NEGENDE HOOFDSTUK.

De storm.

De jongens draafden een tijdlang voort alsof ze hardloopers van beroep

waren. Eindelijk konden ze niet meer en vielen uitgeput neer op het gras

aan den kant van den weg.

Dickie zat een poos in diepe gedachten verzonken: „Ik geloof eigenlijk

dat ik wel graag weer naar huis wou,” zei hij als resultaat van zijne

overpeinzingen.

„Nou, doe wat je niet laten kunt, er is niemand die je tegenhoudt,” riep

Paul, „ga naar huis, dan krijg je een lekker pak slaag.”

Dickie gaf geen antwoord. Eindelijk zei hij met tranen in de oogen: „Ze

hebben me zoo gestompt, mijn arm doet zoo'n pijn.”

„Zóó,” riep Paul, „och heden, stompten ze jou? Kijk hier dan eens en

hier en hier,” en hij wees op de schrammen in zijn gezicht en een groote

dikke buil op zijn voorhoofd. „Huil ik? en jij zit te grienen om een

beetje pijn aan je elleboog.”

Paul's gezicht vervulde Dick met medelijden.

„Ja,” zei hij, „je hebt ook wel gelijk, maar zie je, het duurt ook zoo

lang voor we de wereld rond zijn. Is het nog een heel eind?”

't Was Paul niet de moeite waard om hierop te antwoorden.

„Kom, vooruit,” zei hij, „in plaats van malle vragen te doen deedt je

beter wat aan te stappen, anders krijgt je vader je nog te pakken.”

Maar Dickie voelde zich ellendig, hij had niet het minste plan om op te

staan en begon vervaarlijk te huilen. Goede raad was duur, elk oogenblik

kon Roybon in zicht komen, ze moesten weg, het kostte wat 't wilde. Nog

eens beproefde Paul Dickie door allerlei mooie beloften over te halen,

maar 't hielp niet.

„Je houdt toch nooit je woord,” zei Dick.

„Wat blief? Hebben we dan geen hoop plezier gehad?”

„Wat je maar plezier noemen wil! 'n Raar plezier, slagen te krijgen, je

geld te verliezen en honger te hebben.”

Ja, hiertegen kon Paul weinig inbrengen. Zwijgend boorde hij met den

hiel van zijn schoen een kuil in den grond.

Eindelijk stond Dickie met een zucht op. Hij moest kiezen of deelen. Of

meegaan óf terugkeeren en van zijn vader een pak slaag oploopen en hij

koos het eerste. Op een paar moede beenen trok hij weer verder met zijn

ondeugenden leidsman.

[Illustratie: „Och heden, stompten ze jou?”]

Zonder een woord te zeggen liepen ze een eindje voort. Daar zag Paul een

braamstruik vol heerlijke rijpe bramen. „En wie zei nou, dat we niks te

eten hadden!” riep hij. „Zie daar eens!” Hij vloog er heen en beiden

begonnen te eten tot er geen braam meer over was. 't Was een karig maal,

doch honger maakt rauwe boonen zoet en bramen zijn toch nog beter dan

rauwe boonen.

„Nu maar weer voorwaarts,” zei Paul, toen de struik geplunderd was.

„Maar waar gaan we dan toch eigenlijk heen?”

„O, dat zal je wel zien.”

„Maar zeg het dan toch.”

„'t Komt er niet op an. Je zult het wel zien.” En voort gingen ze weer.

Daar zagen ze in de verte een stadje. „Neen, daar niet heen,” zei Paul,

„daar vangen ze ons,” en ze sloegen links af een zijpad in en kwamen

zoodoende aan den oever van een groote rivier.

„Ziezoo,” zei Paul, „daar zijn we er eindelijk, al den tijd heb ik naar

dit plekje gezocht. Nou begint de pret. Kijk eris hier, kan je dit?”

Hij nam een plat kiezelsteentje op en liet het over de oppervlakte van

het water scheren.

Dickie vond het grappig, probeerde het ook en ze vermaakten zich een

tijdlang met dit spelletje, tot ze hun armen door het gooien bijna

ontwricht hadden. Toen slenterden ze verder langs den rivieroever.

Plotseling stond Paul stil.

„Da's flink,” riep hij uit, „ze hebben hem gezonden!”

„Wat gezonden?” vroeg Dickie.

„Wel dàt, heb je dan je oogen in den zak!” zei Paul en hij wees naar een

bootje, dat aan den stronk van een wilgeboom was vastgebonden. „Ik had

bevel gegeven om het hierheen te zenden,” vervolgde hij met een

zeldzame gave van onwaarheden te verzinnen. „Nu begint eerst echt onze

reis om de wereld.”

Het bootje was een oud wrak ding, dat er uitzag alsof het uit elkaar zou

vallen als iemand er een beetje hardhandig mee omging.

Maar Paul had geen verstand van booten en was dus heelemaal niet bang.

„Kom je er niet mee in?” riep hij, nadat hij er zelf in was gekropen.

Maar Dickie keek niet naar hem. Hij staarde naar de lucht, die er

onrustbarend donker begon uit te zien. Zwarte wolken pakten zich in het

zuid-oosten samen en het water van de rivier zag er uit als inkt.

„Ik ben bang, Paul, dat het zal beginnen te regenen,” zei hij.

„Nou, wat hindert dat? We zullen niet smelten. Hier! Geef me 'n hand.”

Dickie was gerustgesteld. Hij greep de uitgestoken hand en sprong in de

boot.

In 't eerst vermaakten ze zich met de boot op en neer te laten

schommelen. Maar daar had Paul gauw genoeg van. 't Duurde niet lang

of hij maakte het touw los en probeerde te roeien. Dit ging niet

gemakkelijk. Het bootje dreef hoe langer hoe meer naar 't midden van de

rivier; daar werd het door den stroom meegesleept, sneller en sneller!

Dickie was een goede weerprofeet geweest. Na een korte poos voelden

ze reeds een paar dikke regendroppels en spoedig viel de regen bij

stroomen neer. De lucht zag pikzwart; een ijskoude wind gierde over het

water.

Daar schoot op eenmaal een bliksemstraal uit de wolken; vreeselijk

ratelde de donder; een hevig onweer barstte los boven hunne hoofden.

De orkaan loeide, dikke hagelsteenen kletterden neer en verwondden hun

gezicht en hunne handen. De eene donderslag volgde op den andere, het

vuur was niet van den hemel, en 't werd avond, nacht bijna...

[Illustratie]

In doodelijken angst klampten de knapen zich aan de boot vast; ze

dachten elk oogenblik te verdrinken.

Maar er was redding nabij. Zonder dat de beide kinderen hem zagen, was

„de Zwarte” hen op grooten afstand gevolgd. Van een visscher, die dicht

bij den oever woonde, leende hij een stevige boot. Met zijn gespierde

armen roeide hij, met krachtige slagen, door het hevig golvende water.

Als een bliksemflits den geheelen omtrek electrisch verlichtte, zag hij

de plaats waar de ongelukkige jongens dobberden. Zelfs te midden van

het ratelend donderen hoorde hij hun hulpkreten. Daar sloeg een hoog

opschuimende golf over de oude boot; zij steunde en kraakte en vloog in

splinters. Bij een volgende lichtstraal was er noch van de jongens noch

van de boot iets meer te ontdekken.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 12 / 25 题