Groote voorstelling.—Na de pauze.
Na de pauze zou de spellebaas aan alle weetgierigen de wonderen zijner
menagerie laten zien. Maar hij was niet zoo gelukkig als bij het eerste
deel der voorstelling.
Het publiek was teleurgesteld, want het had veel meer verwacht te zien
dan de dieren, die de Markies onder allerlei onverstaanbare Latijnsche
namen voorstelde.
Zoo waren de omstanders dan eindelijk genaderd tot Heliogabalus, het
gedresseerde Varken.
„Komaan, loffelijke vertegenwoordiger van het zwijnenras,” zeide de
Markies, „neem deze vlag in uw bek en leg haar neder aan de voeten van
den grootsten dwaas uit dit gezelschap.”
Het varken knorde, liep heen en weer en legde eindelijk, geleid door
zijn meester, het vlaggetje neer vlak voor den man, die wilde weten waar
Hyinski bleef.
„Het is bewonderenswaardig hoe juist Heliogabalus het karakter van de
menschen weet te verklaren,” zei de Markies droogjes.
[Illustratie: ... legde eindelijk, geleid door zijn meester, het
vlaggetje neer.]
„Als je uïg wordt mot je 't zeggen,” bromde de man, „maar laat 'm nou 's
'n som maken.”
De Markies schoof dadelijk een schoolbord naar voren, waarop eenige
cijfers geschreven waren. Heliogabalus keek naar het bord met het
onnoozele gezicht van iemand, die tòch de vraag niet beantwoorden kan en
haar ook niet _behoeft_ te beantwoorden.
„Vooruit naar je hok,” riep eindelijk de Markies ongeduldig, toen het
beest als gewoonlijk stokstijf bleef staan, „ik heb meer te doen dan te
staan wachten of jij dezen heeren en dames een genoegen wilt doen of
niet.”
En dadelijk stapte hij voort naar de kooi, waarin de geit woonde.
„Hier bevinden wij ons,” zoo begon hij, „tegenover een zeldzaam
exemplaar van de Alpaca der Peruviaansche Andes. Het feit alleen, dat
het elegante dier precies gelijkt op onze gewone of huisgeit maakt het
tot een waardig voorwerp van uwe buitengewone belangstelling.”
Eén ding was er waarnaar de toeschouwers steeds reikhalzend uitzagen en
dat de Markies hun niet kon laten zien.
Sprekend over de wilde dieren in zijne menagerie had hij beloofd hun een
gevecht te laten zien tusschen beren en bulhonden, „waarvan u de haren
te berge zullen rijzen.”
Bij elk nieuw _wild_ dier riepen eenige ongeloovigen steeds om „de
beren.” Toen de Markies het gevecht aan het dorpspubliek beloofde, dacht
hij niet anders òf ze zouden het vergeten òf hij zou er zich wel op de
een of andere wijze uit kunnen redden. Het ging ditmaal echter zeer
moeilijk.
Voor enkele oogenblikken scheen het geroep om de beren tot zwijgen
gebracht, toen de Markies genaderd was tot de kooien der beide
„grootste Wereldwonderen.”
Eerst was Dickie aan de beurt.
„Hier Dames en heeren,” sprak hij, „ziet ge een van de wonderlijkste
spelingen der natuur. De wetenschappelijke naam ervan is
Paddestolaphyllum honorarum, of eenvoudiger de Vliegenvanger.
[Illustratie: ... een zeldzaam exemplaar.]
Let wel op de buitengewone vorming van dit wonder, half dier half plant.
De beroemde Darwin heeft er jarenlang zijne hersenen mede gepijnigd of
hij het in het planten- dan wel in het dierenrijk moest rangschikken.
Hij heeft het raadsel niet kunnen oplossen. Men vindt De Vliegenvanger
enkel in de holen in het hartje van Mexico, waar hij tusschen de rotsen
groeit evenals bij ons de paddestoel tusschen het mos. Hij kan niet
spreken en wordt alleen gevoed met vliegen. Wees zoo goed dames en
heeren hiervan slechts de proef te willen nemen.”
