Opgebracht.
Die plotselinge verandering werd veroorzaakt door een appelboom, dien
Paul aan den zijkant van den weg zag staan.
't Was een pracht van een boom, vol heerlijke roodwangige appels.
„Wat kan 't mij ook schelen,” morde hij, „of ze me zoeken of niet
zoeken. 'k Heb hier genoeg te eten. Ze mogen thuis hun eten houden. 'k
Ga niet weer naar huis; 'k bedank ze lekker. Om voor elke grap een draai
om de ooren te krijgen, of erger nog! Ze mogen van mijn part ophoepelen.
Ik zal voortaan wel voor mijzelf zorgen; ik ga de wijde wereld in. Geld
heb ik genoeg. 'k Heb wel een heel kwartje in mijn zak.”
Boven in den top van den boom hing een prachtige groote appel.
„Die maar 't eerst,” dacht Paul en in een wip zat hij in de takken.
Nauwelijks echter had hij een grooten hap uit den appel genomen of de
tak, waarop hij stond, brak.
Daar viel Paul door al de takken van den boom tot den laagste, waaraan
hij bleef haken met het achterste deel van zijn broek; en daar hing hij!
In 't eerst sloeg hij wild met armen en beenen in de lucht maar op
eenmaal zei het broekje: krak-krak en onmiddellijk hing Paul zoo stil
als een muis en verroerde zich niet, want beneden hem lag een groote
hoop scherven en fijn geklopte steenen en hij voelde, dat hij bij de
geringste beweging zijn broek verder zou scheuren en hij op de steenen
zou terecht komen.
[Illustratie: .... en daar hing hij!]
In dezen zwevenden toestand werd hij opgemerkt door Roybon, den
gemeenteveldwachter.
Roybon deed zijn gewone dagelijksche ronde en zag in de verte iets
aan den appelboom hangen wat niet precies op een appel geleek. Nu wist
Roybon wel, dat er gewoonlijk aan een appelboom niets anders groeit dan
appels en daarom kwam hij gauw wat dichterbij om te zien welk vreemd
voorwerp dat mocht wezen.
„Goedenmiddag, jongmensch,” zei hij, toen hij bemerkte dat het voorwerp
een jongen was, „jij schijnt veel van appels te houden, hè? Dan lijk je
mij wat; ik houd ook veel van appels, rauw of gekookt, dat komt er niet
op aan, maar ik moet ze eerst gekocht en betaald hebben, hè? Kom d'r 's
uit jeugdige losbol!”
Maar Paul scheen niet veel lust te hebben aan die vriendelijke
uitnoodiging gevolg te geven.
Roybon zag er dan ook niet zeer zachtzinnig uit. Hij wàs niet kwaad
en hield veel van een grapje, maar dit zou men aan zijn gezicht niet
zeggen. Bruingebrand door de zon, met twee litteekens, van sabelhouwen,
dwars over het voorhoofd, daarbij een paar groote knevels, waarvan de
einden altijd strijdlustig in de hoogte stonden, geleek hij een echte
oude ijzervreter. Daarbij kwam nog, dat hij maar één been bezat. „Het
andere heb ik eens aan 'n kanonskogel cadeau gegeven, die mij in den
oorlog voorbijvloog,” zoo vertelde hij aan ieder, die er hem naar
vroeg. Een groote sabel slingerde altijd achter hem aan, van links naar
rechts en van rechts naar links, net als de staart van een kat, die op
een vogeltje loert.
't Was niet alleen Roybon die Paul vrees aanjoeg. Naast den veldwachter
stond „Pak-an,” een niet zeer zachtzinnige dog. Hij blafte gedurig, liet
zijn tanden zien en scheen naar niets zóó te verlangen als naar de
beenen van Paul, om daar eens flink in te bijten.
„O! mijnheer de diender,” schreide Paul doodelijk beangst, „o! u wilt me
toch geen kwaad doen?”
„Dat weet ik nog zoo net niet. Kom er maar eerst eens uit, dan zullen we
verder zien. Ik ben nog wat ouderwetsch zie je, en ik houd er heelemaal
niet van met iemand te praten, die in de lucht hangt, alsof hij bezig is
een pas uitgevonden vliegmachine te probeeren.”
