ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Groote voorstelling.—Na de pauze.

Na de pauze zou de spellebaas aan alle weetgierigen de wonderen zijner

menagerie laten zien. Maar hij was niet zoo gelukkig als bij het eerste

deel der voorstelling.

Het publiek was teleurgesteld, want het had veel meer verwacht te zien

dan de dieren, die de Markies onder allerlei onverstaanbare Latijnsche

namen voorstelde.

Zoo waren de omstanders dan eindelijk genaderd tot Heliogabalus, het

gedresseerde Varken.

„Komaan, loffelijke vertegenwoordiger van het zwijnenras,” zeide de

Markies, „neem deze vlag in uw bek en leg haar neder aan de voeten van

den grootsten dwaas uit dit gezelschap.”

Het varken knorde, liep heen en weer en legde eindelijk, geleid door

zijn meester, het vlaggetje neer vlak voor den man, die wilde weten waar

Hyinski bleef.

„Het is bewonderenswaardig hoe juist Heliogabalus het karakter van de

menschen weet te verklaren,” zei de Markies droogjes.

[Illustratie: ... legde eindelijk, geleid door zijn meester, het

vlaggetje neer.]

„Als je uïg wordt mot je 't zeggen,” bromde de man, „maar laat 'm nou 's

'n som maken.”

De Markies schoof dadelijk een schoolbord naar voren, waarop eenige

cijfers geschreven waren. Heliogabalus keek naar het bord met het

onnoozele gezicht van iemand, die tòch de vraag niet beantwoorden kan en

haar ook niet _behoeft_ te beantwoorden.

„Vooruit naar je hok,” riep eindelijk de Markies ongeduldig, toen het

beest als gewoonlijk stokstijf bleef staan, „ik heb meer te doen dan te

staan wachten of jij dezen heeren en dames een genoegen wilt doen of

niet.”

En dadelijk stapte hij voort naar de kooi, waarin de geit woonde.

„Hier bevinden wij ons,” zoo begon hij, „tegenover een zeldzaam

exemplaar van de Alpaca der Peruviaansche Andes. Het feit alleen, dat

het elegante dier precies gelijkt op onze gewone of huisgeit maakt het

tot een waardig voorwerp van uwe buitengewone belangstelling.”

Eén ding was er waarnaar de toeschouwers steeds reikhalzend uitzagen en

dat de Markies hun niet kon laten zien.

Sprekend over de wilde dieren in zijne menagerie had hij beloofd hun een

gevecht te laten zien tusschen beren en bulhonden, „waarvan u de haren

te berge zullen rijzen.”

Bij elk nieuw _wild_ dier riepen eenige ongeloovigen steeds om „de

beren.” Toen de Markies het gevecht aan het dorpspubliek beloofde, dacht

hij niet anders òf ze zouden het vergeten òf hij zou er zich wel op de

een of andere wijze uit kunnen redden. Het ging ditmaal echter zeer

moeilijk.

Voor enkele oogenblikken scheen het geroep om de beren tot zwijgen

gebracht, toen de Markies genaderd was tot de kooien der beide

„grootste Wereldwonderen.”

Eerst was Dickie aan de beurt.

„Hier Dames en heeren,” sprak hij, „ziet ge een van de wonderlijkste

spelingen der natuur. De wetenschappelijke naam ervan is

Paddestolaphyllum honorarum, of eenvoudiger de Vliegenvanger.

[Illustratie: ... een zeldzaam exemplaar.]

Let wel op de buitengewone vorming van dit wonder, half dier half plant.

De beroemde Darwin heeft er jarenlang zijne hersenen mede gepijnigd of

hij het in het planten- dan wel in het dierenrijk moest rangschikken.

Hij heeft het raadsel niet kunnen oplossen. Men vindt De Vliegenvanger

enkel in de holen in het hartje van Mexico, waar hij tusschen de rotsen

groeit evenals bij ons de paddestoel tusschen het mos. Hij kan niet

spreken en wordt alleen gevoed met vliegen. Wees zoo goed dames en

heeren hiervan slechts de proef te willen nemen.”

