met een laken kunstig aan elkaar

vast en zette elk een papieren ezelsmuts op 't hoofd. Zoo wachtten

beiden met kloppend hart op de dingen, die komen zouden.

Eerst goochelde de Markies zoo goed en zoo kwaad het ging. Toen

vertoonden de gezusters hare zeldzame toeren en daarna kwam de Koningin

op en zong eenige liedjes, die grappig moesten heeten. Ze zong zoo

onuitsprekelijk leelijk, dat, als men haar niet gezien had, men gevraagd

zou hebben of er een varken aan 't schreeuwen was, dat uit een schip

geheschen werd.

De heer des huizes riep dan ook al gauw: „Genoeg, genoeg!” en toen viel

het gordijn.

„Dames en heeren,” zei de Markies, nadat het gordijn weer was opgehaald,

„het laatste nummer had helaas niet het uitbundige succes dat ik

verwacht had, doch ik hoop, dat het wonder, dat ik nu ga vertoonen

daverend door u zal worden toegejuicht. Het zijn de Siameesche

tweelingen, twee kleine dwaze jongens, die ik op eene van mijn

zwerftochten ontmoette en tot mij nam. Ze zijn in 't bezit van twee

kleine eigenzinnige hoofden en vier kleine beenen, die graag wegloopen.

Door een bijzondere leermethode, die ik zeer kan aanbevelen, heb ik hen

tot gehoorzame knapen opgevoed. Ik beveel mijne tweelingen in de

welwillendheid van het geachte publiek ten zeerste aan. Zij verdienen

dit ten volle. Ik hoop hen over eenige seconden aan u voor te stellen.”

Toen de Markies zich nu even verwijderde om de tweelingen te halen, werd

het publiek merkbaar ongeduldig, hetgeen zich uitte in een zenuwachtig

schuifelen met de voeten, een zacht gegichel en een onderdrukt hoesten.

Daar kwam de Markies met de beide jongens en op 't zelfde oogenblik

hoorde men van alle kanten de luide uitroepen: „Daar zijn ze! Daar zijn

ze! Ze zijn 't! Mijn jongen!”

En de jongens?...

Inplaats van om hulp te roepen, zooals ze zich voorgenomen hadden,

stonden ze daar stom van verbazing met gezichten, alsof ze uit een

diepen slaap plotseling wakker waren gemaakt.

Vlak voor hen zaten hunne ouders...

Dickie was het eerst van zijne verbazing bekomen. Hij zag zijn vader en

wou naar hem toe. Maar zijn tweeling zat nog aan hem vastgebonden en dus

moesten beiden nog eenige minuten op het tooneel staan ten aanschouwe

van allen, die in de zaal aanwezig waren, tot de Markies het laken had

losgeknipt. Dit was een oogenblik van groote beproeving en bijna had

de valsche schaamte, dat hij daar tegenover al die menschen zoo'n gek

figuur maakte, Paul op zijn gewone onverschillige kwâjongensmanier van

vroeger, doen uitroepen: „'k Geef er toch niks om!”

Maar gelukkig! Zijn beter ik bleef de baas over den ondeugenden Paul van

vroeger. Met een verheugd gezicht verdroeg hij alle lachende,

nieuwsgierige en medelijdende blikken, die op hen gevestigd waren. En

dat waren er vele, want de heer Steenvoorde had uit dankbaarheid allen

uitgenoodigd, die willens of onwillens een heilzamen invloed op Paul's

karakter gehad hadden gedurende zijn voorgenomen „reis om de wereld.”

[Illustratie: ... stom van verbazing.]

