Aan 't werk.
Een gevoel van warmte en een gewaarwording van schel licht deed de
beide kleine zwervers langzaam bijkomen uit hun toestand van volslagen
bewusteloosheid. Allengs bemerkten ze, dat ze in lakens gewikkeld plat
op den grond lagen voor een groot vlammend houtvuur.
Langen tijd bleven ze stil en onbewegelijk liggen zonder ook maar een
enkel woord te spreken.
Eindelijk richtte Paul zich halverwege op en keek liggende op zijn
ellebogen, om zich heen.
Zij bevonden zich in een groote ouderwetsche keuken; allerlei
ouderwetsch keukengereedschap hing aan den wand, voor zoover Paul dien
kon zien. Het vuur brandde op een groote vuurplaat. Men zou er
gemakkelijk een schaap boven hebben kunnen braden aan 't spit, zoo'n
groot vuur was 't.
Ander licht dan dat van het vuur was er niet en dit glansde op een
gedeelte van de muren en tegen den zolder, maar liet de hoeken in 't
donker.
Plotseling vlamde een houtsplinter hoog op en verlichtte voor een
oogenblik het geheele vertrek.
Tot zijn groote verbazing zag Paul in een der hoeken twee gestalten: één
dik en rond, één groot en forsch.
Weg was het licht weer, maar Paul meende toch nog te kunnen zien hoe
beide gestalten zich naar elkaar toebogen en met hun hoofden duidden in
de richting waar hij lag. Toen hoorde hij de eene zeggen:
„Dus dat heeft u dan goed begrepen?”
„Zeker, zeker,” zei de andere.
„Nou, goeien avond dan.”
Er ging een deur open en een groote, donkere gestalte ging naar buiten.
Daarop kwam de dikke nader bij het vuur en bleef vlak bij de jongens
staan. Het licht van de houtvlammen speelde over zijn gezicht en 't leek
wel, dacht Paul, of hij hen stilletjes stond uit te lachen.
Eindelijk zei de dikke oude man: „Ik verwed er een dubbeltje onder dat
jelui niet weet waar je bent.”
Daar Paul blijkbaar geen lust aan wedden had en boe noch bah zei,
vervolgde de man: „Wel, dan zal ik 't je maar vertellen. Jelui benne in
'n molen en ik ben de molenaar.”
„Zijn we dan niet verdronken?” vroeg Dickie droomerig.
„Nee hoor, je bent zoo springlevend als 'n vischje in 't water, doch 't
had maar weinig gescheeld of je was er geweest. Er was toevallig iemand
vlak bij jullie en die heeft je nog net precies bij de haren uit 't
water kunnen halen en in z'n boot zetten.”
Tot groote verwondering van de beide jongens schaterde de molenaar het
uit na deze redeneering.
„Ik vind dat nou heelemaal niets om te lachen,” zei Paul.
„Nee, dat is 't ook eigenlijk niet, nee warempel niet; het spijt me,
neem me niet kwalijk,” zei de molenaar.
En waarschijnlijk om te toonen hoe 't hem speet, barstte hij weer in
zoo'n lachbui uit, dat de porceleinen kopjes op de latafel er van
begonnen te rammelen.
„Hè, hè!” zei hij, en veegde zich de tranen van 't lachen uit de oogen.
„Nou moet je maar gaan slapen. Morgen vroeg zal juffrouw Boks, dat is
m'n wijfje, jullie wel helpen en je droge kleeren brengen. En als je dan
wat eten naar binnen gespeeld hebt, dan motten we eris samen praten.
Goeie nacht.”
Daar ging de vroolijke dikkert en liet Paul en Dickie alleen. Ze waren
te moe om samen nog een woord te wisselen en vielen spoedig in een
diepen slaap.
Den volgenden morgen verscheen juffrouw Boks, op elken arm een stel
droge kleeren, in de eene hand een waschkom met warm water en in de
andere een handdoek met een dik stuk zeep.
[Illustratie: ... ik ben de molenaar.]
Juffrouw Boks was de dikste, goedigste en vroolijkste vrouw die men zich
maar kan voorstellen.
In een oogenblik waren de jongens gekleed en gereed. Ze voelden zich
gezond en vroolijk, maar ze hadden een razenden honger. Doch daarvoor
wist juffrouw Boks raad.
Zij bracht aan ieder een dik stuk bruin brood en zette een groote
schotel met aardappelen voor hen op de tafel en boven op de aardappelen
lag een stuk varkensvleesch zoo malsch en sappig, dat men er wel zóó in
had willen bijten. De jongens lieten zich dan ook niet lang nooden, maar
vielen als een paar uitgehongerde wolven op den maaltijd aan, terwijl
de molenaarsvrouw naar hen stond te kijken met zoo'n breeden glimlach
op haar vergenoegd gezicht, dat de ooren bijna visite kregen van haar
mondhoeken.
