VIJFDE HOOFDSTUK.

Dick.

Het was een kinderhoofd met dikke bolle wangen en groote ronde oogen.

„Wat mot je?” vroeg Paul nijdig.

„Niks,” zei 't hoofd.

„Waarom kijk je dan zoo naar me?”

„Om dààrom! Vader zei, dat 'k eris moest zien hoe je 't maakte.”

„Wat heeft jouw vader met mij te maken?”

„Nou laat naar je kijken! Alsof je dat niet wist.”

„Maar ik weet 't echt niet.”

„Vader is veldwachter.”

Paul keek het hoofd eens van terzijde aan. „Fuut” floten zijn lippen in

een lang gerekten toon.

Daarop vroeg hij, alsof 't hem eigenlijk heelemaal niet schelen kon:

„Enne... gaf je vader je den sleutel?”

„Nee; maar ik nam 'm weg, want ik wou je graag 's van dichtbij bekijken,

want vader zei, dat je 'n erge kwâ-jongen was.”

„Och?” 't Was wat waard geweest wanneer men dat Paul had kunnen hooren

zeggen.

Na een poosje zei hij, zoo onverschillig mogelijk: „Nou...., wat ik wou

zeggen, jij hebt dus den sleutel?”

„Ja.”

„Kom dan eris binnen. 't Is hier zoo leuk.”

„Nee hoor. Vader zei, dat ik niet met je mocht praten.”

„Wat heeft dat er nou meê te maken, domkop? Doe je dan altijd alles wat

je vader zeit?”

„Ja zeker, want hij slaat me als ik 't niet doe.”

„Dan is ie 'n leelijke aap van 'n vent, en 'k zou wel lust hebben hem

eens een opstopper te geven! Waar zit-ie op 't oogenblik?”

„Hij zet koffie.”

„Mooi zoo. Hij ziet dus niet wat jij uitvoert: dus je komt bij mij

binnen. Voor één tel maar. We zullen zoo'n pret maken samen. Ik zal

'n heeleboel kunstjes voor je vertoonen. Ik kan 't wit van m'n oogen

verdraaien en met beide oogen tegelijk scheel zien en mijn haar bewegen

en mijn ooren ook.” Hij zei dit met een trots alsof niemand dan hij die

kunstjes kon vertoonen. „En dan,” zei hij geheimzinnig fluisterend,

want hij had zijn mooiste kunsten voor 't sloteffect bewaard, „kan ik

ook nog in 't rond draaien, zóó hard dat je zoudt zweren dat ik een

karrewiel was: ik kan op mijn handen loopen en... op... mijn hoofd

_staan_!”

Het kereltje met de groote ronde oogen was een braaf jongetje, maar hij

had zijn gebreken en een van de grootste was: nieuwsgierigheid. Een

tijdlang streed zijn beter ik tegen de verzoeking, maar deze behaalde de

overwinning, zooals helaas maar al te dikwijls gebeurt.

Toen hij het hok binnenging dacht hij weinig hoe duur hem deze dwaasheid

zou te staan komen.

„Komaan,” riep Paul, „zoo mag ik 't zien. Niemand zal 't ooit te weten

komen. Hoe heet je?”

„Dickie.”

„En ik heet Paul.”

Hiermede was de wederzijdsche voorstelling afgeloopen en begon Paul zijn

kunsten te vertoonen. Eerst trok hij wel vijf minuten lang allerlei rare

gezichten. Toen hij al zijn kunsten met oogen, neus, haar en ooren had

vertoond, begon hij met de acrobatische toeren. Hij draaide het hok

rond, nu op de handen en dan weer op de voeten, alsof zijn ledematen

spaken van een wiel waren. 't Ging zoo gauw, dat Dickie niet eens kon

tellen hoeveel wielen en hoeveel spaken er wel waren. Hij wandelde op

zijn handen met de beenen in de lucht. Ten slotte stond hij zóó lang op

zijn hoofd dat hij een hoestbui kreeg van benauwdheid.

Dickie stond met open mond en jaloersche blikken naar hem te kijken.

Paul was slim genoeg om dit op te merken. De vertooning had in alle

opzichten een buitengewoon succès. „Hé ja!” riep hij opeens, alsof het

denkbeeld hem daar zoo juist te binnen kwam: „Zou 't geen leuke mop

wezen als je er mij eens uitliet?”

[Illustratie: .... alsof zijn ledematen spaken van een wiel waren.]

„Nee, nee, dat mag ik niet!” zei Dickie snel, „dan krijg ik slaag.”

„Dan behoef je niet te denken, dat ik nog maar één kunst voor je

vertoon; en wàt je gezien hebt, haalt niet bij de kunsten die ik nog

kan—als ik ze namelijk _wil_ vertoonen.”

Als Dickie het had mogen zeggen, dan was Paul direct in vrijheid

gesteld. Hij had er geen begrip van hoe een gewoon mensch zulke kunsten

kon maken; hij beschouwde Paul als 'n soort wonder en had graag uit

dankbaarheid voor de mooie vertooning de deur wagenwijd voor hem

opengezet, maar... vader sloeg niet zacht; in gedachte voelde hij de

pijn al.

Paul zag dat de eerste aanval op Dickie mislukte. Hij hernieuwde hem

niet, maar beproefde het nu met een zijdelingsche manoeuvre.

„Slaat je vader je altijd als je niet precies doet wat hij wil? Daar zou

ik ook lekker voor passen! Waarom loop je niet weg? Als je lust hebt met

mij meê te gaan, dan doe je maar.”

Eenige oogenblikken liet hij Dickie tijd om dit geheel nieuwe denkbeeld

in zijn kleine hersenen op te nemen.

