De dokter ging trouwen! Niemand, die in den aanvang het praatje had
willen gelooven. ’t Was waar, hij reed vaker dan zijn gewoonte was den
laatsten tijd naar de stad en ook wist elkeen allang, uren in den
omtrek, dat daar in het hospitaal een nieuw verpleegstertje was
aangekomen, maar die vuurproef had de brave dokter immers al zoo
dikwijls doorstaan en tegen ’t „blauwe gevaar”, was hij naar eigen
verklaring van zijn geboorte af immuun. En nu toch, nu toch had een
jong ding met stille, zachte maniertjes den veel ouderen man op slag
veroverd, verliefd en gelukkig gemaakt. Gauw genoeg was ’t nieuws
bekend geraakt en wie ze nu samen in zijn wagentje zag rijden, die
moest het wel gelooven aan de glanzende uitdrukking op beider gelaat.
De plagerijen, die hem niet gespaard bleven, slikte de bekeerde
vrouwenhater met gelatenheid, gulweg beamend dat ze hem toekwamen. Hij
had wel graag gewild, dat zijn meisje dadelijk ontslag, althans eenig
verlof had gevraagd en bij hem in de buurt was komen logeeren, de Van
Till’s waren als ’t ware de aangewezen menschen geweest om haar te
vragen, maar ’t boterde nog steeds niet tusschen hem en „pruimpje” en
bovendien was Lientje niet heelemaal van hun „stand”. Onverwacht had
toen de hoofdadministrateur haar een logeerpaviljoen naast zijn huis
aangeboden en nu, den derden dag na haar komst, hielden ze te zamen een
soort huiselijke receptie in het doktershuis.
De meesten waren daar al, toen Feenstra kwam, alleen de Van Tills
werden nog verwacht. De „beschavingsarbeid”, gaandeweg kwijnend, was
door de geboorte van de baby tot een vreedzaam eind gekomen, en in
zooverre had de dokter gelijk gehad—’t was eigenlijk een opluchting
geweest voor de meesten. Nu nam het kind haar heelemaal in beslag en
zelfs „mannie” raakte op den achtergrond. Maar veel veranderd was er
niet, in plaats van „modern huwelijk” speelde ze nu „modern
moederschap”, zoo althans pruttelde de dokter, die haar had geholpen en
meer dan eens met haar geharreward om haar „malle mode-fratsen”. Van
Till zelf was er al aan gewend en de kameraden hadden er bij gewonnen,
nu hij zich niet meer elken dag een graadje „beschaafder” voelde
worden.
Het meisje van den dokter liet zich heelemaal niet fêteeren en zij
schenen eerder vader en dochter dan pas-verloofden, zoo gemoedelijk en
prettig vertrouwelijk was reeds hun omgang, de gasten waren eenvoudig
in het wit en er heerschte niet de minste gedwongenheid of deftigheid.
Feenstra keek naar haar uit zijn hoekje en de onverwachte verloving
leek hem een goed voorteeken. Ze was heelemaal niet mooi, scheen ook
niet verschrikkelijk knap of artistiek, heelemaal geen „superieure
vrouw”, zoo maar een gewoon, opgewekt meisje, ze had niet „den
glimlach, waaraan de oogen niet meedoen”, enkel een zachten glans over
haar heele gezicht en, daar ze even alleen stond en zich onbespied
waande, liet ze vrijelijk haar oogen langs de wanden en de meubelen
gaan, als overlegde ze alvast, wat er zou moeten worden veranderd en
vermaakt, voor ze hier haar intrek nemen zou.
Grappig, dacht Feenstra, haar zoo gade te slaan, terwijl ze heelemaal
niet keek naar hem. Kijk, nu kwam er ineens een verteederd-lachende
uitdrukking op haar gezicht, hij volgde haar blik, innig-tevreden stond
daar de dokter tusschen een groepje jongelui en liet zich hoonen.
Feenstra bemerkte ineens, hoe ongedwongen gezellig het hier nu was.
Maar daar hield juist het rijtuig van de Van Tills stil voor de
voorgalerij. De dokter zette haastig zijn glas neer en liep zijn
pasgekomen gasten tegemoet. Feenstra keek toe, hoe Van Till met een
enkelen stijven stap uit het rijtuig zakte en daarna zijn vrouw hielp
op haar beurt uit te stappen. Mijn hemel, verzuchtte hij in zichzelf,
wat had ze zich mooi gemaakt! Wat een japon en een hoed met pluimen.
