DERTIENDE HOOFDSTUK.

De toespraak.

Het werd avond en de karavaan trok een dorp binnen, waar de troep zou

overnachten.

In 'n schuur van de herberg „de Ooievaar” zou de voorstelling plaats

hebben.

„Vooruit, vooruit,” riep de markies, „ik kan geen handen in de zakken

zien.”

Deze laatste opmerking was vooral tot Paul gericht, die tegen den

deurpost leunde en niet van plan scheen 'n vinger uit te steken.

„Misschien begrijp jij daar nog niet recht, dat _ik_ de baas ben,

en dat iedereen doen moet wat _ik_ zeg. 't Is 'n ding van 't hoogste

belang om dat goed te begrijpen en daarom geef ik je _dit_ om je

bevattingsvermogen wat te versterken.”

Meteen gaf hij Paul zoo'n hevigen draai om de ooren als hij nog nooit

van zijn leven gehad had.

Paul vond het dan ook maar 't beste dadelijk te gehoorzamen en aan 't

werk te gaan.

Dickie die een oogenblik te voren ook niets uitvoerde en er uitzag als

„'n beeld der wanhoop” begon van schrik hard mee te helpen om de kooien

uit den wagen te tillen.

Toen de kooien in 't rond tegen den wand waren gezet en alles binnen in

het gebouw voor de voorstelling in gereedheid was gebracht, werden er

buiten op de muren groote veelkleurige biljetten aangeplakt, bedrukt

met de wonderlijkste voorstellingen. Ten laatste werd er voor de deur

een klein tooneeltje opgeslagen en de Markies maakte zich gereed aan

het publiek bekend te maken, dat hij met zijn troep was aangekomen.

„Wel, jeugdige treurspelers,” zei hij tot Paul en Dickie, „nu is het

oogenblik gekomen waarop wij aan de dorpsbewoners onze avondvoorstelling

zullen aankondigen, want wij moeten ons souper nog verdienen. Het leven

van een kunstenaar is niet allemaal plezier.”

De jongens waren het daar volkomen mee eens.

„Wij zullen de voorstelling aankondigen,” vervolgde hij, „door een

aangename en liefelijk klinkende muziek. Gij, Koningin van mijn hart,

zult wel zoo goed zijn de viool te bespelen. Gij, jonge dochters, moogt

elk instrument nemen dat ge maar vinden kunt, als ge maar niet allen

hetzelfde kiest. Jonas neemt de trombone. Dickie hijsch dien trommel

eens op je rug; zie zoo, maak nu den trommelstok aan je rechter-elleboog

vast. Knap zoo! Zet nu eens die bellekap op je hoofd. Heel goed! Nu...”

„Nog meer?” viel Dickie hem in de rede.

„Meer? Wel dit is nog maar 'n begin. Dus, zooals ik zei, steek deze

mondharmonica in den kraag van je kiel. Nee! zoo niet, de openingen

moeten vlak bij je lippen komen. Zoo gaat ie goed. Nu die schelletjes

nog aan je voeten en de bekkens tusschen de knieën en dezen triangel aan

je linker-elleboog. Als ik nog wat vergeten heb, hoop ik dat je me zult

waarschuwen. Denk je van niet? Dan is 't goed! Nu moet je alleen maar je

hoofd, ellebogen, vingers, knieën, voeten en handen allemaal tegelijk

bewegen en zoo hard blazen als je kunt. Prachtig! Er bestaat geen

knapper muzikant op de heele wereld dan jij.”

Daarop wendde hij zich tot Paul en zei: „Haal me de klarinet eens.”

„Haal 'm zelf,” zei Paul.

Juist bijtijds bukte de jongen zich, anders vrees ik dat z'n hoofd was

afgeslagen.

't Volgend oogenblik had hij dan ook de klarinet maar gehaald.

„En wat mot ik daar nou mee doen?” vroeg hij.

„Wat of je daarmee moet doen? wel, 't is geen hooivork! Ik wil dat je

ermee zult doen wat er gewoonlijk met 'n klarinet gedaan wordt.”

Paul zei, dat hij geen klarinet speelde.

[Illustratie: Geen knapper muzikant op de heele wereld.]

„Daar vergis je je in mijn jongen. Iedereen kan de klarinet bespelen.

Pasgeboren kinderen kunnen dit instrument soms nog mooier bespelen dan

hun ouders.”

„Maar, ik zei immers...”