Dadelijk begonnen de omstanders vliegen te vangen en hielden die den
ongelukkigen Dick voor den mond. Maar Dick bedankte wel voor die
lekkernij, hij walgde ervan.
De ongeloovigen onder het publiek hadden groote pret en grinnikten van
genoegen, maar de Markies liet zich door niets uit het veld slaan.
„'t Is niet te verwonderen, dames en heeren, dat _hij_ of _het_ geen
trek meer in vliegen heeft. Hij heeft er vandaag al zóóveel gegeten, dat
't me verwondert dat er nog één enkele vlieg in deze heerlijke dreven te
vinden is. Bovendien is het zóó gewoon alleen door mij gevoed te worden,
dat ik niet geloof, dat het eenig voedsel van een vreemde zal aannemen.”
„Geef mij al uwe gevangen vliegen, als 't u belieft. Ge zult zien hoe
gretig hij er naar hapt.”
De Markies nam een dikken brommer, bracht dien aan Dickie's lippen en
zei zachtjes: „Drommelsche jongen eet dan toch! of ik zal je raken
vanavond.”
Doch de walging voor het vieze voedsel behaalde de overwinning op
Dickie's vrees voor een gevoelige straf: zijn lippen bleven stijf
opeengeklemd.
Een luid en spottend gelach ging er onder de toeschouwers op, toen de
proef voor de tweede maal mislukte.
„Helaas! dames en heeren,” zei de Markies, die heelemaal niet uit het
veld geslagen scheen, „'t is juist zooals ik gezegd heb. Het ding is tot
den hals toe volgepropt. Ik bemerk heel goed, dat er eenigen onder u
zijn, die aan de echtheid van dit natuurwonder twijfelen. Ik zeg: laat
ze twijfelen. Zij denken waarschijnlijk dat ze het beter weten dan
zoovele geleerde heeren. Ik denk altijd maar: Risu inepto res ineptior
nulla.”
De dorpsbewoners begrepen niets van de vreemde woorden, zij keken
elkander aan, knikten en meenden dat de Markies toch zeker wel een
geleerde moest zijn.
„Wat mij betreft,” vervolgde de spellebaas, „ik zie in zijne weigering
om voedsel te gebruiken een bewijs, dat de lagere plant- en diersoorten
soms ver boven de hoogere soorten staan. Wij mochten de les, die het ons
leert wel ter harte nemen. Het weet maat te houden en voelt wanneer 't
genoeg gehad heeft. Ge ziet, dames en heeren, den houten stok waaruit
het voortkomt en waarop het groeit. De Natuur gaf het geen armen en
beenen en evenmin een spraakvermogen.”
Plotseling riep Dickie: „O! mijn beenen, mijn beenen. Ik krijg de kramp
in mijn beenen. Ze zitten veel te stijf vastgebonden!”
„Dit wonder hebben we nu genoeg bekeken,” zei de Markies met een
zeldzame tegenwoordigheid van geest, want het gelach was zóó uitbundig,
dat 't een steenen beeld van zijn voetstuk had kunnen doen tuimelen.
De beurt was nu aan Paul.
Gedachtig aan de gevoelige les, die hij voor de voorstelling gehad had,
sprong Paul met woeste blikken naar voren en riep zoo krijschend:
„Acasa! Bojador! Draa!” dat alle omstanders een rilling door de leden
voer.
[Illustratie: ... een vrouw met een spichtig gezicht.]
Toen allen wat van den eersten schrik bekomen waren, waagde een vrouw
met dunne lippen en een erg spichtig gezicht het aan den Markies te
vragen of dit dier door zachtheid getemd was.
Zoo tam en onderworpen was Paul nog niet of hij had nog wel iets
behouden van zijn vroegeren ondeugenden aard.
Hij sprong op de vrouw toe, rammelde aan de stangen van zijn kooi alsof
hij ze er uit wou rukken en liep toen, al schreeuwend op handen en
voeten in zijn gevangenis heen en weer als een razende hond.