Daar zag men in de eerste plaats Roybon, die van gekookte en ongekookte

appels hield, maar alleen dan wanneer ze betaald waren. In een groote

leuningstoel zat deftig de achtbare burgemeester, die Paul tot

gevangenisstraf veroordeeld had, omdat hij „zonder eenig middel van

bestaan rondzwierf.” Op eerbiedigen afstand zat zijn klerk met het kale

hoofd, dat er meer dan ooit uitzag als een reusachtig kippenei. En dan

een weinig verder daar zat Boks de molenaar, in een stuip van 't lachen,

en zijn vroolijke vrouw schudde met hem mee met de handen in de zij, dik

en vet van al het varkensvleesch met brood en aardappelen. De kleine

nijdige man zonder nek, wiens schuur verbrand was, mankeerde ook niet,

maar hij keek nu niet nijdig en daar, in een hoekje, daar zat waarlijk

het magere burgemeestertje met zijn grafstem, wiens dorp zoo verontrust

was door de verscheurende beren. Achter in de zaal stond „de Zwarte”

in de deuropening, alsof hij op 't punt stond dadelijk weer op een

geheimzinnige manier te verdwijnen.

Toen de beide tweelingen van hun banden bevrijd waren, sprongen ze over

het voetlicht heen en vlogen met onstuimige vreugde hunne ouders om den

hals, schreiend van dankbaarheid en lang bedwongen smart.

Pak-an blafte en sprong om hen heen, maar ze behoefden nu niet bang meer

voor hem te zijn.

Alle vreemden verlieten nu, alsof ze 't afgesproken hadden, de zaal, om

de ouders met hun teruggekeerde kinderen ongestoord van het wederzien te

doen genieten. Alleen de burgemeester bleef nog even en zei tot Paul:

„Ik moet nog altijd antwoord hebben op een vraag. Nu kan je me dat zeker

wel geven: Hoe is je naam en waar woon je?”

Paul keek eens naar de zoldering en zei toen langzaam:

„Paul Steenvoorde....” maar verder kwam hij niet.

„Wat is dat?” riep de burgemeester, „weet je het nu nòg niet?”

„Neen,” viel de heer Steenvoorde in, „de jongen weet werkelijk niet waar

hij op 't oogenblik is, want we verhuisden hier naar buiten, den dag

nadat hij wegliep.”

„Ah zoo!” zei de burgemeester, „dat is wat anders.”

[Illustratie]

„Maar Vader,” vroeg Paul, „wie was toch die man, die groote, zwarte

man, die ons overal volgde?”

„Dat was een goede trouwe bediende van mij, mijn jongen, hij was hier

in dit huis huisbewaarder zoolang het ledig stond. Hij was op weg naar

mij toe, toen hij jou toevallig door den veldwachter zag opbrengen.

Hij kende je niet, maar hoorde, dat mijn zoon vermist werd en begaf

zich daarom zoo vroeg mogelijk in den morgen naar mijn huis, om mij te

vertellen wat hij gezien had. Uit zijne beschrijving begreep ik dat jij

het was en ik nam mij voor dadelijk naar je toe te gaan. Hij gaf mij

echter een goeden raad. Hij zei: „Laat den jongen eens een poosje aan

zijn lot over, dat zal een man van hem maken.” Ik volgde zijn raad en

we spraken af, dat hij je onbemerkt zou volgen, dat hij zou oppassen,

dat je geen kwaad overkwam en zou maken, dat je niemand eenigen overlast

deed of kosten veroorzaakte. Hij hield me van alles op de hoogte en toen

hij dacht, dat het genoeg was heeft hij je weer thuisgebracht.”

„Dus wisten de oude molenaar en de Markies beiden wie ik was?” riep

Paul.

„Ja mijn jongen,” zei de heer Steenvoorde, „doch geloof me, het

geschiedde alles tot je eigen bestwil.”

„O! o!” zei Paul na een oogenblik nadenken, „wat zullen ze allen om me

lachen,” en hij lachte zelf met een vroolijken hartelijken lach.

„Neen Paul, lachen zullen ze niet, ze zullen je prijzen en bewonderen,

dat je zoo'n flinke jongen geworden bent.”

