Drie dagen later was Ruysch dood en begraven. Den dag na het feest met
zijn kleine auto, die hijzelf bestuurde, huiswaarts keerend, scheen hij
in een oogenblik van verstrooidheid de macht over zijn stuur verloren
te hebben en in volle vaart tegen een steenen paal aangereden te zijn.
Voorbijgangers hadden hem zieltogend aan den wegkant gevonden, uit zijn
bewusteloosheid was hij zonder ontwaken den dood ingegaan.
En nu was het twee weken na de begrafenis en Feenstra zat alleen en
tuurde den pikdonkeren nacht in. Het had dien middag zwaar
geonweerd,—van over de bergen waren machtige wolkendrommen komen
opzetten als grauwe krijgslieden in een vervaarlijke vastberadenheid,
en boven in de lucht was er slag geleverd met flits op flits en slagen,
zoo lang, dat ze in elkaar verrolden tot één eindeloozen,
oorverscheurenden dreun. ’t Waaiend loof worstelde angstwekkend in den
kopergloed, ’t dorre stof warrelend in wolkenkolommen, wegwervelend om
hoeken, de donkere tuin als verkrompen in een stuip van angst, de weg
leeg gevaagd, het huis en de bijgebouwen als uitgestorven, trillend van
ingehouden angst, totdat met splijtend geruisch de wolken scheurden en
de regen neerbrak, een gordijn van vloeiend zilver gelijk,—als een
milde verlossende tranenvloed na al te hoog gestegen opwinding. Wel
bleef het langen tijd nog rommelen, zetten de rosse flitsen het
druipend geboomte van den achtertuin in vreemden glinstergloed, maar de
spanning was voorbij en in ’t snelle neerkomen van den avond drupte ’t
nu nog maar alleen wat na—in en rondom het huis had het dagelijksch
leven zijn gewonen gang al weer hernomen.
Maar het was toch guur gebleven, een klamme wind woei in lichte vlagen
uit het duistere buiten en bij elke vlaag als een zwakke klacht zwol
daar het gerucht van afdruipend water, van de dakranden neer in de
goot, van de hoogere boomen afkletterend op de lage bamboeheg, van de
uitspringende randen der voorgalerij op het grint van de oprijlaan, dan
stilde het weer met den wind mee en zwol even later opnieuw als een
koor van droeve zuchten.
Feenstra voelde de klamme kilte over zich heen strijken,—nu en dan een
koude druppel op zijn hand uiteenspatten; hij was er zich vaag van
bewust dat het boven zijn hoofd gedurig lekte, maar kon er niet toe
komen van plaats te veranderen.
Een doodelijke loomte lag hem op het lijf, uit neergeslagen oogen
staarde hij zijn witte broekspijpen langs, tot de rechtopstaande linnen
schoenen, grauw van vochtig stof, zijn hoofd lag scheef achterover in
den lagen rieten stoel. Hij voelde zich gekweld van hoofdpijn en de
vochtige koelte deed hem wel goed, maar tegelijk huiverde hij toch.
Moeizaam sloeg hij de oogen weer op en tuurde over den rand van de
balustrade, maar buiten den lichtkring uit de gekleurde lantaarn onder
het afdakje beneden, vochtig en flauw uitvloeiend over ’t natte kiezel
als een stervende regenboog, stiet hij overal op ’t barre zwarte
donker, dat zijn blikken als ’t ware terug en naar binnen dreef. Aan
zijn linkerhand, achter de zacht waaiende gordijnen, was de
achtergalerij, die tot eetkamer diende en waar een laaggedraaide lamp
een sober licht verspreidde over de donkere djatti-tafel, kaal en
ontruimd na zijn vroeg en eenzaam maal.
En buiten het natte duister, dat den blik naar binnen dreef...
Half verdoofd van loomte en hoofdpijn gaf Feenstra zich toch met
zwak-bewust welbehagen over aan een toestand die hem van den last der
gedachten onthief,—al wist hij tegelijk dat gauw genoeg weer zijn heele
wezen zou omgrepen worden door dat eene kwellende besef, dat de laatste
veertien dagen bij waak of slaap niet uit hem week en nu als zweefde in
zijn nabijheid om zich dadelijk weer op hem vast te zetten. Mocht het
zelfs wel een gedachte heeten, dat gevoel van een suizelende leegheid
en stilte, waarvan het erge juist was, dat het zich niet uitdenken
liet?