Toen vervolgde hij: „Lijkt het je niet heerlijk toe om alles te doen

waar je lust in hebt? Geen lessen leeren; niet altijd te moeten hooren:

Maar Paul, met zulke vieze handen mag je niet aan tafel komen of

Paul, nu mag je geen snoeperijen meer eten, als je juist trek aan wat

lekkers hebt; en dan: Paul, zeg je taalles eens op. Wat kunnen mij die

taallessen schelen! Als ik aan mijn moeder vraag: Mag ik een boterham?

dan ga ik niet eerst bedenken: ik—onderwerp, mag—gezegde, een

boterham—lijdend voorwerp. 't Is allemaal larie en daarom ben ik

weggeloopen en nu ben ik vrij!”

„Vrij!?” riep Dickie, „en je zit in de gevangenis!”

Met een wanhopig gelaat keerde Paul zich af en schopte een scherf van

zijn gebroken waterkan naar 't andere einde van 't hok. Toen hij Dickie

weer aanzag, zwommen zijne oogen in tranen.

Die tranen deden meer dan de langste redevoeringen. Dickie kreeg

medelijden met den armen gevangene.

„En als ik er jou nou uitlaat en ik loop met je weg, zou vader me dan

niet slaan? Denk je van _zeker_ niet?”

„Nee natuurlijk niet,” riep Paul, „hij zal denken dat je verloren bent

geraakt en als je dan weer thuiskomt is hij zóó blij, dat hij heelemaal

niet aan slaan zal denken. Ja, het zou best kunnen gebeuren dat... hij

je tien stuivers gaf van louter plezier.”

„Maar wat gaan we eigenlijk samen doen?” vroeg Dickie. Hij was het nog

niet met zichzelven eens en hield den sleutel stijf vast in zijn kleine

dikke handjes.

„Samen doen? O jé, een heeleboel gaan we doen. Ik heb geld genoeg bij me

om pret te maken. Ik heb wel een heel kwartje!”

„Maar wat voor pret?”

„Nou, pret, gewoon pret. We hollen wat rond en dan laten we vliegers op.

Vliegers! Prachtstukken! Geen gewone, maar die op draken gelijken en op

visschen!”

Paul had zulke vliegers wel eens gezien in een boek van zijn vader over

China.

„Maar waar kan je zoo'n vlieger krijgen?” vroeg Dickie.

„Die maak ik natuurlijk,” zei Paul, op een toon alsof hij zijn geheele

leven niets anders gedaan had dan vliegers maken.

„Heb je dan vroeger wel eens meer zoo'n vlieger gemaakt, Paul?”

„Millioen van zulke vliegers!”

Paul werd ongeduldig, want elke minuut was kostbaar en door al het

gepraat gingen er vele kostbare minuten verloren.

„Zanik nou niet lang. Ik weet wat ik zeg. Als de vliegers opgaan, ga ik

boven op den rug van den draak zitten en ga dan al wuivend mee naar

boven.”

„Maar Paul, kan je dat dan?”

„Ja, uilskieken! Dat heb ik al vier en zeventig keer gedaan en dan neem

ik vuurwerk meê naar boven, en als 't donker is steek ik dat boven in

de lucht af, en dan denkt iedereen dat het een komeet is en dan trek ik

jou mee naar boven en we vliegen samen ver, ver weg misschien wel naar

Parijs, en daar zijn zoo'n boel mooie speelgoedwinkels. Maar als je nu

niet 'n beetje voortmaakt met me er uit te laten, dàn zie je van dit

alles niets niemendal.”

Kleine Dick was geheel en al verbouwereerd. Met het grootste vertrouwen

gaf hij Paul den sleutel, vol verlangen al dat moois en schitterends te

zien.

De deur was open, maar er was nog een hooge muur dien ze over moesten

voor ze buiten waren en in vrijheid.

Op handen en voeten, met ingehouden adem, slopen ze voort tot onder de

ramen van Roybon's woonkamer. Op eenmaal echter begon Pak-an vervaarlijk

te blaffen; hij had hen opgemerkt, vloog uit zijn hok, rukte aan zijn

ketting en maakte een leven als een oordeel.

[Illustratie: „Nu of nooit,” dachten de jongens.]

Tegelijk hoorden ze het stomp, stomp, van het houten been over den vloer

van de woonkamer. Onbewegelijk en doodstil bleven de jongens staan.

Gelukkig voor hen was Roybon te veel verdiept in het koffiedrinken om

veel aandacht te schenken aan het geblaf van Pak-an. Hij keek wel eens

even uit het raam maar zag niet naar omlaag.

„Stil hond,” snauwde hij hem toe en ging toen weer weg van het venster.

„Nu of nooit,” dachten de jongens en zij haastten zich weg te komen,

maar hun angst was zóó groot, dat ze net als in een benauwden droom het

eene been bijna niet voor het andere konden krijgen.

[Illustratie]

Pak-an blafte maar steeds door. Het was verschrikkelijk om aan te

hooren. Zijn haren stonden rechtovereind en hij liet al zijn tanden

zien.

Toch kwamen de vluchtelingen eindelijk bij het hek, maar o ramp, de

klink zat te hoog. „Zet de handen op je knieën,” fluisterde Paul Dickie

toe en hij beet hem haast in zijn oor van zenuwachtigheid.

Het scheen een eeuwigheid vóór Paul op Dick's rug stond en de klink met

bevende vingers had losgemaakt.

Het groote hek ging open, doch zonder een afscheid aan Pak-an kon Paul

niet vertrekken. Hij greep een dikken steen en mikte dien precies op den

neus van den hond. Zelfs Willem Tell zou eer ingelegd hebben met zulk

treffen.

Een oogenblik later waren de beide jongens verdwenen.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 8 / 25 题