Een paar van de jongelui keken elkaar aan en dan tersluiks naar hem,
den administrateur. En in hun blikken las hij de vraag of hij het niet
een beetje erg vond, voor een „assistents-vrouw”, ’t Ging hem nogal wat
aan, en eer hij zich daarmede bemoeien wilde! Curieus, dat er nu ineens
even een verkilling viel. En ze waren nog zelfs de trapjes niet op, ze
stonden nog bij hun rijtuig, want de baboe en ’t kind waren ook
meegekomen en zoo gauw niet uitgestapt. Ze sjouwde ’t kind overal mee
heen. Nu kwam ze dan met de maniertjes van een vrouwtje dat weet dat ze
„elegant” gevonden wordt, de trapjes op, en hij zag duidelijk, dat zij
ook den voormaligen „vrouwenhater” plaagde met haar glimlachje en een
opgeheven wijsvinger. Hij keek even om naar Lientje, hoe ze ’t opnemen
zou, een blosje kwam op het eenvoudige gezicht,—grappig, de ontmoeting
van die twee gade te slaan. O, met beide handen uitgestoken, hoe
overstelpend hartelijk, maar niet zonder den snellen, proevenden blik
van top tot teen, waarmede vrouwen elkander meten, en nog tegen haar
ook weer oolijkheidjes, die hij niet hoorde,—hij zag alleen maar den
dokter zuurzoet grijnzen. De man had gelijk gehad, ze was een nest, met
haar neerbuigendheid.
Nu moest hij toch ook wel opstaan en haar tegemoet, ze had hem al uit
de verte gezien en gegroet met de mengeling van minzame beleefdheid
tegenover den chef en zelfbewustheid van „gevierde mooie vrouw”. Ze was
eigenlijk net een verwend kind, vond Feenstra ineens, en even flitste
de gedachte door hem heen, hoe ze tegen Truusje wezen zou, als die ooit
hier kwam als administrateurs-vrouw ...
Ze spraken even samen, in beleefden gezelschapstoon, en voor de
zooveelste maal hoorde hij: „Wie had het ooit gedacht van onzen
dokter...”
„Eén voor één en vele gelukkige families” kwam Bartels ertusschen, de
„artist”, met een zinspeling op de romans van Robbers, die hij haar
juist had geleend. Ze vond de opmerking buitenmate geestig.
Bartels, pedant en redderig in zijn krakende kleeren, praatte door,
blij met zijn succes, snel rondziend of misschien ook anderen zijn
snedigen zet hadden gehoord, onmiddellijk den beschaafden man
uithangend.
„Hebt u gezien, mevrouw, in de laatste „Studio”, die reproducties van
oude Japansche teekeningen? Nog niet in den leestrommel gehad? Mag ik u
dan zeggen, waar u bijzonder op moet letten? Op de...” Hij kneep even,
als zoekend in zijn geheugen, de oogen dicht, dan, langzaam sprekend,
„op de derde prent, rechts boven, een heel klein kinderkopje... bijna
niet te zien, ’t kind staat verscholen achter de kimono van de oude
vrouw... subliem... eenvoudig subliem...”
Bartels zag altijd op een teekening of een schilderij datgene wat
„bijna niet te zien” was en vond dat dan ’t mooist van alles, zooals
hij in een boek of een vers juist die bladzij of regel „verdomd knap”
of, bij dames, „ongelooflijk mooi” noemde, waaraan geen mensch iets
bijzonders opgemerkt had.
Feenstra maakte van beider artistieke vervoering over het bijna
onzichtbare Japansche kinderkopje gebruik om naar zijn hoekje terug te
sluipen.
Hij had daar al een oogenblik in een album met Hollandsche kiekjes
zitten bladeren, hopend een prentje te vinden van het dorp, waar hij
met Truusje op school was geweest, hij vond zich zelf een beetje flauw,
maar kon het toch niet laten.
Thuis op den kalender had hij de mails aangeteekend, waarmee haar
antwoord op zijn brief zou kunnen komen.
Er was nu iets, waarnaar hij uitzag en waarop hij wachtte. ’t Schrijven
van den brief had nog hoofdbrekens genoeg gekost, dien avond. Toen hij
eenmaal met de pen in de hand aan zijn tafel zat, had hij zich
eensklaps rekenschap gegeven van de jaren, van het stuk bewogen leven,
dat er tusschen hen lag. Er was eigenlijk geen reden om aan te nemen,
dat zij iets meegevoelen zou van zijn wedergeboorte. En hij trachtte
zich voor te stellen, hoe hij zelf zou hebben gereageerd: wanneer er,
zeg een jaar geleden, natuurlijk voordat hij in zijn laatste avontuur
gewikkeld was—want zoo’n toestand was abnormaal—plotseling een brief
van Truusje was gekomen. Hij kon ’t zich niet denken. En dan ook, hij
moest voorzichtig zijn, hij moest zich beperken, niet toegeven aan een
stemming, geen onberaden dingen doen. Zooals zijn hart nu was, had hij
wel wonderweeke en teedere dingen kunnen schrijven, van leed en
schuldgevoel, weggedroomd in zijn herinneringen, omwaasd van
zelfverteedering bij ’t herdenken van zijn jongensjaren onder den ouden
toren. Altijd immers had hij het verleden geïdealiseerd, en hoeveel te
meer dan nu, in zijn eenzaamheid, na de felle schokkende
gemoedsbewegingen waaraan hij onderhevig was geweest.
