Feenstra haalde de zware, grauwe krees omhoog en liet den dag binnen.
Verrast en bedwelmd stond hij met het koord nog in de hand; in den
nacht was de koffie gaan bloeien. Die geur! Even toefde hij, wond toen
het koord om den knop, lei den strik en daalde op klappende muilen de
tien trapjes af, om op het cementen pleintje voor zijn huis zijn
morgenkoffie te nemen. In de volle lucht wilde hij nu zijn, zelfs niet
in de open galerij, geen dak duldde hij boven ’t hoofd in dit goddelijk
weer, deze zalige morgenkoelte, elke minuut daarvan moest hij genieten.
Nu leefde hij, nu stond zijn borst open voor alle gevoel, zijn geest
voor elken indruk, nu nam hij alles scherper op, nu leken kleine dingen
hem verdiept en vergroot en was hij innig weltevreden. Nu vond hij iets
terug van de aandoeningen zijner jongensjaren, toen hij boeken over
Indië las en prentjes keek, in de werkelijkheid van het landschap vol
versche kleur en morgenglans, de tuin met boomenrijen en bloemenhaag,
met glanzende palmen, frisch prijkend in de wijde tobben, waar nu één
na één stille, levende figuurtjes, beweging en ziel kwamen brengen, een
tuinjongen, slank en recht op zijn sterke beenen en zoowaar al een
Chinees, die met koopwaren dicht langs de heg naar ’t achtererf sloop.
Daar, daar achter ontwaakte nu alles, daar was nu stellig al veel meer
bedrijvigheid dan hier, daar siste het heete klappervet in de pan, dat
de lucht tot hem doordrong, en straks ging het kleine vrouwtje van den
huisjongen, zelf nog een kind, haar zoontje baden, dat nog nauwelijks
loopen en heel niet praten kon. En daarbij droeg ze dan de sarong onder
de armen vastgeknoopt, de bruine glanzende schoudertjes bloot. Zoo had
hij haar al eens gezien, komend van den put na haar bad en zij wist,
dat hij haar had gezien en ze lokte hem sindsdien met haar oogen. Hij
voelde het wel, het was van haar maar speelschheid wellicht en dat haar
man haar ontrouw was wist hij ook, had al meer dan eens twist moeten
bijleggen, maar toch, hij wilde niet, neen, hij wilde niet, in geen
geval. Geen nagemaakte liefde meer, had hij zich voorgenomen, na de
laatste ontgoocheling. De laatste van de vele!
Niet aan denken. Zoometeen kwam Ruys beneden, de administrateur. Ruys
logeerde bij hem voor de paar dagen dat zijn huis werd opgeknapt, want
hij was zijn vriend en naaste buur. Hij hield van Ruys, zij beiden
pasten eigenlijk alleen bij elkaar, tusschen de anderen.
Hij had ook Van Till wel mogen lijden. Die was nu getrouwd. Een heel
ander leven. Had het voortdurend over zijn geluk. Niet zoo heel
genoeglijk om aan te hooren. Hij zelf hield niet van zooveel woorden,
klonk licht boekerig. Van Till was toch wel wat „boekerig”, deze
laatste maanden, vier, sinds zijn trouwen. Ze lazen veel te zamen, zijn
vrouw en hij, had hij hem wel gezegd, als ze ’s morgens naast elkaar in
de velden liepen. Allemachtig beschavend. Ja—, ze verbeterde zijn
uitspraak. Hij speelde weer viool. En er was toch heelemaal iets
opgeschroefds aan, of niet? Lag het aan hem, aan zijn zwartgalligheid?
Was hij jaloersch? Dat was hij zeker—, en niet het minst om hun
verwachting. Een kind! Dat immers was het echte, het eenvoudige geluk,
daar kwam geen opgeschroefdheid of aanstellerij bij te pas.
Aanstellerij... maar meende hij dan werkelijk dat Van Till zich
aanstelde? Neen, maar wel dat hij overdreef. En door de schuld der
anderen. Het vrouwtje was heusch van huis uit zoo kwaad niet, maar ze
zouden haar bederven door hun overmatige vergoding. Ach, hij begreep
wel, die gold eigenlijk meer het „vrouwelijk element” in hun midden—,
bijna had hij gezegd, het „symbool”, maar de vrouwen zelf zagen dat zoo
niet in en meenden dat al die gevoelens op haar persoontje gericht
waren en gingen zich dan heel wat verbeelden. Hier in Indië, en dan in
dit gewest waar nog zoo weinig „volbloed” Hollandschen waren,—eigenlijk
een klein tikje mal, al dat toasten op „de dames” en in de kranten
berichtjes met veel ophef, dat er een „dame” op een vendutie was
geweest. Daar werden ze dan misschien wel een klein beetje precieuserig
van. Hij zou niet graag tegen een der anderen aan deze gedachten uiting
geven. Die hadden niets dan lof en bewondering en prezen om strijd de
aanwinst. Ze stuurde ze fleschjes koffie-extract, dat ze zelf trok en
boeken. Ze wilde muziek-avondjes arrangeeren en liet een portefeuille
met etsen en prenten rondgaan. Allemachtig beschavend! De woorden waren
van Bartels—ze kwamen hem nu telkens in den zin. Hij hield niet zoo
heel erg van Bartels. Maar hadden misschien niet juist de anderen
gelijk en was hij zuur, zwartgallig, jaloersch?
