TWEEDE HOOFDSTUK.

Opgebracht.

Die plotselinge verandering werd veroorzaakt door een appelboom, dien

Paul aan den zijkant van den weg zag staan.

't Was een pracht van een boom, vol heerlijke roodwangige appels.

„Wat kan 't mij ook schelen,” morde hij, „of ze me zoeken of niet

zoeken. 'k Heb hier genoeg te eten. Ze mogen thuis hun eten houden. 'k

Ga niet weer naar huis; 'k bedank ze lekker. Om voor elke grap een draai

om de ooren te krijgen, of erger nog! Ze mogen van mijn part ophoepelen.

Ik zal voortaan wel voor mijzelf zorgen; ik ga de wijde wereld in. Geld

heb ik genoeg. 'k Heb wel een heel kwartje in mijn zak.”

Boven in den top van den boom hing een prachtige groote appel.

„Die maar 't eerst,” dacht Paul en in een wip zat hij in de takken.

Nauwelijks echter had hij een grooten hap uit den appel genomen of de

tak, waarop hij stond, brak.

Daar viel Paul door al de takken van den boom tot den laagste, waaraan

hij bleef haken met het achterste deel van zijn broek; en daar hing hij!

In 't eerst sloeg hij wild met armen en beenen in de lucht maar op

eenmaal zei het broekje: krak-krak en onmiddellijk hing Paul zoo stil

als een muis en verroerde zich niet, want beneden hem lag een groote

hoop scherven en fijn geklopte steenen en hij voelde, dat hij bij de

geringste beweging zijn broek verder zou scheuren en hij op de steenen

zou terecht komen.

[Illustratie: .... en daar hing hij!]

In dezen zwevenden toestand werd hij opgemerkt door Roybon, den

gemeenteveldwachter.

Roybon deed zijn gewone dagelijksche ronde en zag in de verte iets

aan den appelboom hangen wat niet precies op een appel geleek. Nu wist

Roybon wel, dat er gewoonlijk aan een appelboom niets anders groeit dan

appels en daarom kwam hij gauw wat dichterbij om te zien welk vreemd

voorwerp dat mocht wezen.

„Goedenmiddag, jongmensch,” zei hij, toen hij bemerkte dat het voorwerp

een jongen was, „jij schijnt veel van appels te houden, hè? Dan lijk je

mij wat; ik houd ook veel van appels, rauw of gekookt, dat komt er niet

op aan, maar ik moet ze eerst gekocht en betaald hebben, hè? Kom d'r 's

uit jeugdige losbol!”

Maar Paul scheen niet veel lust te hebben aan die vriendelijke

uitnoodiging gevolg te geven.

Roybon zag er dan ook niet zeer zachtzinnig uit. Hij wàs niet kwaad

en hield veel van een grapje, maar dit zou men aan zijn gezicht niet

zeggen. Bruingebrand door de zon, met twee litteekens, van sabelhouwen,

dwars over het voorhoofd, daarbij een paar groote knevels, waarvan de

einden altijd strijdlustig in de hoogte stonden, geleek hij een echte

oude ijzervreter. Daarbij kwam nog, dat hij maar één been bezat. „Het

andere heb ik eens aan 'n kanonskogel cadeau gegeven, die mij in den

oorlog voorbijvloog,” zoo vertelde hij aan ieder, die er hem naar

vroeg. Een groote sabel slingerde altijd achter hem aan, van links naar

rechts en van rechts naar links, net als de staart van een kat, die op

een vogeltje loert.

't Was niet alleen Roybon die Paul vrees aanjoeg. Naast den veldwachter

stond „Pak-an,” een niet zeer zachtzinnige dog. Hij blafte gedurig, liet

zijn tanden zien en scheen naar niets zóó te verlangen als naar de

beenen van Paul, om daar eens flink in te bijten.

„O! mijnheer de diender,” schreide Paul doodelijk beangst, „o! u wilt me

toch geen kwaad doen?”

„Dat weet ik nog zoo net niet. Kom er maar eerst eens uit, dan zullen we

verder zien. Ik ben nog wat ouderwetsch zie je, en ik houd er heelemaal

niet van met iemand te praten, die in de lucht hangt, alsof hij bezig is

een pas uitgevonden vliegmachine te probeeren.”

