De kermis.
De kermispret was in vollen gang toen Paul en Dickie het dorpje
bereikten.
Er waren draaimolens met valsche orgels; er was een wildebeestenspel
met verschillende dieren, een schietspel, een hoofd van Jut, een
poffertjeskraam. Er waren honden, die op twee beenen konden loopen net
als menschen, en er waren menschen die op handen en voeten konden
loopen, net als honden. Kooplieden en straatmuzikanten, goochelaars en
oliekoekenverkoopers, alles gilde en toeterde door elkaar met het gelach
en het gejuich der vroolijke kermisbezoekers.
[Illustratie: De Kermis.]
Dickie had geen oogen genoeg om al het moois te zien, Paul sprong,
danste, maakte rare grimassen en beiden hadden de dolste pret.
[Illustratie: De man met het boevengezicht.]
Daar zag Paul een tafeltje met allerlei lekkernijen. Zijn maag trok hem
daarheen. Hij kon er gemakkelijk wat van koopen, want hij had immers een
kwartje, en voor een kwartje kan men op een dorpskermis genoeg koopen om
z'n heele maag van streek te maken. Paul stond nog in tweestrijd wat hij
van al de heerlijkheden zou kiezen, toen zijn oog viel op een rood en
zwart geschilderd draaibord, met een groote draaiende naald in 't
midden.
„Komaan jongeheer, beproef je geluk eris,” riep de man, die er bij
stond, „als je 't wint krijg je meer koek dan je in een morgen op kunt
eten.”
Paul bezweek voor de verzoeking. Met bevende hand zette hij zijn eersten
stuiver op rood. De naald draaide, draaide eerst vlug, toen langzamer en
stond eindelijk stil op zwart. Dadelijk zette Paul nog een stuiver in,
ditmaal op zwart, maar de naald koos nu rood als eindstation. De man van
het draaibord met zijn boevengezicht was Paul te slim af. Telkens als de
naald bijna stilhield, gaf hij een klein zetje aan de tafel, waardoor ze
steeds op een andere kleur dan de gekozene bleef stilstaan.
„Vooruit jongeheeren, vooruit, den moed niet opgeven, waag nog een
kansje,” riep de man en Paul zette in en weer in tot zijn laatste
stuiver in den zak van den bedrieger verdwenen was. Paul stond het
schreien nader dan het lachen.
„Kom mee,” zei Dickie, „wat kan 't jou schelen,” en hij greep Paul's
hand en trachtte hem mee te trekken, maar Paul leek wel als vastgenageld
aan de plek. Hij bleef staren naar het roode en zwarte bord, waarop nu
een nieuw slachtoffer zijn geluk beproefde.
„O Paul, kijk eens, een vechtpartij,” riep Dick.
Dit woord bracht Paul uit zijne verdooving. Hij keek in de richting,
waarheen Dickie wees en ja, daar waren ze aan 't vechten. Mannen,
vrouwen en kinderen sloegen elkaar met vuisten, parapluies en stokken.
Daar moest Paul het zijne van hebben. Hij was in een oogenblik midden in
't gedrang en zijn strijdlustige aard deed hem ook links en rechts
klappen en stompen uitdeelen en... in ruil ontvangen.
[Illustratie: ... een hevig straatgevecht.]
De vroolijke kermisdrukte had op eenmaal plaats gemaakt voor een hevig
straatgevecht. En de oorzaak? Ja, die wist eigenlijk niemand. Ik geloof,
dat er iemand in 't gedrang zijn buurman op de eksteroogen had getrapt.
Daar verscheen op het tooneel van den strijd onze vriend met zijn
stevige vuisten, zwarten knevel en groote donkere oogen. We zullen hem
voortaan maar „de Zwarte” noemen. Met een vervaarlijke stem gebood hij:
„Stilte!” en elk gehoorzaamde terstond aan die bevelende stem. Het
vechten was uit als met een tooverslag. Men keek elkander eens verbaasd
aan, want, zooals ik zei, de oorzaak van het algemeene gevecht kende
eigenlijk niemand.
„De Zwarte” nam Paul en Dickie bij den kraag en bracht hen buiten het
gedrang. Daar liet hij hen aan hun lot over. 't Was Paul of hij vol
blauwe plekken zat en hij dacht juist eens even kalm te bekomen van al
dat lawaai, toen hij bijna verlamd werd van schrik, want wie zag hij
daar? Pak-an, die al snuffelend recht op hem toe kwam loopen en achter
Pak-an: Roybon.
't Scheen een oogenblik of Paul's beenen niet voort wilden, maar 't
duurde niet lang. Toen vloog hij heen als een pijl uit den boog, op de
hielen gevolgd door Dickie.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]