Doodelijk verschrikt vloog de vrouw de straat op en nooit zag men een
magere spitsneuzige vrouw zulke beenen maken als deze deed.
[Illustratie: ... een magere spitsneuzige vrouw zulke beenen maken.]
„Dit zeldzame dier, dames en heeren,” zoo begon de Markies, „dat ik
op een onherbergzame kust vond en mocht bemachtigen, is de laatst
overgebleven vertegenwoordiger van een uitgestorven geslacht, zoodat u
allen hier de zeldzame gelegenheid wordt geboden eene nauwkeurige studie
te maken van uwe voorvaderen.”
„Ik ontdekte hem in een hol in de woestijn van Bobbykattapultem, negen
mijlen ten zuiden van de Pool en slechts na een hevig en bloedig
gevecht, waarin hij vier mannen verscheurde en verslond, gelukte het
ons hem te binden en mede te voeren.”
De omstanders waren geheel oor. Met open mond staarden ze naar hun
voorvader, die er zoo bepluimd en gevederd uitzag.
„De geleerde heeren,” verklaarde de Markies, „zeggen ons, dat de eerste
menschen er ongeveer juist zoo uitzagen als tegenwoordig de kippen en
hanen. Bij nadere beschouwing zult ge zien hoe merkwaardig precies de
gelijkenis is. Een andere merkwaardige eigenschap van dit dier is de
zeldzame gulzigheid waarmede hij alles verslindt wat binnen zijn bereik
is: oud ijzer, baleinen, stukken hout enz. enz. Bij gebrek aan iets
anders zal ik u toonen hoe hij een rauwe kip naar binnen werkt.”
„Kom wildeman, laat eens aan de dames zien, dat er wel degelijk leden
van het mannelijk geslacht bestaan, die het niet kan schelen wat men hun
's middags voorzet.”
De Markies wierp daarop een kip in de kooi.
Paul grijnsde vreeselijk, riep voortdurend Acasa! Bojador! Dra...a!
en speelde de rol van wilde prachtig, maar hij vloog niet als een
uitgehongerd dier op het rauwe kuiken aan en scheen nog in 't onzekere
welk kwaad hij zou kiezen als het beste: de stok van zijn meester of de
onsmakelijke maaltijd.
„Misschien houdt hij meer van een stuk oud roest,” riep op eenmaal een
stem achter uit het lokaal.
Paul zag op en zag boven alle menschen het hoofd van „de Zwarte”
uitsteken, die hem met zijn eene hand een oude kachelpijp voorhield.
Bij het zien van dezen geheimzinnigen kwelgeest, werd het den knaap bang
om het hart, hij liet het kuiken vallen en kroop achter in de kooi, met
zijn gezicht naar den wand.
De Markies kreeg het langzamerhand te kwaad. Hij was aan de Filistijnen
overgeleverd en die jubelden over hun zegepraal. „De beren, de beren!”
klonk voortdurend het eentonig geroep, wanneer hij beproefde door zijn
welsprekendheid de gemoederen tot kalmte te brengen. „We willen de
beren zien of we slaan alles stuk!” dreigden ze en gedurende eenige
oogenblikken hoorde men niets anders dan sissen, fluiten, zingen,
miauwen en allerlei uitroepen en gillen door elkaar.
Nu trad de Koningin op het tooneel en stapte tot vlak bij de grootste
lawaaimakers.
„Stil, stil daar komt de juffrouw,” riepen eenigen, „houdt jelui toch
stil, ze wil wat zeggen.”
„De juffrouw” wou dan ook werkelijk wat zeggen. Met 'n paar krasse
woorden verzocht ze het publiek zoo gauw mogelijk te maken, dat het de
deur uit kwam.
Het publiek had daar echter heelemaal geen plan op en begon opnieuw
verwoed te schreeuwen om: „de beren.” De Koningin, die zag dat hare
woorden geen uitwerking hadden, begon nu uit een ander vaatje te tappen.
