Meegevoerd.
De baas van het spel, 't welk zoo de opmerkzaamheid der jongens trok,
had reeds op het kerkplein van het dorp met luider stem verkondigd, dat
hij „met toestemming van de overheid en op herhaald en uitdrukkelijk
verlangen van het publiek” (dat echter tot op dit oogenblik niet wist
dat de baas bestond) dezen avond eene voorstelling zou geven, en dat hij
reeds op weg was naar den molen, waar hij hoopte een voldoende ruimte
voor dit doel te kunnen huren.
Over het huren waren mijnheer en juffrouw Boks het gauw genoeg met den
spellebaas eens, want ze verheugden zich, net als een paar kinderen, op
het genoegen dat hun te wachten stond.
[Illustratie: De Markies van Galimedes.]
De kooien, waarin de wilde beesten zaten, werden nu door den baas uit
den wagen genomen en in het pakhuis, naast den molen, tegen den wand
opgesteld.
Paul en Dickie hielpen mee zoo hard ze konden. Het was voor hen een
onuitsprekelijk heerlijk werk en in de wolken waren ze, toen de eigenaar
hun voor hun moeite een vrijkaartje gaf.
Voor we nu verder gaan wil ik een kleine beschrijving geven van den
eigenaar van het spel, en zijn menagerie wat van dichterbij bekijken.
Hij was iemand van tusschen de 30 en 40 jaar, maar hij zag er veel
ouder uit. Hij was lang, mager en had een regelmatig gezicht, maar een
ongeregeld leven had zijn wangen vóór den tijd geel bleek gekleurd en
doorgroefd met rimpels. Een tegenstelling met zijn wangen vormde zijn
neus. Die was zoo dik en rood en glom zoo, dat het me niet verwonderd
zou hebben als een bijziende mug er eens op was aangevlogen, in de
veronderstelling dat het een lichtje was.
Zijn hoofd was geheel kaal, behalve van achteren in zijn nek, waar het
haar in lange lokken bijna tot zijn schouders reikte. Hij droeg een
lange bruine overjas, die waarschijnlijk vroeger heel mooi was geweest,
maar nu verkleurd was en vol met vlekken. Zijn vest was van schitterend
gebloemde zijde met slechts hier en daar een knoop. De pijpen van
zijn broek, die op merkwaardige wijze links en rechts versteld was,
verdwenen in een paar oude kaplaarzen, waarvan de zolen op vele plaatsen
met bindtouw aan het bovengedeelte waren vastgenaaid. Om zijn hals droeg
hij een verkleurden zakdoek en op zijn hoofd een ouden zijden hoed met
vervaarlijk breeden rand. Wanneer hij niet praatte dronk hij bittertjes
of rookte sigaretten.
Na deze beschrijving kunt ge u den Markies van Galimedes zeker duidelijk
voorstellen.
[Illustratie: ... een ondankbare jonge beer.]
Zijn ware naam was Louis Danglemont en hij behoorde tot een zeer
aanzienlijk geslacht. Hij was naar de academie gezonden om te studeeren,
doch, zooals het wel eens meer gaat, hij had geluierd toen hij moest
werken. Zijn vader zond hem geld voor 't koopen van boeken en hij
gebruikte het om plezier te maken.
Ten laatste begon dit zijn vader te vervelen. Hij zond geen geld meer
en de zoon, die geld _moest_ hebben, maakte een valschen wissel.
Het bedrog kwam uit en Louis moest vluchten om niet in de gevangenis te
komen. Een tijdlang leefde hij van de opbrengst van zijn gouden ringen,
horlogeketting en andere sieraden. Toen dit geld verteerd was, wist hij
niet wat te beginnen; werken kon hij niet, hij had niets geleerd als
pretmaken en... hij kreeg honger.
't Was op dit kritieke oogenblik van zijn leven, terwijl hij juist liep
te denken over een sprong in het water, die een einde aan de ellende zou
maken, dat hij op den straatweg waar hij langs liep, een groote dikke
vrouw ontmoette, niet jong meer en zeer leelijk, maar die als tegenwicht
voor het totaal gemis aan lichamelijk schoon, de eigenares was van een
verplaatsbare menagerie.
Haar echtgenoot, de vroegere bezitter van 't spel, was voor eenige weken
verscheurd door een ondankbaren jongen beer, dien hij met veel moeite
gepoogd had te temmen.
Natuurlijk was zijn weduwe nu ontroostbaar. Maar nu scheen ze haar
verdriet vrij wel te boven; zij knikte den eenzamen zwerver tenminste
zoo aanminnig toe, dat Louis Danglemont niet kon nalaten een praatje met
de schoone dame te maken, hetgeen zij niet onaardig scheen te vinden.