Dadelijk begonnen de omstanders vliegen te vangen en hielden die den

ongelukkigen Dick voor den mond. Maar Dick bedankte wel voor die

lekkernij, hij walgde ervan.

De ongeloovigen onder het publiek hadden groote pret en grinnikten van

genoegen, maar de Markies liet zich door niets uit het veld slaan.

„'t Is niet te verwonderen, dames en heeren, dat _hij_ of _het_ geen

trek meer in vliegen heeft. Hij heeft er vandaag al zóóveel gegeten, dat

't me verwondert dat er nog één enkele vlieg in deze heerlijke dreven te

vinden is. Bovendien is het zóó gewoon alleen door mij gevoed te worden,

dat ik niet geloof, dat het eenig voedsel van een vreemde zal aannemen.”

„Geef mij al uwe gevangen vliegen, als 't u belieft. Ge zult zien hoe

gretig hij er naar hapt.”

De Markies nam een dikken brommer, bracht dien aan Dickie's lippen en

zei zachtjes: „Drommelsche jongen eet dan toch! of ik zal je raken

vanavond.”

Doch de walging voor het vieze voedsel behaalde de overwinning op

Dickie's vrees voor een gevoelige straf: zijn lippen bleven stijf

opeengeklemd.

Een luid en spottend gelach ging er onder de toeschouwers op, toen de

proef voor de tweede maal mislukte.

„Helaas! dames en heeren,” zei de Markies, die heelemaal niet uit het

veld geslagen scheen, „'t is juist zooals ik gezegd heb. Het ding is tot

den hals toe volgepropt. Ik bemerk heel goed, dat er eenigen onder u

zijn, die aan de echtheid van dit natuurwonder twijfelen. Ik zeg: laat

ze twijfelen. Zij denken waarschijnlijk dat ze het beter weten dan

zoovele geleerde heeren. Ik denk altijd maar: Risu inepto res ineptior

nulla.”

De dorpsbewoners begrepen niets van de vreemde woorden, zij keken

elkander aan, knikten en meenden dat de Markies toch zeker wel een

geleerde moest zijn.

„Wat mij betreft,” vervolgde de spellebaas, „ik zie in zijne weigering

om voedsel te gebruiken een bewijs, dat de lagere plant- en diersoorten

soms ver boven de hoogere soorten staan. Wij mochten de les, die het ons

leert wel ter harte nemen. Het weet maat te houden en voelt wanneer 't

genoeg gehad heeft. Ge ziet, dames en heeren, den houten stok waaruit

het voortkomt en waarop het groeit. De Natuur gaf het geen armen en

beenen en evenmin een spraakvermogen.”

Plotseling riep Dickie: „O! mijn beenen, mijn beenen. Ik krijg de kramp

in mijn beenen. Ze zitten veel te stijf vastgebonden!”

„Dit wonder hebben we nu genoeg bekeken,” zei de Markies met een

zeldzame tegenwoordigheid van geest, want het gelach was zóó uitbundig,

dat 't een steenen beeld van zijn voetstuk had kunnen doen tuimelen.

De beurt was nu aan Paul.

Gedachtig aan de gevoelige les, die hij voor de voorstelling gehad had,

sprong Paul met woeste blikken naar voren en riep zoo krijschend:

„Acasa! Bojador! Draa!” dat alle omstanders een rilling door de leden

voer.

[Illustratie: ... een vrouw met een spichtig gezicht.]

Toen allen wat van den eersten schrik bekomen waren, waagde een vrouw

met dunne lippen en een erg spichtig gezicht het aan den Markies te

vragen of dit dier door zachtheid getemd was.

Zoo tam en onderworpen was Paul nog niet of hij had nog wel iets

behouden van zijn vroegeren ondeugenden aard.

Hij sprong op de vrouw toe, rammelde aan de stangen van zijn kooi alsof

hij ze er uit wou rukken en liep toen, al schreeuwend op handen en

voeten in zijn gevangenis heen en weer als een razende hond.

