Trappelend van ongeduld keek Feenstra toe, terwijl zijn staljongen
paard en buggy in orde bracht en al een paar maal waren de stille
bruine oogen naar hem opgegaan vol verwondering over zijn
ongewoon-korzeligen toon. Hij begreep, dat juist zijn jachten den man
„bingoen” maken moest, forceerde zich dus tot kalmte en stak
wegslenterend een cigarette op. Zoo kwam het werk vanzelf gereed en de
man zei het hem met zijn onderdanige, zachte stem. Hij gaf dan nog
enkele opdrachten, ook voor de anderen, beklom vlug het wagentje en
reed heen, stadwaarts.
Anderhalf uur had hij te rijden, zijn vrije dag lag schier
onaangebroken voor hem uit—, het was nog vroeg. Hij reed over gladde
wegen, tusschen feestelijk gekleede menschen—zijn vrije dag was een
algemeene vrije dag—maar niets was er, waaraan zijn oog zich hechtte,
hij mende achteloos en broedde op eigen gepeins. Zijn hart bonsde,
zweet stond in parels op zijn voorhoofd en niet van warmte alleen, van
spanning, van emotie, en dat alleen om een vrouw van wie hij niet
hield, van wie hij zelfs niet zich verbeeldde te houden, omtrent wie
hij geen illusies had, alleen maar omdat ze hem verstiet, na hem eerst
aangetrokken te hebben, omdat ze met hem speelde, het oude banale
spelletje van de vrouw met den man, dat hij zoo lang al kende, waarvan
hij niet geloofd had nu nog dupe te kunnen zijn.
Een maand geleden ongeveer had hij haar ontmoet, toen hij na een week
koorts, met eenige dagen verlof, een uitstapje had gemaakt naar de
overzijde van de Zeestraat.
Het was volle maan geweest, een zoele, overzoete nacht, wanneer het
hart een instrument gelijkt met strakgespannen snaren, trillend op de
geringste beroering, volle maan, de zee als glad metaal, stil en
eindeloos wijd, en overal de ruige, zwarte kegels, vulkaan-eilandjes,
als sombere gestalten, van een lokkende geheimzinnigheid, in hun
duistere diepten van geheimen en raadselen vol. Uitliggend in zijn
stoel had hij er heen gestaard, over den stillen zilten zilvervloed,
waar de boot rimpels in kliefde en uit zijn hart trok een nameloos
verlangen daarheen, als een pijn bijkans, om het wezen te kennen van
alle vreemde dingen, die daar leven moesten en die hem hun hart
verborgen hielden, doch hem van uit de verte verontrustten met hun
aanwezigheid. Niets dat geheimzinnig was, geen vertelsel, geen
bedenksel haalde in huiveringwekkende diepte bij de machtige bekoring
dier duistere, ruige, doode vulkanen, nachtelijk zwart rijzend uit
zilveren zee. En dan, o God, die geur, die zoete rotheid die van overal
aanwoei, ontbindende vruchten, in het verborgen gerijpt, in ’t
verborgen welkend, verterend loof in de wouden daarginds, laag op laag,
van jaar op jaar, door geen oog aanschouwd, door geen voet beroerd...
Iemand had aan dek, eigen zang begeleidend op een mandoline, een banaal
Italiaansch deuntje gezongen—, was het eigenlijk wel banaal geweest?
Niet in dien nacht, toen had het ondraaglijk zoet en huiveringwekkend
diep van heimwee en klacht geklonken en hij had geschreid als een kind
van eigen heimwee en nameloos, mateloos verlangen. Om geluk had zijn
ziel geschreid. Hij was niet gaan slapen, alleen gebleven aan dek.