„Maar ik kan er niet uit komen!”

„Kan je er niet uitkomen! Hoe komt dat?”

Paul vertelde hoe het kwam.

„O zoo, is dat het geval; dan zullen we een handje moeten helpen,” en

Roybon klauterde op den hoop scherven en haakte Paul los.

Eerst hield hij hem nog een poosje op armslengte van zich af, zwevend

tusschen hemel en aarde en vertelde onderwijl aan Pak-an, dat hij niet

moest denken, dat het een kluifje voor hem was. Toen zette hij den

jongen voorzichtig op den grond.

Paul was er geheel op voorbereid, dat de veldwachter zoo dadelijk zijn

zwaard zou trekken om hem het hoofd af te hakken en dat de hond op hem

toe zou vliegen om hem een stuk uit de beenen te bijten, maar toen hij

weer vasten grond onder zijn voeten voelde en bemerkte, dat al die

akeligheden niet gebeurden, kreeg hij zijne gewone brutaliteit spoedig

terug.

Hij stak zijn handen diep in de zakken en wandelde kalmpjes verder met

groote onverschilligheid, een deuntje fluitend, alsof hij zoo onschuldig

was als een pas geboren kind.

Maar zoo gemakkelijk liet Roybon hem niet gaan. Met zijn groote hand

pakte hij hem stevig bij den schouder vast.

„Wa's dat nou! Laat me los!” riep Paul, „waarom hoû je me vast?”

„Omdat je appels gestolen hebt.”

„Dat kan je niet meenen!”

„Wat dee je dan boven in dien boom?”

„Weet ik 't? Ik denk dat ik daar wat aan 't wandelen was. Ik behoef jou

toch geen permissie te vragen, als ik eens lust heb om wat in de takken

van een boom te gaan wandelen? Daar heb jij niet mee te maken.”

„Waar komt die dan vandaan,” zei Roybon en hij nam den half afgebeten

appel op, die op den weg was gevallen.

[Illustratie: ... en wandelde kalmpjes verder.]

Paul kreeg een kleur tot achter de ooren. Hij herstelde zich echter

spoedig.

„Hé!” zei hij, „die?” en hij bekeek den appel met alle aandacht, het

hoofd een beetje op zij, alsof hij daar juist een natuurwonder ontdekte.

„Wel, ik denk, dat die zoo groeide... Ja, 't is waar ook,” vervolgde hij

na een kleine pauze, „ik ken iemand, die heeft in zijn tuin een boom vol

appelen net precies zoo'n model als deze.”

„Dat wil ik graag gelooven jongetje; die zeker iemand is dan bepaald een

buurman van jou,” zei Roybon lachend.

Nu werd Paul toch verlegen. De veldwachter keek hem zoo strak in de

oogen. Paul was niets op zijn gemak.

Beiden zwegen eenige oogenblikken.

Paul verbrak de stilte het eerst: „Waarom heb je me toch eigenlijk zoo'n

pijn gedaan, lafaard?” zei hij met een huilerige stem en wreef daarbij

zijn elleboog met een pijnlijk vertrokken gezicht.

Roybon zette groote oogen op.

„Ik jou pijn doen? Wanneer deed ik je pijn?”

„Toen je me uit den boom scheurde en op den grond smeet.”

„Wel! Alle....!”

„Ja zeker! Je weet het heel goed. Ik ben bont en blauw over m'n geheele

lijf.”

Een oogenblik keek Roybon, alsof hij het in Keulen hoorde donderen.

Toen barstte hij in lachen uit.

„Hier!” zei hij, „ik zal je leeren leugens te verzinnen!” en meteen trok

hij hem eens flink aan zijn ooren. „Nou? hoe smaakt dat? dee ik je nou

pijn?”

[Illustratie: „Ik denk, dat die zoo groeide.”]

„Laat mijn oor los of ik geef je een opstopper!”

Paul was nooit te voren met een veldwachter of politieagent in aanraking

geweest, anders had hij wel geweten, dat die gewoonlijk niet met zich

laten spotten.

„O zoo,” riep Roybon, „ben jij van die kracht jongetje. Ik was van plan

om je te laten loopen, als ik er den schrik goed bij je in had, maar nu

moet je mee.”

