Groote voorstelling.
Paul en Dick bleven alleen en de voorstelling begon. Zij begon als
gewoonlijk met de goocheltoeren van den Markies van Galimedes. Hij
raakte slechts even het knoopsgat van zijn jas aan en... een prachtige
roos kwam te voorschijn. Hij leende een horloge, hamerde dit aan kleine
stukjes en haalde het dan weer gaaf en wel uit den zak van een ouden
mijnheer, die bij hoog en laag gezworen had, dat hij geen horloge bij
zich droeg. Dan vulde hij een glas met water, en als hij het in den
schoot van een dame omkeerde was de inhoud in bloemen veranderd. Hij
schonk uit dezelfde flesch een glas port, een glas sherry en een glas
cognac; en de dames en heeren, die op zijn verzoek den inhoud der
glazen mochten proeven, vonden dit vooral 'n prachtige toer. Hij sneed
den kop van 'n duif af, sprak eenige hocus-pocussen en... de vogel was
weer levend. Hij klutste eieren in 'n geleenden hoed en bakte er een
ommelet in, die hij onder het publiek verdeelde. Daarna gaf hij den hoed
geheel ongeschonden, weer aan zijn eigenaar terug, die al dat geknoei
had aangezien met 'n gezicht bleek van angst, voor 't verlies van zijn
hoofddeksel. Al deze toeren en nog een heeleboel meer hadden het succes
dat ze altijd en overal hadden.
[Illustratie: ... tot groote schade van de horloges, hoeden en duiven.]
Wel 'n dag of veertien lang probeerden de dorpsbewoners of ze den
goochelaar ook na konden doen tot groote schade van de horloges, hoeden
en duiven uit het dorp, maar het gelukte hun niet. Treurig keken ze dan
naar de slachtoffers, krabden zich achter de ooren en zeiden: „Maar wat
drommel hoe deed hij dat dan toch?”
Na den Markies traden „de onvergelijkelijke en bewonderenswaardige
gezusters Sylpha” op.
Het waren een paar leelijke dochters van de nog veel leelijker moeder en
hunne verrichtingen bleven ver beneden het middelmatige. Het mooiste
van de vertooning was, toen een van de zusters net deed of ze haar
evenwicht verloor, bijna viel, maar gelukkig nog juist bij tijds het
koord vastgreep. Het publiek begreep in 't geheel niet dat alles
slechts voorgewend was. Het meende, dat een van de zusters werkelijk een
oogenblik tusschen leven en dood zweefde en 't was een algemeen gejuich
en handgeklap toen alles zoo gelukkig afliep.
De Slangenmenschen, die onderwijl van uit een hoek naar de kunsten van
hare zusters hadden staan gluren, kwamen nu op het tooneel en deden het
publiek „verstomd staan door hare buitelingen, draaiingen en wendingen.”
Ook Komus, de Groote Clown, vertoonde zich. Hij beproefde na elke
gymnastische toer de gezusters na te doen, maar natuurlijk gelukte dit
hem nooit. Na elke mislukte poging boog hij diep voor het publiek, dat
niet op hield te schaterlachen over zijn geestigheden. De vroolijkheid
bereikte haar toppunt toen Komus overal liep te zoeken naar zijn muts,
die hij in de hand hield; toen hij bij ongeluk tegen een paal aanliep
met zoo'n schok, dat hij ervan op den grond tuimelde, waarna hij
zichzelf weer ophielp bij het achterste gedeelte van zijn groote,
wijde broek; toen hij zich een klinkenden slag op de wang gaf, om een
denkbeeldige vlieg dood te slaan, en meer grappige kunsten vertoonde,
die even geestig zijn als oorspronkelijk en waarover de toeschouwers
zich bijna een ongeluk lachten.
[Illustratie: .... tegen een paal aanliep.]
Thans achtte de Markies het geschikte oogenblik gekomen, om den
dorpelingen de eerste groote teleurstelling mee te deelen.
Met doodelijk verschrikt gelaat kwam hij plotseling van achter de
coulissen te voorschijn.
„Ik moet u allen een hoogst treurig voorval meedeelen,” riep hij uit.
„Blijft allen rustig zitten, er is geen brand! Neen iets veel ergers dan
brand is ons overkomen. Jon-Jon, de sterkste man der wereld, is dood!”
„Dood?” herhaalden allen fluisterend.
„Ja dood!” hernam de Markies. „Hier heb ik z'n brief, waarin hij mij
schrijft, dat hij hedenavond, op zijn gewone wandeling, aangereden is
door een dame op 'n fiets en gedood werd.”
„Gedood door een dame!” riep iedereen. „De sterkste man der wereld,
gedood door een dame!”
Sommige vrouwen en kinderen die ook wel eens bijna door een rijwiel
omvergereden waren, keken erg medelijdend, maar er waren velen onder de
toeschouwers, die hun schouders ophaalden en blijkbaar niet veel van het
verhaal van den Markies geloofden.
De Markies merkte dit wel degelijk op en daarom ging hij heel rad
sprekend, zoo gauw mogelijk met zijn toespraak voort om verdere
redeneeringen te voorkomen.
„Dames en heeren,” vervolgde hij, „nu zal ten tooneele verschijnen Hare
Majesteit de Koningin van de Isofagus-eilanden.”
