ZEVENTIENDE HOOFDSTUK

De beren.

Toen Paul en Dickie 's morgens wakker werden wisten ze eerst niet recht

wat ze zagen. Vlak voor hen stonden de spellebaas en zijn vrouw ieder

met een berenhuid in de hand.

De Markies had 's nachts niet geslapen en misschien wel wat heel

dikwijls de brandewijnflesch voor den mond gezet, om zich te troosten

over zijn niet zeer benijdbaar lot.

Misschien was het wel de invloed van den brandewijn, die hem op het

denkbeeld had gebracht de berenhuiden niet op te vullen met stroo, maar

er de beide jongens in te naaien.

Paul en Dickie werden bij het vooruitzicht over eenige oogenblikken

beer te moeten worden en met wie weet welke groote honden te moeten

vechten bleek van angst.

„Kijk maar niet zoo benauwd,” troostte de Markies, „honden moeten er op

afgericht zijn om met beren te vechten en bovendien zal ik wel zorgen,

dat ik niets dan kleine mormels uitzoek, die op de vlucht gaan als je

maar even een poot oplicht.”

„'t Was al erg genoeg dat ik voor wilde moest spelen,” zei Paul, „maar

in die berenhuid krijg je me nooit.”

„Jongetje, je weet niet wat je weigert, het zal 't grootste succes zijn

dat je in je leven zult behalen. Waardeer het, dat ik je de kans geef.

Niet iedereen is het voorrecht gegund voor beer te mogen spelen.”

„Gun jij jezelf dan maar dat voorrecht hoor!” zei Paul, „ik wil niet.”

„Ik wil niet is een zeer leelijk woord in den mond van een kind, mij

dunkt we moesten dat uit uw woordenboek schrappen. Ik ken daarvoor een

zeer gemakkelijk middeltje.”

„Je bent een echte wreedaard,” riep Paul, toen de Markies zijn middeltje

had toegepast.

Hijzelf was door de toepassing buiten adem geraakt, maar hij had zijn

doel bereikt, want het behoefde Paul nu niet tweemaal gezegd te worden

in de berenhuid te stappen. Hij deed het heel gewillig en Dickie volgde

zijn voorbeeld. De Koningin naaide nu de huiden vast en de Markies deed

beiden een korf voor, maakte een zware ketting om hun bekken vast en

bracht ze in den stal.

't Was nog maar vroeg in den morgen, toen reeds uit alle hemelstreken

mannen, vrouwen en kinderen toestroomden om getuige te zijn van het

berengevecht. Het was een gedring en geduw om zich toch vooral een goed

plaatsje te verzekeren, vooraan bij het touw, dat van den eenen hoek

naar den anderen was gespannen om al te veel opdringen te voorkomen.

[Illustratie: .... uit alle hemelstreken vrouwen, mannen en kinderen

toestroomden.]

Daar verscheen de Markies om de honden uit te zoeken, die de eer zouden

genieten in het strijdperk te treden. Hoerageroep en voetgetrappel van

de ongeduldige menigte begroette zijn komst.

Nadat hij een keuze had gedaan beklom hij de kleine verhevenheid voor de

deur, om eenige woorden tot het publiek te richten.

Nauwelijks had hij echter een paar zinnen gesproken, of men hoorde

geschuifel en geroep en het publiek begreep, dat er iets met de

vertooning niet in den haak was. Wat was het geval?

[Illustratie: Nadat hij een keuze had gedaan...]

Onze beide beren bemerkten, dat ze een oogenblik zonder toezicht waren

gelaten en hadden de verzoeking niet kunnen weerstaan het hazenpad te

kiezen.

Ongelukkig voor hen maakten de kettingen, die om hun halzen zaten, zoo'n

lawaai op de straatsteenen, dat een paar oude vrouwtjes over de

gordijntjes kwamen gluren wat of dit lawaai beduidde.

Daar zagen die vreedzame oudjes een paar wilde dieren over de straat

rennen.

Ze schreeuwden en riepen om hulp en hun geroep en geschreeuw plantte

zich voort en groeide aan.

De twee beren werden twintig wilde beesten, die door het dorp liepen en

reeds een dozijn vrouwen en kinderen verslonden hadden.

Ieder, die op straat was holde zoo hard hij kon naar zijn woning en deed

de deur op slot. 't Was een herrie en een lawaai; met elk oogenblik

werden het rumoer en de onrust grooter. (_Zie de titelplaat._)

De moedigsten onder de mannen wapenden zich met hooivorken, schoffels,

stokken, worststoppers en allerlei mogelijke en onmogelijke wapenen en

draafden alle kanten uit. Sommige gelukkigen bezaten nog een oud

verroest geweer, dat jaren niet gebruikt was, en waarmee ze natuurlijk

niet meer konden schieten, maar zij voelden zich beter gewapend dan alle

anderen.

