DERDE HOOFDSTUK.

Het vonnis.

Te midden van dit oorverdoovend lawaai kwam de veldwachter met zijn

gevangene op het gemeentehuis aan. De menigte die hem gevolgd was mocht

niet binnenkomen. Als schadevergoeding vergenoegde ze zich van buiten af

allerlei mooie scheldwoorden te roepen aan het adres van Paul, die

daardoor niet bepaald zachter gestemd werd.

Nadat Roybon en Paul een tijdlang gewacht hadden trad de burgemeester

binnen, gevolgd door een klerk.

De burgemeester zette zich statig in een grooten stoel met hoogen rug.

Langzaam nam hij den bril van zijn neus, veegde voorzichtig de glazen

schoon en zette hem toen weer op met eene deftigheid als ware hij een

koning, die zichzelf de kroon op het hoofd zet, daarna kuchte hij een

paar maal en vestigde zijn blik met gestrengheid op den gevangene.

Eenige seconden keek hij Paul doordringend aan. Toen hij meende, dat de

gevangene voldoende onder den indruk was van het gewichtig oogenblik,

gaf hij door eene handbeweging aan den veldwachter te kennen, dat deze

zijne aanklacht zou indienen.

[Illustratie: .... en vestigde zijn blik met gestrengheid op den

gevangene.]

Maar voor Paul was het oogenblik nog niet indrukwekkend en de omgeving

niet plechtig genoeg. Oogenschijnlijk stond hij kalm rond te kijken,

maar inwendig kookte hij van woede over de beleedigingen, die hem in de

laatste paar uren waren aangedaan. Hij had behoefte zich daarover op

iemand te wreken, onverschillig op wien.

Onderwijl deed Roybon in schitterende kleuren het verhaal van Paul's

gevangenneming en van zijn verzet tegen de openbare macht.

Paul leunde onverschillig tegen de leuning van de bank waarop hij zat.

Toen deed hij alsof het lange verhaal hem doodelijk begon te vervelen,

hij draaide den burgemeester en den veldwachter den rug toe, zette zijn

ellebogen wijd uit en met zijn kin geleund in beide handen, begon hij

den klerk nauwkeurig op te nemen.

Dit verschafte hem blijkbaar een aangename afleiding en dit was niet

te verwonderen, want de klerk was een wonderbaarlijk mannetje. Hij was

zeldzaam dik en klein, net een kaatsbal en op dien bal zat een heel

groot hoofd, dat van boven gezien, zoo mooi kaal, glad en rond was, dat

het precies een ei geleek. Ik wed dat een broedsche kip de verzoeking

niet zou hebben kunnen weerstaan om er op te gaan zitten en het uit te

broeden.

„Heeft de gevangene ook nog iets tegen de aanklacht in te brengen?”

vroeg de burgemeester.

„'t Zijn allemaal leugens,” gaf Paul brutaal ten antwoord. Dat was

iets wat de burgemeester niet verwacht had. Gewoonlijk durfden ouden

en jongen, die voor zijn „rechterstoel” gebracht werden, de oogen

nauwelijks opslaan en _als_ zij een woord zeiden, dan was het een vragen

om vergeving of een betoon van berouw.

[Illustratie: De klerk.]

Maar deze kleine vuile jongen, met zijn gescheurde kleeren en ongekamde

haren, durfde hem op zoo'n ongehoorde wijze toe te spreken! De deftige

burgemeester was eenige oogenblikken geheel van zijn stuk gebracht. Toen

zei hij: „Noem mij uw naam en dien van uwe ouders.”

Paul keek naar den zolder. Eindelijk zei hij na eenig nadenken:

„Die ben ik vergeten,” en hij haalde de schouders op alsof hij het

hopeloos vond er verder over na te denken.

„Dwaasheid,” zei de burgemeester, „zeg de waarheid!”

„Het _is_ de waarheid,” zei Paul, „ik spreek _altijd_ de waarheid.”

De burgemeester scheen van woede wel twee maal zoo dik te worden als hij

was, net als een kattestaart.

„Gevangene!” riep hij, „het is hier tijd noch plaats om gekheid te

maken. Gij zijt beschuldigd van een ernstig misdrijf: diefstal!”

„Ik heb nooit gestolen,” zei Paul, die met groot genoegen zag hoe boos

de burgemeester zich maakte.

