In zorg en angst.
Mijnheer Steenvoorde vond het in den beginne niet zoo heel erg, dat
Paul weggeloopen was en 't eerste uur niet terugkwam. „'t Is mijn eigen
schuld ook eigenlijk, dat de jongen zoo brutaal en ongezeggelijk is,”
zoo dacht hij, „ik heb hem te weinig gestraft, hij is in den grond
bedorven.” En papa Steenvoorde nam zich, hoewel een weinig laat, ten
stelligste voor om Paul bij zijn terugkomst eens duchtig onder handen te
nemen en hem ook in 't vervolg niet te sparen. Dàt Paul terug zou komen
hieraan twijfelde niemand. Paul had altijd veel te veel eetlust om niet
tegen etenstijd berouw te krijgen over zijn slecht gedrag.
Het was overigens wel een heele rust, dat men niets van den deugniet
hoorde of zag. Het was zóó stil en kalm in huis, zóó vredig als het in
tijden niet geweest was.
Het werd etenstijd, maar er kwam geen Paul.
Het werd avond... nòg was Paul nergens te zien.
Toen begonnen allen ongerust te worden. „Waar was hij? Wat deed hij? Was
hem een ongeluk overkomen?”
Men vroeg het elkander herhaaldelijk zonder een antwoord te verwachten
en voortdurend werd de angst grooter.
Men zocht door het huis, in het dorp, langs den weg; men vroeg, men
riep, maar niemand had den jongen gezien.
't Werd steeds later, doch geen der familieleden dacht aan slapen.
Mijnheer Steenvoorde was misschien nog wel het minst van allen op zijn
gemak, maar hij wilde dit niet toonen en trachtte de anderen zooveel
mogelijk gerust te stellen en tot bedaren te brengen. Daarbij liep hij
voortdurend de kamer op en neer als een wild dier in zijn kooi, keek elk
oogenblik op zijn horloge en riep elke tien minuten, zoo hard hij maar
kon, aan de voordeur: „Paul!”
't Was dus niet te verwonderen, dat het hem niet gelukte het vrouwelijk
gezelschap te kalmeeren.
Mama Steenvoorde en de zusjes zaten dan ook jammerlijk te huilen, en
alle drie herinnerden zich, dat ze wel eens een voorgevoel gehad hadden
of heel vroeger eens gedroomd hadden, dat er Paul 'n groot ongeluk zou
overkomen en telkens als papa tevergeefs buiten de deur stond te roepen,
hieven ze een luid geweeklaag aan.
Eindelijk was de nacht voorbij. 't Was nog nauwelijks licht of daar werd
aan de voordeur gescheld. Mijnheer Steenvoorde deed dadelijk open en
stond tegenover een grooten stevigen man van om en bij de veertig jaar,
met een lange zwarte snor en groote zwarte doordringende oogen.
De vreemdeling scheen iets zeer belangrijks aan den heer Steenvoorde
mede te deelen.
Beide mannen spraken ten minste langen tijd samen.
Mama en de meisjes keken door de deur, maar ze hoorden niets, want
mijnheer Steenvoorde was met den vreemdeling naar buiten gegaan en druk
sprekende, liepen ze samen nog geruimen tijd voor het huis op en neer.
Toen de lange man met de donkere oogen heenging, namen ze hartelijk
afscheid. De vreemdeling liep den weg op, die buiten het dorp voerde en
mijnheer Steenvoorde kwam weer binnen bij zijn vrouw en kinderen, maar
zijn gezicht was geheel veranderd; het glom van plezier en straalde
zóóveel blijdschap uit, dat men het in de mistige morgenschemering best
voor de opgaande zon had kunnen houden.
Hij werd verwelkomd met een kruisvuur van vragen.—„Wie was dat?” „Wist
hij iets?” „Wat is er gebeurd?” „Wat zei die man?”
„Gaat allen hier eens kalm om de tafel zitten,” zei de heer Steenvoorde,
met een veelbeteekenend glimlachje, „en dan zal ik je alles vertellen.”
[Illustratie: ... met een veelbeteekenend glimlachje.]
Nog dienzelfden avond verhuisde de familie voor eenige maanden naar een
groot buitenverblijf, dat mijnheer Steenvoorde een paar dagen geleden
gehuurd had om van het buitenleven te kunnen genieten.
In welk verband dit met de vroolijkheid van mijnheer Steenvoorde stond,
en wat zijn plannen waren, zullen wij later vernemen.
[Decoratieve illustratie]