In de breede galerij, buiten den lichtkring, die in weelderigen
overvloed de open zaal ontvloeide en het blanke marmer overgoot met een
weeken glans, haast verscholen achter een der beide groepen zware
sierpalmen, feestelijk pralend ter weerszijden van het breede met
donkerrooden looper belegd bordes zaten Ruysch en Feenstra in zwijgend
gemijmer na een gesprek dat van ongewone vertrouwelijkheid was geweest
en beiden lieten ze hun mijmeren wegdeinen op de tonen der muziek die
van achter uit de zaal tot ze doorklonk. Daar binnen, waar alles
blinkend was en feestelijk van licht, witte toiletjes, witte bloemen,
waar het geurde van vruchten en wijn en parfum, daar gingen ze nu in
paren of groepen de tentjes langs, de meisjes voor de zooveelste maal
zich vergastend aan ijs, de mannen voor de zooveelste maal bezwijkend
voor de lokkende oogen der champagne-verkoopsters, de ouderen aan
tafeltjes, tusschen palmen, en met hun praten en lachen, het
behaaglijk-trage schuifelen van hun voeten, drong de zwaar-zoete
feestelijke reuk tot de beide zwijgende mannen door.
Schoon de boomen in de laan helder zichtbaar waren in den maneschijn,
de gestalten der Inlanders, die buiten het hek roerloos en gretig
toekeken, zich duidelijk afteekenden tegen den koel-blanken weg, de
Chineezen als lichtere vlekken kenbaar door hun witte kleeren, deed dit
alles te zamen, daar binnen het licht en de geur van den wijn, hier
buiten de even-ruischende blanke avondschijn—Feenstra denken aan zijne
vele late avonden aan boord, indertijd, op zijn uitreis, dat hij zoo
stil, in zichzelf gedoken aan dek gezeten en over de maanlichte zee
gestaard en zichzelf zoo klein en zoo groot, zoo machtig en zoo
miserabel tegelijk had gevoeld—, totdat dan alles was vervloeid tot een
zachte pijn van eenzaamheid en heimwee, terwijl achter hem evenals nu,
feestelijk gerucht was geweest en deze zelfde geur van wijn en van
bloemen.
Zoo was ook dat heimwee er nu—het had hem eigenlijk op den vreemden
bodem nimmer geheel verlaten, doch leefde, zonderling, het sterkst in
hem op, wanneer hij vroolijkheid zag en veel licht en lachende,
feestende menschen. Was het omdat hij eigenlijk in hun vreugde niet
geloofde en in elkeen eenzelfde heimwee en vreemde verlatenheid
vermoedde, als die hij zelf in zich omdroeg en hij daardoor ’t eigene
honderdvoud vergroot gevoelde?
Hij had haar dan weergezien, zooeven, voor ’t eerst na eenige maanden.
In een rood maskeradepakjes, met roode muts, de oogen karbonkel-fel in
’t wit-bepoederd gezicht, stond ze tusschen de bloemen van haar tentje,
achter haar, in haar schaduw, het goedige mannetje, het officiertje met
de bolle, blauwe oogen, het laatste stapeltje knoopsgat-bouquetjes
omwoelend met zilverbladen dunne draad, dadelijk zag hij haar toen hij
binnenkwam. Aan dit oogenblik van weerzien had hij gedacht, den heelen
weg over naar de stad, bij voorbaat overtuigd dat het hem onbewogen zou
laten, zichzelf sterkend met de gedachte aan dien vorigen vernederenden
tocht, vol halfbeleden vrees dat ze hem toch nog eens overmeesteren en
in bezit nemen zou. Doch in de eerste seconde wist hij het en voor
goed: niets bewoog er binnen in hem, niets leefde daar meer op, er was
nooit iets geweest, dan een droom alleen, een maanzieke begoocheling.
Hij was haar gaan aanspreken, had een bouquetje gekocht, een paar
beleefde woorden gezegd, nauwelijks had haar blik in den zijnen gerust,
hij wist zelfs niet of ze hem wel had herkend. Op een afstand was hij
haar even blijven gadeslaan, zooals ze daar gebogen stond over haar
toonbankje, de roode mouwen half schuil onder bloemen, in het
laaggesneden maskeradepakje, lokkend en vasthoudend met lachen en rad
praten de mannen die zich rondom haar verdrongen, haar bloemen
opdringend en duur verkoopend, buitensporige bedragen eischend, wetend
dat niemand weigeren dorst, voortdurend opgewondener, de oogen groot en
gloeiend, gretig haar hand ophoudend voor ’t vele geld, dat ze dan
haast zonder omzien achteloos achter zich reikte, waar kleintjes in
haar schaduw haar man stond en al maar nieuwe bosjes bond, zóó luid en
zóó begeerig naar meer, maar het meeste, naar de grootste opbrengst als
bewijs van haar grootste verleidelijkheid, van haar triomf over de
anderen, dat haar beide buurvrouwen, zedige, blonde Hollandsche
vrouwtjes, één met bonbons, één met sigaretten, misprijzend naar haar
keken. Hij had daar gestaan en het aangezien, starend naar haar gelaat,
in het volle besef dat hij volkomen veilig was, maar tegelijkertijd
verbaasd, dat het zóó had kunnen zijn, dat ze hem zoo totaal en zoo
volslagen vreemd was geworden, na wat er toch toen was geschied. En zij
zag hem zelfs niet—had hem nauwelijks herkend—, wel moest hij, zei hij
bitter, één uit velen voor haar wezen.
