Onaangenaam gezelschap.
Toen de dag aanbrak was de troep al een heel eind van den molen
verwijderd.
De groote wagen zooals hij daar voortrolde, geleek in de
morgenschemering wel een huis op wielen.
Maar 't was een bijzonder vuil huis, want van onder tot boven was 't met
modder bespat en 't zag er uit, alsof het van af den dag dat het gemaakt
was niet was schoongemaakt.
Jonas zat op den bok en stuurde, want als hij geen clown was vervulde
hij de betrekking van koetsier. Zijn kleeren waren vuil en schunnig en
de zweep, die hij in de hand hield was door midden gebroken. Een dikke
lap hield de beide kapotte einden bijeen, zoodat de zweep er uitzag,
alsof ze 'n zeere keel had.
Bucefalus en Marengo, de twee groote witte paarden, die het voertuig
trokken, leken wel uit een vilderswerkplaats ontsnapt.
[Illustratie: ... een huis op wielen.]
Toen de jongens in den wagen waren binnengeloodst, vielen ze dadelijk
in slaap, moe van 't laat naar bed gaan en 't vroeg opstaan. Bij 't
wakker worden zagen ze eens rond en bemerkten al spoedig dat ze zich
niet op een heel zindelijke plaats bevonden. Aan beide kanten van den
wagen stonden de kooien met beesten tot aan den zolder opgestapeld.
Daartusschen lagen de dochters des huizes te slapen door en over elkaar
in zoo'n verwarden hoop, dat men bijna bang was, dat ieder bij 't
opstaan, haar eigen beenen niet zou kunnen terugvinden.
De spellebaas en zijn vrouw waren de eenigsten die een beetje armslag
hadden. Hij lag plat op z'n rug, met de handen onder 't hoofd, een
sigarette te rooken; de brandewijnflesch stond naast hem op den grond.
De „Koningin” zat in een armstoel bij de deur te slapen en snorkte zóó
hevig, dat zelfs het gedresseerde varken er niet door in slaap kon
komen.
De jongens vonden al spoedig, dat 't aangenamer is naar wilde dieren te
kijken wanneer ze in een spel vertoond worden, dan met diezelfde dieren,
gepakt in een te kleinen wagen, op een warmen dag op reis te zijn.
Dickie viel al gauw weer in slaap, maar de eigenaardige reuk die er in
den wagen hing, maakte het voor Paul onmogelijk den slaap weer te
vatten.
Hij keek eens rond of hij ook ergens een plekje kon ontdekken waar hij
een weinig frissche lucht kon inademen en zijn oog viel op een kleine
opening, beneden in den zijkant van het voertuig. Hij kroop er heen en
ging met het hoofd vlak voor de scheur liggen uitkijken. In 't eerst
dacht hij er slechts aan hoe dwaas het van hem was geweest zich door de
mooie praatjes van den Markies te hebben laten verlokken.
[Illustratie: ... voorbij groote bouwlanden.]
Langzamerhand echter begon hij het prettig te vinden op deze
gemakkelijke wijze zijn voorgenomen reis om de wereld te vervolgen.
Het landschap dat hij door zijn kijkgat zag, was vroolijk door de zon
verlicht; de frissche buitenlucht, die hij nu inademde deed hem goed;
hij herleefde weer en geleund op zijn ellebogen begon hij alles wat
ze voorbijtrokken nauwkeurig op te nemen. Ze reden voorbij groote
bouwlanden, waar vrouwen bezig waren aardappelen te poten en langs
malsche weiden waar koeien graasden. Groote zware karren getrokken door
drie, soms vier paarden, hijgend van den zwaren last, kwamen hen tegen
op den weg. Dan weer haalden ze een postlooper in met zijn brieventasch
of een boerenvrouw met korten rok, die een kruiwagen duwde, beladen met
groente voor de naastbijzijnde markt. Eindelijk reden ze door een dorp,
hobbelend over de onregelmatige keien van de hoofdstraat. Paul zag naar
de huizen, groote en kleine, sommige met klimop begroeid, andere wit
gepleisterd, enkele netjes met bloempotten op een rij voor de heldere
ramen, andere onooglijk en vuil met groezelige gordijnen. Toen kwamen de
velden weer, het ruischende koren, de appelboomen aan den kant van den
weg.
De wagen schommelde heen en weer als een wieg en Paul sloot de oogen
reeds half om zich in slaap te laten schommelen.
Plotseling echter opende hij ze weer. Wien had hij daar gezien, hollend
naast den wagen alsof hij dien zoo juist had ingehaald? De „Zwarte” was
het. Paul begreep er niets van. Hoe kwam die nu hier? Waarom was die man
overal waar hij was. Paul begon bijna aan 't een of ander wonder te
gelooven.
