Dick.
Het was een kinderhoofd met dikke bolle wangen en groote ronde oogen.
„Wat mot je?” vroeg Paul nijdig.
„Niks,” zei 't hoofd.
„Waarom kijk je dan zoo naar me?”
„Om dààrom! Vader zei, dat 'k eris moest zien hoe je 't maakte.”
„Wat heeft jouw vader met mij te maken?”
„Nou laat naar je kijken! Alsof je dat niet wist.”
„Maar ik weet 't echt niet.”
„Vader is veldwachter.”
Paul keek het hoofd eens van terzijde aan. „Fuut” floten zijn lippen in
een lang gerekten toon.
Daarop vroeg hij, alsof 't hem eigenlijk heelemaal niet schelen kon:
„Enne... gaf je vader je den sleutel?”
„Nee; maar ik nam 'm weg, want ik wou je graag 's van dichtbij bekijken,
want vader zei, dat je 'n erge kwâ-jongen was.”
„Och?” 't Was wat waard geweest wanneer men dat Paul had kunnen hooren
zeggen.
Na een poosje zei hij, zoo onverschillig mogelijk: „Nou...., wat ik wou
zeggen, jij hebt dus den sleutel?”
„Ja.”
„Kom dan eris binnen. 't Is hier zoo leuk.”
„Nee hoor. Vader zei, dat ik niet met je mocht praten.”
„Wat heeft dat er nou meê te maken, domkop? Doe je dan altijd alles wat
je vader zeit?”
„Ja zeker, want hij slaat me als ik 't niet doe.”
„Dan is ie 'n leelijke aap van 'n vent, en 'k zou wel lust hebben hem
eens een opstopper te geven! Waar zit-ie op 't oogenblik?”
„Hij zet koffie.”
„Mooi zoo. Hij ziet dus niet wat jij uitvoert: dus je komt bij mij
binnen. Voor één tel maar. We zullen zoo'n pret maken samen. Ik zal
'n heeleboel kunstjes voor je vertoonen. Ik kan 't wit van m'n oogen
verdraaien en met beide oogen tegelijk scheel zien en mijn haar bewegen
en mijn ooren ook.” Hij zei dit met een trots alsof niemand dan hij die
kunstjes kon vertoonen. „En dan,” zei hij geheimzinnig fluisterend,
want hij had zijn mooiste kunsten voor 't sloteffect bewaard, „kan ik
ook nog in 't rond draaien, zóó hard dat je zoudt zweren dat ik een
karrewiel was: ik kan op mijn handen loopen en... op... mijn hoofd
_staan_!”
Het kereltje met de groote ronde oogen was een braaf jongetje, maar hij
had zijn gebreken en een van de grootste was: nieuwsgierigheid. Een
tijdlang streed zijn beter ik tegen de verzoeking, maar deze behaalde de
overwinning, zooals helaas maar al te dikwijls gebeurt.
Toen hij het hok binnenging dacht hij weinig hoe duur hem deze dwaasheid
zou te staan komen.
„Komaan,” riep Paul, „zoo mag ik 't zien. Niemand zal 't ooit te weten
komen. Hoe heet je?”
„Dickie.”
„En ik heet Paul.”
Hiermede was de wederzijdsche voorstelling afgeloopen en begon Paul zijn
kunsten te vertoonen. Eerst trok hij wel vijf minuten lang allerlei rare
gezichten. Toen hij al zijn kunsten met oogen, neus, haar en ooren had
vertoond, begon hij met de acrobatische toeren. Hij draaide het hok
rond, nu op de handen en dan weer op de voeten, alsof zijn ledematen
spaken van een wiel waren. 't Ging zoo gauw, dat Dickie niet eens kon
tellen hoeveel wielen en hoeveel spaken er wel waren. Hij wandelde op
zijn handen met de beenen in de lucht. Ten slotte stond hij zóó lang op
zijn hoofd dat hij een hoestbui kreeg van benauwdheid.
Dickie stond met open mond en jaloersche blikken naar hem te kijken.
Paul was slim genoeg om dit op te merken. De vertooning had in alle
opzichten een buitengewoon succès. „Hé ja!” riep hij opeens, alsof het
denkbeeld hem daar zoo juist te binnen kwam: „Zou 't geen leuke mop
wezen als je er mij eens uitliet?”
[Illustratie: .... alsof zijn ledematen spaken van een wiel waren.]
„Nee, nee, dat mag ik niet!” zei Dickie snel, „dan krijg ik slaag.”
„Dan behoef je niet te denken, dat ik nog maar één kunst voor je
vertoon; en wàt je gezien hebt, haalt niet bij de kunsten die ik nog
kan—als ik ze namelijk _wil_ vertoonen.”
Als Dickie het had mogen zeggen, dan was Paul direct in vrijheid
gesteld. Hij had er geen begrip van hoe een gewoon mensch zulke kunsten
kon maken; hij beschouwde Paul als 'n soort wonder en had graag uit
dankbaarheid voor de mooie vertooning de deur wagenwijd voor hem
opengezet, maar... vader sloeg niet zacht; in gedachte voelde hij de
pijn al.
Paul zag dat de eerste aanval op Dickie mislukte. Hij hernieuwde hem
niet, maar beproefde het nu met een zijdelingsche manoeuvre.
„Slaat je vader je altijd als je niet precies doet wat hij wil? Daar zou
ik ook lekker voor passen! Waarom loop je niet weg? Als je lust hebt met
mij meê te gaan, dan doe je maar.”
Eenige oogenblikken liet hij Dickie tijd om dit geheel nieuwe denkbeeld
in zijn kleine hersenen op te nemen.