„Gevangene! stapel niet de eene leugen op de andere. Dáár!” en hij wees

bij elk woord met zijn vinger naar den afgebeten appel, die voor hem

op de tafel lag, „dáár ligt het onwederlegbaar bewijs van uwe schuld.

Beken, dat gij gestolen hebt en beloof beterschap, dan zal ik u met

zachtheid behandelen. Hoe heet gij en waar woont gij. Het zal mij een

vreugde zijn, u op het pad van eer en deugd te mogen terugbrengen en ik

zal dadelijk order geven dat men u weder in de armen van uwe ouders

terugvoere.”

Bij de gedachte aan de armen van zijne ouders kwam hem onwillekeurig het

sterk en soepel stokje voor oogen, waarmede hij dezen morgen had kennis

gemaakt en dit scheen Paul's herinneringsvermogen geheel in de war te

brengen.

Nadat hij eenigen tijd in diep nadenken, met zijn hoofd op zijde, had

zitten peinzen, zei hij met een hopelooze uitdrukking: „'t Geeft niets.

Ik ben alles vergeten.”

Een diepe rimpel vertoonde zich op het voorhoofd van den burgemeester.

„Gevangene,” zei hij, „bedenk u nog eens goed; het is voor 't laatst.”

„Ik ben 't vergeten; dat heb ik nu al tweemaal gezegd,” barstte Paul

woedend los. „Schrijf ze een briefje dan kunnen ze 't u zelf vertellen.”

Bleek van verontwaardiging leunde de burgemeester in zijn stoel. Het

duurde eenigen tijd, voor hij weer kon spreken. Toen stond hij op en

sprak plechtig:

„Daar deze gevangene naar het schijnt noch den naam, noch de woonplaats

zijner ouders weet op te geven, en dus zonder tehuis is en zonder

middel van bestaan, zie ik mij genoodzaakt hem als een landlooper te

beschouwen en als zoodanig tijdelijk in het gevangenhok van het dorp

te doen opsluiten. Later zal hij naar de hoofdstad der provincie worden

opgezonden, vanwaar hij wegens landlooperij naar de koloniën zal worden

overgebracht.”

Daarop verzamelde de burgemeester zijne papieren en verliet met statigen

tred de kamer.

Daar stond Paul als door den bliksem getroffen. Hij had de geheele zaak

eigenlijk meer beschouwd als een kostelijke grap en gedurende de zitting

had hij een innerlijke pret gehad van belang, maar die vreeselijke

woorden: „gevangenis,” „koloniën” brachten hem geheel van zijn stuk.

„Alla vooruit,” riep de veldwachter spottend, „sta daar nu niet alsof je

geen tien kunt tellen. Je bent er bij, jeugdige schobbejak! Komaan:

Rechts uit de flank! Voorwaarts... marsch!”

Paul stond juist op het punt den burgemeester achterna te loopen, om hem

te zeggen, dat hij nu wel zijn _eigen_ naam en woonplaats wou opgeven

en alle namen en woonplaats wel van ieder, die hij kende, toen hij de

spottende woorden van den veldwachter hoorde.

Dadelijk waren zijn goede voornemens in rook vervlogen. Hij sprong op

Roybon toe, schopte, sloeg en beet, totdat hij stevig was vastgebonden

en de kamer werd uitgesleept.

Er stonden nog een massa menschen voor het gemeentehuis; daarom bracht

de veldwachter Paul door een achterdeur en langs een omweg naar het hok,

dat vlak naast zijn eigen woning lag.

„Ziezoo, hier zijn we er eindelijk,” zei hij, terwijl hij Paul voor

zich uit duwde. „Het is hier wel wat donker, maar als je van plan bent

ergens te gaan logeeren, dan zou ik je raden, dat voortaan vooruit

te schrijven. Als ik geweten had dat je kwam, dan zou ik zeker voor

electrisch licht gezorgd hebben. 't Is hier echter toch niet zoo heel

ongezellig en 't is hier rustig en dat is een voornaam ding, want rust

is een uitstekend iets als men zijn memorie kwijt is. Ja, ja, met die

memorie daar kan je mee sukkelen.”

Met deze woorden ging de oude soldaat heen, schuddend van 't lachen over

zijn eigen geestigheid.

Paul sloeg de oogen niet op, hij hoorde slechts hoe de zware deur

toeviel en dat de sleutel tweemaal werd omgedraaid in het slot.

[Illustratie]

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 6 / 25 题