Het viel wel tegen. Hij had zich al die dagen voorgehouden, dat het zoo
komen moest, omdat zijn gedachten al te zeer gespannen waren. Hij wist
zelf niet of hij zich over die gestadige opwinding om niets moest
ergeren of verheugen. Was het een bewijs van zijn kracht en
onverwoestbare jongensachtigen levenslust, of beteekende het redelooze
zwakhoofdigheid, gebrek aan zin voor de werkelijkheid? Vaak kwelde hij
zich met deze zelfontleding, in den vroegen morgen vooral, wanneer het
ontwaken hem weer dat albekende gevoel van verwachting ingegeven had!
En dan later op het kantoor, uiterlijk kalm, volkomen beheerscht,
luisterend naar Rijnbergens eeuwige klachten over onwillig werkvolk, of
wel Fonteyns administratieve knoopen ontwarrend, vroeg hij zich af, wat
die twee van hem denken zouden, wat elkeen van hem denken zou, wisten
ze van zijn dwaze opgewondenheid.
Het merkwaardige daarbij was, dat hij nimmer vaste toekomstplannen
smeedde, dat zijn verwachtingen eigenlijk heel geen bepaalde vormen
aannamen. Aanvankelijk hadden zijn gedachten zijn eigen brief gevolgd
op de uitreis naar Holland, en daarna haar antwoord op weg naar hem
toe. En daartusschen kwamen dan ook wel voorstellingen van het oude
stadje, waar zij nu „schoolhoofd” geworden was. In welke straat zou ze
wonen? Er was in zijn jongenstijd al een buitenbuurt met poppig-kleine
villatjes, die ’t schoolmeesterstraatje werd genoemd,—dit alles zou nu
nog wel ruimer zijn uitgebouwd, verder het land in, door de weiden
heen, die nu geurig en kleurig van klaver en wilde zuring moesten zijn,
en waar de welige koebeesten droomend te herkauwen lagen in ’t
wisselspel van licht en schaduw. Hoeveel maal had hij niet als jongen
onder ’t zalig slenteren na schooltijd de wolkengevaarten gadegeslagen,
gestadig aandrijvend van de zeezijde af en land-in vervluchtigend tot
dunne nevel.
Ook de school kende hij, die werd door de straatjeugd
„jongejuffrouwschool” genoemd ook wel „nuffenschool”,—een verbouwd
heerenhuis op een plein met boomen, veel deftiger, maar veel minder
gerieflijk dan de stadsscholen, roode en blauwe schortjes hingen er aan
de kapstokken in de gang,—de meisjes droegen die alleen onder ’t
leeren, gingen er niet mee over straat, dat onderscheidde ze van de
stadsschool-kinderen.
Hij kon zich Truusje daar onmogelijk als „hoofd” voorstellen, als
opvolgster van het oude, ietwat kreupele dametje met de stijve zwarte
japon, aan den hals wit-geplooiseld, die hij zoo vaak aan ’t hoofd van
een stoetje snaterende hoogste-klasse-meisjes langs de grachtjes had
zien wandelen. Hij had er soms wel eens eentje aangekeken,—ze waren
niet veel jonger dan Truusje toen—en zijn blikken werden dan wel
beantwoord ook. Dan konden de oude grijs-blauwe oogjes achter den bril
ineens zoo venijnig naar hem priemen, ja, als hij er nog maar aankwam,
en ’t kleine hoofdje boven ’t witte plooisel wendde zich driftig om bij
de gedachte alleen dat hij een van de haar toevertrouwde lammetjes
toelachen zou. Zelfs dat oude vrijstertje had in hem gevoeld den
meisjes-jongen, die hij was!
Ja, een echte meisjes-jongen was hij geweest, met toch altijd een soort
glimlachende geringschatting voor de meisjes van zijn eigen leeftijd,
die hij „schaapjes” vond, droomend van de veel oudere, de „bedwelmende
vrouw”.
Somwijlen had hij den lust gevoeld er met den dokter over te spreken,
die hem nu niet meer hoonen zou. Of met Lientje. In hun bijzijn voelde
hij iets van de vertrouwelijkheid van vroeger met Ruysch. En de
gedachtenis aan Ruysch was nu voor altijd in zijn geest verweven met
diens vreemde biecht, zoo kort voor zijn dood. Alles spon liefde om hem
heen, alles sprak hem van de sterkende, meesleepende kracht der liefde.