Onverwoestbaar was die neiging in hem om altijd opnieuw te hopen, te
verwachten, redeloos te vertrouwen, zijn heele ziel te spannen op elke
nieuwe mogelijkheid.
Maar hoe had hij haar kunnen zeggen, wat er in hem omging, sinds dien
avond, dat hij zijn jeugd teruggewonnen had, maar zonder
jeugd-ijdelheid en wreede onnadenkendheid, dat hij alles wilde
goedmaken en meer, dat hij vol berouw en teederheid was,—het zou haar,
het zou elkeen dwaas-romantisch lijken, het leek hem zelf zoo
bijwijlen. Toen had hij, ten leste, voor zijn brief den vorm gevonden,
die hem bevredigde, die haar niet al te zeer bevreemden kon, niet
afschrikken, maar evenmin al te vast nog doen verwachten... Want hij
gaf er zich toch wel rekenschap van, dat de jaren allerlei
veranderingen konden geschapen hebben, dat ze van elkaar vervreemd
konden zijn... al bleef die overweging verstandelijk, daar zijn gevoel
hem toch de schoonste verwachting voorspiegelde. En nu was zijn brief
al een dag of acht in zee.
„Heb je niets te drinken, Feenstra?” vroeg de dokter. „Wat zit je daar
toch te droomen op een droogje?”
Hij had nog altijd zijn ouden spottenden toon, door gewoonte, maar een
ongekende mildheid, uit geluk ontsproten, had er de scherpte van
verzacht. En dat was het werk van dit bijna-onaanzienlijke kind, dat
toch wel iets geestigs in de oogen had, en iets gracieus ook, vond
Feenstra nu, in de buiging van haar halsje. Wat een vrouw wel kon! En
wat liefde toch was! Alles, alles, alles, o, ’t eenige. Een warme gloed
streek door hem heen. Maar dan ging zijn blik weer naar Bartels en
mevrouw Van Till—, en daar was plotseling een gansch andere wereld,
hoor, het holle kakelen, en het hansworsterig „converseeren”, dat
eeuwige, onverdraaglijke glimlachje. Over enkele weken zou er een dag
komen, dat de blikken trommel van den postlooper een brief van haar
bevatten zou—, misschien wel een portret—, hij had het niet
rechtstreeks gevraagd, maar wel te verstaan gegeven, dat hij het graag
hebben zou. Hij had haar ook gezegd, hoe ze hem dien avond als ’t ware
gered had uit den toestand van nerveusen angst en hoe dat de aanleiding
was geweest tot zijn schrijven. Dat kon ze, dat mocht ze toch niet
opgeschroefd of weekelijk vinden. ’t Was immers een feit dat sinds dien
dag de gedachte aan haar onafscheidelijk verbonden zat aan een gevoel
van verlossing na ondraaglijk-benauwden druk. Hij moest nu heengaan. ’t
Afscheidnemen was al begonnen, ’t grint knerpte onder de voetstappen
der eerst-vertrekkenden. Hij had toch eigenlijk nog wel graag even met
het meisje gepraat, voelde zich aan den anderen kant te onrustig.
„Blijf je niet nog even?” kwam de dokter, hartelijk, „we hebben zoo
weinig aan je gehad, je bent zoo stil vanavond.”
Hij aarzelde even, gezellig was ’t hier wel. Maar hij voelde zich al te
onrustig, om kalm te zitten en te babbelen.
„Laat ik liever eens gauw terugkomen. ’k Wou wat vroeg gaan slapen,
vanavond. Vanmiddag van de hitte den slaap niet kunnen vatten.”
Hoe stil was de avond, een zoete reuk kwam hem tegemoet, terwijl hij
langzaam de huistrappen afdaalde.
Zou die onrust al de komende weken duren? Ze zou waarschijnlijk
stijgen, naar het eind. En dan, o dan, als dan maar niet uit die
hooggespannen verwachting, alles tegenviel...