TWAALFDE HOOFDSTUK.

Onaangenaam gezelschap.

Toen de dag aanbrak was de troep al een heel eind van den molen

verwijderd.

De groote wagen zooals hij daar voortrolde, geleek in de

morgenschemering wel een huis op wielen.

Maar 't was een bijzonder vuil huis, want van onder tot boven was 't met

modder bespat en 't zag er uit, alsof het van af den dag dat het gemaakt

was niet was schoongemaakt.

Jonas zat op den bok en stuurde, want als hij geen clown was vervulde

hij de betrekking van koetsier. Zijn kleeren waren vuil en schunnig en

de zweep, die hij in de hand hield was door midden gebroken. Een dikke

lap hield de beide kapotte einden bijeen, zoodat de zweep er uitzag,

alsof ze 'n zeere keel had.

Bucefalus en Marengo, de twee groote witte paarden, die het voertuig

trokken, leken wel uit een vilderswerkplaats ontsnapt.

[Illustratie: ... een huis op wielen.]

Toen de jongens in den wagen waren binnengeloodst, vielen ze dadelijk

in slaap, moe van 't laat naar bed gaan en 't vroeg opstaan. Bij 't

wakker worden zagen ze eens rond en bemerkten al spoedig dat ze zich

niet op een heel zindelijke plaats bevonden. Aan beide kanten van den

wagen stonden de kooien met beesten tot aan den zolder opgestapeld.

Daartusschen lagen de dochters des huizes te slapen door en over elkaar

in zoo'n verwarden hoop, dat men bijna bang was, dat ieder bij 't

opstaan, haar eigen beenen niet zou kunnen terugvinden.

De spellebaas en zijn vrouw waren de eenigsten die een beetje armslag

hadden. Hij lag plat op z'n rug, met de handen onder 't hoofd, een

sigarette te rooken; de brandewijnflesch stond naast hem op den grond.

De „Koningin” zat in een armstoel bij de deur te slapen en snorkte zóó

hevig, dat zelfs het gedresseerde varken er niet door in slaap kon

komen.

De jongens vonden al spoedig, dat 't aangenamer is naar wilde dieren te

kijken wanneer ze in een spel vertoond worden, dan met diezelfde dieren,

gepakt in een te kleinen wagen, op een warmen dag op reis te zijn.

Dickie viel al gauw weer in slaap, maar de eigenaardige reuk die er in

den wagen hing, maakte het voor Paul onmogelijk den slaap weer te

vatten.

Hij keek eens rond of hij ook ergens een plekje kon ontdekken waar hij

een weinig frissche lucht kon inademen en zijn oog viel op een kleine

opening, beneden in den zijkant van het voertuig. Hij kroop er heen en

ging met het hoofd vlak voor de scheur liggen uitkijken. In 't eerst

dacht hij er slechts aan hoe dwaas het van hem was geweest zich door de

mooie praatjes van den Markies te hebben laten verlokken.

[Illustratie: ... voorbij groote bouwlanden.]

Langzamerhand echter begon hij het prettig te vinden op deze

gemakkelijke wijze zijn voorgenomen reis om de wereld te vervolgen.

Het landschap dat hij door zijn kijkgat zag, was vroolijk door de zon

verlicht; de frissche buitenlucht, die hij nu inademde deed hem goed;

hij herleefde weer en geleund op zijn ellebogen begon hij alles wat

ze voorbijtrokken nauwkeurig op te nemen. Ze reden voorbij groote

bouwlanden, waar vrouwen bezig waren aardappelen te poten en langs

malsche weiden waar koeien graasden. Groote zware karren getrokken door

drie, soms vier paarden, hijgend van den zwaren last, kwamen hen tegen

op den weg. Dan weer haalden ze een postlooper in met zijn brieventasch

of een boerenvrouw met korten rok, die een kruiwagen duwde, beladen met

groente voor de naastbijzijnde markt. Eindelijk reden ze door een dorp,

hobbelend over de onregelmatige keien van de hoofdstraat. Paul zag naar

de huizen, groote en kleine, sommige met klimop begroeid, andere wit

gepleisterd, enkele netjes met bloempotten op een rij voor de heldere

ramen, andere onooglijk en vuil met groezelige gordijnen. Toen kwamen de

velden weer, het ruischende koren, de appelboomen aan den kant van den

weg.

De wagen schommelde heen en weer als een wieg en Paul sloot de oogen

reeds half om zich in slaap te laten schommelen.

Plotseling echter opende hij ze weer. Wien had hij daar gezien, hollend

naast den wagen alsof hij dien zoo juist had ingehaald? De „Zwarte” was

het. Paul begreep er niets van. Hoe kwam die nu hier? Waarom was die man

overal waar hij was. Paul begon bijna aan 't een of ander wonder te

gelooven.

