Maar toen enkele weken later de officieele brief van den
hoofdadministrateur kwam, welke hem zijn benoeming tot administrateur
voorstelde, mits hij daarvoor zijn Europeesch verlof nog twee jaar
langer uitstellen wilde, toen aarzelde hij geen oogenblik en nam aan.
Zijn benoeming geschiedde als gevolg van een in Ruysch’ nalatenschap
gevonden aanbevelenden brief. Hij sprong nu Rijnbergen en Fonteyn over
het hoofd, maar veel twist zou dat toch niet geven, van Rijnbergen
althans wist hij zeker, dat die zelf het beheer over de heele
onderneming niet zou hebben begeerd of gedurfd en liever op sloffen
bleef voortsukkelen langs zijn lang betreden weggetje.
Hij zelf was er eigenlijk niet zoo bijzonder mee ingenomen, want hij
deed zijn werk plichtmatig en zoo goed hij kon, doch zonder er zich
ooit over op te winden, of er iets van een „hoogere roeping” in te
gevoelen. Rijk te worden begeerde hij al evenmin of ’t moest zijn voor
zijn moeder, die er nog steeds gebukt onder ging dat ze zich had moeten
verminderen en bekrimpen na zijn vaders dood. Waarom had hij dan toch
aangenomen, vroeg hij zich af, terwijl hij langzaam het heldere
voorplein van het hoofdkantoor afreed, waar het nog koel was onder de
bloeiende kanarie-boomen; waarom had hij erin toegestemd dat hij nu pas
over drie jaar naar Holland terug zou mogen?
Ja, ’t lag in de rede, dat een man „vooruitkomen” wilde, ’t lag in de
menschelijke natuur, gevleid te zijn met een onderscheiding en
heimelijk blij, boven anderen te worden gesteld—eenmaal in het
schuitje, diende hij nu mee te varen, elkeen in zijn plaats zou een
positie, vergezeld van een verdriedubbeling minstens van zijn inkomen,
aanvaard hebben. Ruysch had het bovendien zoo gewild.
Verlangde hij naar zijn moeder, naar zijn getrouwde zusters? Zijn
moeder zou zich zeker openlijk beklagen, dat hij zóó makkelijk hun
weerzien twee jaar verschuiven kon, maar in haar hart verrukt zijn
omdat hij nu administrateur was geworden.
Maar Truusje van Laar...?
Och, het kind was hem natuurlijk lang vergeten, al die jaren. Ze zou
hem nu nog zien aankomen. Nauwelijks op de landbouwschool, nauwelijks
van haar weg, was hij indertijd immers al verliefd geworden op de vrouw
van een schilder, met gitzwarte haren, waarin ze altijd een
paars-fluweelen band droeg en rustelooze, donkere oogen, die in lange
gewaden van onbestemde kleuren op een divan lag in haar mans atelier,
de gordijnen dicht in een bedwelmenden reuk van wierook, die ze den
heelen dag in een komfoortje naast zich smeulen liet, en cigaretten
rookte en over kunst sprak en over „inspiratie” en over het „banale”
leven en over het verfoeilijk burgerdom en over het menschonteerende
studeeren, dat zijn familie van hem verlangde.
Hij was toen zelf ook juist in de periode der wereld-verachting, weinig
tot werken gezind,—o, wat had hij zich grif laten wijsmaken, dat er een
artist in hem stak. Ze was vijftien jaar ouder dan hij, maar juist dat
trok hem aan. Langen tijd deed ze ook heel achteloos en hoog tegen hem
als tegen een kleinen jongen, soms prikkelde hem dat, maar meestal vond
hij het natuurlijk, jong broekje dat hij was, en zij een artistenvrouw,
zelf artist! Want ze schilderde ook en ze teekende, symbolische
voorstellingen, die ze hem later, in een plotselinge bui van
vertrouwlijkheid eens had getoond en uitgelegd. Wat had hij bewonderd,
meer nog dan de teekeningen, die hij niet begreep, die hooggestemde
edelaardigheid der gevoelens, in het bizarre lijnenverloop uitgedrukt.
Wat verheven gedachten gingen er in haar om. In wat heerlijke wereld
leefde ze. Hoe hoog stond ze boven hem!—had hij gestameld, vuurrood om
zijn eigen durf,—en zij had zijn hoofd in haar handen genomen, hem
moederlijk, bijna plechtig op het voorhoofd gekust en „lieve, lieve
jongen” gezegd.