„Maar ik kan er niet uit komen!”
„Kan je er niet uitkomen! Hoe komt dat?”
Paul vertelde hoe het kwam.
„O zoo, is dat het geval; dan zullen we een handje moeten helpen,” en
Roybon klauterde op den hoop scherven en haakte Paul los.
Eerst hield hij hem nog een poosje op armslengte van zich af, zwevend
tusschen hemel en aarde en vertelde onderwijl aan Pak-an, dat hij niet
moest denken, dat het een kluifje voor hem was. Toen zette hij den
jongen voorzichtig op den grond.
Paul was er geheel op voorbereid, dat de veldwachter zoo dadelijk zijn
zwaard zou trekken om hem het hoofd af te hakken en dat de hond op hem
toe zou vliegen om hem een stuk uit de beenen te bijten, maar toen hij
weer vasten grond onder zijn voeten voelde en bemerkte, dat al die
akeligheden niet gebeurden, kreeg hij zijne gewone brutaliteit spoedig
terug.
Hij stak zijn handen diep in de zakken en wandelde kalmpjes verder met
groote onverschilligheid, een deuntje fluitend, alsof hij zoo onschuldig
was als een pas geboren kind.
Maar zoo gemakkelijk liet Roybon hem niet gaan. Met zijn groote hand
pakte hij hem stevig bij den schouder vast.
„Wa's dat nou! Laat me los!” riep Paul, „waarom hoû je me vast?”
„Omdat je appels gestolen hebt.”
„Dat kan je niet meenen!”
„Wat dee je dan boven in dien boom?”
„Weet ik 't? Ik denk dat ik daar wat aan 't wandelen was. Ik behoef jou
toch geen permissie te vragen, als ik eens lust heb om wat in de takken
van een boom te gaan wandelen? Daar heb jij niet mee te maken.”
„Waar komt die dan vandaan,” zei Roybon en hij nam den half afgebeten
appel op, die op den weg was gevallen.
[Illustratie: ... en wandelde kalmpjes verder.]
Paul kreeg een kleur tot achter de ooren. Hij herstelde zich echter
spoedig.
„Hé!” zei hij, „die?” en hij bekeek den appel met alle aandacht, het
hoofd een beetje op zij, alsof hij daar juist een natuurwonder ontdekte.
„Wel, ik denk, dat die zoo groeide... Ja, 't is waar ook,” vervolgde hij
na een kleine pauze, „ik ken iemand, die heeft in zijn tuin een boom vol
appelen net precies zoo'n model als deze.”
„Dat wil ik graag gelooven jongetje; die zeker iemand is dan bepaald een
buurman van jou,” zei Roybon lachend.
Nu werd Paul toch verlegen. De veldwachter keek hem zoo strak in de
oogen. Paul was niets op zijn gemak.
Beiden zwegen eenige oogenblikken.
Paul verbrak de stilte het eerst: „Waarom heb je me toch eigenlijk zoo'n
pijn gedaan, lafaard?” zei hij met een huilerige stem en wreef daarbij
zijn elleboog met een pijnlijk vertrokken gezicht.
Roybon zette groote oogen op.
„Ik jou pijn doen? Wanneer deed ik je pijn?”
„Toen je me uit den boom scheurde en op den grond smeet.”
„Wel! Alle....!”
„Ja zeker! Je weet het heel goed. Ik ben bont en blauw over m'n geheele
lijf.”
Een oogenblik keek Roybon, alsof hij het in Keulen hoorde donderen.
Toen barstte hij in lachen uit.
„Hier!” zei hij, „ik zal je leeren leugens te verzinnen!” en meteen trok
hij hem eens flink aan zijn ooren. „Nou? hoe smaakt dat? dee ik je nou
pijn?”
[Illustratie: „Ik denk, dat die zoo groeide.”]
„Laat mijn oor los of ik geef je een opstopper!”
Paul was nooit te voren met een veldwachter of politieagent in aanraking
geweest, anders had hij wel geweten, dat die gewoonlijk niet met zich
laten spotten.
„O zoo,” riep Roybon, „ben jij van die kracht jongetje. Ik was van plan
om je te laten loopen, als ik er den schrik goed bij je in had, maar nu
moet je mee.”
