VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Paul en Dick krijgen les.

De voorstelling zou beginnen. Het publiek stroomde naar de herberg.

Kinderen beneden de twaalf jaar kwamen bij twintig te gelijk. Ik geloof

niet, dat allen op even eerlijke wijze hun „entree” hadden bemachtigd en

den volgenden dag begreep menig moedertje niet waar toch al haar eieren

gebleven waren.

Er werden zóóveel eieren in betaling gegeven, dat men niet wist waar ze

te bergen en uit de keuken van „de Ooievaar” moest een waschtobbe worden

geleend om ze in te doen.

De Koningin stond bij de deur en inde geld en eieren. Bij tusschenpoozen

sloeg ze met kracht op een groote gong en schreeuwde: „Eén stuiver maar

als 't je blieft, één stuiver of één ei!”

Jonas en de meisjes waren prachtig uitgedoscht. Jonas als clown en de

meisjes in tricot met korte rokken. Met veelzeggende gebaren wezen

ze dan weer op zichzelf en elkander, dan weer naar de monsterachtig

leelijke prenten achter zich, en dat beteekende: „Alles wat ge daar

afgebeeld ziet wordt door ons vertoond.”

[Illustratie: ... waar toch al haar eieren gebleven waren.]

Om het publiek nog meer te lokken besloot de Markies een kleine comedie

op het tooneeltje voor de deur te doen vertoonen.

De comedie was getiteld:

„De dame en haar luie knecht.”

Paul zou de hoofdrol vervullen. Anders was dit de taak van Jonas, maar

die was nu juist bezig versch stroo in de kooien te leggen.

„Hoe kan ik nou comedie spelen als ik het stuk niet eens ken,” zei Paul.

„Dat komt er niet op aan,” antwoordde de Markies, „je geeft maar

antwoord op wat men je vraagt, daarmee uit,” en meteen gaf hij Paul een

flinken schop, waardoor hij plotseling midden op het tooneel stond.

„Ha, ha, zijt ge daar eindelijk luiaard,” riep de Koningin die voor

_Dame_ speelde, „waar hebt ge den wijn gelaten?”

_De knecht_: (_Paul_) „Welke wijn?”

_De dame_: Wel, den wijn waarvoor ik u tien stuivers gaf om denzelven te

koopen.

_De knecht_: 'k Kreeg nooit tien stuivers van je om wijn te koopen.

_De dame_: Ha, ha! hoor dien snuiter eens! Hij durft het mij heeten te

liegen. Waar is de wijn?

_De knecht_: Och wat zeur je toch van: „Waar is de wijn?” ik weet van

geen wijn.

_De dame_: O gij kleine gulzigaard, ik begin te gelooven, dat gij den

wijn hebt opgedronken.

_De knecht_: Al was er wijn geweest dan zou ik toch geen droppel ervan

hebben kunnen proeven. Jij houdt er zelf veel te veel van.

_Een stem achter de schermen_: Mooi gezeid. Maak er een gebaar bij.

[Illustratie: .... waardoor hij plotseling midden op het tooneel stond.]

Maar Paul verstond of begreep de bedoeling van den Markies niet goed en

stak zijne tong uit. De „dame” werd nu in ernst boos, liep op Paul toe

en gaf hem een klap om de ooren, die klonk als 'n klok. Paul week

achteruit, de „dame” achtervolgde hem, totdat hij aan den achterkant van

het tooneel gekomen geen steun meer vond, zijn evenwicht verloor en naar

beneden tuimelde.

Voor het publiek was de comedie nu afgeloopen.

Het juichte de vertooners daverend toe; 't was dan ook erg natuurlijk

geweest.

Voor een der vertooners begon de comedie echter nu pas goed te worden.

Paul viel namelijk in de waschtobbe met eieren, alsof die daar expres

voor dat doel was neergezet. Den Markies, die het zag, liepen de tranen

over de wangen van 't lachen.

„Ik dacht dat _ik_ veel van eieren hield,” zei hij, „maar zooveel als

jij er van schijnt te houden! je bent een echte veelvraat!”

Paul had zeker wel dadelijk een antwoord klaar gehad, als de gele

kleverige massa, die over zijn gezicht droop, hem niet belet had een

woord te zeggen. Hij wreef zich met de handen over oogen en mond, maar

hoe meer hij wreef, hoe meer verspreidde zich de eierdoor en hoe stijver

kleefde die op zijn gezicht vast.

Plotseling riep de markies: „Houd op, houd op! wrijf geen droppel meer

af! Ik heb daar 'n heerlijk idee! Ik beloofde die domme boeren, dat ik

ze twee nog nooit vertoonde wonderen zou laten zien en ik was m'n

belofte al heelemaal vergeten. Maar nu, als bij toeval, ontdek ik het

eene wonder. Houd op met dat gewrijf! Hoe meer je kleeft hoe beter. Ik

ga 'n wilde van je maken mijn jongen, een echte wilde!”

