VAN M’N NIEUWE SCHOOL, M’N NIEUWEN MEESTER,
M’N NIEUWEN VRIEND EN ’N MOSSELENVROUWTJE.
Op een van de eerste dagen van September stapte ik dus voor de eerste
maal naar m’n nieuwe school. De afstand van m’n woning naar de
Veergracht was vrij groot, maar dat was niets bizonders voor me, want
ook m’n ouë school lag tamelijk ver van ons huis, al was ’et dan ook in
’n heel andere buurt.
Ik was tamelijk vroeg gegaan, omdat ik bang was, dat ik misschien eerst
nog zou moeten zoeken, maar dat was niet noodig. De Veergracht was niet
heel lang, en ik wist, dat de school aan de stille zij moest staan. ’n
Huis of vier van den hoek zag ik dan ook al ’n groot wit bord, dat
langs den heelen voorgevel van ’et huis liep, en waarop met ossen van
letters „Instituut Belmans” stond. Als dat bord er niet geweest was,
zou je niet gedacht hebben, dat daar ’n school was, want ’et was
eenvoudig ’n groot heerenhuis van drie verdiepingen, en ’et zag er
precies zoo uit als de andere huizen op die gracht. Ik keek ’et ’es
goed aan: er was ’n hooge stoep, voor de ramen hingen overgordijnen, en
er was van buiten niets te ontdekken, dat op ’n schoollokaal leek.
Ook vond ik niet, zooals bij m’n ouë school, ’n bende jongens, die
tegen de deur aangedrukt stonden of daar voor aan ’et spelen waren. Ik
dacht, dat ik misschien veel te vroeg gekomen was, maar net hoorde ik
’n torenklok kwart voor negenen spelen. Dan ging vroeger onze
schooldeur al open. Ik drentelde dus maar wat heen en weer, en nu
merkte ik, dat ik toch niet de eenige scheen te zijn, die daar naar
school moest. Hier en daar op de gracht liep ’n heer of ’n dame met ’n
jongen van mijn leeftijd, die ook blijkbaar op iets wachtten.
Langzamerhand kwamen er meer, ook wel ’n enkele jongen alleen, en als
we elkaar passeerden, keken we elkaar aan, of we zeggen wilden: „Ben
jij er ook een?” Maar op de drukte voor ’n gewone school leek ’et toch
niemendal.
Hoe dichter ’et bij negen uur werd, hoe meer de wachtenden zich bij de
stoep van ’et instituut ophoopten, en ik voegde me nu ook maar bij ’et
groepje groote menschen en jongens, dat daar staan bleef. Eindelijk
trok een van de heeren de stoute schoenen aan, en schelde. ’Et duurde
nog weer tamelijk lang, maar ten laatste werd dan toch de deur onder de
stoep door ’n dienstmeisje opengedaan, die meteen weer naar achteren
ging en blijkbaar verwachtte, dat we haar wel zouën volgen. Ik liet
natuurlijk de groote menschen voorgaan en ging met ’n groepje van drie,
vier jongens naar binnen.
We liepen ’n lange tamelijk donkere gang door, klommen ’n trap op, en
kwamen toen op ’n ruim portaal, waar ’n aantal kapstokken waren, ’et
eerste wat er ’n beetje schoolachtig uitzag. Op dat portaal stond ’n
m’nheer met ’n kaal hoofd, dat glom als ’n spiegel, en met geen enkel
haartje op z’n geheele gezicht, met ’n gouden bril op en in ’et zwart,
die de dames en heeren begroette, met ieder van hen ’n paar woorden
wisselde, dan den jongen, dien ze brachten, van hen overnam, en naar
binnen stuurde. Er stond op dat portaal ’n deur open, en daarachter
scheen dus ’et schoollokaal te zijn. De jongens, die alleen gekomen
waren, hielden zich ’n beetje op den achtergrond, maar toen alle vaders
en moeders weer heengegaan waren, zei de heer: „Ga jelui ook maar naar
binnen, jongens.”
