Hij was de stad genaderd en de toenemende volte op den breeden,
stoffigen weg noopte hem tot langzamer gaan. Ook het paard was
klaarblijkelijk vermoeid, grauw schuim stond hem op de flanken. Grauw
en strak voelde hij het eigen gelaat—, keel en verhemelte dor-dorstig,
nu de spanning der gedachten even in hem brak, drongen de lichamelijke
aandoeningen te scherper en kwellender tot hem door, de zon flikkerde
schel in ’t water van de kali, terwijl hij stapvoets reed over de lange
planken brug, stof wolkte op tusschen de naden, hij voelde ineens dat
zijn hoed hem schrijnde, dat zijn stijve, witte kleeren hem hinderden,
een gloeiende prikkeling voer hem over de huid—, toch weer niet van de
warmte alleen. Stoffig bestoven waren de kleurige kleeren der
Inlanders, de vruchten en groenten en snoepwaren hunner draagbare
winkeltjes—, een verlangen naar koelte beving hem als een dorst van
heel zijn huid. En zóó kon hij toch ook niet bij haar komen. Eerst even
aanrijden in het hotel om zich te verfrisschen. Het vooruitzicht van de
koele zalen, met glad glanzend marmer bevloerd, met den vruchtenreuk en
de ruime rieten stoelen, de ijskoude dronk, die hem daar wachtte,
verzoette even den hinder van warmte en stof—, oplettender mennend nu
voertuigen van allerlei soort—ossekarren en kleine rijtuigen, ook wel
victoria’s of landauers met winkelende dames, die hij meerendeels kende
en groette—in dorre stofwolken voorbijjoegen of wel kalmer stapten,
liet hij toch zijn gedachten weer terugkeeren naar wat er in de
verloopen weken met hem was geschied.
Dien eersten dag na de betoovering van den maannacht niets dan
verlangen het gebeurde te vergeten en uit zich weg te doen—een bittere
nasmaak bijna—en de hoop dat zij het ook zoo voelen en willen zou, dat
alles voorbij, als niet-geweest zou zijn. Den anderen dag een begin van
verlangen om te weten of zij werkelijk ook alles vergeten wilde en
vergeten kon—, niets, wist hij stellig, dan nieuwsgierigheid naar haar
gevoelens als „vrouw”, als „geval”. In den avond van dien tweeden dag,
weer mijmerend langs duisterenden zee-oever, genietend koelte en reuk,
had hij zichzelf betrapt op de berekening wanneer zij thuis kon
zijn—eerder dan hij-zelf, wist hij, zou ze terugkeeren—en op de
stijgende benieuwdheid of ze al dan niet hem schrijven zou. Toch nog
zonder verlangen, meende hij te mogen volhouden, eerder in een zekeren
angst, vermengd met een zonderlinge, weinig fraaie nieuwsgierigheid. In
de dagen die volgden voortdurend de mogelijkheid dat ze schrijven zou,
in zichzelven wikkend en wegend, had hij zijn thuisreis twee dagen
vervroegd, enkel maar om daaromtrent zekerheid te hebben, zichzelf
schamend voor zoo dwaas een beweegreden, nog meer zich schamend, omdat
hij geen lieve of zachte of teedere gevoelens voor haar in zich
oproepen kon en toch zich voortdurend met haar bezighield.
Gedurende de thuisvaart had hij de innerlijke zekerheid in zich voelen
groeien, dat er een brief van haar zou zijn, moest zijn—die blik,
vóórdat hij de boot verliet—na zijn vertrek dien dag moest ze zich toch
bezonnen hebben, spijt gevoeld hebben omdat ze hem zich zoo ruw en
onbeheerscht had getoond, verlangen om dat weer goed te maken, het kon
niet anders. Elken keer opnieuw had hij dit alles gewikt en gewogen en
telkens wanneer zijn gedachten tot het besluit kwamen, dat er in zijn
huis een brief van haar op hem wachten moest, dan keerde ook
tegelijkertijd zijn tegenzin terug, dan wist hij weer zeker: neen, hij
wilde niet, hij wilde niet, hij gaf niets om haar, zelfs in die weinige
overweldigende oogenblikken was zijn verteederd smachten langs haar
heen en boven haar uit gegaan, had hij haar kussen maar genomen als
stilling van het heimwee, dat dieper, veel dieper dan waartoe zij
reiken kon, binnen in hem schrijnde.
