Toch schreef hij weer, deels omdat hij wilde en deels omdat hij wel
vond dat hij moest, hij schreef de eerste veertien dagen wekelijks
eenmaal, en de weken daarna telkens zelfs tweemaal en bemerkte dat hij
in het schrijven van die brieven een klimmend behagen vond, dat het
zijn dagen vulde. Ook hield het volgen van de booten, die zijn brieven
naar Holland voerden zijn gedachten daarna weer bezig. En toen haar
volgende brief kwam, kalmer afgewacht nu, maakte het ontvangen daarvan
hem ook wel gelukkig, zij het zonder al te groote opgetogenheid. Hij
bevond ook, de beide brieven vergelijkend, dat de toon van den tweeden
hartelijker was, spontaner en vroolijker, in den vijfden zat zelfs een
portret, dat hij haar juist had gevraagd in een brief, dien ze echter
nog niet ontvangen kon hebben. Met een zekere vreugde bemerkte hij, dat
hun gedachten elkaar gekruist hadden.
Het portret zelfs was wel eenigszins, zooals hij zich had voorgesteld;
ze was eigenlijk nog dezelfde als voor twaalf jaren, in rust, dat wist
hij, was Truusjes gezicht vrij gewoon, de heldere oogenglans, de
frissche kleur, vooral de eerlijke, onbevangen uitdrukking waren er de
groote bekoorlijkheden van.
Er was wel iets, vond hij bij nader en critischer beschouwen, van de
knappe schooljuffrouw, van de „moderne” onderwijzeres in het degelijk
kapsel, in den vastberaden gesloten mond, den zelfbewusten blik van
iemand die altijd gelijk krijgt, nooit tegengesproken wordt,
heerscheres is in een beperkte ruimte. Toch weer geen spoor van
bazigheid of nukkigheid. En de brieven waren eerder meisjesachtig,
kinderachtig, wèl veel vertellend van haar school en haar leerlingen en
de ouders van haar leerlingen en „personeel”, van moeilijkheden met een
volontairtje, die zoo’n „flirt” was, zoo’n raar voorbeeld voor de
oudere meisjes en die ze daarom niet had willen aanstellen, wat haar
allerlei onaangenaamheden op den hals had gehaald.
Haar eerlijk, flink karakter straalde hem uit die brieven tegen, haar
goed en kloek verstand bleek uit de opsomming van wat ze zooal geleerd
en gehoord en gelezen had, de laatste jaren, uit haar oordeel over het
gelezene. Zoo haar opmerkingen misschien niet „diep” gingen en
duidelijk verrieden dat ze meer verstandig was dan bepaald intelligent
en zeker niet artistiek,—ze waren in elk geval volkomen vrij van
aanstellerij, van de opgeschroefdheid, die hij zoozeer had leeren
schuwen en verfoeien, ze gaf zich en uitte zich precies zooals ze was
en gevoelde.
Hij van zijn kant schreef meestentijds over zichzelf, over de
innerlijke zijde van zijn bestaan, over zijn gedachten en
verwachtingen—zijn brieven waren eigenlijk een te-boek-stellen van zijn
dagelijksche mijmerijen, die hij tot nu toe in zichzelf had moeten
opsluiten, en thans met een ander deelen kon. Dat maakte hem al gauw
het schrijven tot een behoefte, schoon hij zich niet altijd ontveinsde,
dat hij daarbij eigenlijk meer aan zichzelven dan aan Truusje dacht.
Haar hartelijke belangstelling in alles wat hij schreef deed hem goed
en streelde ook wel zijn ijdelheid, hij bemerkte uit haar brieven dat
ze begonnen was met de cultures van zijn woonstreek te bestudeeren en
glimlachte om die wat schoolmeesterlijke degelijkheid, toch ook wel
verteederd, en omdat ze gauw jarig zou zijn, besloot hij haar een
pas-uitgekomen heel mooie en volledige collectie photo’s, van
landschappen en cultures in verschillende phasen en de daarbij
behoorende werkplaatsen en werktuigen toe te zenden.
Daartoe maakte hij zich nu gereed om weer stadwaarts te rijden.