Van dien dag af was hun verhouding voortdurend inniger geworden, tot
hij haar eenmaal op zijn kamer wachtende had gevonden, toen hij thuis
kwam, wachtende en schreiende... Haar man had „alles ontdekt” en was
woedend jaloersch geworden en had in razernij een van haar mooiste
teekeningen verscheurd. Maar zoo verliefd was hij toch niet geweest en
zoo verbluft ook niet, of hij had haar gevraagd, wat dat „alles” dan
wel mocht zijn en wat er te ontdekken viel. En toen die
hartstochtelijke ontboezeming. Had hij dan nog niet gevoeld, dat zij
hem, hem alleen liefhad, dat ze haar man verfoeide, den kleinen geest,
die haar miskende, die alleen aan zijn eigen werk dacht en zelfs
daarvoor geen edele eerzucht had, enkel maar voor de markt werkte...
ja, voor geld! O, dat ze hem ooit had getrouwd! Neen, haar man was geen
idealist en zij kon niet gelukkig wezen dan alleen in een sfeer van
idealisme. Zij was het ook zelf, idealist! Idealisme alleen inspireerde
haar, dan pas konden er superieure kunstwerken uit haar geboren worden,
hij alleen, onbedorven en jong, hij zou haar tot het hoogste kunnen
opvoeren!
Bevend van geluk had hij naar haar geluisterd. Dat zij hem lief had!
Dat een vrouw als zij—die drommen mannen aan haar voeten gezien en
teruggewezen had—verliefd kon zijn op hem. Al zijn jongenstrots was in
hem opgestaan, maar ook jongensedelmoedigheid en jongensliefde. Dat was
immers de droom. Ze zou hem inwijden in de liefde, door haar zou hij
leeren wat liefde was. Hollandsche vrouwen konden niet liefhebben. Ze
waren te suf en te braaf, er was geen vuur in hen, ze dachten maar aan
man en kindertjes. Maar in haar gloeide het vuur... dat ook hem
ontbranden zou.
Naar zijn werk had hij toen heelemaal niet meer omgezien, in diepe
minachting voor het „banale” het nuchtere, platte, alledaagsche,
opgaand in de vervoeringen der liefde en van het „idealisme”.
Hij had het niet gemakkelijk gehad. Ze kwam van toenaf meestal bij hem,
en hij alleen nog maar bij haar in de afwezigheid van haar man, en ze
bracht hen beiden wel schromelijk in opspraak. Ze was opzichtig en
onvoorzichtig—maar dat vond hij juist kranig en hoog in haar. Niet
huichelen of liegen. De wereld trotseeren, geen haarbreed uit den weg
gaan, waar ’t heilige gevoelens, waar ’t de liefde betrof! Doch ook
zij-zelf stelde zulke hooge eischen, ze had zoovele verschillende
stemmingen, die hij niet altijd dadelijk vatte en ze kon zoo vele
dingen niet verdragen. Hij had al dadelijk moeten verhuizen, omdat de
kleur van zijn kamer haar „ziek maakte” en allerlei nieuwe dingen
aanschaffen, oude rommel opruimen. Er waren dingen bij, die hij van
thuis had, waaraan hij was gehecht uit zijn kinderjaren, prentjes,
prulletjes, en die hij eigenlijk heelemaal zoo leelijk niet vond. Doch
eer hij haar dat bekend had! Dat hij hechtte aan dingen van „thuis”,
als een gewone „bourgeois-jongen”, dat hij die prentjes en prulletjes,
de aanblik waarvan haar soms als in pijn deed kreunen en met een gebaar
van walging de oogen sluiten, eigenlijk niemendal hinderlijk vond. Hoe
voelde hij in alles zijn minderheid. Hij had op ’t gymnasium nogal
aardig verzen kunnen lezen, had het zelfs eenmaal op een ouder-avond
gedaan en den lof van volwassenen ingeoogst—doch las hij voor haar, dan
kon ze zich soms plotseling, ineenkrimpend, de ooren stoppen en roepen;
„fout”... „fout”..., zoodat hij onthutst zweeg. Dat verschrikte gezicht
van hem vond zij dan weer zoo lief, dat ze opvloog en hem als een
razende kuste. Ze las dan daarna zelf en lei hem uit wat ze gelezen had
en vond er allerlei dingen in, waar hij zelfs geen vermoeden van had
gehad... ze dweepte met Baudelaire, maar, dat merkte hij wel, ze
verstond lang niet alle woorden..., het moest haar „intuïtie” zijn—ze
zou hem een filister hebben gevonden, als hij daaraan had durven
twijfelen... Ze kwam altijd op ongelegen uren... en menigmaal had hij
daardoor geen eten gehad en met geeuwhonger naar Baudelaire geluisterd,
zich innerlijk verwijtend dat hij in haar gezelschap nog honger hebben
kon... hoe het ten slotte geëindigd was, wist hij niet recht meer... er
waren allerlei complicaties gekomen.