Naar huis van ’t laatste stationnetje af uit den heeten, stoffigen
trein verademend op zijn hooge wagentje, had hij zijn paard doen
rennen—hoe zijn hart had gebonsd toen hij, na den jongen de teugels
toegeworpen te hebben, snel de hooge trap beklom en in de voorgalerij,
waar ’t duister scheen na ’t laaiende witte licht, het felle
zonnebranden buiten, met bevende vingers den stapel brieven doortastte,
die daar lag opgegaard van dagen. Niets van haar—, hij wist het
onmiddellijk. En hij was zoo zeker geweest! Nog eens, in flauwe hoop,
scheurde hij eenige der brieven open, waarvan hem het handschrift
onbekend voorkwam, eigenlijk al tegen beter weten in. En toen zijn
razernij, zijn woedende verliefdheid ineenen, die hij beter deed
„verliefde woede” te noemen en waarvan hij eigenlijk geen oogenblik
dupe was geweest. „Adolphe” smaalde hij zichzelf,—alreeds in dat eerste
oogenblik, toen hij duizelig bleek en met een wee gevoel van
teleurstelling en leegte in zijn stoel gevallen was. En ’s avonds had
hij het boekje van Benjamin Constant uit de kast gezocht—dat hem de
dokter eens was komen brengen als „remedie tegen de liefde”, dat hij
met wrevel en tegenzin gelezen, maar nimmermeer vergeten had—en hij had
zichzelf trek voor trek met „Adolphe” vergeleken, zichzelf voorhoudend
dat niets dan teleurstelling en gekrenkte ijdelheid die ijle, onzuivere
vlam in hem aanjoeg, dat hij niets voor haar voelde, niet verliefd was,
haar niet in zijn bijzijn verlangde, niet bij haar behoorde—, dat hij
stellig haar zou hebben afgewezen, als ze nog was tot hem gekomen, als
ze zich aangeboden had, maar geslapen dien nacht had hij niet.
En na dagen uitzien naar een brief—huiswaarts jachtend van zijn werk,
verstrooid in gezelschap, korzelig tegen het personeel, zichzelf
verfoeiend om een gevoel, dat hem in eigen oog onteerde, had hij, in
een bitter besef van onmacht en kleinheid, zelf geschreven, zich
dwingend tot half-schertsenden flirtation-toon, „zouden ze elkaar nooit
weer terugzien?”—ze had hem na dagen in een kort, koel-schertsend,
bijna-spottend briefje geschreven dat ze hem natuurlijk gaarne weer
eens zien en ontvangen zou in haar huis, zoodra hij in de stad en haar
buurt uit kwam.
Het was zoo duidelijk, alles, de woorden, de toon, ze wilde niet, of ze
dorst niet—o, ze had geen hart, zwoer hij in zijn verwoedheid,
vergetend dat hij haar misschien zoo geantwoord zou hebben als zij hem
het eerst geschreven had—ze wenschte geen schandaal, geen opspraak, ze
was alleen maar ijdel en nieuwsgierig, ze zou hem ontvangen met haar
man, den onnoozelen jongen, dien ze vertellen zou, hoe ze hem had
ontmoet aan boord en dat hij haar geholpen had met kind en bagage of
zoo iets. En de brave bloed zou hem dan bedanken, de kennis willen
voortzetten, hem ten eten houden... o, de lamme comedie. Wat had hij
dan wel gewild? Wist hij niet—, alleen dat hij „iets” wilde, omdat zij
nu „niets” wilde.
Toen had hij dan maar weer gewacht, bitter zichzelf afvragend of dat nu
het wezen van liefde en hartstocht was—enkel het willen hebben wat zich
niet vangen laat—, het willen grijpen wat ontvliedt—, vaak was hij
verliefd geweest, maar had nimmer een zoo brandend gevoel gekend als
nu, terwijl hij nu eigenlijk niet verliefd was.
