Evenals men voor den hiel aan het achterdeel van den voet eenige toeren
meer breit, om ruimte te geven voor den voet, breit men vaak in het
kniedeel eenige toeren aan de voorzijde meer dan aan de achterzijde,
omdat de kous voor de knie ook meerdere ruimte noodig heeft dan aan
de achterzijde van het been. Dit behoeft echter niet zoo ruim te zijn
als de hiel en wordt daarom op eene andere wijze gewerkt.
Wij beginnen hiermede, nadat 1/3 van het kniedeel gebreid is (zie
fig. 23). Het is gemakkelijk bij het breien van de knie 5 naalden te
gebruiken en de steken op 4 naalden te verdeelen. Aan de achterzijde
van de kous blijft 1/4 onbewerkt; men plaatst dit vierde deel, waarbij
het naadje de middensteek moet zijn op ééne naald (zie fig. 24cc).
Is b.v. de ronding van de kous op 80 steken, dan heeft men 20 steken
voor het vierde deel. Men plaatst nu aan elke zijde van het naadje
de helft van 20 steken = 10 steken en rekent één steek meer voor het
naadje. Op de naald tegenover het naadje wordt 1/5 van de ronding
geplaatst, in dit geval 16 steken; daar er echter aan de achterzijde
één steek meer dan het vierde deel gebruikt is, trekt men dien van
de steken van de voorzijde af en wordt deze 15 steken (zie fig. 24dd).
De steken van de vóór en achterzijde worden bij elkander geteld
en afgetrokken van het geheele aantal. We houden dus 80 steken -
(21 steken + 15 steken) = 44 steken over. Deze 44 steken worden in 2
deelen verdeeld (zie fig. 24 a en b) en aan elke zijde van de beide
naalden de helft geplaatst, d.i. 22 steken.
Heeft men dit alles berekend, dan wordt de toer van af het naadje
recht gebreid tot aan het einde van de 15 steken, dus 10 steken +
22 steken + 15 steken = 47 steken. Dan ga men aldus te werk: het werk
omkeeren, den eersten steek averechts afhalen en de naald met de 15
steken averechts breien. Het werk omkeeren, den eersten steek recht
afhalen, de naald met de 15 steken recht breien en twee steken van
de volgende naald. Het werk omkeeren, den eersten steek averechts
afhalen en 16 steken averechts breien met nog twee steken aan die
zijde van de volgende naald. Men heeft dan 19 steken.
Zoo breit men heen- en teruggaande, telkens 2 steken verder er
bij, totdat de helft van de steken zijn bijgebreid op eene naald;
dan plaatst men de afgebreide steken in twee helften weder op de
zijnaalden (zie fig. 24 a en b) en vervolgt heen en weder telkens
twee steken verder, totdat aan beide zijden de 22 steken zijn gebreid,
en het 1/4 deel aan de achterzijde nog over is.
Deze toeren, die niet over de geheele ronding worden gebreid en waarin
geene minderingen worden gemaakt, maar tusschen andere toeren ingewerkt
worden, noemt men insteektoeren.
Fig. 25 geeft eene kous met eene knie er in gebreid te zien. Deze
kous is, de boord uitgezonderd, met rechte steken gebreid, en de knie
gewerkt, zooals op de boven beschreven wijze is aangegeven. Breit
men echter eene kous geheel in een geribd patroon, dan worden er
gewoonlijk meer steken in de ronding opgezet en is het dus noodig,
meer dan twee steken met iederen toer bij te breien, daar eene knie
in eene kous niet te hoog moet worden gewerkt.
Nadat de knie is gewerkt, worden de overige 2/3 deelen van het kniedeel
gewerkt (zie fig. 23). Bij het rondbreien van den eersten toer zal
men bij den laatsten afgehaalden steek eene opening krijgen, omdat
hier geene verbinding is. Men neemt om dit te voorkomen den steek,
die onder den afgehaalden steek ligt, er bij op de naald en breit
dezen met den afgehaalden steek te zamen. In fig. 23 en 25 is de
afmindering 1 1/4 vierkant lang. Wanneer na de knie evenveel naadjes
worden gebreid als boven de knie en daarna een boord, zooals aan het
begin, dan ontstaat een kniewarmer.