„Hallo, Ruysch, dezen kant uit.” Ruysch, uit zijn kamer getreden, zocht
hem blijkbaar op de voorgalerij, hij was den vorigen avond aangekomen
en kende nog zijn morgengewoonten niet. Hem tegemoetgaand, lichtte hij
hem in—, en meteen kwam nu de jongen met de geurende koffie, ’t dampend
melkkannetje, de kopjes op het blad.
„Op den toewan-besaar gewacht” glimlachte Feenstra, zacht sprekend,
terwijl de jongen de koffie schonk.
De administrateur ging zitten. Zijn versch aangetrokken kleeren
kraakten en vouwden zich moeilijk, in stijve plooien. Hij was sterk
gebouwd en even boven de vijftig. Onder de overhangende grauwblonde
snor was de mond stroef en wat droevig, de oogen lagen hem diep in het
hoofd aan weerszijden van den krachtigen, flauw-gebogen neus. Met die
oogen hield hij alles, dat primitief was, in bedwang, kinderen en
koelies en dieren—, men zei, dat zelfs een tijger voor zijn vasten,
diepen blik uitgeweken zou zijn. Toch was hij niet hard en werd niet
gevreesd, alleen maar ontzien. De Chineesche en Javaansche werklui
zagen tot hem op als tot een sterker, hooger wezen die in elken nood
uitredding brengen kon. Ze wisten hem rechtvaardig, open voor hun
klachten, ernstig verzet was nog nimmer voorgekomen onder zijn beheer.
Hij was al jong in het gewest gekomen. Die toen met hem gewerkt hadden
waren verhuisd, vertrokken of gestorven, van degenen, met wie hij nu
omging, wist niemand meer iets van zijn jonge jaren. Hij was gesloten,
weinig gastvrijheid biedend, weinig vragend, toch niet onhartelijk.
Geen zonderling, maar van nature afzijdig, sloot hij zich bij niemand
aan. Doch zijn scherpe blik had in Feenstra onmiddellijk den man
herkend, die misschien een vriend zou kunnen wezen. Feenstra was veel
jonger, nauwelijks dertig, met iets in zich van een droomer, maar
wakker in zijn werk. Op een jachtpartij hadden ze bemerkt dat ze te
zamen zwijgen konden, later nog in meer dingen, kleinigheden meest, dat
ze gelijkgestemden waren. En toen had Feenstra bemerkt, dat die stille
diepe man van een kinderlijken eenvoud was, die de menschen meed om hun
degelijkheidsvertoon, hun zoogenaamden ernst en alleen soms in boeken
het eigen verlangen naar eenvoud terug vond. Zonder veel woorden hadden
ze elkaar voortaan verstaan.
Ruysch was met zijn werk van lange jaren rijk geworden, maar hij gaf
niet om geld. Met simpel plichtsgevoel had hij zich aan zijn arbeid
gegeven en op zijn stille stipte wijze de eene verbetering na de andere
tot stand gebracht. Feenstra had veel van hem geleerd.
Ze dronken hun koffie uit en Ruysch stond op voor zijn ronde, hij vroeg
Feenstra hem te vergezellen.
Ze gingen. Er was nu overal bedrijvigheid en wemeling van kleuren. Op
de uitgebreide plantage, waar ze woonden, werd tabak en koffie en
rubber verbouwd, ze lag vrij afgelegen, maar buitengemeen
schilderachtig aan de bocht van een levende, snelle rivier, vlak tegen
het oerbosch aan, en langs den horizon kartelden de verre bergen. Het
was Feenstra’s liefste tocht, in den vroegen ochtend het oerbosch
binnen te dringen, daar lag het hart van de natuur, nooit kon hij zich
aan de heerlijk-bange diepten, de duisternissen tusschen de boomen, den
altijd vochtigen bodem, waaruit zoete walm opsloeg, die tot droomen
noodde, nooit kon hij zich aan dit alles verzadigen. Gaarne zag hij er
de apen spelen, maar hij wilde niet dat men ze voor hem ving en opsloot
in een kooi, dan werden ze dadelijk klaaglijk en vulgair, maar zoo,
slingerend aan de takken, in den top van een boom, zwarte, wonderlijke
silhouetten tegen de hooge lucht, waren hunne standen vaak prachtig.
Al die kleine gedachtetjes en indrukken te mogen deelen met een lieve
vrouw, zonder veel woorden elkaars hart binnen te gaan! Niet zoo erg
veel boeken samen lezen, niet zoo altijd samen prenten zien en
musiceeren, niet zoo hevig elkaar beschaven, niet zoo monter werken aan
elkaars ontwikkeling, niet er zoo voor gaan zitten om een lief gezin te
stichten—, maar alles van zelf, zooals nu tusschen hem en Ruysch, doch
dieper en vaster, nog heel anders, natuurlijk.