Hij had zich afgewend, met dat ijle, leege gevoel, dat hem altijd weer
overkwam, wanneer hij menschen feestelijk en vroolijk zag, als hielden
ze zich maar zoo en wisten ze allen wel dat het toch het echte niet
was—, hij had aan alle tentjes geofferd, hij had handdrukken gewisseld
met mannen die hij vagelijk kende van feestmaaltijden en vergaderingen,
dames begroet, altijd maar weer beaamd dat de fancy-fair schitterend
scheen te slagen, gepraat over het weer en den stand van het gewas, een
sterfgeval hier, moeilijkheid met werkvolk elders, drie, vier
uitnoodigingen om te blijven overnachten afgeslagen met de betuiging
dat het werkelijk onmogelijk was, dat zijn chef bleef maar dat hij naar
huis terug moest en ten leste, al die plichten vervuld, was hij met
Ruysch een glas bier gaan drinken in de voorgalerij, afgezonderd van de
anderen.
Toen had hij hem alles verteld. Hij wist hem toch wel een echten
vriend, Ruysch, vaster en warmer dan ginds in de eenzaamheid voelde hij
het hier, waar alles leven scheen en, althans voor zijn gevoel, juist
bleeker en valer was, en binnen in hem was het ook zoo arm en leeg.
Want hij was nu wel weer vrij, maar zoo doodelijk eenzaam. En blijkbaar
wel heel toegankelijk en zwak. Dit komen en gaan van gevoelens, eerst
dat branden in hem en nu de stilte, al die beroering, het zou altijd
weer kunnen komen, er altijd zijn als een bedreiging in zijn heimwee en
zijn eenzaamheid. Hij had nu wel weer zijn waardigheid terug, maar ’t
leven leek hem niettemin zoo gering en kil, dor en verschrompeld.
Doch hoe was het toen ook weer gegaan, dat plotseling Ruys had zitten
vertellen van zijn eigen oud leed? Ja—, zóó was ’t geweest; hij had
bittere dingen gezegd over „de vrouw” in ’t algemeen, dingen die hij
eigenlijk niet meende, die hij maar napraatte van den dokter, die ze
wellicht ook niet meende, waaraan hij zich opwond en zijn zelfbeklag
scherpte—, en daar was Ruys toen tegenop gekomen. En hij had hem
verteld van zijn eigen liefde, zijn eenige, diep weg in het verleden
van zijn bestaan, daar alles overlevend, onuitwischbaar helder tusschen
het vergetene en vervaagde van de lange jaren her. Hij had ervan
opgezien: Ruysch ooit verliefd! Ruysch die als ’t ware over vrouwen
heen keek, haar allen dezelfde beleefdheid betoonde, welke niet
tusschen leelijk en mooi, oud en jong scheen te onderscheiden. Ruysch
was verliefd geweest, Ruysch had ervan gedroomd een vrouw te ontvoeren,
met haar te vluchten, om haar als ’t moest te breken met zijn toekomst
en met de heele maatschappij. Doch eigenlijk, waarom niet? En van
terzijde keek Feenstra zijn chef er nog eens op aan, hoe trouwhartig
was de stroeve, bedroefde mond onder de grauwende snor, die eens helder
blond moest zijn geweest, meer dan hij zag, herinnerde hij zich een
verscholen zachtheid in de diepliggende oogen. Dan zijn prettige stem
en de indringende kracht waarmee hij op zijn stille manier eenvoudige
dingen zei—een avond op den eenzamen weg onder ’t naar huis rijden,
zoo’n simpel gezegde over het wonderlijke van natuur en leven, dat hem
den adem benomen had, dat van elk ander banaal had geklonken, doch van
hem bijna indrukwekkend. Ja, er was in dit alles toch wel iets om een
vrouw te bekoren.