’Et lokaal, dat ik binnenstapte, was niets anders dan ’n ruime kamer,
met effen blauwachtig grijs behangsel op den muur en linoleum op den
vloer, met ’n schoorsteen en drie openslaande ramen, die op den tuin
uitzagen. Er stonden geen gewone schoolbanken in, maar ’n soort van
donkerbruin geschilderde houten lessenaars met ’n houten stoel er
achter. Verder waren er ’n paar borden op ezels, en aan de wanden
hingen landkaarten en schoolplaten. Over ’et geheel zag ’et er wel ’n
tikje gezelliger uit dan de lokalen in ’n gewone school.
Ik volgde ’et voorbeeld van de andere jongens en ging voor ’n lessenaar
zitten. ’Et gaf je wel ’n gevoel van deftigheid, zoo alleen te zitten,
zoo iets van ’n m’nheer, die voor z’n schrijftafel zit. Ik telde ’es,
hoeveel van die dingen er stonden: er waren er twintig. Twaalf daarvan
waren op dat oogenblik bezet.
De heer van ’et portaal—ik begreep nu, dat ’et m’nheer Belmans zelf
was—kwam binnen, en ging voor de klas staan. Zonder iets te zeggen,
bleef hij ons zeker vijf minuten lang strak aankijken. Waarom, weet ik
niet, want ’et was al dadelijk doodstil. Ik keek ook wederkeerig hem
’es goed aan, behalve wanneer z’n glinsterende brilleglazen precies
naar mijn kant keken, want dan sloeg ik onwillekeurig m’n oogen neer.
Ik kon niet zeggen, dat z’n gezicht me bizonder beviel. Aan overmaat
van vriendelijkheid scheen m’nheer Belmans in elk geval niet te lijden.
Maar ik kwam voor me zelf tot ’et besluit, dat zoo’n gezicht zeker bij
’n stoominrichting hoorde.
Eindelijk scheen m’nheer Belmans ons lang genoeg bekeken te hebben en
begon-i met ’n heel zachte stem en heel langzaam te spreken. ’Et bleek
nu, dat wij allemaal, zooals we daar zaten, nieuwelingen waren, en dat
de school eigenlijk pas den volgenden dag zou beginnen. We werden er
nadrukkelijk op gewezen, dat er op ’et instituut Belmans gewerkt moest
worden, hard gewerkt, en onder deze voorwaarde werden ons de
schitterendste resultaten voorspeld. We kregen verder te hooren, dat
onze schooluren dezelfde zouën zijn, als waaraan we op onze ouë school
gewoon waren, dus van negen tot twaalf en van twee tot vier, behalve
Woensdags en Zaterdags, maar dat we bovendien elken avond van zes tot
acht op school moesten komen, om ons huiswerk daar te maken. Alleen den
Zaterdagavond waren we daar vrij van. Dit waren, zei m’nheer Belmans
uitdrukkelijk, de gewone uren; voor jongens, die ’et noodig hadden,
kwamen daar natuurlijk nog extra-uren bij. Ik raakte aan ’et peinzen
over de vraag, of zulke jongens, die ’et noodig hadden, dan eigenlijk
nog wel den tijd zouën hebben, om te eten en te slapen, maar ik begreep
al weer, dat al zulke dingen nu eenmaal bij ’n stoominrichting hoorden.
Nadat m’nheer Belmans ons op deze manier ’n beetje had voorbereid op de
heerlijkheden, die ons op z’n instituut te wachten stonden, zei-i,
dat-i ons nu wat werk zou opgeven, om ons voorloopig zoo’n beetje aan
den tand te voelen. We kregen ieder ’n paar groote vellen papier, van
dezelfde soort als ik op ’et examen had gehad, en moesten ’n opstel en
vijf sommen maken, en ’n stukje in ’et Fransch vertalen. De sommen en
de vertaling stonden al op den achterkant van de borden geschreven, en
’et onderwerp voor ’et opstel mochten we zelf kiezen. Om twaalf uur
moesten we al ’et werk inleveren.