Al pratend duwde de Markies Paul in een dichtbijzijnden stal, die als

algemeene kleedkamer van den troep dienst deed. Hij had daar even te

voren een stuk of wat kippen opgemerkt, die kalm naast elkaar zaten te

slapen. De dieren te grijpen en ze meteen den nek om te draaien was

het werk van een oogenblik. Het gebeurde zoo gauw, dat de arme kippen,

geloof ik, zelf niet eens wisten, dat ze dood waren. Even handig en vlug

waren de beesten geplukt en nu begon de Markies Paul van top tot teen

met de veeren te bedekken, die overal op en in de kleverige eimassa

bleven zitten. Van de vleugels en de staart maakte hij een soort

diadeem, dien hij in het haar van den jongen vastplantte. Op een paar

pas afstand beschouwde hij met welgevallen zijn „schepping.” „Wel, wel,

je lijkt nog veel meer op 'n wilde dan Vrijdag van Robinson,” zei hij.

„'t Is altijd gevaarlijk om de toekomst te voorspellen, maar ditmaal

ben ik er zoo goed als zeker van, dat je succes zult hebben, zeldzaam

succes! Nu zal ik je nog leeren hoe je je tegenover het publiek als

wilde moet gedragen. Zet je rechtervoet vooruit—zóó. Kom nu een paar

stappen voorwaarts—zóó. Hier is 't handvat van een ouden mattenklopper,

neem dat voor oorlogswapen en nu vooruit, de linkerhand in de zij, in de

rechterhand het wapen—zóó. Wat zei je daar? Speel je niet voor mal?”

De Markies nam, dit zeggend, als bij toeval een stevig touwtje van den

grond op en zweepte dit heen en weer.

Paul zette dadelijk den rechtervoet vooruit, de linkerhand in de zijde

en sloeg woedend met zijn wapen in het rond.

„Zoo is 't goed.” zei de Markies, „ik verstond je zoo juist bepaald

verkeerd.”

„Rol nu je oogen en schud je hoofd, alsof je het geheele publiek wel

dadelijk zoudt willen verslinden.

Prachtig! uitstekend! Nu moet je nog maar alleen de taal van je land

leeren. Luister, je moedertaal is: „Acasa! Bojador! Draa!” Zeg mij dat

na: „Acasa! Bojador! Draa!””

Paul keek even naar het eindje touw en zei toen zijn lesje op.

„Dat gaat wel voor een nieuweling, maar in dat „Draa” zit nog niet

genoeg klank. Je moet het meer laten rollen. „Dra...a.” Probeer 't nog

eens.”

Paul gehoorzaamde.

„Dat gaat veel beter. Denk er nu om, dat je het op het tooneel net zoo

goed doet! Je opvoeding is nu bijna voltooid, er mankeert nog maar 'n

kleinigheid aan; zie je die kippen, die ik zoo juist plukte? Nu, die

vette diertjes zal ik je voor 't publiek laten zien en zoodra je ze in

't oog krijgt moet je er op aanvallen als 'n wild beest en ze met huid

en haar verslinden. 't Zal 'n groot ongeëvenaard succes zijn. Wees

dankbaar, dat ik je in de gelegenheid stel je groote gaven door het

publiek te laten waardeeren. Waarlijk dat overkomt iemand maar zelden in

de wereld.”

„En denkt ge soms, dat ik van plan ben die rauwe kippen op te eten?”

zei Paul.

„Waarom niet? De meeste menschen zouden overgelukkig zijn als ze zoo'n

kippetje op hun tafel kregen.”

[Illustratie: „Acasa! Bojador! Draa!”]

„'n _Rauwe_ kip,” verbeterde Paul, „'n gebraden kip zou 'k ook wel

lusten.”

„'n Gebraden kip! Dat wil ik wel gelooven. Maar daar is heelemaal geen

kunst aan. Daar behoeft men geen artiest van beroep voor te zijn om dat

te kunnen doen. Elke dilettant doet dat met 't grootste genoegen. Maar

_rauwe_ kippen te eten dat is _kunst_, dat doet de eerste de beste je

niet na!”

„Je kunt daar nu wel staan praten als Brugman, maar ik ben niet van plan

rauwe kippen te eten.”

„En je eet ze _wel_, Vrijdag.”

„Ik eet ze niet.”

„Ja,” zei de Markies kalm, „wanneer je zoo vast op je stuk staat, dan

zal ik weer mijne onfeilbare onderwijs-methode moeten toepassen, waarmee

men jonge wilden heel gemakkelijk leert niet al te kieskeurig te

zijn...”