Ze trad op den eersten den besten toe en greep hem bij de haren.
Ongelukkig droeg de arme man een pruik, zoodat hem op eenmaal zijn
geheele haartooi ontrukt werd, die de Koningin zegevierend rondzwaaide
als een Indiaansch opperhoofd de scalp van zijn vijand, waarna ze de
pruik over de hoofden van de menigte heen, de deur uitslingerde.
Daar verscheen in de deuropening de groote dorpsveldwachter, op den voet
gevolgd door den kleinen burgemeester, die er allesbehalve
burgemeesterachtig uitzag.
Men zou eerder gedacht hebben, dat de veldwachter den burgemeester
opbracht, dan dat hij hem gehaald had om mee te helpen de rust te
herstellen.
„Wat is hier te doen?” vroeg het kleine mannetje.
„Hij heeft ons een berengevecht beloofd en nou is ie van plan er stikum
uit te knijpen!” riep een uit de menigte.
„Hoe kan ik mijn belofte houden?” zei de Markies, „ik heb geen honden.”
„Da's niemendal, er zijn genoeg honden in het dorp!”
„Maar een dorpshond mag ik niet wagen aan twee beren, ze zouden de
honden oogenblikkelijk verscheuren.”
„Dat wagen we er op, jà dat wagen we er op,” riepen velen.
„Als dat zoo is,” zei de burgemeester met een diepe grafstem, „moet u
de beren vertoonen of het geld teruggeven.”
Bij die laatste woorden begonnen de oogen van den spellebaas zoo
onheilspellend te rollen, dat de arme kleine burgervader zich halverwege
achter een dikke boer verschool.
[Illustratie: ... dat de veldwachter den burgemeester opbracht.]
„Misschien,” zei hij aarzelend, „moet ik eerst de verschillende
omstandigheden nog eens nader onderzoeken.”
„Neen hoor, dat behoeft niet,” klonk het luide. „Hij kan er niets tegen
inbrengen!”
„Nu, dan herhaal ik nog eens,” bromde de burgemeester, „òf het geld, òf
de beren!”
Een goedkeurend gemompel begroette deze uitspraak van de machtige
overheid.
De uitspraak was geheel in den geest van de menigte en daarom juichte de
menigte de overheid toe.
„Nu, dan, het zij zoo,” sprak de Markies, „het gevecht zal plaats hebben,
doch gun mij tot morgen uitstel.”
„Niet doen, niet doen,” hoorde men roepen, „dan gaat hij er vannacht van
door!”
Het spijt mij voor den Markies, maar dit was waarlijk zijn heimelijk
plan. Het was voor hem dan ook eene groote teleurstelling toen de
burgemeester aan den veldwachter bevel gaf te zorgen, dat de troep 's
nachts in het dorp bleef. Hij zon reeds op middelen hoe zijne belofte
te vervullen en niet te vergeefs werkte zijn altijd vruchtbaar brein.
„Ik houd er niet van mij tegen de machtige overheid te verzetten,” zoo
sprak hij, „de voorstelling zal dus morgenochtend plaats hebben.”
Een luid „hoera!” begroette deze woorden en het volk trok af, de
burgemeester achteraan.
De Markies had in zijn voorraadkamer twee berenhuiden. Een der beide
beren aan wie ze eenmaal toebehoorden, was van ouderdom gestorven en de
andere beer was doodgeschoten, omdat hij zooals ik verteld heb, den
vroegeren eigenaar van de menagerie had verscheurd.
Deze beide huiden moesten schoongemaakt, toegenaaid en opgevuld worden
met stroo en zouden dan als opgezette beren de verwoede aanvallen der
honden rustig afwachten.
De Koningin van de Isofagus-eilanden verklaarde zich gaarne bereid in de
nachtelijke stilte de beide beren in orde te maken.
Waarschijnlijk werd haar teeder hart wel eenigszins bewogen, toen zij de
huid onder handen nam van den beer, die haar eersten man zoo ongelukkig
naar de andere wereld had geholpen.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]