De vlucht en de vervolging.
Doodsbenauwd dat iemand hen zou achtervolgen liepen Paul en Dickie wel
een mijl ver aldoor hard voort zonder om te zien. Ze waren zoo beangst,
dat ze iedere oude vrouw die ze met een koe aan een touw langs den weg
zagen loopen, voor Roybon hielden en Pak-an en ze liepen dan nog eens
zoo hard.
Eindelijk konden ze niet meer en uitgeput vielen ze, buiten adem, in een
greppel aan den kant van den weg, neer. Paul hijgde als een jonge hond,
die lang achter een rijwiel gehold heeft. Toen hij een beetje bekomen
was, kroop hij voorzichtig bij de glooiing van den greppel op en keek
rond.
Er was niets of niemand te zien. Paul ging behagelijk op zijn rug
liggen en keek naar de lucht. Maar wat was dat? Vlak boven hem hingen
een menigte appelen aan een boom.
„Zie je die?” zei hij.
„Ja, maar daar mag je niet aankomen.”
„Waarom niet?”
„Da's stelen.”
„'t Mocht wat!” en Paul klom haastig in den boom.
[Illustratie: Ze liepen dan nog eens zoo hard.]
„O! toe, doe dat niet, toe Paul laat 't, anders kom je weer in de
gevangenis!”
In een ommezien stond Paul weer op den grond.
„Wat zei je daar?” riep hij.
„Je zat immers gevangen omdat je appels gestolen hadt.”
„Wie zat in de gevangenis?”
„Jij.”
„Ik?”
„Ja, jij.”
„Wie zei dat?”
„Vader zei 't. Hij zei dat je in de gevangenis zat omdat je een dief
was.”
Paul werd vuurrood. In een opwelling van woede en schaamte vloog hij op
Dickie aan.
Maar Dickie was niet voor een kleintje vervaard en Paul bemerkte, dat
hij aan 't kortste eind trok.
„Daar komt je vader aan,” riep hij op eens en beiden holden weer een
eind voort. Toen ze even stilstonden om adem te scheppen, zei Dickie:
„Waar is vader dan?”
„In zijn vel!” lachte Paul, „ik houd je maar wat voor de mal.”
Dickie voelde zich teleurgesteld; in zijn hart had hij berouw en 't zou
hem eene verlichting geweest zijn, als zijn vader werkelijk was komen
aanstappen. Hij barstte in tranen uit.
„Als je nou gaat zitten grienen,” zei Paul, „dan helpt je dat toch
niks.”
„Maar wat gaan we dan doen?”
„Doen? We maken een reis om de wereld samen en beleven een massa
avonturen,” riep Paul uit op den toon van iemand die het leven en de
wereld kent. „Maak je daar maar niet bezorgd over. 'k Heb immers een
hoop geld bij me. 'k Heb wel 'n kwartje.”
„En je zou 'n vlieger maken.”
[Illustratie: Maar Dickie was niet voor 'n kleintje vervaard.]
„Dat zal ik ook—maar 'k mot toch eerst wat hebben om 'm te maken. Ik
kan toch geen vlieger maken van een straatweg.”
„Maar wanneer zal je er dan een maken?”
„Hoor eens,” zei Paul, „als je doorgaat met zoo te zaniken, dan maak ik
er heelemaal geen,—dààr!”
„Wat is dat?” riep Paul op eenmaal. „Muziek geloof ik! Ja, 'k zie 't,
't is 'n draaiorgel! 't Is kermis daar!”
„Kermis!” riep Dickie en dat eene woord verdreef als bij tooverslag al
zijn verdriet. „Gauw, gauw er heen!”
Op eens de grootste vrienden van de wereld gingen ze er arm in arm op
af. Gevangenissen, booze vaders, bijtende honden, ze bestonden niet meer
voor hen, alles was vergeten door de kermistenten daar in de verte.
Onderwijl had de oude veldwachter zijn kopje koffie gedronken, zijn pijp
gestopt en zette zich daarna in een gemakkelijken stoel bij het raam, om
eens diep na te denken. Hij was weduwnaar en niemand stoorde hem in
zijne overpeinzingen.
Toen de pijp was opgerookt, klopte hij er de asch uit, deed zijn
uniformjas aan, zette zijn steek op en met de sabel op zij stapte hij
naar de cel van Paul om te zien of deze zich den naam van zijn ouders al
herinnerde.
Daar stond hij bij de open deur. Waar was de gevangene? Gevlogen!....
„Wat weerga!” riep hij: „wie ter wereld heeft dàt gedaan? Zou die
kwâjongen van mij....? Holà! Dick!”
Maar hij kreeg natuurlijk geen antwoord.
„Hij heeft mijn jongen meegenomen en samen zijn ze weggeloopen!”
Ja, Roybon, zoo is het, je sloeg daar juist den spijker op den kop. Als
een dolleman stampte hij met zijn houten been op den vloer, maar opeens
bedacht hij zich en klom met moeite boven in de duiventil. Van hier uit
kon hij de landstreek een heel eind ver overzien en ja waarlijk, daar
heel in de verte daar zag hij twee kleine zwarte stippen. „Daar heb je
ze waarachtig,” mompelde hij. Op gevaar af van zijn nek te breken,
strompelde hij weer naar beneden.
[Illustratie: .... stommelde Roybon den stoffigen weg langs.]
„Kom mee, Pak-an.”
„Dat had ik al veel eerder bedacht,” meende Pak-an, „maar je wou niet
naar me luisteren. Ik zal je nou wel wijzen waar ze zijn. Ik weet 't
precies.”
Eenige oogenblikken later strompelde Roybon den stoffigen weg langs.
Hij was nog niet ver, toen iemand hem met luide stem toeriep: „Halloo!”
Hij keek om en zag een forschen man met lange zwarte knevels en groote
doordringende oogen, die haastig achter hem aan kwam stappen. Toen begon
een levendig gesprek. Roybon scheen het in den beginne niet met den
ander eens te zijn, maar langzamerhand scheen hij van meening te
veranderen tot de man met de knevels gelijk kreeg.
Ze stapten daarna samen voort, maar maakten niet veel haast tot groote
verontwaardiging van Pak-an, die hier niets van begreep.
[Illustratie]
[Decoratieve illustratie]