De kerkklokken luidden, de naastbijzijnde dorpsbesturen werden

gewaarschuwd. De rustende schutterij kwam overal in 't geweer. Niemand

in de omliggende plaatsen wist wat er eigenlijk gaande was; men dacht

aan voortvluchtige moordenaars of dieven of brandstichters. Alle

toegangen tot de dorpen werden afgezet en wel drieentwintig personen

werden gearresteerd omdat ze er verdacht uitzagen.

Onderwijl joegen de beide jongens maar steeds voort, achtervolgd door

menschen en honden. Alles wat ze op hun weg ontmoetten ging voor hen op

de vlucht: paarden, koeien, varkens, schapen en vogels. Eindelijk vielen

ze uitgeput neer in een greppel, die gedeeltelijk verborgen lag achter

een dikke haag.

[Illustratie: ... een paar wilde dieren over de straat rennen.]

„Hei daar!” riep een van de jagers een oogenblik later, „zagen jelui

welken kant de wilde dieren uitliepen?”

„Nee!”

„Zag je ze daar net niet achter die haag?”

„Wel nee, ze liepen in 't korenveld.”

„Als ze maar niet naar 't dorp teruggekeerd zijn?”

„Dan worden onze arme vrouwen en kinderen verscheurd!”

„Terug dan naar het dorp!”

„Maar kijk daar eens!”

„Waar?”

„Die hond daar kwam zoo angstig uit die greppel vandaan, met de staart

tusschen de beenen.”

„Ik hoor wat! Ze zitten in de greppel, ik hoor de kettingen rammelen!”

„Ga er dan in en haal ze er uit.”

„Nee! Ga jij er in.”

„Nee! Ik heb een geweer, ik zal hier blijven staan en ze schieten zoo

gauw ze te voorschijn komen.”

Op 't zelfde oogenblik ging het geweer vanzelf af en door den schok viel

de dappere schutter achterover plat op den grond. Zoodra hij weer

opgekrabbeld was liep hij zoo hard hij kon weg, zag naar links noch

rechts en liet zijn geweer in den steek.

Nu kwam er voor de jongens een gevaarlijk oogenblik, want de menigte

begon steenen in de greppel te gooien, doch ook nu weer was er redding

nabij.

Hijgend en blazend en nat van 't zweet door 't harde loopen, stond

daar op eenmaal „de Zwarte” tusschen de greppel en de gooiende en

schreeuwende jagers. Zijn groote gestalte en zijn krijgshaftig voorkomen

brachten alle gemoederen in een oogwenk tot kalmte.

„Houd op, houd op!” riep hij, terwijl hij met den zakdoek zijn kletsnat

voorhoofd afdroogde. „Waartoe zou het dienen die arme dieren te dooden?

Ze hebben niemand kwaad gedaan. Ze zijn de broodwinning van dien armen

stakkerd van een spellebaas. Jelui hebt er geen voordeel van en 't is

tot zijn onberekenbaar nadeel. Komaan, ga nu kalm naar huis en wees

verstandig. Ik zal met behulp van den baas de beren wel uit hun

schuilplaats halen.”

[Illustratie: Alles wat ze op hun weg ontmoetten ging voor hen op de

vlucht.]

De Markies was nu ook naderbij gekomen. Achter hem zag men den kleinen

burgemeester.

„Wanneer de man ons van de tegenwoordigheid der beren verlost, kan hij

ongehinderd vertrekken,” hoorde men hem zeggen met zijn diepe grafstem.

Dit lag nu eigenlijk heelemaal niet in 't idee van de dorpsbewoners, die

op een aardig schandaaltje gehoopt hadden.

Onwillig en mopperend trokken ze langzaam af. Ook de burgemeester

wandelde zoo statig mogelijk heen, maar hij ging bij voorkeur niet met

de dorpelingen mee.

„Komaan, eruit onwillige dieren,” riep nu de Markies.

Hij en de „Zwarte” namen elk een beer bij de ketting. Zoo nu en dan gaf

de Markies, om den schijn te bewaren, de „wilde beesten” een striem met

zijn zweep.

Toen ze het dorp bereikten was het als uitgestorven.

Niemand vertoonde zich, hetzij uit vrees, hetzij uit teleurstelling,

maar de Markies vond de weinige belangstelling niet onaangenaam, want nu

kon de troep ongehinderd zoo spoedig mogelijk vertrekken.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 20 / 25 题