De Markies nam toen een paar veeren die nog op den grond lagen en stak

ze doodbedaard, alsof er niets bijzonders gebeurde, in Paul's blooten

nek.

„Nu, Vrijdag, wat heb je liever, rauw vleesch of gebraden?”

„R-r-auw!”

„Je houdt dus ook heel veel van rauwe kippen?”

„J-j-a!”

„Dat dacht ik ook wel. 't Had me waarlijk erg gespeten wanneer je door

al die eieren geen trek meer had in andere lekkere dingen. Zie zoo ik

geloof, dat je nu wel 'n volleerde wilde zijt. Wanneer je nog 't een of

ander weten wilt dan moet je me maar waarschuwen.”

Met deze woorden bracht de Markies Paul in een groote kooi en sloot de

deur achter hem dicht.

„En nu nòg 'n wonder.” zeide hij. „Dick kom eens hier. Ja, laat eens

zien, wat kan ik eigenlijk van jou maken?”

„Ik wil niet dat er wat van mij gemaakt wordt,” stotterde Dickie, „ik

wil naar huis.”

„Nu nog mooier. Paul maakt zich nuttig voor zijn medemenschen en jij

zoudt niets doen! Dat kan je zoo denken! Luiheid, mijn kleine man, is

de bron van alle kwaad. Toen ik een kleine jongen was heb ik dat nooit

begrepen, ik leerde de waarheid van dat spreekwoord helaas te laat in 'n

zeer harde en bittere leerschool.”

Hij had de laatste woorden meer tot zichzelf dan tot Dick gesproken en

een oogenblik bleef hij stil nadenkend voor zich uit staren.

„Komaan mijn jongen,” vervolgde hij weer op zijn gewonen toon, „wat moet

er van jou worden? Ik weet het! Een man zonder hoofd, dat is gemakkelijk

te maken en het effect zal schitterend zijn. Kom hier, dan zal ik je het

hoofd afnemen.”

Dickie keek doodsbenauwd, want hij dacht niet anders of zijn laatste uur

was geslagen.

„Gevonden, gevonden!” riep de Markies, „daar heb ik 'n schitterend

idee, 'n geniaal denkbeeld! 'n Openbaring! Ik zal je hoofd afslaan, je

vrouwenkleeren aantrekken en je aan het publiek voorstellen als het

Grootste Wonder op Aarde, de Eenige Zwijgende Vrouw. Uit alle deelen van

de wereld zullen de getrouwde mannen naar mijn spel komen om dat wonder

te zien. Dickie ons fortuin is gemaakt.”

Maar het vooruitzicht op rijkdom en fortuin maakte blijkbaar heelemaal

geen indruk. Dickie begon te huilen.

„Nou, nou! wat is dat nou!” zei de Markies op 'n vriendelijker toon, dan

men van hem verwacht zou hebben, „wanneer je er geen lust in hebt, dan

zullen we wat anders moeten bedenken. Ik weet 't al. Je moet optreden

als vliegenvanger. 't Is 'n rol van weinig beteekenis en gemakkelijk te

vervullen ook. Kom, laat mij je armen en beenen afnemen. Voortaan heb je

die aanhangsels niet meer noodig.”

Dickie begreep niet, dat de spellebaas hem voor de grap bang maakte; hij

meende in ernst dat zijn ledematen afgehakt zouden worden en smeekte om

genade.

De Markies lette daar echter niet op, pakte hem beet, drukte hem de

armen recht tegen het lijf en liet hem neerknielen in een grooten

meelzak, dien hij verder geheel opvulde met stroo. Het bovengedeelte

bond hij met een stevig koord om Dickie's hals en op zijn hoofd zette

hij een oud fluweelen kalotje, waarin hij een paar pauweveeren stak.

Daarna schilderde hij een roode ster op zijn voorhoofd en duwde en trok

zoolang aan den zak, tot er geen vouwtje meer in was en niemand kon

zien waar de jongen eindigde en de opgevulde zak begon.

Toen zette hij hem op 'n soort van voetstuk en bracht hem in 'n andere

kooi naast die van Paul.

„Ik ben trotsch op mijn werk!” riep hij uit. „Nog nooit zag ik twee zoo

volmaakte wonderen te zamen! Maar 't publiek wordt ongeduldig. Ik moet

naar voren. Houdt jelui bedaard en kalm en denkt maar eens goed over je

rollen na. Dadelijk kom ik weer terug en ik hoop, dat ik jelui geheugen

niet behoef op te frisschen.”

En haastig liep hij weg, blijkbaar zeer voldaan over zijn arbeid.

[Illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 17 / 25 题