Brand!
„En wat moet er nu van jelui worden, ongelukkige jonge beren?” riep de
Markies, toen hij bezig was alles voor de groote avondvoorstelling in
gereedheid te brengen.
„Beren kan ik niet meer van je maken en voor natuurwonderen zijn
jelui ook totaal ongeschikt. Laat eens zien... Mij dunkt ik moest jelui
beiden op sterkwater zetten en je dan aan 't publiek vertoonen als twee
natuurwonderen uit den grijzen voortijd, dat zal een ongeëvenaard succes
zijn!”
„Ben je bang om te verdrinken, Dick? Nu, dat zou anders nog zoo kwaad
niet zijn, dan was ik meteen op een fatsoenlijke manier van je af. Maar
als je geen aardigheid aan de sterkwatervertooning hebt dan gelukt ze
toch niet.”
„Dus maar weer wat anders bedacht. Koorddansen! Dat is 'n idee.”
„We kunnen toch geen koorddansen als we het nooit geleerd hebben!” zei
Paul.
„O jawel dat kan een pasgeboren kind, we volgen dan maar dezelfde
leermethode als met de klarinet. Je zult eens zien hoe prachtig het
gaat! Misschien breek je bij de eerste oefening een arm of been,
maar daar zal minder op gelet worden. Het publiek ziet zoo iets wel
graag. Een zaal is nooit beter bezet dan wanneer de een of ander een
levensgevaarlijk waagstuk gaat ondernemen.”
„Wat zei je daar? Heb je ook al geen lust in koorddansen? 't Kost
vanavond moeite om 't je naar den zin te maken.”
„Maar nu weet ik dan toch wat. Vuur zul je eten, allebei. Je mag me wel
erg dankbaar zijn, dat ik je dit toesta, want 't zal voor eeuwig jelui
namen wijd en zijd bekend maken door de geheele wereld. Dus nu zijn we
er: Vuureters zal ik van je maken.”
„Ja je hebt goed praten,” zei Paul, „maar ik laat geen vuureter van me
maken,” en Dickie stond met een sufferig gezichtje in 't rond te kijken
en dacht dat hij wel nooit zijn ouderlijk huis terug zou zien.
„Wat ik zeg dat gebeurt,” zei de Markies.
„Wat geef ik er om wat jij zegt,” riep Paul, die zijn brutaliteit niet
verloren had.
„Dat zullen we dan nog eens beter moeten leeren jongetje; 't schijnt
dat al de vorige lessen niet gebaat hebben.” De Markies wierp kalm zijn
eindje sigarette weg en gaf het woord aan het rietje om een proeve van
zijn onderwijsmethode af te leggen.
De voorstelling had het gewone verloop tot aan de pauze. Na de pauze
zouden, zooals het programma zeide, „Cacus en Cuculus optreden, twee
zonen van Vulcanus, die bij een uitbarsting van de Etna met de kokende
lava naar boven waren geworpen.”
„Kom Cacus en Cuculus,” zei de spellebaas, „laat me jelui even leeren
hoe je als waardige zonen van Vulcanus zult kunnen optreden. Je hebt
niet anders te doen dan een hoopje boomwol net zoo lang te kauwen tot
het heelemaal doortrokken is van vocht. Als je dan genoeg hebt om je
mond geheel mee vol te proppen, zet je in 't midden een stukje smeulend
zwam, stopt alles in je mond en dan blaas je maar. Je zult dan zien, dat
er een vurige tong uit je mond te voorschijn schiet. Denk er om dat je
alleen door den neus moogt inademen. Ik heb op 't oogenblik ongelukkig
geen boomwol, maar dit uitgeplozen touw is net zoo goed.”
De jongens rilden van angst alleen bij de gedachte aan die vurige
tongen, maar ze durfden zich niet verzetten uit vrees voor het rietje.
Toen nam de Markies een stuk roodaarde en wreef daar het gezicht, de
beenen en de armen van de jongens zoo lang mee in tot ze er uitzagen
als geboren Indianen. Hij deed hen een paar roode doeken om en ging
toen haastig weg om de voorstelling verder te leiden. Daarna bracht
de Koningin de beide vuureters op het tooneel.
[Illustratie: ... hoog door de lucht in zee geworpen.]