„Laat me los!” riep Paul al schoppend en stampend, „laat me los, of ik
zal 't aan mijn vader zeggen!”
Paul vergat op dit oogenblik, dat hij nog niet zoo heel lang geleden van
plan was geweest zijn ouderlijk huis en zijn vader en moeder voor goed
te verlaten.
„Kom mee,” zei de veldwachter, want zijn geduld was nu uitgeput, „anders
trek ik je weer aan de ooren.”
Paul begreep, dat dit niet enkel een dreigement was en ging schijnbaar
onderworpen mee. Onderwijl zon hij echter steeds op middelen om te
ontvluchten.
Plotseling stond hij stil, begon hevig te hoesten en hikte, alsof hij op
't punt was van te stikken: „Laat me los! Ik kan geen adem meer krijgen.
Je worgt me!”
Zóó kunstig was Pauls komediespel, dat Roybon in den val liep.
Even liet hij Paul los en op 't zelfde oogenblik koos deze het hazenpad.
Maar hij had buiten Pak-an gerekend.
Voor hij tien pas had afgelegd had de hond hem bij het, een weinig te
wijde, achterdeel van zijn broek gepakt.
Dadelijk stond Paul stil en hij deed ook geen moeite om los te komen,
want in Pak-an erkende hij oogenblikkelijk zijn meerdere, met wien niet
te spotten viel.
„Voorzichtig, Pak-an, voorzichtig,” riep Roybon, terwijl hij bedaard
nader kwam, in ongeregelden pas stampend met zijn houten been over den
weg. „Denk er aan, dat hij heelemaal bont en blauw is! En hij wou immers
ook niet wegloopen; bewaar me neen. Hij begint juist een beetje van ons
te houden.”
[Illustratie: ... had de hond hem bij zijn broek gepakt.]
Die spottende toon maakte Paul razend, veel liever had hij een flink pak
slaag gehad.
Bleek van drift vloog hij op Roybon aan.
„Geen gekheid jongetje als 't je belieft,” zei de veldwachter en greep
de kleine polsen stevig tusschen zijn gespierde vingers. „Ga nu maar
heel bedaard mee, anders zal ik je wat geven dat je nog lang zou
heugen.”
Paul vond het dan ook maar geraden te doen zooals hem bevolen was.
't Is altijd een groote gebeurtenis op een dorp als er iemand wordt
opgebracht. 't Brengt een kleine afwisseling in 't gewone dagelijksche
onderwerp van gesprek, dat over niet veel anders handelt dan over het
doen en laten van buurman en buurvrouw.
Men vertelde elkaar reeds van deur tot deur, dat er een zeer gevaarlijk
misdadiger gevat was. Ieder die maar loopen kon, holde de straat op en
de oudjes strompelden naar de voordeur of naar de open ramen, om van de
voorbijgangers bijzonderheden te hooren van wat er te doen was.
„'t Is een moordenaar!” zei de een.
„Een brandstichter!” zei een ander.
„Een valsche munter!” riep een derde.
„Misschien is het die, die de bank bestolen heeft!” veronderstelde een
vierde.
„Bepaald, dat is ie,” bevestigde een vijfde.
„Nou wat of ie is, da's alles om 't even,” zei elkeen, „maar dat 't 'n
gemeene deugniet is, daarvoor behoef je 'm maar in z'n facie te kijken.”
't Was waar; Pauls gezicht, anders niet bepaald leelijk, was nu bijna
mismaakt door zijn innerlijke woede, dat hij zoo werd aangegaapt door
die menigte, zonder dat hij er iets tegen kon doen. Hij zag er uit om
kleine kinderen naar bed te jagen en 't was best te begrijpen, dat de
dorpsbewoners hem voor niet veel bijzonders hielden.
[Illustratie]
Elk oogenblik groeide de menigte aan. Alle honden van het dorp kwamen
ook aanspringen en blaften dat hooren en zien verging, terwijl Pak-an
steeds heen en weer liep, trots met den neus in den wind, alsof hij wou
zeggen: „Dat is er nou een, dien ik gepakt heb.”
[Decoratieve illustratie]