In de halfdonkere winkelruimte, tusschen de smalle toonbankjes, in den
geur van langzaam vervluchtigend reukwerk, zijden stoffen en welriekend
hout, waar hij tevreden drentelend wachtte tot er iemand zou komen om
hem te bedienen, hoorde hij plotseling naast zich fluisteren en gedempt
lachen, als werd daar achter dat kastje op hooge pooten, waar kostbare
voorwerpjes van ivoor en zilver door glas beveiligd stonden, gestoeid
en gefleemd om een kusje.
Verbaasd staakte hij zijn drentelen en keek dien kant uit,—een wit kort
rokje, een paar witte voetjes, die nu stribbelend bewogen, twee
grootere witte schoenen, onder witte broekspijpen uit—en voordat hij
tijd en besef had gehad te laten merken dat hij er was, ving hij hun
beurtelings plagend en afwerend fluisteren op.
„Een dan toch... een enkel kusje, voordat die grijnzende Japansche
trekpot weer terugkomt...”
En opnieuw het stribbelend terugschuifelen van de kleine witte
schoentjes en een bestraffend, maar o zoo verteederd:
„Malle jongen, malle jongen, malle jongen dan toch...”
De dokter en Lientje! En „jongen” zei ze tegen dien man, die diep in de
veertig was en niets van een jongen meer had, en niet mooi was...
„jongen”, zei ze en het klonk niet eens belachelijk... Het was
charmant... maar mocht hij, waar hij stond, blijven staan en verder
luisteren... en zou ze... zou ze hem het kusje toestaan... of zou nu
juist te onpas de Japanner terugkomen?
„Raad me maar liever, wat ik kiezen moet”, hoorde hij Lientje nu weer
zeggen, „ik wankel al een half menschenleven tusschen die kleine
knoopjes en die groote gesp...”
Moest hij nu niet weggaan, was het luisteren, dat hij deed, niet
onbehoorlijk en onbescheiden? Maar hij luisterde immers niet en als hij
nu doorliep, dan zouden zij juist zijn schoenen hooren en hem opmerken
en begrijpen dat hij daar al langer gestaan had en hen bespied.
Want ze waren nu juist heel stil,—en onder het hoogpootige kastje zag
hij hun witte voeten dicht bijeen, Lientje op haar teenen
roerloos,—ademloos waren ze... ademloos wachtte ook hij... hij voelde
hoe ze teeder overgegeven, elkander kusten... en Lientjes stem klonk nu
anders, warmer, voller, zooals hij ze nog niet eenmaal had gehoord, nu
ze nog weer zei „malle, malle jongen” en eigenlijk nauwelijks scheen te
weten wat ze zei.
Feenstra voelde een golf door zich heen slaan, een diepe, zoete
ontroering, zóó sterk, zóó intens had hij die korte oogenblikken als
getuige tegen wil en dank met hen beiden medegeleefd,—maar
tegelijkertijd werd hij zich van het benauwde dezer positie bewust en
hij was blij, nu hij uit de achterdeur den breed-grijnzenden Japanner
zag binnenkomen, armen en handen behangen met bonte doeken en lappen
kleurige zij. Kinderlijk opgetogen liep hem Lientje tegemoet, den
dokter meetrekkend, ze hadden hem den rug toegekeerd en hij kon nu
ongemerkt naar de winkeldeur terugsluipen en hen van daar af, als was
hij juist binnengekomen, gaan begroeten. Want hij wilde hen in elk
geval even spreken, als ’t kon zich bij hen aansluiten.
Ze stonden, de hoofden dicht bijeen, over de onder soepele glansen en
zachte kleuren schuilgaande toonbank, naast hen in afwachting de
Japanner, uit gewoonte vriendelijk grijnzend, maar de oogen elders,
over hen heen, en ze betrokken hem dadelijk, na vluchtig begroeten, in
hun kiezen en overleggen, Lientje kinderlijk-opgetogen tegenover
schatten, zooals ze zich, arm kind uit groot gezin, nimmer had
gedroomd,—en de dokter met een laatsten zweem van zijn spottenden
glimlach, bij voorbaat Feenstra’s plagen afwerend, maar zich toch
veilig wetend in de aanvoeling van zijn sympathie en onverschillig in
het besef van eigen geluk.