Neen, hij kon dat plotseling sterven niet realiseeren, hij kon het
gebeurde niet voor zich halen en als omtasten met de handen, gelijk een
klaar feit—, het ontsnapte hem, als hij het meende vast voor zich te
zien en week duizeligdiep terug naar den achtergrond van zijn ziel en
loste zich daar op in nevel,—in stilte en suizelende leegheid.
Mocht het ook verdriet heeten, wat hij gevoeld had na den dood van
Ruysch? Hij wist het nauwelijks. Eerder scheen sindsdien het leven op
losse schroeven te staan, eerder was er een gevoel van onwezenlijkheid,
als waren de dingen uit hun centrum weggebroken en deden zich nu alleen
nog maar afzonderlijk voor om afzonderlijk afgedaan te worden—het
dagwerk, het thuiskomen, gesprekken met collega’s, het huishoudelijk
bestaan... er was iets onreëels aan dat alles, als werd het slechts uit
gewoonte verricht en had geen zin meer in een onderling verband. Zelfs
het gevoel van gemis en verlies kon hij maar niet als iets wezenlijks,
als een vastheid in zich zelf bemerken.
Dit kwam ook door zijn eenzaamheid. Hij had als halfvolwassen jongen in
Holland zijn vaders sterven meegemaakt, een groot verlies en een groot
leed, hij had toen eigen leed vermengd gevoeld met dat van zijn moeder
en zijn zusters en van zijn vaders eigen moeder die toen nog leefde en
haar andere kinderen, zijn ooms en tantes, hij had niet hoeven peilen
naar de wezenlijkheid van zijn gevoel, want hij had immers zonder
denken de wezenlijkheid van hun gevoel en daardoor van zichzelf
aanvaard.
Zoo was alle gevoel, blijdschap en smart, zoo had zich bij feesten hun
vreugde vermengd en bij droefenis hun leed, zoo droeg de een den ander
en realiseerde elkeen zijn eigen aandoeningen aan die der anderen...
maar wat bleef er over van de menschelijke gevoelens in de eenzaamheid?
Geen gemeenschap waarin ze gedragen werden, geen gemeenschappelijkheid
van voelen en handelen... en alles vloeide uiteen... en de eenzame
mensch, in wanhoop zichzelven peilend, wist ten leste niet meer waar
zijn blijdschap en waar zijn droefheid was, het vloeide uit hem weg als
hij het grijpen wilde. Het denken was noodlottig aan het gevoel, het
denken moordde de gevoelens... maar de gedachteloosheid van het
gemoedsleven was in eenzaamheid niet mogelijk en dat was juist de vloek
der eenzaamheid, dat de mensch zich als uitvrat, uitgroef, uitholde,
tot alles in hem wankelde en vernevelde...
Hoe somber was daarenboven deze avond.
Nu het bewuster peinzen hem uit zijn halve verdooving had weggevoerd,
gaf Feenstra er zich weer rekenschap van,—hij bemerkte nu ook dat zijn
linkermouw, uitgestrekt op de stoelleuning, door ’t gestadig lekken nat
geworden was, hij voelde de levenloosheid van dat lijdelijk ondergaan
en wilde zich er tegen verzetten, hij beurde zich overeind uit zijn
liggende houding en stond stram en duizelig even later naast zijn
stoel.
En nu viel hem het donker en ’t zuchten en klagen als van allen kant op
’t lijf—een vaag onbehagen bekroop hem,—doelloos liep hij tusschen de
gordijnen door naar de achtergalerij en toen hij die schemerige ruimte
betrad, had hij ineens het gevoel dat een mensch moet hebben, die in
donker verdoold onverhoeds in ’t water loopt en plotseling in plaats
van den vasten grond, een zwart, week, verraderlijk graf onder de
voeten voelt. De ijzige angst, die hem nu plotseling aansprong, kende
hij uit zijn oude jaren, die had hij later nog maar zelden zoo gevoeld,
het was de waanzinnige vrees, alle levenlooze dingen rondom hem levend
te zien worden. Kil van angst staarde hij naar den grooten groenen kelk
van de grammophoon op het tafeltje in een hoek. Gesteld dat er
plotseling geluid uit kwam, hoog zingen, schetteren van een orkest,
zonder dat iemand er een hand naar uitgestoken had. Hij leende
luisterend het oor naar buiten. Gesteld, dat daar nu onder de lage,
donkere palmen de leege auto naderde, waarvan hij eens had gedroomd,
die onbestuurd reed en rechtaf aankwam op zijn huis, dat hij echter
niet bereikte. Die twee dingen waren het voornamelijk, waarop zijn
angst zich concentreerde,—de grammophoon, waarvoor hij wel vaker
bevreesd was geweest en de auto uit zijn droom. En terwijl zijn
voorhoofd klam werd van angst, wist hij zelf wel goed, hoe dwaas dit
alles was,—en was hij benauwder voor wat die angst in hem zelf
aanrichten kon, dan voor wat van buiten af tot hem komen mocht.