Daar opende Jonas de deur van den kermiswagen en zei tot den Markies:

„Daar is iemand om je te spreken.”

De spellebaas stond langzaam op, stapte over het doolhof van armen en

beenen heen, drong langs de slapende Koningin, opende de deur en sprong

uit den wagen.

Paul luisterde met open mond en ooren. Maar hij kon niets hooren van

wat de Markies en „de zwarte” met elkaar bespraken.

Hij voelde dat zij over hem spraken en spande al zijn krachten in om ook

maar iets op te vangen, maar te vergeefs.

[Illustratie: ... groote zware karren.]

Eenmaal hoorde hij den markies op 'n zeer verwonderden toon zeggen:

„Wel neen! Die kleine bedelaars?” en toen het gesprek afgeloopen was,

zei hij: „Zeker, ik begrijp het best, u kunt ten volle op mij

vertrouwen.”

Toen de Markies den kermiswagen weer binnen kwam, keek Paul hem

opmerkzaam aan, maar zijn trekken schenen wel uit marmer gehouwen, er

stond niets op te lezen. Kalm ging hij weer liggen rooken alsof er niets

was voorgevallen.

Het werd middag; de zon steeg hooger en hoe hooger de zon steeg hoe

warmer het werd en met de warmte vermeerderde ook de onaangename

atmosfeer binnen in den wagen. Tot overmaat van ramp woonden er ook nog

millioenen vliegen, die door hun voortdurende bloeddorstigheid iemand

het leven bijna ondragelijk maakten.

En wat ook minder aangenaam was voor de reizigers, de paarden schenen

de meest oneffene plaatsen van den weg uit te zoeken om den wagen door

of over te trekken. Misschien werd Jonas wat slaperig door de heete

middagzon; misschien ook werkte de inhoud van de flesch met brandewijn,

die de Markies hem om het half uur eens toestak, niet voordeelig op

zijn bekwaamheden als koetsier. Nu eens reed de wagen met het eene paar

wielen over een steenhoop, om het andere oogenblik in een diepen kuil

terecht te komen. Dan weer kropen de paarden als 't ware langs den weg

om plotseling met een ruk verder te springen, waardoor al de leden van

den troep tegen elkaar botsten en omver rolden. Als de beestjes dan een

meter of wat gedraafd hadden stonden ze op eenmaal stil en de geheele

familie tuimelde den anderen kant op.

Jonas zong onderwijl het hoogste lied, klapte met de zweep, stampte met

z'n voeten op het spatbord en scheen bijzonder over zichzelf tevreden.

Eenmaal nog waagde Dickie het Paul te verwijten, dat hij zijne beloften

zoo slecht hield.

Het was de laatste maal, want Paul werd rood van drift, sloeg met zijn

vuist op den grond en riep: „Loop naar de weêrga!” en dit scheen Dickie

zoo te verschrikken, dat hij in een hoek kroop en zich wel een uur lang

zoo stil hield als een muis.

[Illustratie: .... die de Markies hem om het half uur eens toestak.]

's Middags waren de beesten een paar maal gevoederd, want in een goed

ingerichte menagerie gaan de beesten altijd vóór de menschen. Ook hadden

de dochters der Koningin wat te eten gekregen, maar 't was alles Paul en

Dickie's neus voorbij gegaan en ze hadden zich nog wel zoo verheugd op

de boterhammen met jam!

Ze waren haast duizelig van den honger en hadden wat willen geven als

hun maar weer een schotel aardappelen met varkensvleesch was voorgezet.

Eindelijk zei de Koningin met een dikke tong,—want zij had het weer

wat te druk met de brandewijnflesch aangelegd—„Vleesch krijgen jelui

vandaag niet en jelui mot niet denke, dat je vóór de voorstelling van

vanavond wat anders te eten krijgen. Als we niet genoeg geld innen,

krijgen jelui dàn ook niemendal. Er is nog 'n half stuk brood en 'n

saucijsje, maar dat is toch niet genoeg voor jelui tweeën en daarom zal

ik 't maar opeten, anders geeft 't maar jaloerschheid en kibbelarij.”

[Illustratie: „Hè, hè, dat gaat erin als koekedeeg.”]

Dit zeggende nam de beminnelijke dame uit de provisiekast naast zich

een stukje brood en een dikke rookworst.

Ze bekeek beiden met alle aandacht en zette er toen de tanden in, etend

en smakkend als een hongerige koe in een klaverveld.

Toen ze zooveel gegeten had, dat ze onmogelijk meer iets naar binnen kon

krijgen, nam ze een flinke teug brandewijn, veegde zich den mond af met

den rug van de hand en zei met een zucht van voldoening: „Hè, hè, dat

gaat erin as koekedeeg.”

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 15 / 25 题