M’nheer Belmans ging op ’n stoel voor de klas zitten, nam ’n boek uit
de lade en stak ’n sigaar op met ’n bandje er om. In onze lessenaars
vonden we inkt en ’n penhouër, en we konden dus aan ’et werk trekken.
’Et spreekt vanzelf, dat ik met ’et opstel begon. Ik vertelde ’et
avontuur, dat ik ’n week geleden in Zandvoort gehad had, en voor ik ’et
zelf wist, had ik een van de reusachtige vellen, die voor me lagen, aan
drie kanten bijna geheel volgeschreven. Dat zou zeker wel voldoende
zijn. Maar nu ’et andere werk. Zou ik daarvoor nog tijd genoeg over
hebben? Ik wist er niets van, want ’n horloge had ik niet, en ’et kon
even goed elf uur als tien uur wezen. Ik zag wel ’n paar jongens, die
’n horloge droegen, maar ze zaten te ver van me af, om ze wat te
vragen. En zelfs toen ik even rond keek, richtte m’nheer Belmans zoo’n
vertoornden blik op me, dat ik ’n gevoel kreeg, of ik me aan de
vreeselijkste misdaad had schuldig gemaakt. Ik werkte dus maar weer
ijverig door.
Met de vijf sommen was ik gauw klaar. Dat wil zeggen, toen ik ze
eenmaal gelezen had, was ik er vast van overtuigd, dat ik er geen een
van maken kon. Daar was weer m’n ouë kennis: „Als ik drie en ’n zevende
maal ’et geld, dat Jan zou hebben, wanneer-i twee en twee vijfde maal
’et geld, dat Piet heeft er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde
keer ’et geld, dat ...” en-i maakte me duizelig. En daar was weer ’n
duivelachtig vat met onmogelijk veel kranen op de onwaarschijnlijkste
plaatsen, die allemaal op verschillende tijden werden opengezet en
allemaal verschillende hoeveelheden water doorlieten.
Kortom, ’et waren m’n ouë plaaggeesten, alleen nog wat onbegrijpelijker
en nog wat ingewikkelder. En op ’et vel papier, dat ik voor m’n
rekenwerk bestemd had, kwam alleen m’n naam te staan en No. 1, en
verder bleef ’et blank.
Ook de vertaling was veel te moeilijk voor me. ’Et was ’n klein
verhaaltje van ’n jongen, die ging schaatsenrijden, en in ’et water
valt en gered wordt, maar kou vat en ik weet niet meer welke ziekte
krijgt. Er kwamen ’n aantal woorden in, die ik nooit geleerd had of
althans me op dat oogenblik niet kon herinneren. Toch begon ik maar
voor ’et vaderland weg te vertalen. Voor de woorden, die ik niet wist,
liet ik ’n open ruimte: die mocht m’nheer Belmans invullen, als-i lust
had. Ik schreef vrij vlug door, maar toch was ik pas even over de
helft, toen m’nheer Belmans opstond, en tot m’n verrassing zei:
„Jongens, eindigen! Je kunt nog even je werk nakijken, en dan haal ik
’et op.” Dat deed-i dan ook gauw daarna en ik stopte m’n papier met
sommen—ik bedoel, waarop m’n sommen hadden moeten staan—onder de
andere, en gaf ’em alles over, zonder ’em aan te kijken. Toen kregen we
nog te hooren, dat we dien middag vrij waren, maar dat we den volgenden
morgen om negen uur terug verwacht werden, en dat dan de school in
ernst begon. En toen konden we vertrekken.
In ’et portaal bleven we nog allemaal zwijgen, want m’nheer Belmans
stond in de deur van ’et lokaal, en keek ons aan, of we allemaal z’n
doodsvijanden waren. Zelfs op de trap en in de gang waagde nog haast
geen van de jongens ’n woord te fluisteren, maar op straat kwamen de
tongen los. En geen wonder, we hadden in drie uur tijd letterlijk geen
woord gesproken.