Met de anderen tegelijk had zij hem, in ’t vorderen van den avond,
goeden nacht gewenscht en was naar de hut gegaan waar haar kind al
sliep. Haar oogen hadden hem toegeblonken, met een smachtenden,
vochtigen blik, een geur uit haar haren en haar kleeren, in ’t snelle
omwenden, een zilveren dauw over haar nek, een helle glimp op haar
tanden, toen ze nog even omkeek. In dat omzien had ze hem al
vastgegrepen. Hij kende haar al wel langer, een officiersvrouwtje was
ze, in Indië geboren, dochter van een planter. Indisch bloed had ze in
zich, ze was nog maar kort getrouwd, hij had indertijd over haar
huwelijk hooren spreken, ze had als meisje den naam van flirt gehad,
het officiertje, een grasgroene Hollandsche jongen, over hals en ooren
verliefd, was van allen kant voor haar gewaarschuwd—, had toch
doorgezet. Na haar huwelijk bleek ze onberispelijk in haar gedrag en nu
had ze een kindje.
Dit alles had hij zich na haar weggaan voor den geest gehaald—toen
waren zijn gedachten weer uitgevloeid in een nevelig mijmeren tot hij
haar plotseling achter zich had hooren loopen—, even later zat ze naast
hem in haar stoel en vertelde hem dat ze ook niet slapen kon, want zoo
warm in de hut... en dat haar kind... en de baboe... en voor hoe lang
ze ging... en haar man op expeditie... hij had dit alles maar half
verstaan, alleen maar in hartbonzende ontroering gekeken naar haar
oogen, haar tanden, het teere opgeheven gezicht, waar de maan op scheen
en altijd rondom die reuk, die zoete, rotte reuk, en dat
mandoline-deuntje dat nog naklonk in zijn ooren en het schrijnend
verlangen in zijn hart, het dolende, onbestemd smachten. En toen was
dat onbestemde ineenen bestemd geworden, het verstrooide had zich
samengetrokken, het dolende had zich als gekristalliseerd op haar, die
daar bij hem zat: haar wilde hij, haar in zijn armen, haar kussen, van
haar verlangde hij de stilling zijner hartsbegeerten, van zijn
schrijnend heimwee, de oplossing der vage beloften die hem wind en
wouden in zijn eenzame woonplaats sinds jaren toefluisterden en die hij
altijd door in zich omdroeg. Hij voelde zich bleek worden en in een
smachtende weekheid verteederen... zij wilde hem ook, dat was zijn
zekerheid, zijn eenige duidelijke gedachte, die hem trouwens
vanzelfsprekend scheen, als hoorden ze bijeen. Wie had toen het eerst
gesproken, wie had het eerst dat ademloos staren in elkanders oogen
gebroken, wie het eerst getoond dat hij begreep en den ander aan het
hart getrokken? Zijn gemoed had gestormd in heftige bewogenheid, maar
zij werd dadelijk weer dartel en coquet, altijd door lachend, rad
pratend tusschen kussen door. Hij had willen vragen, zwijg nu toch,
zwijg nu toch—, de nacht zoo schoon... het uur zoo kostbaar... hem
hinderde die parelende lach... doch ze voerde hem weg in al dieper
bedwelming en wat ze zei verstond hij toen zelfs niet meer... het
praten en lachen ruischte langs zijn verdoovend gehoor, zijn kwijnend
bewustzijn..., tot hij op eenmaal in een laatste lach-pareling, die
bijna spottend klonk, haar als wind uit zijn armen voelde wegzweven.
Verschrokken de oogen opslaand, zag hij in maanglans haar witte
kleeren, haar smal figuurtje, een coquetten handwuif, weer dien glimp
als van zilver op parelmoer, de maan in haar open mond, en de reuk van
haar uit, voordat ze verdween naar beneden...
Hoe had hij den nacht verder doorgebracht? Even soms sluimerend, dan
weer opspringend uit zijn stoel met een bitter en wild gevoel binnen in
zich om haar spelen, haar leelijke spelen van zoo te komen en weer te
gaan, zoo een man te verontrusten... telkens toch nog hopend dat ze wel
weer komen zou, tot eindelijk maanglans wegtrok en morgen daagde, en de
wijde zee geen zilver meer afstraalde, maar loodgrijs rimpelde en rilde
in ’t verbeiden van de zon. In ’t rozig licht daagde dan daarginds de
breede reede—palmen als knipprentjes scherp langs een opglooienden
heuvelrug, zwarte blokjes van huisjes tegen al feller en vuriger
horizont, morgenwind, koel en zoet en aan dek de blootvoetige
bedienden, zwijgend en ijverig zich haastend voor ’t bereiden van een
vroeg ontbijt.