Hij wilde ook andere geschenkjes voor haar koopen, hij zou in de
Japansche toko’s een paar mooie cloisonné-vaasjes, wat fijn lakwerk
zien te krijgen, misschien liep hij wel tegen een bijzondere lap zijde
aan,—een waaiertje—het zou nog niet zoo heel gemakkelijk zijn, tusschen
al den waardeloozen pronk iets werkelijk goeds te vinden,—dan verder
wilde hij haar ook, voor de aardigheid, wat van die Chineesche kruiden
en droge vruchten en bolgewassen koopen, hij kende een oud Chineesje,
dat een typisch winkeltje in die dingen hield,—ook een foto van dat
winkeltje misschien... in geen geval tijgerklauwen in goud, geen
limonade-lepels, geen geluks-gespen.
Hij glimlachte onder het peinzen.
Hij ging nu op weg om geschenken te koopen voor een meisje ver weg,
voor een lief meisje, dat hij tot zijn vrouw mocht vragen, dat dan „ja”
zou zeggen en bij hem komen en zijn leven deelen, een meisje, dat hij
vroeger had gekend en aan wie hij oud onrecht goed te maken had!
Gesteld, dat hij dat alles nu eens zoo, als geval, las of hoorde...
Een man is op weg om geschenken te koopen voor een meisje in Holland...
hij heeft haar portret in zijn zak... hij peinst over wat hij haar
geven zal, hij denkt daarbij aan haar karakter en aan haar werkkring...
hoe „poëtisch” zou hij dat vinden. Wat zou hij den man benijden om die
volheid in zijn leven. Een man die het portret van een lieve vrouw in
zijn borstzak bij zich draagt.
Dit leek, gelezen of gehoord, aardig, bijzonder, benijdenswaard,
interessant of wat ook... in elk geval, het was een tastbare
werkelijkheid...
En nu, was dit, dat hij nu deed en beleefde, was dat wel eigenlijk iets
bijzonders... was het zelfs wel een tastbare „werkelijkheid?” Ja, hij
ging cadeau’tjes voor Truusje koopen, hij dacht aan haar klas, hij
wilde haar genoegen doen met dingen die ze op school kon laten zien...
en ’t leek toch zoo nuchter, zoo gewoon, zoo vlak en zoo heel niet
bijzonder, zoo zonder eenigen „poëtischen” of interessanten bijsmaak.
Als hij verongelukte, straks op weg of op den terugtocht, zooals Ruysch
verongelukt was, zouden ze in zijn zak het portret en bij hem in ’t
wagentje de pakjes vinden,—en de een of andere jonge kerel, met heimwee
naar geluk of naar huis, zou hem misschien benijden en onmiddellijk
zichzelf beklagen en hem boven zichzelf gelukkig achten. Was het dan
waar, was hij gelukkig?
Vreemd leek het, maar nu hij zich dit voorstelde, dat zijn lijk
gevonden zou worden en dat een andere man Truusjes portret zou zien en
begrijpen, dat de geschenkjes voor haar bestemd waren geweest,—vreemd
was het en kinderachtig, ja, verwerpelijk vond hij het,—maar nu scheen
hem zijn geluk plotseling reëeler, zijn bezit veel echter toe, nu was
er ineens wél dat waas van bijzonderheid...
Mocht hij dit zichzelf bekennen? Bewees het, dat hij niet echt van
Truusje hield of was het misschien algemeen-menschelijk?
Nu eens dit zichzelf voorstellen, dat haar brieven plotseling niet meer
kwamen. Dat werkte onmiddellijk, hij werd een groote ledigheid, een
groot gemis in zichzelf gewaar. Doch beduidde dat liefde? Was liefde
niet toch... iets anders nog, iets fonkelends en fels, een schat die
hij altijd als ’t ware, in de handen nemen en omtasten kon, een snaar,
die altijd weerklank gaf, hoe vaak ook aangeslagen, een immer werkend
besef, dat niet vergeefs zich zoeken liet, een steeds gereede
ontroering, een altijd open heiligdom,—de vastheid van elk oogenblik,
de stelligheid van iederen dag en ieder uur?