Toen vervolgde hij: „Lijkt het je niet heerlijk toe om alles te doen
waar je lust in hebt? Geen lessen leeren; niet altijd te moeten hooren:
Maar Paul, met zulke vieze handen mag je niet aan tafel komen of
Paul, nu mag je geen snoeperijen meer eten, als je juist trek aan wat
lekkers hebt; en dan: Paul, zeg je taalles eens op. Wat kunnen mij die
taallessen schelen! Als ik aan mijn moeder vraag: Mag ik een boterham?
dan ga ik niet eerst bedenken: ik—onderwerp, mag—gezegde, een
boterham—lijdend voorwerp. 't Is allemaal larie en daarom ben ik
weggeloopen en nu ben ik vrij!”
„Vrij!?” riep Dickie, „en je zit in de gevangenis!”
Met een wanhopig gelaat keerde Paul zich af en schopte een scherf van
zijn gebroken waterkan naar 't andere einde van 't hok. Toen hij Dickie
weer aanzag, zwommen zijne oogen in tranen.
Die tranen deden meer dan de langste redevoeringen. Dickie kreeg
medelijden met den armen gevangene.
„En als ik er jou nou uitlaat en ik loop met je weg, zou vader me dan
niet slaan? Denk je van _zeker_ niet?”
„Nee natuurlijk niet,” riep Paul, „hij zal denken dat je verloren bent
geraakt en als je dan weer thuiskomt is hij zóó blij, dat hij heelemaal
niet aan slaan zal denken. Ja, het zou best kunnen gebeuren dat... hij
je tien stuivers gaf van louter plezier.”
„Maar wat gaan we eigenlijk samen doen?” vroeg Dickie. Hij was het nog
niet met zichzelven eens en hield den sleutel stijf vast in zijn kleine
dikke handjes.
„Samen doen? O jé, een heeleboel gaan we doen. Ik heb geld genoeg bij me
om pret te maken. Ik heb wel een heel kwartje!”
„Maar wat voor pret?”
„Nou, pret, gewoon pret. We hollen wat rond en dan laten we vliegers op.
Vliegers! Prachtstukken! Geen gewone, maar die op draken gelijken en op
visschen!”
Paul had zulke vliegers wel eens gezien in een boek van zijn vader over
China.
„Maar waar kan je zoo'n vlieger krijgen?” vroeg Dickie.
„Die maak ik natuurlijk,” zei Paul, op een toon alsof hij zijn geheele
leven niets anders gedaan had dan vliegers maken.
„Heb je dan vroeger wel eens meer zoo'n vlieger gemaakt, Paul?”
„Millioen van zulke vliegers!”
Paul werd ongeduldig, want elke minuut was kostbaar en door al het
gepraat gingen er vele kostbare minuten verloren.
„Zanik nou niet lang. Ik weet wat ik zeg. Als de vliegers opgaan, ga ik
boven op den rug van den draak zitten en ga dan al wuivend mee naar
boven.”
„Maar Paul, kan je dat dan?”
„Ja, uilskieken! Dat heb ik al vier en zeventig keer gedaan en dan neem
ik vuurwerk meê naar boven, en als 't donker is steek ik dat boven in
de lucht af, en dan denkt iedereen dat het een komeet is en dan trek ik
jou mee naar boven en we vliegen samen ver, ver weg misschien wel naar
Parijs, en daar zijn zoo'n boel mooie speelgoedwinkels. Maar als je nu
niet 'n beetje voortmaakt met me er uit te laten, dàn zie je van dit
alles niets niemendal.”
Kleine Dick was geheel en al verbouwereerd. Met het grootste vertrouwen
gaf hij Paul den sleutel, vol verlangen al dat moois en schitterends te
zien.
De deur was open, maar er was nog een hooge muur dien ze over moesten
voor ze buiten waren en in vrijheid.
Op handen en voeten, met ingehouden adem, slopen ze voort tot onder de
ramen van Roybon's woonkamer. Op eenmaal echter begon Pak-an vervaarlijk
te blaffen; hij had hen opgemerkt, vloog uit zijn hok, rukte aan zijn
ketting en maakte een leven als een oordeel.
[Illustratie: „Nu of nooit,” dachten de jongens.]
Tegelijk hoorden ze het stomp, stomp, van het houten been over den vloer
van de woonkamer. Onbewegelijk en doodstil bleven de jongens staan.
Gelukkig voor hen was Roybon te veel verdiept in het koffiedrinken om
veel aandacht te schenken aan het geblaf van Pak-an. Hij keek wel eens
even uit het raam maar zag niet naar omlaag.
„Stil hond,” snauwde hij hem toe en ging toen weer weg van het venster.
„Nu of nooit,” dachten de jongens en zij haastten zich weg te komen,
maar hun angst was zóó groot, dat ze net als in een benauwden droom het
eene been bijna niet voor het andere konden krijgen.
[Illustratie]
Pak-an blafte maar steeds door. Het was verschrikkelijk om aan te
hooren. Zijn haren stonden rechtovereind en hij liet al zijn tanden
zien.
Toch kwamen de vluchtelingen eindelijk bij het hek, maar o ramp, de
klink zat te hoog. „Zet de handen op je knieën,” fluisterde Paul Dickie
toe en hij beet hem haast in zijn oor van zenuwachtigheid.
Het scheen een eeuwigheid vóór Paul op Dick's rug stond en de klink met
bevende vingers had losgemaakt.
Het groote hek ging open, doch zonder een afscheid aan Pak-an kon Paul
niet vertrekken. Hij greep een dikken steen en mikte dien precies op den
neus van den hond. Zelfs Willem Tell zou eer ingelegd hebben met zulk
treffen.
Een oogenblik later waren de beide jongens verdwenen.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]