HET AANHECHTEN MET EEN GESPLETEN DRAAD.

Daar het aanhechten met den geheelen draad eenige ongelijkheid in

het werk veroorzaakt, is het netter, maar iets moeielijker, dit met

een gespouwen draad te doen.

De draad, die aan het breiwerk is, moet minstens zoo lang zijn als

eene breinaald. Bij den laatst gebreiden steek draait men den draad

een weinig uit en splijt dezen tot het einde in tweeën. De nieuwe

draad wordt op dezelfde lengte als de oude gespleten; men zal dan

aan het uiteinde van elken draad 4 of 6 dunne draadjes hebben.

Men steekt nu met de naald in den volgenden steek, legt de helft van

den ouden draad langs de steken in de linkerhand en de andere helft

van den draad om de naald. Nu neemt men de helft van den nieuwen draad,

legt de lengte van eene halve breinaald over de naald en houdt ook dit

einde met de linkerhand vast. De steek wordt nu afgebreid, de twee

helften van den ouden en den nieuwen draad een weinig in elkander

gedraaid en vijf of zes steken er mede gebreid. Het werk wordt nu

verder met den nieuwen draad voortgezet. Aan het begin en het einde

van het aanhechten moeten de gespleten draden bij elkander liggen, om,

nadat het werk af is, in de slingering van de steken op de verkeerde

zijde te worden afgehecht.

De nuttige handwerken: handboekje ten dienste der lagere school · 第 26 / 35 题