„Dames en heeren,” zoo sprak de Markies, „zooals ge op het Programma
kunt zien, staan hier voor u twee echte zonen van Vulcanus: Cacus en
Cuculus. Bij eene uitbarsting van de Etna werden ze uit hunne vuurwoning
hoog door de lucht in zee geworpen. De kapitein van een voorbijvarend
schip zag dit, redde beide uit de golven en bracht hen behouden op zijn
vaartuig. Voor deze heldendaad ontving hij de medalje van verdienste
van de Academie van Kunsten en Wetenschappen. Bijna had hij zijn dood
in de golven gevonden, want de hitte die de monsters rondom zich
verspreidden, was zoo groot, dat het schip er door in brand geraakte.
Gelukkig wist men het vuur te blusschen en de beide ontvlambare
passagiers werden gedurende de geheele reis in groote tobben met water
gezet, die elk oogenblik op nieuw gevuld moesten worden, want als het
water met hunne lichamen in aanraking kwam veranderde het in damp.
(Groote verbazing bij het publiek). Sedert dien tijd is de hitte van
hunne lichamen wat verminderd, maar men dient nog altijd zeer
voorzichtig met hen om te gaan.”
„Ik zal u een klein staaltje laten zien van de wijze waarop ze
ademhalen.”
In 't volgend oogenblik vlamden twee vurige tongen uit de monden der
beide knapen.
Een daverend applaus en kreten van verwondering volgden op dit
kunststuk.
Doch wat was dát?
Het uitgeplozen touw in de monden der jongens was zeker niet goed
toebereid... het vatte plotseling vlam! In radeloozen angst liepen de
vuureters op het tooneel heen en weer, scheurden en trokken de brandende
massa uit hun mond en smeten die links en rechts over de planken.
Het vuur kwam dicht bij den planken wand, waartusschen zooals ik zei,
bossen stroo waren geplaatst. Het stroo begon te branden!!
Tot overmaat van ramp gooide een van de verschrikte toeschouwers nog een
petroleumlamp omver, zoodat alles op eenmaal in lichtelaaie stond.
[Illustratie: Cacus en Cuculus.]
Er ontstond een paniek, kinderen gilden, vrouwen vielen flauw, mannen
vluchtten. Allen drongen naar den uitgang onder een angstig gegil. Ieder
wilde de eerste zijn. Sommigen stikten bijna in het gedrang en kermden
en jammerden; en het stroo kraakte en knapperde, de vlammen stegen
hooger en hooger, de rook werd al dichter.
Wanneer het publiek wat kalmer was geweest en den Markies had geholpen
om het brandende stroo te blusschen toen het pas vuur vatte, dan was
er zoo goed als niets gebeurd, want in zulke gevallen kunnen moed en
tegenwoordigheid van geest ons leven meestal eerder redden dan een
overhaaste vlucht.
Eerst dacht men, dat allen levend en ongedeerd uit het brandende gebouw
waren gekomen, toen men op eenmaal midden tusschen rook en vuur, twee
kleine roode lichamen boven in de hanebalken van de schuur zag zitten.
Het waren onze beide ongelukkige zonen van Vulcanus.
Door angst en schrik geheel van hun stuk gebracht, hadden ze boven op de
dwarsbalken van de schuur een goed heenkomen gezocht.
Een kreet van schrik ging uit de menigte op. De jongens waren verloren,
niemand durfde, uit vrees voor eigen leven, een poging tot redding te
wagen.
Daar drong zich iemand door de menschenmassa heen, vloog de schuur
binnen en was in een ommezien in den dikken rook verdwenen.
Wie was het? Niemand kende hem. „Het was een groote man,” zei de een.
„Ja, met dikke, zwarte knevels,” zei een ander.
Algemeen was men van gevoelen, dat hij 't er niet levend zou afbrengen
en reeds schepte men er een droevig vermaak in lofspraken te houden op
hem die men veronderstelde dat zoo treurig aan zijn einde kwam, want
gewoonlijk is het groote publiek erg gul met loftuitingen als iemand
dood is.
Maar de „Zwarte” was niet dood. Het duurde niet lang of men zag hem weer
te voorschijn komen, zwart van den rook, met verbrande haren en bijna
onherkenbaar. Zegevierend droeg hij onder elken arm een kleinen
vuurduivel.
Hij werd omringd en bestormd door alle omstanders. Ieder prees hem,
elkeen wilde hem de hand drukken. Maar hij stoorde zich niet aan al de
toegestoken handen, hij maakte zich ruim baan en was spoedig in de
duisternis verdwenen.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]