Het vonnis.
Te midden van dit oorverdoovend lawaai kwam de veldwachter met zijn
gevangene op het gemeentehuis aan. De menigte die hem gevolgd was mocht
niet binnenkomen. Als schadevergoeding vergenoegde ze zich van buiten af
allerlei mooie scheldwoorden te roepen aan het adres van Paul, die
daardoor niet bepaald zachter gestemd werd.
Nadat Roybon en Paul een tijdlang gewacht hadden trad de burgemeester
binnen, gevolgd door een klerk.
De burgemeester zette zich statig in een grooten stoel met hoogen rug.
Langzaam nam hij den bril van zijn neus, veegde voorzichtig de glazen
schoon en zette hem toen weer op met eene deftigheid als ware hij een
koning, die zichzelf de kroon op het hoofd zet, daarna kuchte hij een
paar maal en vestigde zijn blik met gestrengheid op den gevangene.
Eenige seconden keek hij Paul doordringend aan. Toen hij meende, dat de
gevangene voldoende onder den indruk was van het gewichtig oogenblik,
gaf hij door eene handbeweging aan den veldwachter te kennen, dat deze
zijne aanklacht zou indienen.
[Illustratie: .... en vestigde zijn blik met gestrengheid op den
gevangene.]
Maar voor Paul was het oogenblik nog niet indrukwekkend en de omgeving
niet plechtig genoeg. Oogenschijnlijk stond hij kalm rond te kijken,
maar inwendig kookte hij van woede over de beleedigingen, die hem in de
laatste paar uren waren aangedaan. Hij had behoefte zich daarover op
iemand te wreken, onverschillig op wien.
Onderwijl deed Roybon in schitterende kleuren het verhaal van Paul's
gevangenneming en van zijn verzet tegen de openbare macht.
Paul leunde onverschillig tegen de leuning van de bank waarop hij zat.
Toen deed hij alsof het lange verhaal hem doodelijk begon te vervelen,
hij draaide den burgemeester en den veldwachter den rug toe, zette zijn
ellebogen wijd uit en met zijn kin geleund in beide handen, begon hij
den klerk nauwkeurig op te nemen.
Dit verschafte hem blijkbaar een aangename afleiding en dit was niet
te verwonderen, want de klerk was een wonderbaarlijk mannetje. Hij was
zeldzaam dik en klein, net een kaatsbal en op dien bal zat een heel
groot hoofd, dat van boven gezien, zoo mooi kaal, glad en rond was, dat
het precies een ei geleek. Ik wed dat een broedsche kip de verzoeking
niet zou hebben kunnen weerstaan om er op te gaan zitten en het uit te
broeden.
„Heeft de gevangene ook nog iets tegen de aanklacht in te brengen?”
vroeg de burgemeester.
„'t Zijn allemaal leugens,” gaf Paul brutaal ten antwoord. Dat was
iets wat de burgemeester niet verwacht had. Gewoonlijk durfden ouden
en jongen, die voor zijn „rechterstoel” gebracht werden, de oogen
nauwelijks opslaan en _als_ zij een woord zeiden, dan was het een vragen
om vergeving of een betoon van berouw.
[Illustratie: De klerk.]
Maar deze kleine vuile jongen, met zijn gescheurde kleeren en ongekamde
haren, durfde hem op zoo'n ongehoorde wijze toe te spreken! De deftige
burgemeester was eenige oogenblikken geheel van zijn stuk gebracht. Toen
zei hij: „Noem mij uw naam en dien van uwe ouders.”
Paul keek naar den zolder. Eindelijk zei hij na eenig nadenken:
„Die ben ik vergeten,” en hij haalde de schouders op alsof hij het
hopeloos vond er verder over na te denken.
„Dwaasheid,” zei de burgemeester, „zeg de waarheid!”
„Het _is_ de waarheid,” zei Paul, „ik spreek _altijd_ de waarheid.”
De burgemeester scheen van woede wel twee maal zoo dik te worden als hij
was, net als een kattestaart.
„Gevangene!” riep hij, „het is hier tijd noch plaats om gekheid te
maken. Gij zijt beschuldigd van een ernstig misdrijf: diefstal!”
„Ik heb nooit gestolen,” zei Paul, die met groot genoegen zag hoe boos
de burgemeester zich maakte.
