Om kleedingstukken van elkander te kunnen onderscheiden, merkt men ze,
en doet dit gewoonlijk met den kruissteek. Bij breiwerk kan men het
er echter ook in breien. Men plaatst in kousen niet alleen den naam,
maar ook een cijfer, waardoor men, als de kousen gewasschen zijn, de
paren weer bij elkander kan voegen, b.v. bij het eerste paar werkt men
in iedere kous eene 1, in het tweede paar in iedere kous eene 2, enz.
Om een merk in een kous te breien, teekent men, wanneer de boord
naar boven gehouden wordt, de letters aan de rechterzijde van het
naadje en het cijfer aan de linkerzijde (zie fig. 19). Dan neemt
men de teekening vóór zich met den boord naar onderen (zie fig. 20),
omdat men het breiwerk ook zoo voor zich heeft.
Nadat boven den boord twee naadjes gewerkt zijn, breit men, voor elk
kruisje in de teekening, in den eersten toer een steek averechtsch
en in den tweeden toer een steek recht.
Voor ieder kruisje kan men ook tweemaal boven elkander een steek
averechtsch breien.
Elk ruitje (zie fig. 20), waar geen kruisje in is, stelt één rechten
steek voor in de breedte en twee rechte steken in de hoogte. Fig. 21
geeft eene afgewerkte letter te zien op de eerste manier en fig. 22
op de tweede manier gewerkt.