Ten leste had hij, het opgevend tegen zijn lusteloosheid, haar geen
tijd tot weigeren latend, zijn bezoek aangekondigd, op een uur dat haar
man niet thuis kon zijn, in den voormiddag. En daartoe had hij zich nu,
vol ongeduld en kwellende onrust, stadwaarts begeven...
Haastig, met afgewend gelaat langs de bezette tafeltjes sluipend om
niet herkend en opgehouden te worden, had hij in een hoekje achter
palmen binnen in de zaal met groote slokken den kouden drank gedronken,
waarnaar hij zoo had verlangd en die nu nauwelijks door zijn keel
wilde. Benauwd en lam voelde hij zich, nu het oogenblik gekomen was—,
met afrekenen vergiste hij zich twee keer achtereen en de Chineesche
bediende, die gewend was de planters op hun vrijen dag gezelligheid te
zien zoeken, en zich al verbaasd had om zijn wegschuilen keek hem nu
met medelijdende verwondering aan. Zijn paard liet hij achter om te
rusten, sprong in een leeg huurrijtuigje en reed naar het laantje van
officierswoningen, te midden waarvan de hare was gelegen.
Een duizeling als een stuip beving hem toen bij het uitstappen—als een
heete roode nevel rees hem het bloed naar de slapen, aan het hek moest
hij zich vasthouden om niet neer te storten—, wezenloos starend langs
den leegen naakten weg, die als wit-gloeiend uitlag onder de zon. Was
dat ook krankzinnig jachten in die helsche hitte. Onbewogen wachtte de
bruine koetsier op zijn zilvermuntje. Zijn klamme vingers diepten het
met moeite uit zijn beurs. Had hij nog wel geluid om iets uit te
brengen en om den huisjongen te roepen?
Het behoefde niet. Van terzijde het huis, de hand langs de bamboeheg
schurend dat het stof eraf wolkte, kwam traag, als onwillig, tenger en
stemmig in blauw en bruin, de voeten diep in ’t grauwe, mulle zand, de
oude baboe voor den dag. Kwam de toewan vroeg ze, om de njonja? Het
duurde enkele oogenblikken voordat hij haar verstond, nog niet geheel
bekomen van zijn duizeling. Hij keek in ’t onbewogen, bruine gezicht,
het was strak als een oud masker, de oogen neer—, en toch voelde hij
onmiddellijk dat ze hem herkend had en alreeds wist waarom hij kwam,
dat ze hem hadden begluurd, dat hij niet zou worden binnengelaten, dat
hij haar niet zien zou. Zoo tergend was dat strakke masker, de dorre
vingers die aan den zoom van de sarong plukten, de neergeslagen
oogleden, waarachter hij plotseling sluwheid en leedvermaak vermoedde,
dat hij ineens den lust voelde met de vuist op dat gezicht te slaan en
in die ééne gewelddaad al zijn leed, woede en zelfverachting uit te
storten en te koelen.
Het effen, oude stemmetje meldde hem dat de njonja ziek
was—schrikkelijke hoofdpijn had ze—en dat ze niemand kon zien. Maar als
de toewan binnenkomen en een glas tamarindestroop drinken wilde?
Hij hoorde het nauwelijks, had al zijn zelfbedwang noodig om niet in
woedende, onzinnige bedreigingen los te barsten.
Boven den weg trilde de lucht van felle hitte, zwaar en flets, als
versmoord van stof hing het gebladerte van acasia’s en palmen neer, een
leeg huurrijtuigje naderde met kalmen stap; bijna ingedommeld op den
bok, loerde de koetsier nog met een half oog uit naar een vrachtje. Hem
ziende, hield hij de teugels in en toefde, wachtend, ineens wakker,
voor het tuinhek. Werktuigelijk naderde Feenstra het karretje, steeg
in, de onverwachte ruk, waarmee het paard zich plotseling in draf
zette, deed hem bijna tuimelen, heenrijdend zag hij het baboe-figuurtje
weer langs het huis om den achtertuin ingaan, waar mangaboomen roerloos
stonden hoog uit boven het lage dak...