Daarom wilde hij er zich met geweld aan onttrekken. Zou hij den jongen
roepen? Neen, het was te kinderachtig en hij moest dan bovendien ook
vlak langs die gapende grammophoon-kelk. Als het valsche ding hem
beloerde en ineens zijn vol geluid in de ooren toeterde! O, hij was
gek. Hij wilde los. Hij ging naar de tafel en draaide sidderend de lamp
omhoog. Daar lag nog een stapeltje dagbladen, den vorigen dag met de
mail uit Holland gekomen. Nu afleiden—, nu gewone, nuchtere dingen
lezen, zijn gedachten met een ruk omzetten, zichzelf met geweld een
andere wereld binnensleuren. Hij kende dit middel uit ervaring en als
kleine knaap al had hij eruit geleerd dat het beangstigende dus alleen
binnen in hem en niet buiten hem om bestond.
Hij sloeg een blad open en liet nerveus-zoekend, verlangend zijn
aandacht aan iets te binden, zijn blik over de kolommen glijden.
„Berichten aan zeevarenden”..., neen, dat was nog niet nuchter, niet
neutraal genoeg... liever de advertenties... „Eet nu zalm”... „Tehuis
voor schoolgaand meisje”... „Motorjacht ter overname”... en weer
voorzichtig even omkijken naar de grammophoon en naar buiten... was hij
alweer kalm...? niet te lang... ’t was er zoo duister en vochtig
daarginds... en al dat gerucht in de boomen... langzaam vormde zich
toch nog weer dat visioen van den auto uit zijn droom, schoon niet meer
zoo scherp als daareven, gauw dan weer in de krant terug, de nuchtere,
dagelijksche menschenwereld binnen vluchten... Marktberichten...
radijs... spinazie... vette biggen... „Kerk en school”... beroepen
naar... bedankt voor... benoemd tot hoofd van een meisjesschool
mejuffrouw Van Laar... Maar dien naam had hij meer gehoord, dien naam
kende hij... Mejuffrouw G. J. C. van Laar... dat moest Truusje van Laar
wezen... G. J. C.... ja, dat waren de letters die hij soms met een
haastig potlood schreef op het smalle vouwbriefje, dat een zusje
tusschen haar boeken stoppen moest. Truusje van Laar... wel zeker, ze
werkte toen immers al voor onderwijzeres. Ze was al bijna klaar, toen
hij nog op ’t gymnasium ging twaalf jaar geleden. Ze ontmoetten elkaar
alle dagen in den trein naar het kleine stadje, hij kwam van verder...
zij stond dan ergens op een weg bij een halte, tamelijk dicht bij ’t
stadje, waar alleen maar de schooltreinen stopten, ze woonde daar in
een gehuchtje, haar vader was er molenaar of boer... o ja... en dan
zocht ze met de oogen de coupé waar hij al zat... hij zag het van
achter het gordijntje en dan deed ze of ze heel toevallig binnenkwam...
maar haar roode blos verried haar dadelijk... ze was veel te eenvoudig
en te oprecht voor listen, de kleine Truus... Dan gingen ze in ’t
stadje samen tot school... door ’t lieve, oude provinciestadje, waar ’t
morgenleven in fleurigen opgang was, waar de oude linden zich
spiegelden in ’t roerlooze, groengrijze grachtjes-water... waar breede,
deftige oude huizen dommelden in ’t lommer, en een dienstmaagd, ook al
oud en deftig, met breed-gestrikte muts en onderkin, de stoep boende
uit groen-en-rooden emmer, of de pui spoelde met een ouderwetsche
spuit... waar over de ronde bruggetjes de groenteboer aankwam met zijn
kleurige kar, de bakker met zijn witgedekte mand... zoodat de geur van
’t versche brood zich mengde met den lindenbloesemreuk... en boven
alles uit als een goedige wachter, de oude, hooge, droomerig omwaasde
toren...