Zij was aan dek verschenen, wit-gekleed en met altijd dien parelenden
lach, pratend met den kapitein, doch langs dezen heen een zwaren blik
vol herinnering en belofte in zijn oogen borend. Toen, vreemd, had hij
ineens een kilte gevoeld—, was het omdat de lucht verduisterde voor hem
uit en een dreigende wolkentoren zich heenschoof voor de jonggeboren
zon? Alles aan hem en in hem scheen slap en doodelijk dof. Maar hij had
ook den ganschen nacht niet geslapen.
Op het oogenblik dat de boot aanlei aan de kade, braakte de hemel zijn
regenvloed uit vlak boven de stad. De wachtende riksjouw-Chineezen
wierpen zich ijlings den grof-strooien mantel om, die hun het uitzicht
van wilden in oorlogstooi gaf, om vooral klaar te wezen voordat de
reizigers den wal betraden. Zij had het nu zoo druk met regenmantel en
pajong, plotseling schel kijvend in rad Maleisch tegen de oude baboe,
die hulploos tobde met het schreiende kind, terwijl de kapitein,
tusschenbeide tredend, aanbood haar aan boord te houden totdat de bui
bedaard zou zijn, dat ze hem volkomen vergat. Even aarzelde hij, zag
toen hoe ze zonder omzien den kapitein volgde, nog snauwend tot de
baboe—toen verliet hij de boot, liet zich in een riksjouw dwars door de
bezige stad naar zijn hotel brengen, stortte zich daar op bed en viel
in zwaren slaap.
Moeizaam was zijn ontwaken—, de regen had opgehouden, het was warm en
duf binnen in de kamer. Het hotel lag vlak aan de uiterste straten van
de uitgebreide Chineesche buurt, door den dunnen muur heen hoorde hij
schreeuwen en heet kijven—, zeker werd daar fel gedobbeld, hij hoorde
ook den zich aldoor verplaatsenden roep van een koopman dien hij echter
niet kon verstaan. Even hield hij zijn aandacht bij dat roepen, met
zichzelf weddend, dat hij het dan en dan daarna opnieuw, weer hooren
zou, zich afvragend hoe zoo’n man altijd precies op regelmatige
tijden... en dat hij toch in die volte wel drommelsch vlug liep of
misschien een hoek was omgegaan... of wellicht juist bezig iets te
verkoopen want hij hoorde niets meer... ja, toch, daar was het
opnieuw... nee, nu was het een ander, die uit de verte dichterbij kwam,
zijn stem trouwens geheel verschillend, zijn roep ook anders, deze stem
oud en broos... en slepend, de andere krachtig en rauw-kortaf...
Toen dacht hij aan haar en een loome last viel op zijn leden..., hij
werd geen lust en geen verlangen in zichzelf gewaar... hij proefde geen
zoetheid aan de herinnering... hij wierp zich om met zijn gezicht in
het kussen... ze moesten maar beter vergeten zijn, de oogenblikken van
dien nacht, de maan had hem parten gespeeld, de maan had hem aan
zichzelf ontvoerd, en toch weer niet zóó of hij had in de eerste
ademroovende ontroering alreeds gevoeld, dat ze niet te zamen voegden,
hij en zij.
Als zij nu ook maar hem vergat, als zij nu maar niet, thuisgekomen,
zich vervelend, weer zou trachten hem tot zich te lokken. Als ze hem
maar niet schreef, niet poogde te bezoeken. Hij had niet de minste
verwachting van een nadere bekendheid, geen flauwe hoop, geen aasje
verlangen naar een toekomst voor hen beiden. Als zij het eveneens
begreep, dan was er immers niets geschied. Zoo mijmerend en
overleggend, had hij zich aangekleed, in de vruchten-geurige, koele,
heldere eetzaal, weer wat rustiger nu, gedejeuneerd en was tegen
zonsondergang naar den zeekant gewandeld, waar in ’t koele weer de
gansche stad verkwikking zocht en waar hem de pompeuze equipages der
rijke Chineezen onhoorbaar op hun gummiwielen voorbijgleden in langen
stoet...