Daarop verscheen de Koningin met rood gezicht, rood haar, vuurroode
bloote armen en gekleed in een verlepte rood zijden japon met
schitterende loovertjes. Trompetgeschal achter de schermen kondigde de
komst van Hare Hoogheid aan.
[Illustratie: Trompetgeschal achter de schermen kondigde de komst van
Hare Hoogheid aan.]
Toen de „klaroenen” zwegen nam zij met een minzaam koninklijk gebaar een
zwaard uit de handen van den knielenden Markies. Eenige malen zwaaide ze
er mee in het rond, zoodat alle menschen op de eerste rij dachten, dat
het op hen gemunt was, drukte het tegen haar borst en hield het heft ter
hoogte van haar lippen, om te toonen hoe diep het zwaard in haar lichaam
zou binnendringen.
Toen opende Hare Majesteit haar grooten mond en slokte het zwaard
langzaam in.
Natuurlijk slokte ze het niet in werkelijkheid in, want het wapen was
uit een menigte geledingen saamgesteld, die door een eenvoudig mechaniek
in elkaar schoven.
Nadat de toejuichingen een weinig bedaard waren haalde ze het zwaard
weer voor den dag en boog, met een indrukwekkende waardigheid, naar
links en rechts.
„Dames en heeren,” zei de Markies, terwijl hij drie passen naar voren
trad, „Hare Majesteit is getroffen door uwe vriendelijke ontvangst en
wil u, uit dankbaarheid, nog eene van hare zeldzame kunstverrichtingen
doen zien. Zij zal een goed loopend horloge met ketting naar binnen
slikken. Zou een van de heeren zoo goed willen zijn mij een horloge te
leenen?”
„O, dank u mijnheer! Dank u, één is genoeg! Eens toen de Koningin nog
tusschen haar onbeschaafd volk verblijf hield, gebeurde het, dat zij
spelenderwijs een horloge door haar keelgat liet zakken. Juist wilde zij
het terugtrekken, toen de ketting brak en het onverteerbaar voorwerp
zonk in haar koninklijke maag. Dit scheen een groot ongeluk, maar er
is geen ongeluk zonder geluk; zoo ook hier. Het horloge was een
repeteerhorloge en liep uitstekend.
Hierdoor kwam het, dat Hare Majesteit tot grooten zegen werd voor hare
onderdanen op de Isofagus-eilanden. De bewoners van deze ver verwijderde
landen zijn nomaden. Een algemeenen tijd als dien van Greenwich kennen
zij niet. Wanneer nu een der zwervende stammen in de diepte der
ondoordringbare wouden hun Koningin ontmoetten, zette men zich bij haar
neder en wachtte geduldig tot het verborgen uurwerk sloeg, waarna een
ieder zijn horloge gelijk zette en verder toog.”
„Wie wond het horloge op?” riep een van de ongeloovigen uit het publiek.
„Het was net als de tong van zeker iemand, altijd door in beweging,”
antwoordde de Markies.
De man wilde nog iets zeggen, maar het gelach dat op het handige
antwoord volgde was zóó luide, dat niemand hem verstond.
Toen alles weer stil was deed de Koningin het geleende horloge en daarna
de ketting, schakel voor schakel in haar mond verdwijnen, doch droeg wel
zorg dat het einde der ketting stevig tusschen hare gesloten lippen
bleef zitten.
De Markies vroeg daarop aan een van de jeugdige toeschouwers, op het
tooneel te willen komen, ten einde zich te overtuigen, dat het horloge
wel degelijk in de maag der Koningin tikte.
Na veel gegrinnik kwam eindelijk een haveloos jongetje op het tooneel en
verklaarde dadelijk, dat hij „het ergens hoorde tikken,” wat hij dan ook
werkelijk deed, want er was een klein uurwerk verborgen in de plooien
van de ceintuur der dikke vrouw.
[Illustratie: ... „het ergens hoorde tikken.”]
Hare Majesteit tilde daarna nog enorm „zware” gewichten op van hol
plaatijzer, waarop ongelooflijk groote getallen waren geschilderd, om te
toonen hoe zwaar ze wel waren, waarna de Markies bekend maakte, dat er
tien minuten pauze zou worden gehouden, als wanneer het tweede deel der
voorstelling een aanvang zou nemen.
„En waar blijft Hyinski, de beroemde Japansche jongleur?” riep een van
de ongeloovigen, want evenmin als Jon-Jon, was er ooit iemand die
Hyinski heette aan het gezelschap verbonden geweest.
De Markies sloeg langzaam zijn oogen op en zag den spreker recht in 't
gelaat.
„Niemand,” zeide hij, „zou deze vraag doen wanneer hij de oorzaak kende
van Hyinski's afwezigheid. Al schijnen wij artiesten voor 't oog der
wereld altijd vroolijk en opgewekt, wij hebben toch ook ons verdriet en
onze zorgen. Hyinski knielt op 't oogenblik neder aan het ziekbed zijner
stervende moeder...”
„Och arme!” riep het vrouwelijk deel van het publiek en keek met
verwijtende blikken naar den vrager, „je moest je schamen, jij, om zoo
iemand nog te willen laten optreden.”
De triomf van den markies was volkomen en hij leidde de Koningin van het
tooneel onder een donderend applaus.
[Decoratieve illustratie]