Daar opende Jonas de deur van den kermiswagen en zei tot den Markies:
„Daar is iemand om je te spreken.”
De spellebaas stond langzaam op, stapte over het doolhof van armen en
beenen heen, drong langs de slapende Koningin, opende de deur en sprong
uit den wagen.
Paul luisterde met open mond en ooren. Maar hij kon niets hooren van
wat de Markies en „de zwarte” met elkaar bespraken.
Hij voelde dat zij over hem spraken en spande al zijn krachten in om ook
maar iets op te vangen, maar te vergeefs.
[Illustratie: ... groote zware karren.]
Eenmaal hoorde hij den markies op 'n zeer verwonderden toon zeggen:
„Wel neen! Die kleine bedelaars?” en toen het gesprek afgeloopen was,
zei hij: „Zeker, ik begrijp het best, u kunt ten volle op mij
vertrouwen.”
Toen de Markies den kermiswagen weer binnen kwam, keek Paul hem
opmerkzaam aan, maar zijn trekken schenen wel uit marmer gehouwen, er
stond niets op te lezen. Kalm ging hij weer liggen rooken alsof er niets
was voorgevallen.
Het werd middag; de zon steeg hooger en hoe hooger de zon steeg hoe
warmer het werd en met de warmte vermeerderde ook de onaangename
atmosfeer binnen in den wagen. Tot overmaat van ramp woonden er ook nog
millioenen vliegen, die door hun voortdurende bloeddorstigheid iemand
het leven bijna ondragelijk maakten.
En wat ook minder aangenaam was voor de reizigers, de paarden schenen
de meest oneffene plaatsen van den weg uit te zoeken om den wagen door
of over te trekken. Misschien werd Jonas wat slaperig door de heete
middagzon; misschien ook werkte de inhoud van de flesch met brandewijn,
die de Markies hem om het half uur eens toestak, niet voordeelig op
zijn bekwaamheden als koetsier. Nu eens reed de wagen met het eene paar
wielen over een steenhoop, om het andere oogenblik in een diepen kuil
terecht te komen. Dan weer kropen de paarden als 't ware langs den weg
om plotseling met een ruk verder te springen, waardoor al de leden van
den troep tegen elkaar botsten en omver rolden. Als de beestjes dan een
meter of wat gedraafd hadden stonden ze op eenmaal stil en de geheele
familie tuimelde den anderen kant op.
Jonas zong onderwijl het hoogste lied, klapte met de zweep, stampte met
z'n voeten op het spatbord en scheen bijzonder over zichzelf tevreden.
Eenmaal nog waagde Dickie het Paul te verwijten, dat hij zijne beloften
zoo slecht hield.
Het was de laatste maal, want Paul werd rood van drift, sloeg met zijn
vuist op den grond en riep: „Loop naar de weêrga!” en dit scheen Dickie
zoo te verschrikken, dat hij in een hoek kroop en zich wel een uur lang
zoo stil hield als een muis.
[Illustratie: .... die de Markies hem om het half uur eens toestak.]
's Middags waren de beesten een paar maal gevoederd, want in een goed
ingerichte menagerie gaan de beesten altijd vóór de menschen. Ook hadden
de dochters der Koningin wat te eten gekregen, maar 't was alles Paul en
Dickie's neus voorbij gegaan en ze hadden zich nog wel zoo verheugd op
de boterhammen met jam!
Ze waren haast duizelig van den honger en hadden wat willen geven als
hun maar weer een schotel aardappelen met varkensvleesch was voorgezet.
Eindelijk zei de Koningin met een dikke tong,—want zij had het weer
wat te druk met de brandewijnflesch aangelegd—„Vleesch krijgen jelui
vandaag niet en jelui mot niet denke, dat je vóór de voorstelling van
vanavond wat anders te eten krijgen. Als we niet genoeg geld innen,
krijgen jelui dàn ook niemendal. Er is nog 'n half stuk brood en 'n
saucijsje, maar dat is toch niet genoeg voor jelui tweeën en daarom zal
ik 't maar opeten, anders geeft 't maar jaloerschheid en kibbelarij.”
[Illustratie: „Hè, hè, dat gaat erin als koekedeeg.”]
Dit zeggende nam de beminnelijke dame uit de provisiekast naast zich
een stukje brood en een dikke rookworst.
Ze bekeek beiden met alle aandacht en zette er toen de tanden in, etend
en smakkend als een hongerige koe in een klaverveld.
Toen ze zooveel gegeten had, dat ze onmogelijk meer iets naar binnen kon
krijgen, nam ze een flinke teug brandewijn, veegde zich den mond af met
den rug van de hand en zei met een zucht van voldoening: „Hè, hè, dat
gaat erin as koekedeeg.”
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]