„Stil! Geen tegenwerpingen! Jij speelt de klarinet. Afgedaan!”

„Maar...”

„Jongen denk er om, het zal je berouwen als je niet gehoorzaamt.”

„Maar men heeft soms jaren noodig om 't te leeren.”

„Och! Dan heb ik een betere methode. Veel gemakkelijker en 't duurt

oneindig korter.”

Daarop gaf de muziekmeester zijn leerling zoo'n klap met het instrument,

dat de jongen dacht, dat hij in den grond zonk.

„Daar!” riep de Markies. „Is dat geen gemakkelijke manier van leeren?

Nou kan je zeker de klarinet wel bespelen, hè?”

„Ik... ik denk van wel.”

„Ik denk 't ook. 't Is een leermethode, die nooit faalt. Speel.”

Paul blies met al de kracht van zijn longen in het mondstuk. De

vreeselijk schrille toon dien hij deed hooren, bracht de beesten in hun

kooien aan 't huilen.

„Bravo!” riep de Markies. „Je haalt, wel is waar, nog maar één noot uit

het instrument en dat is 'n valsche, maar menschen die van een klarinet

houden, zullen die noot prachtig vinden. Nu allen op den wagen!”

Het bovendeel en de zijstukken waren van den wagen afgenomen; de Markies

ging voorop staan met zijn trompet en zoo ging de troep voorwaarts om

luide zijne aanwezigheid in het dorp aan te kondigen.

En wel kondigden ze die _luide_ aan. Ieder speelde op zijn eigen

manier en het eene instrument stoorde zich totaal niet aan 't andere. De

viool, de klarinet, de trombone, de triangel, ze krasten en bliezen en

tingelden, zonder zich om iets wat naar maat geleek te bekommeren; 't

was of ieder voor zich zijn best deed de anderen in sterkte van geluid

te overtreffen.

[Illustratie: ... bracht de beesten in hun kooien aan 't huilen.]

Zoo doorkruiste de optocht eenige malen het dorp van rechts naar links

en van links naar rechts. Op enkele punten maakte de wagen halt, dan

toeterden alle instrumenten voor een oogenblik op hun allerhardst en

daarna hield de Markies de volgende toespraak.

„Dames en heeren! Met welwillende vergunning van het EdelAchtbaar

bestuur dezer stad, en op dringende uitnoodiging van eenige beminnaars

der hoogere gymnastiek en van merkwaardige voortbrengselen uit het

dierenrijk, zal de wereldvermaarde koninklijke troep van den Markies

van Galimedes, die reeds de eer had voor verscheidene gekroonde hoofden

van Europa op te treden, hier hedenavond om acht uur eene voorstelling

geven op het Theater van het hotel „de Ooievaar.”

Het zou te veel van uw aller geduld gevergd zijn, wanneer ik ook maar

trachtte eene _kleine_ beschrijving te geven van alle wonderen, die zich

daar aan uwe blikken zullen vertoonen.

Zeker ware ik morgenochtend nog niet gereed, wanneer ik u alles zou

opnoemen. Daar dit onbegonnen werk zou zijn, zal ik mij bepalen tot het

vermelden van slechts enkele der grootste artiesten en merkwaardigheden

van mijn gezelschap.

Ten eerste dan zult ge zien den Markies van Galimedes in zijne

onovertroffen vaardigheid in de magie en hoogere goochelkunst. Hij zal

alle zakdoeken, horloges, juweelen enz. van elk der toeschouwers, die ze

hem durft toevertrouwen, voor uwe oogen doen verdwijnen.

Vervolgens zal ik aan u presenteeren Hare Majesteit de Koningin van de

Isofagus-eilanden, een van de weinige overgebleven inboorlingen dier

eilandengroep. Haar spijs bestaat enkel alleen uit degens en horloges,

welke voorwerpen zij in uw bijzijn zal verslinden.

Dan zult ge zien, dames en heeren, de gezusters Sylpha, luchtacrobaten

van den eersten rang. Het is van algemeene bekendheid, dat de

beroemde Parijsche Koningin der lucht-acrobaten: Kan-kan, door de

bewonderenswaardige verrichtingen der gezusters Sylpha zóó werd

overbluft, dat zij haar vak vaarwel zeide en in een klooster ging. Deze

geschiedenis is wijd en zijd in de couranten verkondigd; ik kan u dus

voor de waarheid ervan instaan.