En de onstuimige warmte, het argelooze, diepe gevoel, als van een
jongen, waarmede hij hem daareven over dit alles had gesproken,
blijkbaar voor het eerst na jaren, zijn beschrijving van dien hoteltuin
in de verre Chineesche havenplaats, den avond, hun samenzijn onder de
zwaar bloeiende, zoet riekende boomen, het achter heuvelen stervende
daglicht, het dompe gerucht der volle, benauwde stad heel ver weg, haar
zieke man wasbleek, met pijnlijken, verzonken mond, halfsluimerend in
zijn stoel en zij beiden zwijgend. Ja, het moest wel heerlijk zijn
geweest, die volmaakte zekerheid van elkaar te hebben gevonden voor
altijd, en geheel en al te verstaan. Zooals hij hem had verzekerd,
daareven. Dat was geen jongenspraat, geen dwepend idealiseeren van het
verleden, doch de ernst en het vaste geloof van een man, in wien de
jaren niets hebben kunnen veranderen. Hij, Ruysch, die zichzelf had
gekend als een zwerver, bang en schuw, nauwelijks durvend hopen op een
hart, waarin het zijne natuurlijkerwijs versmelten zou, zichzelf bij
momenten een overspannen dwaas heetend, omdat hij nog bleef gelooven in
zulke liefde, daar hij toch zag waarmee anderen genoegen namen, hij had
daar dien avond, bij het gestadig dalen van den nacht, in momenten van
zwijgend opgaan in blauwe kinderlijke oogen, zijn geluk beleefd. En de
zalige slapeloosheid daarna, het waken in duister, de wilde plannen en
dan weer het luisteren den nacht in, als om haar te hooren ademen uit
de kamer waar ze sliep. Die gloeiende nacht met de groote gouden maan
tusschen ’t zwarte, ijluitgespannen kantwerk der acasia’s. Ja, Ruysch
was wel een mensch uit ’t echte hout, dacht Feenstra.
Eerlijk-menschelijk had hij hem alles beleden, hoe hij uitsluitend aan
haar had gedacht, om haar lief te hebben, om haar voor zich alleen te
bezitten, om haar het geluk te geven dat ze derven moest naast dien man
met zijn sloopende tropenkwaal en zijn grenzenlooze zelfzucht. Eerlijk
menschelijk ook gewaagd van zijn strijd, den dag daarna. Maar was het
dan ook niet hard geweest, haar brief, geschreven uit de besluiten en
raadslagen van haar eigen slapeloosheid? Aan zijn edelmoedigheid
vertrouwde ze zich toe, had ze hem toen geschreven, opdat hij haar niet
zou doen lijden. Want ze zou hem niet kunnen weerstaan, zoo hij
aanhield en ze zou hem volgen, waarheen ook, doch hij moest niet
aandringen en niet vragen dat ze hem volgen zou, omdat ze den zieken
man, met zijn zelfzucht en de scherpte van zijn jaloersche natuur, toch
niet zonder leed zou kunnen verlaten, ook later niet, zelfs niet als
hij in Holland terug en goed verzorgd bij moeder en zusters wezen zou.
Bovenmenschelijk! Te weten dat ze hem niet zou kunnen weerstaan en te
moeten wijken, het hoogste, het heerlijkste onder bereik—, zich te
moeten afwenden en eenzaam verder gaan. Hij had het volbracht, om
harentwil, doch nog lang en nog vaak in bitterheid de „edelmoedigheid”
verwenscht, waarop ze toen kinderlijk-argeloos—of vrouwelijk-sluw?
vroeg hij zich soms—een beroep had gedaan, totdat op dit alles de jaren
zich hadden gestapeld zooals gras groeit op een graf, waar toch de
heugenis onuitwischbaar blijft.
Weemoedig om aan te hooren was het geweest en nu zwegen ze en beiden
peinsden ze, de een over wat hij had gesproken, de ander over wat hij
had gehoord. Maar het werd laat,—de feestgangers verdwenen in
langzamen, gestadigen stroom. Feenstra gaf er zich eigenlijk nu pas
rekenschap van en ook dat de muziek zweeg... en dat de bruine en gele
toekijkers afgetrokken waren... en dat achter hen het feestelijk licht
werd gedoofd. Het werd nu tijd ook voor hen om te scheiden. Hoog stond
de maan, den langen weg terug zou hij alleen moeten gaan.
Ze reikten elkaar de hand.
„Ik breng je nog even naar je wagen”, zei Ruysch. En samen gingen ze de
rood-gelooperde bordestreden af.
„Dat zoo’n doodzieke man in al die jaren nog niet gestorven is”, begon
Feenstra nog even, voor zich uit peinzend, terwijl ze naast het
wagentje stonden. Ruysch antwoordde niet dadelijk. Hij tuurde tusschen
de zwarte palmbladeren naar de maan.
Een zucht ruischte zwaar door het nachtelijk loof,—het witte gebouw
stond laag en naakt en blank in den ruimen tuin—, aan den overkant van
den weg, op de bank voor een gesloten kantoorgebouw, zaten twee
Bengaleesche nachtwakers in lange gewaden, één wit, één geel, en hooge
tulbanden op. In de verte klonk nog het luchtige lachen van een meisje,
dat met een vriendje wellicht, thuis-ging van het feest.
„Och ja”, zei Ruysch ineens—Feenstra meende al dat de opmerking hem was
voorbijgegaan—„och ja, ik heb er jaren lang wel op gehoopt, maar je
ziet het vaker, de dood haalt zulke krukken juist niet, maar jou of mij
of een ander, die nergens verdacht op is...”
„Zou jij ’t willen?” vroeg Feenstra onwillekeurig, nog even wachtend,
zijn voet al op de treeplank.
„Neen”, bekende Ruysch eenvoudig, „neen, eerlijk gezegd, niet. Ik heb
niet zoo heel veel, dat weet je ook wel, maar ik kan toch het leven
niet haten. En dan... ik geloof dat ik eigenlijk nog altijd hoop...”
Feenstra knikte peinzend en zij scheidden.