Toen ze met haar menagerie weer door was gegaan, bleef Louis Danglemont
nog zitten peinzen, volle drie uur lang op een bank aan den weg, maar
daarna was zijn besluit genomen; hij achterhaalde de schoone weduwe met
al haar hebben en houën, de beesten niet te vergeten.
Voor de nieuwe op te zetten huishouding bracht hij mede zijn voorname
manieren en nette verschijning, een groote radheid van tong en een
handigheid in het verrichten van kleine goocheltoeren, waarin hij zich
vroeger, uit liefhebberij, geoefend had.
[Illustratie: De menagerie.]
Haar bruidsschat was een groote slokdarm—want ze was een
„degenslikster”—een stuk of wat dochters uit haar eerste huwelijk, die
allerlei acrobatische toeren konden verrichten, en dan: de menagerie.
Louis Danglemont doopte zichzelf: „Markies van Galimedes” en kroonde
zijn vrouw tot „Koningin der Isofagus-eilanden.”
Hij begon zijn nieuwe loopbaan met meer moed dan men van hem verwacht
zou hebben. Maar honger is een scherp zwaard dat wist hij bij
ondervinding.
Tien lange jaren had dit wonderlijk paar menschen nu te zamen in
voortdurende onmin geleefd. De vrouw was ontevreden, omdat de smaak
van haar man zoo hemelsbreed met dien van haar verschilde en hij, de
welopgevoede man, voelde zich ongelukkig in eene omgeving, waarin hij
volstrekt niet paste.
Behalve dit „gelukkige” echtpaar en de bovengemelde kinderen behoorde er
nog één persoon tot dezen ellendigen troep. Zijn naam was Jonas, maar
aan het publiek werd hij gewoonlijk voorgesteld als Komus, de Groote
Clown.
De menagerie was ook niet in een zeer schitterenden staat. Zij bestond
uit een gedresseerd varken, een pelikaan, twee vossen, een aap, een
paar konijnen, een angora-kat, een geit, een troepje kippen, en vier
opgezette slangen. Deze doodgewone dieren, werden zoo nu en dan
opgeverfd of op allerlei manieren versierd en vervormd aan de verbaasde
dorpsbewoners als wonderen uit de dierenwereld vertoond.
Laat ons nu naar den molen terugkeeren.
Het was hoog noodig, dat de troep van den „Markies,” zooals we hem
voortaan zullen noemen met eenige werkende leden vermeerderd werd, maar
hij had geen geld om volleerde kunstemakers te betalen.
[Illustratie: ... aan de verbaasde dorpsbewoners als wonderen uit de
dierenwereld vertoond.]
Hij was er dan ook steeds op uit te trachten een paar nieuwelingen voor
't vak op te leiden.
Toen hij Paul en Dickie zag was hij dadelijk besloten hen voor zich te
winnen en beiden met zich mee te voeren.
Hij en zijn vrouw waren een en al vriendelijkheid voor de beide
jongens. Ze werden aan al de leden van het gezelschap voorgesteld en ze
kregen van allen een hand. De kinderen voelden zich in een andere wereld
en aan het eind van de voorstelling kwam de Markies naar hen toe, boog
diep voor hen, alsof ze voorname heeren waren, en sprak:
„Jonge vrienden, ik kan u niet half zeggen, welk een leed het mij doet,
wanneer ik twee jongens zooals gij zijt, beiden met zoo'n verstandig en
aangenaam voorkomen, zulk een nietswaardige betrekking zie vervullen.
Molenaarsknecht! Bah! Gij,” zoo zeide hij tot Paul, „schijnt me toe veel
talenten te bezitten; ge zijt met uw knap uiterlijk voor wat beters in
de wieg gelegd; ge moest u gaan bekwamen in _het_ vak.”
„Ik geloof niet...” begon Paul met een nederig gebaar, terwijl zijn neus
krulde van trots.
„Neem me niet kwalijk,” zei de Markies, „maar van zulke dingen heb ik
meer verstand dan gij. Gij hebt talent. Ik durf er mijn geheele
menagerie onder verwedden, dat ge talent hebt.”
„U zal het 't beste weten,” zei Paul.
„Dat spreekt, dat spreekt,” antwoordde de Markies, terwijl hij een
groote rookwolk uitblies. „Ge hebt overal talent voor, zelfs om op het
tooneel te gaan. Uit uw geheele houding spreekt de tooneelspeler.”
„Ja?” vroeg Paul en kleurde eventjes.
„Zeker, zoo is 't,” antwoordde de Markies, „gij zijt als voor 't
tooneel geschapen.”
„O! mijnheer, ik kan 't haast niet gelooven,” viel Paul in; al die lof
was te veel voor den jongen.