[Illustratie: De gezusters Sylpha.]

Te zamen met deze onvergetelijke acrobaten zullen hare zusters de

slangenmenschen op het tooneel verschijnen en u verstomd doen staan door

hare sprongen, draaiingen, wendingen en buitelingen. Dan zult ge nog

zien Komus, den grooten clown, wiens ongeëvenaarde geestigheid u zóó zal

doen bersten van lachen, dat op het einde der voorstelling alle knoopen

van uw kleeren afgesprongen zullen zijn.

Het zou mij te ver voeren wanneer ik u al de bekwaamheden opnoemde

van Jon-Jon den sterksten man ter wereld. De eerste maal dat ik dezen

modernen Simson zag, was hij juist in gevecht met een leeuw in de

woestijn. Jon-Jon overwon. Ik bood hem oogenblikkelijk een plaats bij

mijn gezelschap aan en het aanbod was voor hem te verleidelijk, dan dat

hij het niet met beide handen zou aangrijpen. Hij legt een knoop in een

ijzeren staaf, zooals een ander dat in een touw doet en aan het eind

zijner verrichtingen zal hij met zijn tanden twee van de dikste menschen

uit het publiek opnemen en over zijn hoofd, dertig voet ver, wegwerpen.

Dan, dames en heeren, zult ge nog bewonderen Hyinski, den beroemden

Japanschen jongleur, nog onlangs benoemd tot lijfjongleur van Z. M. den

keizer van Japan.

Dan zult ge zien twee wonderen, eenig in hun soort, die zich alhier voor

't eerst aan 't publiek zullen vertoonen.

Voorts zal ik aan u presenteeren het gedresseerde zwijn Heliogabalus,

dat beter kan optellen dan menig knap kassier en u op den dag af den

leeftijd zal weten te zeggen van elke dame uit het publiek.

Dames en heeren, ik zal kort zijn. Veel zou ik u nog kunnen vertellen,

maar de tijd voor de avondvoorstelling nadert.

Laat mij er dit nog bijvoegen, dat sinds Noach's tijden zelden, neen

nooit eene verzameling van dieren is aangetroffen, zóó uiteenloopend en

zeldzaam, als zich in mijne menagerie bevindt.

[Illustratie: Hyinski, de Japansche jongleur.]

Aan het eind der voorstelling zal ik nog uwe aandacht vragen voor een

gevecht tusschen twee beren en twee bulhonden, waarvan u de haren te

berge zullen rijzen.

En nu zult ge mij vragen: „wat moet ik betalen om getuige te kunnen zijn

van al deze wonderbaarlijke verrichtingen?”

Ja, zeer geëerd publiek, dat is een moeilijk te beantwoorden vraag.

Overal waar ik met mijn gezelschap optrad, in St. Petersburg, Weenen,

Rome, Madrid, Jeruzalem, overal betaalde men mij een gulden, een

rijksdaalder, vijf gulden soms, voor een loge tien gulden. Maar hier zal

ik bescheiden zijn, ik wil, dat zelfs de geringste onder u van mijne

leerrijke voorstelling zal kunnen profiteeren. Daarom vraag ik geen tien

gulden, geen vijf gulden, geen twee gulden, neen, zelfs geen gulden. Ik

vraag—hoeveel denkt ge? Wel, ik vraag slechts de belachelijk kleine som

van één stuiver.

[Illustratie: ... en holden om het hardst weg.]

Neen, dames en heeren, uw ooren bedriegen u niet,—één stuiver slechts

de persoon.

Bovendien zullen kinderen beneden de twaalf jaar die hun bankpapier en

goudgeld liever niet willen wisselen, (want als geld eenmaal gewisseld

is, dan glijdt het helaas! maar al te gauw door de vingers) toegelaten

worden tegen betaling van één ei. (Alle kleine jongens staan bij deze

mededeeling eerst een oogenblik sprakeloos van verbazing en hollen dan

om 't hardst weg.)

Dus, dames en heeren, profiteert van de gelegenheid.

Wanneer ge geen stuiver bezit of geen ei kunt machtig worden, dan zult

ge de grootste wonderen der oude en nieuwe wereld niet kunnen

aanschouwen. Ik hoop echter, dat er geen enkele onder u gevonden wordt,

die van dat schouwspel verstoken moet blijven.”

Hierop viel het muziekkorps weer met een helsch lawaai in.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 16 / 25 题