Het tweede dorp.
Langzaam wandelde de Markies met den „Zwarte,” in druk gesprek, achter
den kermiswagen, tot de laatste bij eene kromming van den weg met een
stevigen handdruk afscheid nam.
Een diep zwaarmoedige trek lag op het gelaat van den spellebaas. De
heerlijke blauwe lucht, de boomen met hun ontluikend groen, het golvend
koorn, de fluitende en zingende vogels, de paarden, die voor den ploeg
langzaam diepe voren trokken in het land, alles ademde rust en vrede,
de reine kalmte van het landleven. Hoe ellendig was zijn eigen leven,
vergeleken bij dit vreedzaam bestaan en hoe anders had het kunnen zijn!
Doch gedane zaken nemen geen keer.
De dronkemansstem van Jonas kwam zijn mijmeringen verstoren.
„Er is een dorp in zicht!” riep hij, „moeten we stilhouden?”
De Markies loosde een diepe zucht, toen klom hij in den wagen. Hij was
weer spellebaas van top tot teen.
[Illustratie: ... de paarden die voor den ploeg langzaam diepe voren
trokken in het land.]
„We zijn dicht bij een dorp,” sprak hij, en schudde de half slapende
Koningin bij de schouders, „we moeten noodzakelijk ons middagmaal
verdienen, 't is te hopen, dat we wat fortuinlijker zijn dan de laatste
maal.”
Men koos een schuur uit waarin de voorstelling zou gegeven worden.
Spoedig zullen we zien, dat dit geen gelukkige keuze was. De schuur lag
afgezonderd van andere woningen of bergplaatsen, de wanden waren van
planken op gelijke afstanden van elkaar en de tusschenruimten aangevuld
met bossen stroo.
Zooals altijd kondigde de troep zich aan door een barbaarsche muziek, en
hield de Markies een lange toespraak, waarnaar de eenvoudige
dorpsbewoners met open mond en ooren luisterden.
[Illustratie: .... vermomd als een eerwaardig grijsaard.]
Ditmaal vergastte hij bij de voorstelling het publiek niet op
goocheltoeren. Hij had iets anders, iets beters bedacht.
's Middags was er eerst een extra voorstelling, waarin de Markies optrad
vermomd als een eerwaardig grijsaard. Hij verklaarde het geheim te
bezitten, waardoor het aan een ieder vrij zou staan zoo lang te leven
als hij verkoos, zonder ziekten en kwalen. Dit geheim kon elkeen van hem
koopen voor de som van drie stuivers. Het bestond in een fleschje gevuld
met een doorschijnende vloeistof.
[Illustratie: ... die in boerenkleedij.]
De eerste koopers waren de Koningin met hare dochters en Jonas, die in
boerenkleedij de menschen op deze wijze tot koopen moesten aanmoedigen.
Zij kochten ieder twee fleschjes met het levenwekkende vocht en hun
voorbeeld vond zooveel navolging, dat spoedig het geheele dorp zich
voorstelde nooit meer een dokter noodig te hebben en zoo oud te zullen
worden als Methusalem.
Wanneer men gezien had hoe het levenwekkend vocht eenigen tijd te voren
met emmersvol uit de pomp was gehaald en door den Markies in zorgvuldig
gekurkte fleschjes was gedaan, zeker had dan menige arme slokker zijn
drie stuivers in den zak gehouden.
[Illustratie: ... door den Markies in zorgvuldig gekurkte fleschjes was
gedaan.]
Maar de wereld wil bedrogen zijn en hoevele verstandige, ja geleerde
menschen zouden er zijn, die zich niet wel eens door een kwakzalver
hebben laten beetnemen?
[Decoratieve illustratie]