Middelerwijl bedacht Feenstra hoe hij nu doen moest met zijn eigen
inkoopen en zijn lust was groot, zich tegenover hen te ontlasten van
zijn geheim en uit hun woorden, hun blikken en glimlach te verstaan dat
hijzelf ook gelukkig was.
Was de dokter er alleen geweest, hij zou niet langer geaarzeld, maar
zich uitgesproken hebben,—doch tegenover het meisje voelde hij zich
bleu, weinig gewend als hij was aan vertrouwelijkheid met vrouwen,
vreezend dat ze hem flauw zou vinden of misschien zelfs wel onkiesch
tegenover het meisje in Holland.
Dit alles soesde hem door ’t hoofd, terwijl hij Lientje hielp bij het
kiezen van een zijden japonnetje en andere dingen en hij benijdde den
dokter, die met zijn geld, waar hij zelf niet om gaf, het aanhankelijk
kind zoo gelukkig maken kon. Deze liet hem met beide handen ’t
overleggen over en knikte lachend zijn volle instemming, toen Lientje
pruilend verzekerde, dat Feenstra veel meer smaak had dan hij. De
Japanner, onverstoorbaar geduldig, altijd door grijnzend, keek vaag van
den een naar den ander. Feenstra besloot in zichzelf, dat hij nog niets
zeggen zou en zijn inkoopen uitstellen, tot de anderen weg waren.
„Ga je met ons mee déjeuneeren, Feenstra”, vroeg ineens echter de
dokter, „ik heb een tafeltje in ’t hotel besproken, ’t zal er vol zijn,
zie je, en dan breng ik daarna Lientje even terug en ga tegen half vijf
weer op huis af.”
Feenstra stemde toe, het werd een gezellig déjeuner, zooals hem in
jaren niet was overkomen, meer dan eens in die ongewone sfeer van
vertrouwelijkheid, waarin hij, naar zijn natuur, zich geheel en al
voelde opgaan, stond hij op het punt zijn eigen hartsgeheimen aan te
roeren, doch Lientje’s tegenwoordigheid weerhield hem.
Later in den middag, met den dokter alleen, sprak hij toen over
Truusje, over hun verleden, het vreemde toeval dat haar weer in zijn
leven had teruggebracht en hun hernieuwde vertrouwelijkheid.
„Zie je, het is niet om je raad te vragen, dat ik erover begin, want ik
weet wel dat eigenlijk niemand raad begeert en dat niemand ook raad
geven kan in zulke dingen,—en het is ook niet omdat ik er mijn mond
niet over houden kan,—het is maar, zie je... er is geen realiteit aan,
zoolang ik het alleen weet... ik weet niet of ik het goed zeg... het
wordt soms ineens zoo onwezenlijk... zoo vaag... ik kan het niet
tasten... en dan geloof ik er soms zelf niet meer in... in mijn eigen
gevoel, in de heele verhouding... en als nu een ander het weet...
zoodat ik het gevoel ook heb, dat anderen het weten en dat anderen mij
beschouwen als verbonden met haar, dat ze ons aanmerken als
verloofden... dan wordt het ook voor mij werkelijker, dan kan ik zelf
ook gemakkelijker gelooven, dat ik inderdaad... gelukkig ben... Ja, zeg
maar niets... nu ik het uitspreek, voel ik zelf wel hoe gek of het
klinkt... en toch is het zoo... en toch moet een ander mij zeggen dat
ik verloofd ben en dat ik gelukkig ben en dat dit alles „werkelijkheid”
is... om mij te helpen het zoo te vatten... Vin-je ’t idioot?”
„Wel neen,” zei de dokter, „’t zou veel gekker zijn als ’t anders was.
