VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Groote voorstelling.

Paul en Dick bleven alleen en de voorstelling begon. Zij begon als

gewoonlijk met de goocheltoeren van den Markies van Galimedes. Hij

raakte slechts even het knoopsgat van zijn jas aan en... een prachtige

roos kwam te voorschijn. Hij leende een horloge, hamerde dit aan kleine

stukjes en haalde het dan weer gaaf en wel uit den zak van een ouden

mijnheer, die bij hoog en laag gezworen had, dat hij geen horloge bij

zich droeg. Dan vulde hij een glas met water, en als hij het in den

schoot van een dame omkeerde was de inhoud in bloemen veranderd. Hij

schonk uit dezelfde flesch een glas port, een glas sherry en een glas

cognac; en de dames en heeren, die op zijn verzoek den inhoud der

glazen mochten proeven, vonden dit vooral 'n prachtige toer. Hij sneed

den kop van 'n duif af, sprak eenige hocus-pocussen en... de vogel was

weer levend. Hij klutste eieren in 'n geleenden hoed en bakte er een

ommelet in, die hij onder het publiek verdeelde. Daarna gaf hij den hoed

geheel ongeschonden, weer aan zijn eigenaar terug, die al dat geknoei

had aangezien met 'n gezicht bleek van angst, voor 't verlies van zijn

hoofddeksel. Al deze toeren en nog een heeleboel meer hadden het succes

dat ze altijd en overal hadden.

[Illustratie: ... tot groote schade van de horloges, hoeden en duiven.]

Wel 'n dag of veertien lang probeerden de dorpsbewoners of ze den

goochelaar ook na konden doen tot groote schade van de horloges, hoeden

en duiven uit het dorp, maar het gelukte hun niet. Treurig keken ze dan

naar de slachtoffers, krabden zich achter de ooren en zeiden: „Maar wat

drommel hoe deed hij dat dan toch?”

Na den Markies traden „de onvergelijkelijke en bewonderenswaardige

gezusters Sylpha” op.

Het waren een paar leelijke dochters van de nog veel leelijker moeder en

hunne verrichtingen bleven ver beneden het middelmatige. Het mooiste

van de vertooning was, toen een van de zusters net deed of ze haar

evenwicht verloor, bijna viel, maar gelukkig nog juist bij tijds het

koord vastgreep. Het publiek begreep in 't geheel niet dat alles

slechts voorgewend was. Het meende, dat een van de zusters werkelijk een

oogenblik tusschen leven en dood zweefde en 't was een algemeen gejuich

en handgeklap toen alles zoo gelukkig afliep.

De Slangenmenschen, die onderwijl van uit een hoek naar de kunsten van

hare zusters hadden staan gluren, kwamen nu op het tooneel en deden het

publiek „verstomd staan door hare buitelingen, draaiingen en wendingen.”

Ook Komus, de Groote Clown, vertoonde zich. Hij beproefde na elke

gymnastische toer de gezusters na te doen, maar natuurlijk gelukte dit

hem nooit. Na elke mislukte poging boog hij diep voor het publiek, dat

niet op hield te schaterlachen over zijn geestigheden. De vroolijkheid

bereikte haar toppunt toen Komus overal liep te zoeken naar zijn muts,

die hij in de hand hield; toen hij bij ongeluk tegen een paal aanliep

met zoo'n schok, dat hij ervan op den grond tuimelde, waarna hij

zichzelf weer ophielp bij het achterste gedeelte van zijn groote,

wijde broek; toen hij zich een klinkenden slag op de wang gaf, om een

denkbeeldige vlieg dood te slaan, en meer grappige kunsten vertoonde,

die even geestig zijn als oorspronkelijk en waarover de toeschouwers

zich bijna een ongeluk lachten.

[Illustratie: .... tegen een paal aanliep.]

Thans achtte de Markies het geschikte oogenblik gekomen, om den

dorpelingen de eerste groote teleurstelling mee te deelen.

Met doodelijk verschrikt gelaat kwam hij plotseling van achter de

coulissen te voorschijn.

„Ik moet u allen een hoogst treurig voorval meedeelen,” riep hij uit.

„Blijft allen rustig zitten, er is geen brand! Neen iets veel ergers dan

brand is ons overkomen. Jon-Jon, de sterkste man der wereld, is dood!”

„Dood?” herhaalden allen fluisterend.

„Ja dood!” hernam de Markies. „Hier heb ik z'n brief, waarin hij mij

schrijft, dat hij hedenavond, op zijn gewone wandeling, aangereden is

door een dame op 'n fiets en gedood werd.”

„Gedood door een dame!” riep iedereen. „De sterkste man der wereld,

gedood door een dame!”

Sommige vrouwen en kinderen die ook wel eens bijna door een rijwiel

omvergereden waren, keken erg medelijdend, maar er waren velen onder de

toeschouwers, die hun schouders ophaalden en blijkbaar niet veel van het

verhaal van den Markies geloofden.

De Markies merkte dit wel degelijk op en daarom ging hij heel rad

sprekend, zoo gauw mogelijk met zijn toespraak voort om verdere

redeneeringen te voorkomen.

„Dames en heeren,” vervolgde hij, „nu zal ten tooneele verschijnen Hare

Majesteit de Koningin van de Isofagus-eilanden.”