Ze had hem eigenlijk vrij wel afgedankt..., en langzaam aan, ook door
wat hij van anderen hoorde, van haar eigen man, die trouwens allang
niet meer gaf om wat ze deed, was hij gaan begrijpen, hoe zeer hij dupe
was geweest... En toch, en toch... later weer, altijd weer... altijd
opnieuw was hij de dupe geworden...
In den eersten tijd dan van zijn avontuur met Jeanne had hij nog een
brief van Truusje gehad, een verjaarbrief op een rose velletje met
gouden hoekjes en een pakje was er bij geweest, een sluimerrol! Ja, een
ouderwetsche sluimerrol, rood en groen, en door haar zelf geborduurd!
Voor als hij een dutje deed, na de studie of na het eten! Een dutje na
het eten, hij! En een „dutje”... het woord alleen! De toon van het
briefje, dat hij het goede kind toen als bedankje had gestuurd! Hij kon
er nu nog zichzelf om voor ’t hoofd slaan! Aap van een jongen, die hij
was geweest! O, wat konden menschen afschuwelijk handelen, en niet de
jeugd alleen, ook ouderen in hun malle zelfoverschatting, in hun malle
overschatting van wat zoogenaamde „artisticiteit”, van wat
oppervlakkige ontwikkeling en beschaving, in ’t mal neerzien op
anderen, op eenvoudige, goedaardige naturen, die niet aan „stemmingen”
deden.
En wat waren ze zelf? Die Jeanne, met haar „fout”... „fout”... met haar
„stemmingen”, met haar overgevoeligheid; om gekibbel bij ’t verdeelen
van een erfenisje, leefde ze in onmin met haar zusters. Hij wist
trouwens nu nog, hoe hij eenmaal, schuchter, iemand dien zij „banaal”
vond had verdedigd en geprezen om zijn goedhartigheid en hoe ze hem met
haar schellen lach toen had gehoond. Een lammeling was hij geweest, om
zoo altijd maar zijn gevoelens en meeningen dadelijk prijs te geven,
altijd zich te laten overbluffen, maar wat kon een verliefde jonge
jongen tegen een vrouw?
En trouwens, de meeste menschen waren zoo. Later had hij nooit meer van
Truusje gehoord en haar zelfs niet geschreven toen hij naar Indië
vertrok.
Wonderlijk genoeg, dat ze niet was getrouwd, ze zag er aardig uit
indertijd, en in die onderwijzerswereld, op zoo’n school met mannelijk
en vrouwelijk personeel altijd bijeen. Hoe oud zou ze nu zijn?
Acht-en-twintig... Was het mogelijk, was het misschien dan toch
mogelijk, dat ze hem niet was vergeten? ’t Kwam meer voor... ’t Zou
juist iets zijn voor haar, eenvoudig kind, dat ze was, het verleden
idealiseeren, den ontrouwen held harer droomen getrouw blijven...
Hij glimlachte, terwijl hij zijn tuin binnenreed... Toch weer dupe,
toch... toch, bij voorbaat, alweer dupe... Maar wat gaf ’t?
Liet alles verbeelding en opwinding zijn, sinds den avond dat hij
toevallig haar naam had gelezen, dat de herinnering aan haar en het
stadje zijn angst had verjaagd, sinds dien avond voelde hij zich
gezonder en monterder, was er een ietsje kleur in zijn leven gekomen.
En al ging hij voorloopig niet naar Holland, waarom zou hij haar
evenwel niet eens schrijven? Al was ’t maar om te vertellen van zijn
promotie. Het moest toch ook voor haar in elk geval een verrassing
zijn, een emotie-tje, plotseling een brief van hem te krijgen. Zoo vol
afwisseling kon haar leventje niet wezen. Ja, hij had ook wel wat aan
haar goed te maken. Onverbeterlijke dwaas was hij toch, na zooveel
jaren, dit elan van ridderlijk schuldgevoel. Maar misschien was ze
verloofd, misschien op ’t punt van trouwen als zijn brief kwam.
Die brief! Het zou nog niet eens zoo gemakkelijk wezen, haar een brief
te schrijven na alles, wat er tusschen hen lag. Een goed werk voor den
avond. Want de volgende dagen zouden drukte genoeg geven, hij diende
toch wel iets te doen om zijn promotie te vieren.