Een machtig verlangen zwol soms in hem aan, naar rust, naar geluk, na
al de jaren van werken en ontgoocheling en eenzelvig gepeins. Zoo
smachtend, zoo ongeduldig voelde hij zich soms, dat hij zelf wel
gevoelde, hoe hij gevaar liep, zichzelf te misleiden en met gretige
handen te grijpen naar wat zijn geluk niet wezen kon. Dan maande hij
zich tot critische omzichtigheid, hij moest nu al de nuchtere
koelbloedigheid aanwenden, welke hij zich tot zoo duren prijs en met
zooveel pijn verworven had.
Wat had hem die neiging van de werkelijkheid niet te willen zien, en
zich hardnekkig vast te klampen aan eigen voorstellingen, niet doen
lijden.
Had hij eenmaal iemands beeld ontworpen voor zichzelf, dan verweerde
hij zich tegen de sterkste klaarblijkelijkheid, dan wilde hij dat beeld
behouden. Hij herinnerde zich een vriend uit zijn latere
gymnasiumjaren, een jongen van minderen stand, door de kameraden
verwaarloosd en uit de hoogte behandeld en dien hij zich aangetrokken
had, uit een mengeling van edelmoedigheid en koppigen trots tegenover
de meerderheid. Zijn verbeelding had toen dien jongen met eigenschappen
bekleed, die hij niet bezat, thuis had hij geestdriftig over hem
gesproken als over een droomer, een denker, een toekomstig genie, meer
waard dan de heele rest en zich nauwelijks kunnen bedwingen als er
geglimlacht werd of zwakjes geprotesteerd. Hij had doorgezet dat hij
ten eten, te logeeren werd gevraagd. Hoe lang had het geduurd, eer hij
wilde inzien, wat iedereen zag en wat hij zelf had kunnen zien, zoo hij
maar had willen zien, dat de vriend niets was dan een gevoellooze,
nuchtere „streber”, die hem als relatie wel wenschte en overigens lak
had aan „sentimentaliteit”.
De wereld moest altijd „mooi” zijn, omdat hij het zoo wenschte, de
menschen allemaal „goed” omdat het hem aangenaam was in eene wereld van
„goede” menschen te leven.
Al deze ervaringen herdacht hij in de lange avonden, gedurende zijn
wandelingen door de velden en zijn werk op kantoor.
De eerste mail, die antwoord had kunnen brengen, leverde niets op,—in
de zwellende verwachting en vrees mengde zich toen ook wat hij noemde
het „Adolphe-sentiment”, het zoo welbekende, het gevoel van den
veroveraar, van den jongen, die juist het liefst bemachtigt, wat zich
’t moeilijkst vangen laat.
De volgende mail, de „Duitsche” mail, kwam een week later, hij was
juist dien dag genoodigd op een schietwedstrijd ter eere van het in
gebruik nemen van een nieuw clubgebouwtje op een naburige plantage,—hij
moest wel daar bij zijn, wilde bovendien niet wegblijven in een soort
bijgeloovige vrees, dat juist wanneer hij er voor thuis bleef de brief
niet komen zou,—hij was dus gegaan, maar was verstrooid geweest en had
slecht geschoten, en laat in den avond weergekeerd, had hij toen ook
den brief gevonden.
Het eerste moment was wel zalig geweest. Dat grijs-paarse couvert
tusschen zakenbrieven en tijdschriften, waarop hij onmiddellijk
Truusjes hand herkende, forscher alleen geworden. Een brief van een
vrouw in zijn huis,—en dat gevoel van verrukking, als geschiedde er een
wonder, als was dit de allereerste verwachting in zijn leven, als was
haar brief de eerste vrouwenbrief die hem gewerd. Hij had hem gewogen
op de hand, betast, besnuffeld, eindelijk hem opengebroken en gretig de
acht kantjes met de oogen verslonden, vliegensvlug, over elk zijdje
heenglijdend, telkens verwachtend op iets te stuiten, op een woord, dat
hem als een vonk tegen blinken zou, op iets wonderlijks, wat het moest
zijn wist hij niet, iets zoets, iets geheimzinnigs dat tusschen de
regels te lezen zou staan,—totdat hij aan ’t eind was en hij iets
binnen in zich, dat warm en gespannen was geweest, al die weken reeds
en dit oogenblik het sterkst, als verkoelen en ineenzinken voelde. Dat
was het dus,—de langverbeide brief, al die hupsche mededeelingen, die
toon van blijmoedigen ernst, regels aanvangend met „en laat me je nu
eens vertellen”,—maar geen enkel „weet je nog wel?”—tenzij dan om hem
zakelijke dingen, de ligging van een huis, de inrichting van haar dag,
in herinnering te brengen.