Het overige van den avond was er feest voor allen. Beneden in de

dienstbodenkamer en boven in de eetkamer stonden keurig gedekte tafels,

met bloemen versierd, en allen vereenigden zich daar, om gezamenlijk de

behouden terugkeer der beide jongens te vieren. Paul en Dickie zaten

naast elkaar hand in hand en de heer Steenvoorde stelde een toost in op

hun beider welzijn. Hij vroeg aan Roybon vergunning in 't vervolg voor

de opvoeding van Dickie te mogen zorgen en hem, te zamen met Paul, alles

te mogen laten leeren wat voor zijn volgend leven nuttig en noodig zou

zijn. De beide vrienden zouden dan ook in 't vervolg steeds lief en leed

te zamen kunnen deelen.

En Roybon? Hij stemde hier volgaarne in toe. Het was reeds lang zijn

plan geweest de betrekking van veldwachter neer te leggen. Dit plan zou

hij nu ten uitvoer brengen en met Dick in de nabijheid van den heer

Steenvoorde gaan wonen.

„Pak-an en ik,” zoo zei hij, „kunnen dan meteen een oogje in 't zeil

houden, als de jongens weer eens lust hebben er van door te gaan.”

De eenige, die niet in de algemeene vreugde deelde, was de Markies. Hij

keek droevig en somber voor zich. Het huis waarin hij zich bevond, de

menschen met wie hij sprak, de geheele omgeving van rijkdom en weelde,

alles herinnerde hem aan lang vervlogen tijden, die nooit konden

terugkeeren. Hij bleef den nacht in het huis van de familie Steenvoorde

doorbrengen en toen het uur van afscheid nemen den volgenden morgen

gekomen was, riep zijn gastheer hem bij zich op zijn kamer.

„Ik ben u veel verschuldigd,” zoo sprak hij, „meer dan ik met geld

betalen kan; zeg mij wat ge noodig hebt om onbezorgd te kunnen leven,

zoodat ge u niet meer behoeft op te houden met dien rondreizenden

kermistroep.”

„Gij zijt mij niets schuldig,” zei de Markies en keek den heer

Steenvoorde daarbij ernstig met zijn droeve oogen aan. „Ik wou alleen

dat er iemand geweest was, die hetzelfde voor mij had gedaan toen ik een

knaap was.”

„Het komt me voor, dat ge niet voor kermisreiziger in de wieg gelegd

zijt,” sprak Paul's vader.

„Kunt ge niet een anderen werkkring vinden?”

„Neen!” antwoordde de arme man, dat gaat niet, „ik kan mijn vrouw niet

aan haar lot overlaten, ik ben te veel aan haar verplicht. Eens redde

zij mij van den hongerdood, en voor een anderen werkkring is zij

ongeschikt.”

En toen hernam hij na een korte poos van nadenken: „Ik wil u een

voorstel doen. Leen mij zooveel geld, dat ik mij weer eenige dieren kan

koopen voor een menagerie.”

„Ik heb mijzelf veroordeeld een spellebaas te zijn, ik zal het ook

blijven, maar ik wil trachten mijn rol als zoodanig goed te spelen.”

„Als ik een behoorlijke tent en de noodige hulpmiddelen heb, zie ik kans

u binnen enkele jaren het geleende geld terug te geven. Dit is de eenige

gunst, die ik van u vraag.”

„Ik zou u nog zoo gaarne op andere wijze mijne dankbaarheid toonen,” zei

de heer Steenvoorde, „maar ik zie wel, dat ge in ernst meent wat ge zegt

en ik durf u dus niet meer geld aanbieden uit vrees u te beleedigen.

Hier is een wissel op mijn bankier in de stad en laten we nu afscheid

nemen.”

De beide mannen drukten elkander de hand en de heer Steenvoorde geleidde

zijn gast tot in de vestibule. Hier stonden Paul en Dickie. De Markies

trad haastig op hen toe, bukte zich en kuste beiden.