„Wie kan zeggen hoe beroemd ge nog eens zult worden?” vervolgde de
spellebaas, terwijl hij gemakkelijk ging zitten, met de armen over
elkander geslagen... op de kooi van de vossen. „Ge kunt een „ster”
worden in de tooneelwereld. Dan zijt ge beroemd! Het publiek zal u
toejuichen, het zal allerlei bijzonderheden uit uw leven willen weten.
De courantenschrijvers zullen bij u komen en u uithooren; ze zullen uw
meening vragen over de kunst en willen weten hoe dikwijls ge de nagels
van uwe teenen knipt.”
[Illustratie: Zeldzame dieren.]
Hier hield de Markies even op en blies eenige groote rookwolken de lucht
in.
„En gij,” zei hij, zich tot Dickie wendend, „ik zou mij zeer moeten
vergissen als gij niet even begaafd waart als uw metgezel.”
„O neen,” zei 't kleine kereltje, „Paul kan op z'n hoofd staan en
prachtig de ooren bewegen, maar ik kan heelemaal niks van dat alles.”
„En al wàs dat nu zoo,” zei de Markies, „dan behoeft dit toch uw roem op
het tooneel niet in den weg te staan. Maar ge moet uw bekwaamheden niet
onderschatten. Ik durf voorspellen, dat ge bijvoorbeeld een ongeëvenaard
succès zult hebben in de rol van—laat ons zeggen van Coriolanus.”
Dickie antwoordde niet, maar 't leek wel of hij zich iets trachtte te
herinneren wat hem maar niet te binnen wou schieten. Zijn voorhoofd trok
hij op alle manieren in diepe rimpels.
„Waarom sta je zulke rare gezichten te trekken?” vroeg de Markies.
„Zou ik geen clown kunnen zijn?” stamelde Dickie, „dat was altijd 'n
wensch van me.”
„Ja...a,” zei de spellebaas, „met 'n beetje goeden wil en wat oefening
zouden we dat wel klaar spelen. Maar... gemakkelijk is het niet.
Komaan,” voegde hij er bij, terwijl hij opstond en zijn handen op de
schouders van de beide jongens legde, „zeg dien ouden tyran van een
molenaar maar vaarwel en ga mee met mij en mijn gezelschap. Dan zult ge
prachtig gekleed gaan in zijde en fluweel, geheel met goud omzoomd en
allerlei lekkernijen krijgt ge: bijvoorbeeld elken dag... dikke sneden
brood met boter en jam. Zoo'n aanbod komt nooit weer terug. Het is een
zeldzaam buitenkansje.”
De jongens vonden dat ook.
„Dat is dus afgesproken,” zei de spellebaas. „Voor de zon opgaat breken
we op. Waar slapen jelui?”
[Illustratie: Dickie: Coriolanus.]
Paul beschreef hun slaapplaats zoo nauwkeurig mogelijk.
„Begrepen,” zei de Markies, „ik zal jelui dan roepen als we op 't punt
van vertrekken staan. Maak nu dat je wegkomt, anders krijgt de wreede
molenaar nog achterdocht en sluit jelui op!”
Zoo gauw mogelijk gingen de jongens weg.
Nauwelijks waren ze buiten gehoor of de „Koningin van de
Isofagus-eilanden” verscheen en sprak tot den „Markies van Galimedes”
met een stem, schor door de vele degens en brandewijntjes: „Heb je die
twee daar gefleurd?”
[Illustratie: „Heb je die twee daar gefleurd?”]
„Bedoel je daarmee of die beide jongens uit eigen vrijen wil er in
hebben toegestemd lid van ons gezelschap te worden? Ja, dat hebben ze.
Veni, vidi, vici.”
„En wat bedoel _jij_ daar nou mee?” zei de vrouw boos, „ik denk niet
veel goeds! Altijd zeg je rare dingen tegen me in die verschrikkelijke
taal, waar ik niemendal van versta.”
Lang voor de hanen kraaiden stond de Markies voor het bed van de
jongens.
Ze werden dadelijk wakker.
„Sst!” zei hij. „Kleedt je dadelijk aan en spreekt geen woord.”
Ze deden zooals hun bevolen was en de Markies nam hen ieder aan een hand
en leidde ze voorzichtig de trappen af. 't Was pikdonker om hen heen; ze
stommelden en stootten en de trappen kraakten, maar de molenaar en zijn
vrouw sliepen vast. Hun gesnork klonk luide in de stilte van den nacht,
door het geheele huis. Zonder stoornis bereikten ze dan ook de
buitendeur.
De Markies opende die voorzichtig en na nog enkele schreden stonden ze
voor een groot vierkant zwart voorwerp.
Het was het achterste gedeelte van den kermiswagen.
De Markies klopte aan de deur. Dadelijk ging die open. Een arm werd naar
buiten gestoken en de jongens werden half naar binnen getrokken en half
naar binnen geduwd. De spellebaas volgde en de deur werd gesloten en
gegrendeld.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]