Ook wel ’s avonds hadden ze daar geslenterd, langs de grachtjes, dan
zoo stil, voorbij de gesloten huizen, het ruischen der linden
beluisterend, in eensgezind zwijgen, of wel opgewonden pratend,
onschuldige gesprekken van school, van smokkelen en gefopte meesters.
O, dat stadje... dat lieve zomerstadje... waarom was hij er toch later
nooit weer teruggekeerd... waarom had hij Truusje zoo gauw vergeten...
Hij moest het zich wel bekennen... hij was toen rusteloos en
fantastisch... ook wel een hooghartige jongen... hij had maar al te
grif zijn moeder gelijk gegeven, die Truusje niet goed genoeg voor hem
vond... al had hijzelf daarbij niet aan „stand” gedacht, dat mocht hij
zich zeggen. Maar hij had in die dagen geen lichten dunk van zichzelf,
dwaze jongen die hij was, gevoed met Fransche romans, ook wel een
beetje verwend, droomend van „pikante” avonturen, met hartstochtelijke,
verleidelijke, gevaarlijke vrouwen, die hij met moeite veroveren,
waarvoor hij gevaren tarten moest, die hem zouden kwellen met haar
grillen en lichtzinnigheid, voor wie hij zou moeten lijden...
Emoties... emoties beloofde hij zich toen. Zij, het frissche, aardige
kind met de hangende blonde haren en de vroolijke oogen, waar argelooze
verliefdheid uit straalde,—zij zou hem niet hebben doen lijden, zij
wist niet van grillen, ze was niet „pikant” en niet verleidelijk en
niet gevaarlijk, niets aan haar voorspelde de „felle emoties”, de
ongekende vervoeringen uit zijn romans en zijn jongensverbeelding. Ach
God, later had hij ze dan gekend, de „felle emoties”, de „ongekende
vervoeringen”, de „pikante vrouwen”—en ’t was alles voorbij en niets
had hij eruit over, nauwelijks de herinnering aan een enkel opgetogen
uur... ’t was al om ’t even hol en dom geweest als zijn laatste
„avontuur”.
Wezenlijk waren alleen de dingen, waaruit herinnering bleef... later
kon men derhalve pas goed weten, wat „wezenlijk” was geweest en wat
enkel opgezweepte verbeelding.
Dat stadje, dat lieve zonnestadje! Kopermuziek... marktrumoer... gele
sjeezen... blauwe boeren... bonte vrouwen... spiegelend water...
zondoorschenen lindenloof... geuren koel en zoet...
Hij leunde zijn gelaat in beide handen en nu hij opzag, nu voelde hij
dat al zijn angst was weggetrokken. De wereld was als bij tooverslag
veranderd, al het dreigende was weer onschuldig, bevrijd ademde hij op.
Hoe heette ook dat plaatsje, waar Truusje nu hoofd van een
meisjesschool zou zijn? Het kind moest stevig gewerkt hebben, die
jaren. Had ze verdriet gehad... was ze... neen, getrouwd was ze niet...
mejuffrouw stond daar met haar meisjesnaam... zou ze ook nog wel eens
aan hem hebben gedacht...? Verloofd was ze zeker... met een
schoolfrik... met een dorpsdominee... maar hij was, „voornaam
geparenteerd”, te goed voor haar geweest! Truusje... mejuffrouw G. C.
J. van Laar... hoofd van een meisjesschool... Was het niet merkwaardig
dat zij, dat het lezen van haar naam juist vanavond de afgrijselijke
spanning in hem gebroken en de kwellende angst had verjaagd? Hij
glimlachte, omdat hij nu toch dadelijk weer exalteeren ging! Zijn oude
neiging, zijn oude dwaze neiging, waartegenover hij opzettelijk de
strengste critiek en zelfcritiek had leeren stellen. Doch dit beloofde
hij zich, kwam hij over een groot jaar in Holland, dan zou hij moeite
doen haar weer te zien.