Vóór de verbaasde jongens nog van hunne verrassing bekomen waren, viel

de voordeur dicht en hij was verdwenen.

[Decoratieve illustratie]

[Illustratie]

+--------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: illustraties van CECIL ALDEN |

| C: illustraties van CECIL ALDIN |

| B: zei elkeen, maar dat 't 'n |

| C: zei elkeen, „maar dat 't 'n |

| B: hooren en zien verging terwijl |

| C: hooren en zien verging, terwijl |

| B: schopte, sloeg en beet totdat hij |

| C: schopte, sloeg en beet, totdat hij |

| B: „Wat heeft jou vader met mij |

| C: „Wat heeft jouw vader met mij |

| B: Ja.” |

| C: „Ja.” |

| B: „Vrij!?” riep Dickie en je zit |

| C: „Vrij!?” riep Dickie, „en je zit |

| B: meer zoo'n vlieger gemaakt Paul?” |

| C: meer zoo'n vlieger gemaakt, Paul?” |

| B: was kroop hij voorzichtig bij |

| C: was, kroop hij voorzichtig bij |

| B: riep hij uit, ze hebben hem |

| C: riep hij uit, „ze hebben hem |

| B: verscheen juffrouw Boks op elken arm |

| C: verscheen juffrouw Boks, op elken arm |

| B: ... ik ben de molenaar |

| C: ... ik ben de molenaar. |

| B: stralend van innerlijke vergenoegheid. |

| C: stralend van innerlijke vergenoegdheid. |

| B: Zijn twee weezen vrouw, denk 's |

| C: Zijn twee weezen, vrouw, denk 's |

| B: juffrouw Boks nogal lekker vinden |

| C: juffrouw Boks nogal lekker vinden, |

| B: Deze dood gewone dieren, werden zoo |

| C: Deze doodgewone dieren, werden zoo |

| B: Komaan, voegde hij er bij, |

| C: Komaan,” voegde hij er bij, |

| B: den wagen waren binnengeloodsd, vielen ze |

| C: den wagen waren binnengeloodst, vielen ze |

| B: van merkwaardige voortbrenselen uit het |

| C: van merkwaardige voortbrengselen uit het |

| B: „Ja, zeer geëerd publiek, dat |

| C: Ja, zeer geëerd publiek, dat |

| B: Rol nu je oogen en schud |

| C: „Rol nu je oogen en schud |

| B: na: „Acasa! Bojador! Draa!” |

| C: na: „Acasa! Bojador! Draa!”” |

| B: verbeterde Paul, 'n gebraden kip |

| C: verbeterde Paul, „'n gebraden kip |

| B: van de horloges hoeden en duiven. |

| C: van de horloges, hoeden en duiven. |

| B: dame op 'n fiets en gedood werd. |

| C: dame op 'n fiets en gedood werd.” |

| B: niet. |

| C: niet.” |

| B: sprak de Markies, het gevecht zal |

| C: sprak de Markies, „het gevecht zal |

| B: gebracht de berehuiden niet op |

| C: gebracht de berenhuiden niet op |

| B: weer spullebaas van top tot teen. |

| C: weer spellebaas van top tot teen. |

| B: bang om te verdrinken Dick? Nu, dat zo |

| C: bang om te verdrinken, Dick? Nu, dat zo |

| B: toch niet. |

| C: toch niet.” |

| B: Dus maar weer wat anders |

| C: „Dus maar weer wat anders |

| B: naar boven waren geworpen. |

| C: naar boven waren geworpen.” |

| B: wat hij bezat en jou oude schuur |

| C: wat hij bezat en jouw oude schuur |

| B: wel geven: „Hoe is je naam |

| C: wel geven: Hoe is je naam |

| B: burgemeester, „dat is wat anders,” |

| C: burgemeester, „dat is wat anders.” |

| |

+--------------------------------------------------------+

Weggeloopen! · 第 25 / 25 题