Of was hij, na zoo kort, al gewend, had hij zich alreeds vereenzelvigd
met iets, dat hem nog nauwelijks had verbaasd? Hij nam van de schaal op
tafel een goudgele, purpergevlekte pisang, daarna nog een, stak een
cigarette aan, stond op en begaf zich naar de voorgalerij, om te zien
of zijn wagentje al voor was. Nog niet,—’t was nog vroeg trouwens, pas
tegen half negen had hij het besteld. Peinzend keek hij den tuin in,
gedachteloos spelend met de kleine chevelure blaadjes in den
groen-glazuren pot naast hem op een hoog tafeltje, langzaam trok hij
dan weer de hand terug, tastte in zijn borstzak en haalde Truusjes
portret te voorschijn, hij liet zich neer in een rieten leunstoel en
bekeek het voor de zooveelste maal. Ze had beloofd, dat ze hem nog een
ander zou sturen... Dit was toch wel aardig... jammer dat er niets van
haar hals te zien kwam... door die hooge, gesloten boord, met ’t zwarte
strikje... gaf altijd iets mannelijks... ging toch nooit uit de
mode..., ja, hij was zoowaar begonnen in modebladen te kijken... maar
’t gezicht was wel echt vrouwelijk, rond, ondanks den vastbesloten
blik... de mollige wangen, de weeke kin... ze was zeer zeker verstandig
en schrander, en ze las graag en ze had plezier in haar werk, maar
studie was toch meer een aangename plicht dan een levensbehoefte voor
haar, geloofde hij. Als ze nu op dat portret eens niet zoo’n hooge
boord droeg, maar een losse blouse, een avondjaponnetje of zoo iets,
dat haar hals te zien gaf.
Zou hij ’t durven vragen? Neen, nooit... Als hij in die richting vragen
dorst, iets vragen dorst, dan zou hij wel willen dat ze hem zond een
portret ten voeten uit, zoodat hij haar bouw, haar heele figuur kon
zien, want hij wist eigenlijk niet,—was ze lang of kort, slank of
gezet... maar ’t kon niet, mocht niet, dat hij haar daar rechtstreeks
naar vroeg, ze mocht zelfs niet weten dat hij er aan had gedacht. Moest
ze eigenlijk uit zichzelf niet begrijpen, dat een man meer van een
vrouw wilde kennen, dan haar gezicht? Moest ze hem niet een portret
zenden, waarop hij haar heelemaal kon zien, ook zonder dat hij ernaar
vroeg? Neen, ze zou het niet doen, argeloos als zij was, in de vaste
meening dat „portret” beteekende „gezicht” niet denkend in de richting
die zijn gedachten maar al te gemakkelijk namen—mogelijk kreeg hij de
volgende maand weer een portret met een hoog boord en alleen maar ’t
haar anders gekapt of zoo... op een „pikant” of zelfs maar coquet
portret van Truusje viel niet te rekenen, daar was ze te eenvoudig, te
onschuldig toe... hij wist dit en wilde het, neen, hij verlangde niet
dat Truusje zijn wensch in dat opzicht inwilligen of maar raden zou.
Waarom wilde een man, ook al beweerde hij zijn gansche leven het
tegendeel, ook al had hij nooit om het tegendeel een vrouw veracht,—tot
zijn eigen vrouw toch altijd het „onschuldige” meisje,—het meisje dat
niet denkt in de richting waarin des mans gedachten maar al te licht
verdwalen en dat zich nimmer geheel bewust van eigen verlangens is, zoo
ze al verlangens gevoelt?
Begeerde hij nu waarlijk Truusje tot zijn vrouw? Hij sloot de oogen.
Hij had haar gekust en gearmd met haar omgedwaald, in zoeten schemer,
onder bloeiende, weekruischende lindeboomen, langs stille grachtjes,
waar ’t laatste licht in droomerige spiegeling vergleed, onder de hooge
klokketoren, die wachter trouw en sterk... ze waren, goddank, geen
vreemden meer... ze hadden, beiden in hun laatste brieven, dat verleden
beroerd, die kussen herdacht, o ja, ze waren verloofd, ze waren
verloofd,—stelde hij zich nu nog een terugtreden voor dan voelde
hijzelf daarvan het onmogelijke, het onherroepelijke van wat hij had
gedaan.
En het was immers goed, hij wilde het en had geen spijt... toch was het
woord nog niet gesproken.
Wilde hij haar tot vrouw? Kon hij zich het samenleven met haar denken?
Was het toch niet beter, nu nog enkele jaren meer te wachten, nu hij al
zoo lang gewacht had en elkander vooral te leeren kennen? Maar de
gedachte aan lang wachten maakte hem opstandig... en dat ongeduld-zelf
schonk hem het streelende gevoel, dat hij toch wel echt verliefd was...
Het grint knerpte, langzaam reed de wagen voor, de bruine blootvoetige
jongen klom de trapjes op, wilde wat zeggen, maar hield zich in,
denkend dat zijn meester sliep.
Feenstra raadde het, schoon hij hem niet zag, hij gaf den man een
handwenk om hem te beduiden, dat hij wakker was en van zijn
aanwezigheid op de hoogte, bleef nog even met de oogen gesloten, stond
dan langzaam op en ging het huis uit.