TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Rumoerige tooneelen.

Den volgenden morgen zag men eerst recht wat de Markies bij de ramp

verloren had! Alle beesten uit de menagerie waren in de vlammen

omgekomen! Het orgel was verbrand en nog veel meer kostbare zaken, die

voor een spellebaas van groote waarde zijn. Er kwam nog bij, dat de

schuur niet verzekerd was en de eigenaar kwam al spoedig met een lange

rekening van alle schade, die hij geleden had.

Zoo is nu eenmaal 's werelds loop, onverschillig of men lacht of schreit

of men vreugde ondervindt of droefheid, aan 't eind van alles komt de

man met de rekening.

De Markies had echter heelemaal geen plan die rekening te betalen.

„Wat!” riep hij verbaasd, „hoe durft ge mij op 't oogenblik met zoo

iets aankomen?”

„Nu! terwijl het vuur nog smeult onder de asch en schrik en angst nog

zetelen in aller harten! Alle bewoners zijn geheel vervuld van

medelijden, en gij, gij durft bij zoo'n groot ongeluk aan geld denken!

Geld! Bah! Misschien zoudt ge wel een voordeelig zaakje willen maken van

deze ramp, waarover elk rechtgeaard mensch slechts spreekt met een hart,

overloopend van medegevoel voor mij en mijn ongelukkig gezin.”

„Neen, mijn vriend. Geld kan ik u niet geven. Zoo iets betaalt men niet.

Gij ook zult tevreden moeten zijn met het medelijden uwer dorpsgenooten

en met hunne achting, die ook ik u niet zal onthouden, wanneer ge op

geen andere voldoening blijft aandringen.”

De Markies had met de noodige plechtigheid gesproken en de menschen, die

zich om hen verzameld hadden waren dan ook blijkbaar geheel onder den

indruk zijner redevoering.

Maar de eigenaar van de verbrande schuur was in 't geheel niet geroerd.

Hij was een klein driftig kereltje, met een paar stekelige oogjes en een

hoogen schouder, waardoor het soms net leek of hij geen nek had. Toen de

Markies zich met fieren tred wilde verwijderen, pakte hij hem bij zijn

jaspanden.

„Raak mij niet aan, laat me los!” riep de Markies, „het zal u berouwen,

ik zal uw naam aan de verachting van al de komende geslachten

prijsgeven.”

„Geld moet ik hebben,” riep de kleine man.

„Ja, geld _heb_ ik niet, maar ik zal u een wissel geven op mijn

bankiershuis, dat is nog beter dan geld.”

„Wissel, wissel, ik wil klinkende munt!”

„Och wat,” zei iemand uit 't volk, „houdt toch op; die arme slokker

heeft alles verloren wat hij bezat en jouw oude schuur stond toch op

't invallen!”

„Dat is de kwestie niet,” riep de booze kleine man, „hij heeft mijn

schuur doen verbranden en als hij mij niet betaalt dan lever ik hem over

aan het gerecht.”

„O ho! begin je uit dat vaatje te tappen goede vriend!” zei de Markies,

die steeds kalmer werd hoe meer zijn tegenpartij zich opwond. „Laten we

de zaak dan eens van een anderen kant bezien. Ik huurde die schuur van

u om zonder gevaar of hinder mijne voorstellingen te kunnen geven; gij

zeidet mij, dat hij voor het doel geschikt was.”

„Dit alles zult gij _mij_ moeten vergoeden, amice. Wat zegt gij ervan

dames en heeren?”

De dames en heeren omstanders waren allen arme lieden, die natuurlijk

het meeste voelden voor een lotgenoot even arm als zij. Ze gaven dan ook

luide hun instemming te kennen met de woorden van den Markies.

„Jou leelijke schooier!” riep de eigenaar van de schuur, „je brengt me

tot het uiterste, ik kan nauwelijks meer staan van woede.”

[Illustratie: .... pakte hem bij zijn jaspanden.]

„Och koetsier,” zei de Markies zich langzaam naar Jonas omwendend, „geef

mijnheer eens 'n stoel.”

Bleek van woede wierp de razende man een blik op den Markies zóó vol

haat, dat de grootste babbelaar er door tot zwijgen zou gebracht zijn.

„Wat let me je een opstopper te geven, waarvan je niet veel kunt

navertellen! Als ik maar eerst mijn geld heb, dan geve de hemel dat ik

nooit je ellendige tronie weerzie.”

„Nou, wanneer je me op slag een rijksdaalder geeft, dan zal een ieder

verwonderd staan hoe gauw de hemel je wensch vervult, zelfs nog vóór je

je geld ontvangen hebt.”

Het woedende ventje zag in, dat de Markies hem de baas was en de lachers

op zijn hand had. Hij begon nu te schelden en maakte den Markies een

compliment over zijn blanken neus, die in werkelijkheid zooals we weten

vuurrood was.

Waarop de eigenaar van den neus den ander verklaarde nooit schooner

gevormde nek en schouders gezien te hebben dan bij hem.

„Straatslijper, ge hebt mijn schuur verbrand,” huilde de woedende man,

„maar ik geloof, dat ge mij ook wel zoudt willen verslinden, alleen maar

om van de betaling af te zijn.”

„Vraag wel excuus,” zei de Markies hoogst ernstig. „Ik U verslinden?

Neen dáárvoor heb ik te veel eerbied voor mijn maag.”

Het was niet te voorzien tot welke gevolgen deze ongelijke strijd nog

aanleiding had kunnen geven als er niet een derde persoon in het

strijdperk was getreden.

Die derde was de „Zwarte.” Hij wenkte beide partijen met hem mede te

gaan en toen ze op eenigen afstand van de menigte korten tijd met

elkander gesproken hadden, verdween de „Zwarte” even plotseling als hij

gekomen was.

De Markies en het kromme mannetje schenen op eenmaal de beste vrienden

van de wereld geworden te zijn.

„Bij dergelijke twisten is het van groot belang elkander onderling goed

te verstaan,” zei de Markies.

„Ja, ja, zoo is het,” antwoordde zijn vroegere tegenstander. „Geef mij

uw hand. Het spijt me dat ik me misschien wat ondoordacht heb

uitgelaten.”

„Daar spreken we niet meer over,” antwoordde de Markies en hij schudde

recht hartelijk de hem toegestoken hand. „'t Gebeurt immers dagelijks,

dat nette menschen eens driftig op elkaar worden en elkaar minder

vleiende benamingen geven, maar dat neemt niet weg dat ze elkander

daarom even goed kunnen begrijpen en achten! Denk bijvoorbeeld eens aan

onze volksvertegenwoordigers... Niet waar?...”

„Mag ik u een glas bier aanbieden?”

„Zeer gaarne, zeer gaarne! Kijk, ik was op het punt u juist hetzelfde

te vragen, maar ik zal niet langer dan een enkel oogenblik van uw

gezelschap kunnen profiteeren, want ik heb bij mijn troep een paar

leerlingen, over wie het noodig is dat ik een waakzaam oog houd.”

Maar de Markies bleef langer bij zijn bier dan een oogenblik. Het

oogenblik werd een uur; het werd _meer_ dan een uur. De Markies _bleef_

bij zijn bier.

Eindelijk bood zich dan aan onze kleine weggeloopen deugnieten de zoo

lang verbeide gelegenheid aan om te ontvluchten.

Ik behoef niet te zeggen, dat ze die gelegenheid met beide handen of

liever met beide beenen aangrepen.

[Illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 23 / 25 题