In de gevangenis.
Daar zat Paul alleen, achter slot en grendel. Hij schaamde zich diep,
maar was te trotsch om dit te erkennen.
„'k Geef er niet zóóveel om,” riep hij, terwijl hij met duim en vinger
in de lucht knipte, „wat heb ik dien ouden, stijven stok van een
burgemeester lekkertjes beet gehad!” en hij lachte luid, maar 't was
geen vroolijke lach, dat voelde hij zelf ook wel.
Zijn vroolijkheid was dan ook niet van langen duur. Als hij opkeek zag
hij niets dan de kale vochtige muren van zijn gevangenis, een bed van
stroo, een kan met drinkwater en een driepootig bankje om op te zitten.
't Was droeve werkelijkheid, hij zat gevangen en 't hart zonk hem in
de schoenen. Wezenloos staarde hij een poos voor zich uit tot hem een
gevoel bekroop van machtelooze woede en wraak. In dolle razernij voer
hij uit tegen den veldwachter en den burgemeester, die hem gelukkig
niet konden hooren; hij greep zijn kan met drinkwater en smeet die
in gruizelementen op den vloer. De pooten van zijn stoel brak hij in
stukken en met zijn hielen en vuisten begon hij een waar bombardement op
de dikke houten deur.
[Illustratie: Hier is je „souper.”]
Toen hij ten lange leste bemerkte, dat al dit lawaai geen ander gevolg
had dan dat hij zichzelf de knokkels bont en blauw sloeg, wierp hij zich
op zijn stroobed en barstte in een vloed van tranen los. Dit bracht hem
eenigszins tot kalmte.
Toen hij daar zoo lag kwam de veldwachter met zijn avondeten.
Het was geen uitgebreid souper, want het bestond uit niets dan een korst
droog brood.
„Is 't je al te binnen geschoten hoe je naam is?” vroeg de oude soldaat
op langzamen sarrenden toon. „Niet? Da's vreemd! 't Is hier zoo'n rustig
hoekje om goed na te denken. Maar 't komt er niet op aan hoor! Maak 't
je maar niet te druk: de herinnering zal wel gauw komen. Ik hoop, dat
de nieuwe springmatras je mag bevallen, de lakens en dekens zijn pas
gelucht. Om negen uur morgenochtend zal het kamermeisje je komen wekken
met een sterk kopje thee. Hier is je „souper.” 't Is wel niet veel, maar
je moet maar denken: weinig doch uit een goed hart. Misschien zou je er
wel een appel bij lusten. Nou? Zoo'n groote roode, je weet wel... hé?”
en de oude plaaggeest ging de deur weer uit.
Paul's bloed kookte bij deze spotternij. Hij had Roybon wel willen
vermorselen. Hij pakte de korst brood en gooide hem die achterna. De
korst vloog juist over het hoofd van den veldwachter en viel op de
steenen van de binnenplaats.
O, wat had hij daar gedaan! Hij had zijn avondeten weggegooid. Zijn
waterkan was stuk; hij had dus geen enkele droppel water om zijn
dorst te lesschen. De avond viel, de schaduwen werden langer. De nacht
kwam. Paul was natuurlijk bang in 't donker en in dit pikduistere
gevangenishok vermeerderde zijn vrees met het oogenblik. Allerlei
schrikbeelden doemden voor hem op. In de stilte van den nacht kwamen er
allerlei geluiden tot hem, die hem angst aanjoegen en toch niet anders
waren dan het ritselen van het stroo of het zwiepen van een, door den
wind bewogen, tak tegen den muur van zijn gevangenis.
[Illustratie: .... kon hij niet nalaten eens even door zijn vingers te
kijken.]
Daar keek de maan nieuwsgierig door een opening tusschen de pannen van
het dak en verlichtte Paul's gezicht. Hevig schrok hij: hij meende een
geest te zien! Minder aangenaam gezelschap dan het zachte maanlicht was
een dikke rat, die over zijn rug liep.
Het koude zweet brak hem uit. Het was een nacht om nooit te vergeten.
Hoe verlangde hij nu om thuis te zijn. Thuis bij zijn lieve moeder, die
altijd voor hem zorgde, hem 's nachts een nachtlicht gaf omdat hij bang
was in 't donker. Wat was hij toch dom geweest om dat alles te verlaten:
zijn warm bed, de lekkernijen die hij 's avonds kreeg, de gezellige
huiskamer!
Diep was zijn berouw over alles wat hij gedaan had. Maar het was een
zelfzuchtig berouw, hij had spijt, omdat zijne dwaasheden hemzelf
zooveel ellende berokkenden, maar niet omdat ze anderen verdriet deden.
Toen dan ook de dag weer aanbrak, verdween het berouw met al de
verschrikkingen van den nacht.
Hij dacht er nu slechts over, hoe hij uit zijn gevangenis zou kunnen
ontsnappen.
Nauwkeurig liet hij zijn blik gaan langs de vier muren, of hij ook
ergens eene opening zag, toen hij op eens een hoofd gewaar werd, enkel
een hoofd zonder het lichaam, dat door een kleine opening beneden aan de
deur, naar hem gluurde.
Op eenmaal kwamen al de akelige droombeelden van den nacht hem weer in
de gedachten en met beide handen voor 't gezicht sprong Paul naar den
anderen kant van het hok.
Na een poosje kon hij niet nalaten eens even door zijn vingers heen te
kijken of het vreeselijke hoofd er nog lag. Ja, het lag er nog en de
oogen volgden hem overal waar hij ging, op dezelfde manier als de oogen
van een portret iemand steeds door de geheele kamer schijnen te volgen.
Ten langen leste waagde hij het, 't hoofd opmerkzamer te bekijken.
Gelukkig! Het rolde niet naar hem toe. Stil bleef het op zijn plaats
liggen en Paul verzamelde al zijn moed en kwam met een kloppend hart wat
dichter bij de deur.
[Illustratie]
[Decoratieve illustratie]