Doodelijk verschrikt vloog de vrouw de straat op en nooit zag men een

magere spitsneuzige vrouw zulke beenen maken als deze deed.

[Illustratie: ... een magere spitsneuzige vrouw zulke beenen maken.]

„Dit zeldzame dier, dames en heeren,” zoo begon de Markies, „dat ik

op een onherbergzame kust vond en mocht bemachtigen, is de laatst

overgebleven vertegenwoordiger van een uitgestorven geslacht, zoodat u

allen hier de zeldzame gelegenheid wordt geboden eene nauwkeurige studie

te maken van uwe voorvaderen.”

„Ik ontdekte hem in een hol in de woestijn van Bobbykattapultem, negen

mijlen ten zuiden van de Pool en slechts na een hevig en bloedig

gevecht, waarin hij vier mannen verscheurde en verslond, gelukte het

ons hem te binden en mede te voeren.”

De omstanders waren geheel oor. Met open mond staarden ze naar hun

voorvader, die er zoo bepluimd en gevederd uitzag.

„De geleerde heeren,” verklaarde de Markies, „zeggen ons, dat de eerste

menschen er ongeveer juist zoo uitzagen als tegenwoordig de kippen en

hanen. Bij nadere beschouwing zult ge zien hoe merkwaardig precies de

gelijkenis is. Een andere merkwaardige eigenschap van dit dier is de

zeldzame gulzigheid waarmede hij alles verslindt wat binnen zijn bereik

is: oud ijzer, baleinen, stukken hout enz. enz. Bij gebrek aan iets

anders zal ik u toonen hoe hij een rauwe kip naar binnen werkt.”

„Kom wildeman, laat eens aan de dames zien, dat er wel degelijk leden

van het mannelijk geslacht bestaan, die het niet kan schelen wat men hun

's middags voorzet.”

De Markies wierp daarop een kip in de kooi.

Paul grijnsde vreeselijk, riep voortdurend Acasa! Bojador! Dra...a!

en speelde de rol van wilde prachtig, maar hij vloog niet als een

uitgehongerd dier op het rauwe kuiken aan en scheen nog in 't onzekere

welk kwaad hij zou kiezen als het beste: de stok van zijn meester of de

onsmakelijke maaltijd.

„Misschien houdt hij meer van een stuk oud roest,” riep op eenmaal een

stem achter uit het lokaal.

Paul zag op en zag boven alle menschen het hoofd van „de Zwarte”

uitsteken, die hem met zijn eene hand een oude kachelpijp voorhield.

Bij het zien van dezen geheimzinnigen kwelgeest, werd het den knaap bang

om het hart, hij liet het kuiken vallen en kroop achter in de kooi, met

zijn gezicht naar den wand.

De Markies kreeg het langzamerhand te kwaad. Hij was aan de Filistijnen

overgeleverd en die jubelden over hun zegepraal. „De beren, de beren!”

klonk voortdurend het eentonig geroep, wanneer hij beproefde door zijn

welsprekendheid de gemoederen tot kalmte te brengen. „We willen de

beren zien of we slaan alles stuk!” dreigden ze en gedurende eenige

oogenblikken hoorde men niets anders dan sissen, fluiten, zingen,

miauwen en allerlei uitroepen en gillen door elkaar.

Nu trad de Koningin op het tooneel en stapte tot vlak bij de grootste

lawaaimakers.

„Stil, stil daar komt de juffrouw,” riepen eenigen, „houdt jelui toch

stil, ze wil wat zeggen.”

„De juffrouw” wou dan ook werkelijk wat zeggen. Met 'n paar krasse

woorden verzocht ze het publiek zoo gauw mogelijk te maken, dat het de

deur uit kwam.

Het publiek had daar echter heelemaal geen plan op en begon opnieuw

verwoed te schreeuwen om: „de beren.” De Koningin, die zag dat hare

woorden geen uitwerking hadden, begon nu uit een ander vaatje te tappen.