Maar wat anders had hij dan gewild? Wat had hij dan gedacht dat hem als
een wonder tegemoet springen zou,—tot wat dwaze hoop had hij zich dan
opgewonden, al die weken? En kalmer, had hij den brief nog eens
overgelezen. Er was immers echte hartelijkheid in, warme belangstelling
in zijn lot en leven. Wat wilde hij meer? Ze had geschreven
onmiddellijk na ontvangst van zijn brief, wat vorderde hij nog anders?
Dat ze zich aanbieden zou, na wat er indertijd was geschied en zonder
nog iets naders van hem te weten? Hij behoorde onder de dwazen, die het
verleden idealiseeren, die het harde en smartelijke vergeten, ja, het
zelfs opheffen en vermooien, zoo het maar tot de voorbijgegane dingen
behoort,—zij had een andere natuur. En dan, hij had onrecht gedaan,
maar zij had onrecht verduurd, getuigde dit heenglijden over hun
verleden eigenlijk niet van de meest mogelijke takt? En toch... en
toch... het wonder was uitgebleven en de heimelijke spijt daarover liet
zich niet uitroeien.
Hij was dien avond bij ’t slapen gaan volkomen onzeker wat hij
eigenlijk gevoelde en besloot de beslissing aan den volgenden ochtend
over te laten.
De eenzame jaren hadden zijn ingeboren zucht tot zelfontleding zoodanig
in hem ontwikkeld, hij was zoo gewend geraakt, elk gevoel, elke
aandoening te analyseeren en als rondom te bekijken, dat hij er ten
slotte zelf geen weg meer in vinden kon. Gedachteloos gelukkig of
ongelukkig te wezen verstond hij alleen in momenten van heftige
bewogenheid, meestentijds echter vroeg hij zich in zelfkwelling af „ben
ik nu wel gelukkig?”—„voel ik mij nu werkelijk ongelukkig?”—„meen ik
wel wat ik nu zeg?” „geloof ik wel zelf in wat ik daareven
beweerde?”—juist zooals in die eerste weken na den dood van Ruysch.
Doch er was één oogenblik elken dag, dat hem verraste als in naakte
onbevangenheid, voordat zijn geest het pantser der critische
zelfbeschouwing had aangetrokken: het oogenblik van het ontwaken. Was
hij een vorigen dag in onzekerheid omtrent zichzelf gaan slapen, de
volgende morgen bracht hem licht, ja, had hij somwijlen in heimwee naar
geluk zichzelf opgedrongen dat hij gelukkig was,—het ontwaken
anderdaags openbaarde hem onontkoombaar dat hij zich had bedrogen.
De vele dagen voordat Truusjes brief hem bereikte, was telkenmale het
ontwaken begeleid door een verwachtingsgevoel, gemengd met vrees voor
wat hij wellicht te hooren zou krijgen—was ’t niet mogelijk dat ze zich
aan een ander had gebonden of om andere redenen van hem niet weten
wou?—dat hem ’t hart deed jagen, ’t bloed opbonzen naar de slapen, maar
dat toch niet onaangenaam was.
Doch den eersten morgen na het ontvangen van den brief, en zoodra hij
de oogen opsloeg naar den jongen dag,—toen wist hij het al wel: de
brief was er, maar had niets in hem teweeggebracht van de uitjuichende
blijdschap, van de helderlichte stemming, waarop hij nu pas wist zoo
vast te hebben gehoopt, het ruime uitzicht was verduisterd, de klare
verwachting leek verflauwd. Ofschoon in den loop van den dag, en in ’t
nogmaals herlezen van den brief het neergedrukte in hem zich weer
oprichtte en opklom tot hernieuwde hoop, de horizont van zijn geest
zich weer verruimde, ofschoon hij in volgende dagen bij ’t opstaan soms
een gevoel van rustige blijmoedigheid in zich zelf bewerkte, kon hij
toch de herinnering aan den eersten morgen niet zoo gauw en niet geheel
vergeten.