Stel je voor een mensch in de maatschappij, niewaar?—in ’t
gemeenschappelijk leven met anderen geboren en getogen, van geslacht
tot geslacht... met anderen saamgegroeid, van anderen afhankelijk, in
gezelschap van anderen voelend en denkend,—en dan tegelijk zoo maar
ineens in staat het toekijken en goedvinden van de anderen te missen en
zich staande te houden met zijn gevoelens en daar altijd in te
gelooven, buiten de suggestie van een kring, die hem als het ware
opneemt en draagt? Neen mijn waarde vrind, dat kunnen we geen van
allen. Een mensch-alleen is maar iets heel ijls en vluchtigs en
vervloeiends—valt voortdurend uit elkaar als een bos asperges zonder
zoo’n strootje van dat goed... hoe heet het... raffia er om heen... en
de gemeenschap met de anderen werkt nu juist als dat fameuse strootje,
dat houdt zijn zaakjes bij elkaar, begrijp je. Een mensch is den eenen
dag verliefd en den volgenden dag zou hij zijn gevoel misschien totaal
niet meer terugvinden als hij er naar zoeken ging... maar de overige
lui behandelen hem alle dagen ’t zelfde, en dan zoekt hij niet eens,
wel, dan denkt hij er niet eens over; dan tobt hij niet en die
realiteit, waar jij over spreekt en die hij misschien niet op alle
momenten voelt, die suggereeren ze hem dan van buiten af. Stel je voor,
verloofde lui, of sterker nog, getrouwde lui, alle dagen tastend,
zooals je ’t uitdrukt, naar hun gevoel! Dat is juist ’t goede van ’t
huwelijk, dat de menschen dan niet meer alleen op hun eigen natuur
aangewezen zijn...”
„En vrije liefde dan?”
„Maar vrije liefde... dat is toch al lang een maatschappelijke
instelling... een „conventioneel-onconventioneele” instelling.
Overigens trouwen er naderhand genoeg om allerlei redenen, die ze
zeggen en om de eene reden, die ze niet zeggen of misschien niet weten,
dat ze trouwen eigenlijk veel „echter” vinden.”
„Dus jij gelooft, dat iedereen...?”
„Heb je „Gyges und sein Ring” van Hebbel wel eens gelezen? Niet? Die
Lydische koning, die Kandaules, die is precies als jij... och ja, of je
nu in Lydië woont en koning bent, dat doet er al weinig toe... en die
gelooft ook niet dat hij gelukkig is met zijn vrouw, met
Rhodope—niemand mag haar ooit zien, begrijp je, dat is pas met recht
een liefde zonder getuigen!—en dat zij de mooiste vrouw is en al zoo
meer, die gelooft dat allemaal ook niet, totdat een ander ’t hem
bevestigt. Gyges, dat is zijn vriend, die moet en die zal ze dan samen
bespieden—die ring is de fameuse ring, waardoor je onzichtbaar
wordt,—de man is er absoluut niet nieuwsgierig naar, hij is een Griek,
en ik denk dat hij zijn koninklijken vriend nogal een barbaar vindt...
daar dacht ik dadelijk aan, zooeven, toen je zei van dat verlangen naar
realiteit...”
„Maar er zijn er toch ook, die juist hun gevoel verstoppen voor de
heele wereld.”
„Ja, als je heel jong bent, en dan nog maar een tijdlang. Later komt
toch het verlangen om door je omgeving erkend en daarin opgenomen te
worden... hoe ze ’t dan ook noemen „de wereld zijn geluk te willen
toonen” of zoo iets, ’t komt vrijwel op ’t zelfde neer. Maar nu je
engagement dan door mijn getuigenis een werkelijkheid is
geworden,—wanneer denk je haar te laten uitkomen?”
„Gauw,” zei Feenstra ineens, terwijl hij zijn gezicht warm voelde
worden. De dokter had gelijk en ondanks den wat drogen, analyseerenden
toon van hun gesprek, bijna tegen wil en dank, voelde hij toch
plotseling zijn verhouding veel werkelijker, zijn besluit veel vaster
in zich staan. Het was toch ook wel veilig en aangenaam, na zooveel
moeitevol alleen-zijn, alleen-staan en alleen-handelen, te verglijden
in de gemeenschap en met allen te zamen te deelen, wat hij tot dusver
alleen gedragen had.