„Gevangene! stapel niet de eene leugen op de andere. Dáár!” en hij wees
bij elk woord met zijn vinger naar den afgebeten appel, die voor hem
op de tafel lag, „dáár ligt het onwederlegbaar bewijs van uwe schuld.
Beken, dat gij gestolen hebt en beloof beterschap, dan zal ik u met
zachtheid behandelen. Hoe heet gij en waar woont gij. Het zal mij een
vreugde zijn, u op het pad van eer en deugd te mogen terugbrengen en ik
zal dadelijk order geven dat men u weder in de armen van uwe ouders
terugvoere.”
Bij de gedachte aan de armen van zijne ouders kwam hem onwillekeurig het
sterk en soepel stokje voor oogen, waarmede hij dezen morgen had kennis
gemaakt en dit scheen Paul's herinneringsvermogen geheel in de war te
brengen.
Nadat hij eenigen tijd in diep nadenken, met zijn hoofd op zijde, had
zitten peinzen, zei hij met een hopelooze uitdrukking: „'t Geeft niets.
Ik ben alles vergeten.”
Een diepe rimpel vertoonde zich op het voorhoofd van den burgemeester.
„Gevangene,” zei hij, „bedenk u nog eens goed; het is voor 't laatst.”
„Ik ben 't vergeten; dat heb ik nu al tweemaal gezegd,” barstte Paul
woedend los. „Schrijf ze een briefje dan kunnen ze 't u zelf vertellen.”
Bleek van verontwaardiging leunde de burgemeester in zijn stoel. Het
duurde eenigen tijd, voor hij weer kon spreken. Toen stond hij op en
sprak plechtig:
„Daar deze gevangene naar het schijnt noch den naam, noch de woonplaats
zijner ouders weet op te geven, en dus zonder tehuis is en zonder
middel van bestaan, zie ik mij genoodzaakt hem als een landlooper te
beschouwen en als zoodanig tijdelijk in het gevangenhok van het dorp
te doen opsluiten. Later zal hij naar de hoofdstad der provincie worden
opgezonden, vanwaar hij wegens landlooperij naar de koloniën zal worden
overgebracht.”
Daarop verzamelde de burgemeester zijne papieren en verliet met statigen
tred de kamer.
Daar stond Paul als door den bliksem getroffen. Hij had de geheele zaak
eigenlijk meer beschouwd als een kostelijke grap en gedurende de zitting
had hij een innerlijke pret gehad van belang, maar die vreeselijke
woorden: „gevangenis,” „koloniën” brachten hem geheel van zijn stuk.
„Alla vooruit,” riep de veldwachter spottend, „sta daar nu niet alsof je
geen tien kunt tellen. Je bent er bij, jeugdige schobbejak! Komaan:
Rechts uit de flank! Voorwaarts... marsch!”
Paul stond juist op het punt den burgemeester achterna te loopen, om hem
te zeggen, dat hij nu wel zijn _eigen_ naam en woonplaats wou opgeven
en alle namen en woonplaats wel van ieder, die hij kende, toen hij de
spottende woorden van den veldwachter hoorde.
Dadelijk waren zijn goede voornemens in rook vervlogen. Hij sprong op
Roybon toe, schopte, sloeg en beet, totdat hij stevig was vastgebonden
en de kamer werd uitgesleept.
Er stonden nog een massa menschen voor het gemeentehuis; daarom bracht
de veldwachter Paul door een achterdeur en langs een omweg naar het hok,
dat vlak naast zijn eigen woning lag.
„Ziezoo, hier zijn we er eindelijk,” zei hij, terwijl hij Paul voor
zich uit duwde. „Het is hier wel wat donker, maar als je van plan bent
ergens te gaan logeeren, dan zou ik je raden, dat voortaan vooruit
te schrijven. Als ik geweten had dat je kwam, dan zou ik zeker voor
electrisch licht gezorgd hebben. 't Is hier echter toch niet zoo heel
ongezellig en 't is hier rustig en dat is een voornaam ding, want rust
is een uitstekend iets als men zijn memorie kwijt is. Ja, ja, met die
memorie daar kan je mee sukkelen.”
Met deze woorden ging de oude soldaat heen, schuddend van 't lachen over
zijn eigen geestigheid.
Paul sloeg de oogen niet op, hij hoorde slechts hoe de zware deur
toeviel en dat de sleutel tweemaal werd omgedraaid in het slot.
[Illustratie]
[Decoratieve illustratie]