Eindelijk was alles opgegeten, de borden waren zelfs schoon gelikt.
„Nou? hoe heb je 't nou bij me?” fluisterde Paul zijn metgezel in 't
oor, met een zegevierend glimlachje.
„Op 't oogenblik best,” zei Dickie, „maar wie zegt, dat het zoo blijven
zal.”
Vóór Paul nog had kunnen antwoorden, kwam de molenaar de keuken binnen
met een gezicht stralend van innerlijke vergenoegdheid.
„Goeie morgen jeugdige zeerobben,” zei hij, „nou heb ik eigenlijk alles
voor jelui gedaan wat ik met den besten wil kàn doen en ik weet nou
niets beters dan jelui 'n voorspoedige reis toe te wenschen, wanneer
je plan hebt voor de tweede maal een watertochtje te maken.”
Paul keek wat teleurgesteld.
„Ja, ja, ik begrijp er alles van, jelui hebt genoeg gekregen van 't
water. Nou 't is niet te verwonderen. Maar, te drommel wat zijn dat voor
ouders van jelui, die je zoo moederziel alleen laten rondzwerven?”
[Illustratie: Juffrouw Boks.]
De jongens voelden zich bij die vraag blijkbaar niet erg op hun gemak.
„Wij hebben geen ouders meer,” zei Paul botweg.
De molenaar en zijn vrouw zagen elkaar eens van terzijde aan.
„Och heer!” zei de eerste en draaide zich halverwege om, want hij kon
z'n lachen niet laten.
„Weesjes! Och hoe treurig! 't Zijn twee weezen, vrouw, denk 's even
lieve, och, och!”
De „lieve” hield op eens haar schort voor 't gezicht en liep de keuken
uit, want ze lachte zoo onbedaarlijk, dat haar dikke rug schudde.
De jongens begrepen er niets van.
„Ja,” zei de molenaar, alle moeite doende om ernstig te blijven, „mijn
vrouw is zoo erg gevoelig; ze heeft zoo met jelui te doen, ze huilt over
je treurig lot. Nou, en wij hebben geen kleine piepkuikens zooals jelui,
wil je soms bij ons blijven? Maar op ééne voorwaarde.”
Paul luisterde met open mond.
„Ik heb een sterken jongen noodig om mij bij 't werk te helpen en
jelui tweetjes zijn, denk ik, samen wel zoo sterk als één zoo'n jongen.
't Schijnt dat jelui de kokerij van juffrouw Boks nogal lekker vinden,
hè?” en hij keek naar de ledige schotels. „Als je nou bij mij je kostje
wilt verdienen, dan zal ik 't je altijd zoo goed geven als vandaag en
krijgen jelui nog wat zakgeld ook voor de Zondagen. Nou? Wat zeg je
daar nou van?”
Paul keek Dickie aan en wist niet wat te zeggen.
„Je behoeft niet zoo dadelijk te antwoorden,” zei de molenaar, „over 'n
minuut of tien kom ik terug en dan mot je beslissen: òf de molen, òf
goeie reis verder.”
Toen ze alleen waren zei Paul: „Wel da's 'n gelukje; wat zeg jij?”
Maar Dickie was in diep nadenken verzonken.
„_Ik_ wil naar huis,” zei hij eindelijk.
„Ga dan maar heen, en krijg 'n lekker pak van je vader!” riep Paul, en
hij verzon allerlei vreeselijke dingen, die gebeuren konden wanneer
Dickie weer naar zijn vader terugkeerde.
[Illustratie: ... trokken zakken naar de hoogte.]
„Jij moet weten wat je doet,” zoo besloot hij, „maar ik blijf hier; ik
eet net zooveel als ik wil; ik krijg een hoop zakgeld; daarmee koop ik
allerlei moois op kermissen en 'k heb plezier voor zes.”
„Zouden we echt zooveel plezier hebben,” zei Dickie weifelend.
„Natuurlijk! Heb je ooit grappiger lui gezien dan die goedige dikkert en
z'n vrouw?”
„Ze _lijken_ wel aardig,” zei Dick voorzichtig.
„Nou, blijf je?”
„Ja, als we dan ook echt een boel plezier hebben.”
En zoo kwam het, dat Paul, toen de molenaar na tien minuten terugkwam,
uit naam van hen beiden kon zeggen dat ze bleven.
Wat later op den dag waren de jongens al aan 't werk. Ze trokken zakken
koorn aan een katrol in de hoogte en lieten zakken meel naar beneden. Ze
vonden het 'n allerprettigst werk en als de molenaar hen wat vroeg, dan
liepen ze niet, neen, ze vlogen om het gevraagde te halen of te brengen.
Met etenstijd kwamen ze vroolijk de keuken binnen, alsof ze van 'n
feestje kwamen.