Zou hij nu Ruysch kunnen vragen, hoe die het vrouwtje van Van Till
vond? Liever niet, Ruysch gaf niet graag zijn oordeel over menschen.
Een uur later waren ze thuis om te ontbijten, de zon stond al hoog en
alles had zijn morgenfrischheid bijkans afgelegd. In Feenstra was iets
toegesloten, dat zich niet openen zou voor den anderen morgen.
Uit de voorgalerij trad hun een onverwachte gast tegemoet, de dokter.
Hij had zich verlaat in het hospitaal en was nu maar even komen
aanwippen om te ontbijten.
Hij zat als altijd vol praatjes en pret. De wereld was hem een
schouwtooneel, waar hij zich eeuwig vermaakte en altijd zou blijven
vermaken, beweerde hij, zoolang er nog maar twee menschen met hem
leefden, om voor hem de kunstenmakerij van hun bestaan te vertoonen.
Hij merkte alles op en was meedoogenloos in zijn spot, die ook eigen-ik
heelemaal niet spaarde, vol beweeglijken ijver, dwepend met Shaw en op
zijn manier een vrouwenhater.
„In lang niet gezien... gezellig je weer eens hier te hebben. Veel werk
aan den winkel?”
Ze zaten aan met goeden eetlust en spraken middelerwijl over den
gezondheidstoestand op de eigen onderneming en elders in de buurt.
„Gisteravond bij de Van Till’s geweest” begon dan de dokter, het
zakelijk gesprek meteen afsluitend.
Ruysch lachte, zijn zwaren goedigen lach.
„Als jij alleen maar zoo iets zegt, dan klinkt het al venijnig”
beweerde hij.
„Hoe kan je ’t zeggen?” protesteerde de ander, „en ik wilde juist niets
dan goeds gaan vertellen. Ze spelen er zoo aardig „modern huwelijk” dat
is hier nog niet vertoond. Als je zoo eenige jaren meeloopt heb je de
zaak om je heen zoetjes aan afgekeken,—zou je dan niet dankbaar voor
wat afwisseling wezen?”
„Is het waar, dokter, dat jij haar in Holland gekend hebt?” vroeg
Feenstra.
„Niet gekend, een enkele maal gezien op jours bij kennissen. Je weet,
mijn zuster en zwager zijn nette menschen. Nette menschen hebben nette
vrienden. Nette vrienden houden jours. Daar sleepten ze mij heen, in
mijn verloftijd. Ik vond het trouwens niet erger dan iets anders. Daar
zag ik haar dan wel met een zusje, zoowat eender gekleed, ik zou haar
dadelijk aan haar glimlach herkend hebben. Die vrouwen-glimlach! O, die
lieftallige meisjes-glimlach! Dan trokken ze zoo hun bovenlip op, alle
twee gelijk, als gedresseerde honden, zoodat de tanden bloot kwamen,
die ze dan even vastdrukten in de onderlip, en voor elkeen, die ze
begroetten, vertoonden ze dat opnieuw. Het was bepaald akelig, meer een
grijns dan een lach. En weet je, waarom het zoo akelig was? omdat de
oogen niet meelachten. Zoo lachen alle meisjes, die op „jours” komen.
Let er eens op, Feenstra, als je ooit weer in Holland komt! Ik heb
jullie wel eens verteld, dat mijn zuster twee zoontjes heeft, apen van
jongens die alle menschen nadoen.
„Een groote neef had hun eens verteld, dat wel-opgevoede jonge meisjes
in haar jeugd ’s morgens en ’s avonds „pruimpjes en prisma’s” moesten
zeggen, vijftig maal achtereen, om met een lief mondje te leeren
spreken en lachen. Probeer het eens voor de aardigheid, Ruysch, van
avond voor je spiegel. Pruimpjes en prisma’s! Nu, toen noemden die
bengels de eene „pruimpje” en de andere „prisma”. Ik geloof dat deze
hier „pruimpje” is.”
„Maar ze zag er toen dien avond wel gelukkig uit.”
„Natuurlijk, ze speelt nu pionierster. Ze verspreidt beschaving. Ze
geeft ze nu eenmaal in de maand te eten in een zwarte jas, ze speelt
Schubert voor ze. Ze houden het geen half jaar uit. En dan komt het
mooiste. Dan wil de een voor den ander niet weten, hoe stom-vervelend
hij het vindt, om vooral niet minder te lijken dan de anderen. O,
boerenbedrog! boerenbedrog! Maar wat was de wereld er zonder?”
„Het hoeft toch niet altijd zoo te zijn, dokter” zei Ruysch, „ook als
je in dit geval misschien gelijk hebt.”
„Natuurlijk niet..., maar komaan, zou jij misschien op je ouden
dag...?” hij onderbrak zichzelf met zijn gewone radheid, keerde zich
naar Feenstra, dien hij onderzoekend spottend aankeek door zijn bril
met de kleine stekende oogen, „of is er iets met onzen jongen vriend
niet pluis?” Meteen stak hij hem de hand tot afscheid toe. Feenstra
wist niet recht of hij lachen of boos worden moest.