Ze trad op den eersten den besten toe en greep hem bij de haren.

Ongelukkig droeg de arme man een pruik, zoodat hem op eenmaal zijn

geheele haartooi ontrukt werd, die de Koningin zegevierend rondzwaaide

als een Indiaansch opperhoofd de scalp van zijn vijand, waarna ze de

pruik over de hoofden van de menigte heen, de deur uitslingerde.

Daar verscheen in de deuropening de groote dorpsveldwachter, op den voet

gevolgd door den kleinen burgemeester, die er allesbehalve

burgemeesterachtig uitzag.

Men zou eerder gedacht hebben, dat de veldwachter den burgemeester

opbracht, dan dat hij hem gehaald had om mee te helpen de rust te

herstellen.

„Wat is hier te doen?” vroeg het kleine mannetje.

„Hij heeft ons een berengevecht beloofd en nou is ie van plan er stikum

uit te knijpen!” riep een uit de menigte.

„Hoe kan ik mijn belofte houden?” zei de Markies, „ik heb geen honden.”

„Da's niemendal, er zijn genoeg honden in het dorp!”

„Maar een dorpshond mag ik niet wagen aan twee beren, ze zouden de

honden oogenblikkelijk verscheuren.”

„Dat wagen we er op, jà dat wagen we er op,” riepen velen.

„Als dat zoo is,” zei de burgemeester met een diepe grafstem, „moet u

de beren vertoonen of het geld teruggeven.”

Bij die laatste woorden begonnen de oogen van den spellebaas zoo

onheilspellend te rollen, dat de arme kleine burgervader zich halverwege

achter een dikke boer verschool.

[Illustratie: ... dat de veldwachter den burgemeester opbracht.]

„Misschien,” zei hij aarzelend, „moet ik eerst de verschillende

omstandigheden nog eens nader onderzoeken.”

„Neen hoor, dat behoeft niet,” klonk het luide. „Hij kan er niets tegen

inbrengen!”

„Nu, dan herhaal ik nog eens,” bromde de burgemeester, „òf het geld, òf

de beren!”

Een goedkeurend gemompel begroette deze uitspraak van de machtige

overheid.

De uitspraak was geheel in den geest van de menigte en daarom juichte de

menigte de overheid toe.

„Nu, dan, het zij zoo,” sprak de Markies, „het gevecht zal plaats hebben,

doch gun mij tot morgen uitstel.”

„Niet doen, niet doen,” hoorde men roepen, „dan gaat hij er vannacht van

door!”

Het spijt mij voor den Markies, maar dit was waarlijk zijn heimelijk

plan. Het was voor hem dan ook eene groote teleurstelling toen de

burgemeester aan den veldwachter bevel gaf te zorgen, dat de troep 's

nachts in het dorp bleef. Hij zon reeds op middelen hoe zijne belofte

te vervullen en niet te vergeefs werkte zijn altijd vruchtbaar brein.

„Ik houd er niet van mij tegen de machtige overheid te verzetten,” zoo

sprak hij, „de voorstelling zal dus morgenochtend plaats hebben.”

Een luid „hoera!” begroette deze woorden en het volk trok af, de

burgemeester achteraan.

De Markies had in zijn voorraadkamer twee berenhuiden. Een der beide

beren aan wie ze eenmaal toebehoorden, was van ouderdom gestorven en de

andere beer was doodgeschoten, omdat hij zooals ik verteld heb, den

vroegeren eigenaar van de menagerie had verscheurd.

Deze beide huiden moesten schoongemaakt, toegenaaid en opgevuld worden

met stroo en zouden dan als opgezette beren de verwoede aanvallen der

honden rustig afwachten.

De Koningin van de Isofagus-eilanden verklaarde zich gaarne bereid in de

nachtelijke stilte de beide beren in orde te maken.

Waarschijnlijk werd haar teeder hart wel eenigszins bewogen, toen zij de

huid onder handen nam van den beer, die haar eersten man zoo ongelukkig

naar de andere wereld had geholpen.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 19 / 25 题