„Laat me los!” riep Paul al schoppend en stampend, „laat me los, of ik

zal 't aan mijn vader zeggen!”

Paul vergat op dit oogenblik, dat hij nog niet zoo heel lang geleden van

plan was geweest zijn ouderlijk huis en zijn vader en moeder voor goed

te verlaten.

„Kom mee,” zei de veldwachter, want zijn geduld was nu uitgeput, „anders

trek ik je weer aan de ooren.”

Paul begreep, dat dit niet enkel een dreigement was en ging schijnbaar

onderworpen mee. Onderwijl zon hij echter steeds op middelen om te

ontvluchten.

Plotseling stond hij stil, begon hevig te hoesten en hikte, alsof hij op

't punt was van te stikken: „Laat me los! Ik kan geen adem meer krijgen.

Je worgt me!”

Zóó kunstig was Pauls komediespel, dat Roybon in den val liep.

Even liet hij Paul los en op 't zelfde oogenblik koos deze het hazenpad.

Maar hij had buiten Pak-an gerekend.

Voor hij tien pas had afgelegd had de hond hem bij het, een weinig te

wijde, achterdeel van zijn broek gepakt.

Dadelijk stond Paul stil en hij deed ook geen moeite om los te komen,

want in Pak-an erkende hij oogenblikkelijk zijn meerdere, met wien niet

te spotten viel.

„Voorzichtig, Pak-an, voorzichtig,” riep Roybon, terwijl hij bedaard

nader kwam, in ongeregelden pas stampend met zijn houten been over den

weg. „Denk er aan, dat hij heelemaal bont en blauw is! En hij wou immers

ook niet wegloopen; bewaar me neen. Hij begint juist een beetje van ons

te houden.”

[Illustratie: ... had de hond hem bij zijn broek gepakt.]

Die spottende toon maakte Paul razend, veel liever had hij een flink pak

slaag gehad.

Bleek van drift vloog hij op Roybon aan.

„Geen gekheid jongetje als 't je belieft,” zei de veldwachter en greep

de kleine polsen stevig tusschen zijn gespierde vingers. „Ga nu maar

heel bedaard mee, anders zal ik je wat geven dat je nog lang zou

heugen.”

Paul vond het dan ook maar geraden te doen zooals hem bevolen was.

't Is altijd een groote gebeurtenis op een dorp als er iemand wordt

opgebracht. 't Brengt een kleine afwisseling in 't gewone dagelijksche

onderwerp van gesprek, dat over niet veel anders handelt dan over het

doen en laten van buurman en buurvrouw.

Men vertelde elkaar reeds van deur tot deur, dat er een zeer gevaarlijk

misdadiger gevat was. Ieder die maar loopen kon, holde de straat op en

de oudjes strompelden naar de voordeur of naar de open ramen, om van de

voorbijgangers bijzonderheden te hooren van wat er te doen was.

„'t Is een moordenaar!” zei de een.

„Een brandstichter!” zei een ander.

„Een valsche munter!” riep een derde.

„Misschien is het die, die de bank bestolen heeft!” veronderstelde een

vierde.

„Bepaald, dat is ie,” bevestigde een vijfde.

„Nou wat of ie is, da's alles om 't even,” zei elkeen, „maar dat 't 'n

gemeene deugniet is, daarvoor behoef je 'm maar in z'n facie te kijken.”

't Was waar; Pauls gezicht, anders niet bepaald leelijk, was nu bijna

mismaakt door zijn innerlijke woede, dat hij zoo werd aangegaapt door

die menigte, zonder dat hij er iets tegen kon doen. Hij zag er uit om

kleine kinderen naar bed te jagen en 't was best te begrijpen, dat de

dorpsbewoners hem voor niet veel bijzonders hielden.

[Illustratie]

Elk oogenblik groeide de menigte aan. Alle honden van het dorp kwamen

ook aanspringen en blaften dat hooren en zien verging, terwijl Pak-an

steeds heen en weer liep, trots met den neus in den wind, alsof hij wou

zeggen: „Dat is er nou een, dien ik gepakt heb.”

[Decoratieve illustratie]

Weggeloopen! · 第 5 / 25 题