De aardappelen met 't varkensvleesch en het bruine brood, wat smaakte
dat alles weer verrukkelijk. Nog nooit hadden ze zóó lekker geslapen als
dien nacht.
Den volgenden morgen waren ze wat stijf en pijnlijk van 't ongewone werk
en toen ze weer, maar altijd door zakken op en neer moesten trekken,
ging dit niet met zooveel geestdrift als den eersten dag.
Den derden dag was de ijver aanmerkelijk bekoeld en hij was nòg minder
op den vierden, en _weer_ minder op den vijfden dag.
Daarbij kwam dat ze elken dag op nieuw varkensvleesch met aardappelen
kregen. Het was den eersten dag een prachtige schotel geweest, toen ze
met hun maaltijden zoo'n eind achterop waren, maar nu begon de steeds
terugkeerende lekkernij hun tegen te staan.
Paul vooral kòn het bijna niet meer eten. Zoo nu en dan betrapte hij
er zichzelf op, dat hij in z'n gedachten vergelijkingen zat te maken
tusschen zijn maaltijden van nu en vroeger, toen zijn moeder nog
allerlei lekkere schoteltjes voor hem klaarmaakte.
En het was niet het steeds weer opgedischte varkensvleesch met de
aardappelen alléén die hem hinderden, maar Dickie hield niet op hem met
verwijtingen te overladen, want de beloofde pret liet nog steeds op zich
wachten.
De molenaar scheen het er in tegendeel op gezet te hebben de beide
jongens vooral geen gemakkelijk leventje te laten leiden. Steeds kregen
ze meer en zwaarder werk. Ze moesten de graanzolders vegen, hout hakken
en den tuin omspitten, ja, de molenaar gelastte Paul zelfs eens om den
stal van de ezels schoon te vegen en de beesten te roskammen.
Dat was iets verschrikkelijks voor Paul. Hij, het verwende zoontje van
een rijk man; hij, van wien men altijd gezegd had, dat hij nooit
handenarbeid zou behoeven te verrichten, hij moest... ezels roskammen!
Maar de molenaar gaf zijne bevelen op eene wijze, die geen
ongehoorzaamheid toeliet.
Wat echter zoo wonderlijk was; wanneer hij 't een of ander vuile werkje
aan de jongens had opgedragen, kon hij soms op eens hard wegloopen en
als ze hem niet meer konden zien, hoorden ze toch nog dikwijls een
geluid, alsof iemand stikte van 't lachen.
[Illustratie: ... in een groote tobbe met water.]
Toen dit weer eens gebeurde en mijnheer Boks in de keuken gevlucht was,
sloop Paul op de teenen naar het keukenraam en zag daar den molenaar
vuurrood van 't ingehouden lachen en zijn vrouw, die hem maar steeds op
den rug klopte, alsof ze bang was, dat hij in de lachbui zou blijven.
„Waarom zouden ze toch altijd zoo lachen?” zei Paul, toen hij van zijn
verkenningstocht terugkwam.
„Om ons!” antwoordde Dickie.
Nog scheen Paul niet genoeg vernederd. Toen hij eens 's avonds bezig was
den ezel te roskammen sloeg hij het beest, voor de variatie, met den
roskam op 'n beenig gedeelte van zijn achterpoot.
[Illustratie: „Een paardenspel, een paardenspel.”]
De ezel sloeg achteruit en 't volgend oogenblik zat Paul, proestend en
spartelend, in een groote tobbe met water, die bij de staldeur stond.
Hij probeerde er gauw uit te kruipen en net te doen, alsof er niets
gebeurd was, maar wie stond daar voor hem?
't Was „de Zwarte.” Hij stond daar, zijn beenen uitgespreid, de armen
over elkaar en brulde letterlijk van 't lachen. 't Scheen wel of die man
altijd getuige moest zijn van Paul's ongelukken.
Paul schaamde zich diep, doch toen hij zijn oogen weer durfde opslaan
was de geheimzinnige Zwarte verdwenen.
[Illustratie]
In een aanval van woede vloog de jongen op den ezel toe en begon het
dier te slaan, alsof het een stoffig karpet was. Plotseling hield hij
op, werd beurtelings rood en wit, beet zich op de lippen en barstte in
tranen uit.
Op dat oogenblik klonk er in de verte muziek.
Er was maar weinig toe noodig om den knaap van de goede voornemens, die
bij hem mochten opkomen, af te brengen.
„Dickie, Dickie!” riep hij uit, „een paardenspel, een paardenspel!” en
hij vloog naar buiten om de optocht te zien voorbijgaan.
De optocht naderde; 't was een reizende troep acrobaten met een klein
wilde-beestenspel. Daar gebeurde echter iets onverwachts.... de troep
hield in al haar heerlijkheid, vlak voor den molen stil.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]