Daarop verscheen de Koningin met rood gezicht, rood haar, vuurroode

bloote armen en gekleed in een verlepte rood zijden japon met

schitterende loovertjes. Trompetgeschal achter de schermen kondigde de

komst van Hare Hoogheid aan.

[Illustratie: Trompetgeschal achter de schermen kondigde de komst van

Hare Hoogheid aan.]

Toen de „klaroenen” zwegen nam zij met een minzaam koninklijk gebaar een

zwaard uit de handen van den knielenden Markies. Eenige malen zwaaide ze

er mee in het rond, zoodat alle menschen op de eerste rij dachten, dat

het op hen gemunt was, drukte het tegen haar borst en hield het heft ter

hoogte van haar lippen, om te toonen hoe diep het zwaard in haar lichaam

zou binnendringen.

Toen opende Hare Majesteit haar grooten mond en slokte het zwaard

langzaam in.

Natuurlijk slokte ze het niet in werkelijkheid in, want het wapen was

uit een menigte geledingen saamgesteld, die door een eenvoudig mechaniek

in elkaar schoven.

Nadat de toejuichingen een weinig bedaard waren haalde ze het zwaard

weer voor den dag en boog, met een indrukwekkende waardigheid, naar

links en rechts.

„Dames en heeren,” zei de Markies, terwijl hij drie passen naar voren

trad, „Hare Majesteit is getroffen door uwe vriendelijke ontvangst en

wil u, uit dankbaarheid, nog eene van hare zeldzame kunstverrichtingen

doen zien. Zij zal een goed loopend horloge met ketting naar binnen

slikken. Zou een van de heeren zoo goed willen zijn mij een horloge te

leenen?”

„O, dank u mijnheer! Dank u, één is genoeg! Eens toen de Koningin nog

tusschen haar onbeschaafd volk verblijf hield, gebeurde het, dat zij

spelenderwijs een horloge door haar keelgat liet zakken. Juist wilde zij

het terugtrekken, toen de ketting brak en het onverteerbaar voorwerp

zonk in haar koninklijke maag. Dit scheen een groot ongeluk, maar er

is geen ongeluk zonder geluk; zoo ook hier. Het horloge was een

repeteerhorloge en liep uitstekend.

Hierdoor kwam het, dat Hare Majesteit tot grooten zegen werd voor hare

onderdanen op de Isofagus-eilanden. De bewoners van deze ver verwijderde

landen zijn nomaden. Een algemeenen tijd als dien van Greenwich kennen

zij niet. Wanneer nu een der zwervende stammen in de diepte der

ondoordringbare wouden hun Koningin ontmoetten, zette men zich bij haar

neder en wachtte geduldig tot het verborgen uurwerk sloeg, waarna een

ieder zijn horloge gelijk zette en verder toog.”

„Wie wond het horloge op?” riep een van de ongeloovigen uit het publiek.

„Het was net als de tong van zeker iemand, altijd door in beweging,”

antwoordde de Markies.

De man wilde nog iets zeggen, maar het gelach dat op het handige

antwoord volgde was zóó luide, dat niemand hem verstond.

Toen alles weer stil was deed de Koningin het geleende horloge en daarna

de ketting, schakel voor schakel in haar mond verdwijnen, doch droeg wel

zorg dat het einde der ketting stevig tusschen hare gesloten lippen

bleef zitten.

De Markies vroeg daarop aan een van de jeugdige toeschouwers, op het

tooneel te willen komen, ten einde zich te overtuigen, dat het horloge

wel degelijk in de maag der Koningin tikte.

Na veel gegrinnik kwam eindelijk een haveloos jongetje op het tooneel en

verklaarde dadelijk, dat hij „het ergens hoorde tikken,” wat hij dan ook

werkelijk deed, want er was een klein uurwerk verborgen in de plooien

van de ceintuur der dikke vrouw.

[Illustratie: ... „het ergens hoorde tikken.”]

Hare Majesteit tilde daarna nog enorm „zware” gewichten op van hol

plaatijzer, waarop ongelooflijk groote getallen waren geschilderd, om te

toonen hoe zwaar ze wel waren, waarna de Markies bekend maakte, dat er

tien minuten pauze zou worden gehouden, als wanneer het tweede deel der

voorstelling een aanvang zou nemen.

„En waar blijft Hyinski, de beroemde Japansche jongleur?” riep een van

de ongeloovigen, want evenmin als Jon-Jon, was er ooit iemand die

Hyinski heette aan het gezelschap verbonden geweest.

De Markies sloeg langzaam zijn oogen op en zag den spreker recht in 't

gelaat.

„Niemand,” zeide hij, „zou deze vraag doen wanneer hij de oorzaak kende

van Hyinski's afwezigheid. Al schijnen wij artiesten voor 't oog der

wereld altijd vroolijk en opgewekt, wij hebben toch ook ons verdriet en

onze zorgen. Hyinski knielt op 't oogenblik neder aan het ziekbed zijner

stervende moeder...”

„Och arme!” riep het vrouwelijk deel van het publiek en keek met

verwijtende blikken naar den vrager, „je moest je schamen, jij, om zoo

iemand nog te willen laten optreden.”

De triomf van den markies was volkomen en hij leidde de Koningin van het

tooneel onder een donderend applaus.

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 18 / 25 题