Er vormden zich groepjes van jongens, die misschien elkaar al van
vroeger kenden, en de anderen praatten mee, nu ’es hier en dan ’es
daar. Er werd gesproken over m’nheer Belmans—niet heel vleiend
natuurlijk—, over ’et moeilijke werk, en over de lange schooldagen, die
ons boven ’et hoofd hingen. Maar dat had nog geen vijf minuten geduurd,
of we werden opgeschrikt door ’n nijdig tikken tegen ’et raam van de
onderste voorkamer, en toen we opkeken, zagen we ’et strenge gezicht
van m’nheer Belmans tusschen de overgordijnen. Dat maakte meteen ’n
eind aan ons gesprek, we namen onze petten af, en liepen door, met ’et
gevoel van ’n afgeranselden hond.
De meeste jongens gingen niet den kant uit, dien ik op moest, en van de
drie, die dat wel deden, moesten er twee bij de brug linksaf. Er bleef
er dus nog maar een over, die me gezelschap hield. Al gauw wist ik,
dat-i Andries van Ulft heette, en in de Voorstraat woonde, dus tamelijk
wel in mijn buurt. We spraken met elkaar over allerlei dingen, over
onze vroegere school, over ’et examen voor de Burgerschool, waar-i net
als ik voor gesjeesd was, en natuurlijk over onze verwachtingen van de
nieuwe school en van m’nheer Belmans, van wien-i me nog wist te
vertellen, dat de jongens ’em altijd „de ouë” noemden. Dat had-i van ’n
jongen gehoord, die daar al langer op school was, en dien-i kende. We
konden heel goed met elkaar opschieten, en toen-i bij de Voorstraat van
me wegging en ik ’et laatste stukje van m’n weg alleen vervolgde, dacht
ik bij me zelf, dat ik ’et ’n aardigen jongen vond, en dat ik hoopte,
dat we vriendjes zouën worden.
Vriendjes! Die had ik eigenlijk nog nooit gehad. Of ik had er vijftig
gehad, zooals je ’et nemen wilt. Nu ’es had ik met dien, dan weer met
’n anderen jongen wat drukker omgegaan, dan met de overige jongens uit
m’n klas, en ik was ook wel ’es ’n enkele maal bij deez’ of genen aan
huis geweest om te spelen. Maar omdat ik ze nooit weerom vragen mocht,
bleef dat altijd bij een of twee keer, en zonder dat ik eigenlijk met
iemand ruzie kreeg, raakte zoo’n vriendschap altijd weer gauw uit. En
ik moet er bij zeggen, dat ’et me niet veel schelen kon. Jongens om mee
te spelen of mee te praten kon ik altijd wel vinden. En dat ’et
heerlijk was, om iemand te hebben, aan wien je alles kon vertellen,
waar je over dacht, ook de dingen, die je niet zoo aan iedereen zou
willen zeggen, iemand, die je beklaagde, als je verdriet had, en zich
verheugde, als je ’es ergens heel blij mee was, dat wist ik niet.
Van alles, wat ik thuis vertelde van m’n eersten morgen op ’et
instituut Belmans, had ’et feit, dat ik daar elken avond van zessen tot
achten terug moest komen, om m’n huiswerk te maken, de meeste
belangstelling. M’n moeder verwachtte er meer rust voor zich zelf van,
en m’n vader zei: „Zie je wel, op die school wordt gewèrkt.” Alleen zou
’et lastig worden met ’et middageten. Vader kon niet voor half zeven
thuis zijn, en ik kon dus in ’et vervolg niet tegelijk met m’n ouërs
eten. Na achten was wat laat, en er werd dus besloten, dat ik vooraf
zou eten, om ’n uur of vijf. Voordeel had ik bij die nieuwe regeling
niet, want ’et werd nu gewoonlijk zoo ingericht, dat er elken dag ’n
behoorlijke portie eten overbleef, die dan den volgenden dag voor mij
werd opgewarmd. Alleen Zaterdags en Zondags at ik voortaan gelijk met
de anderen, en ik zag m’n vader nu nog minder dan vroeger, soms zelfs
dagen achtereen in ’et geheel niet.
Toen ik den volgenden morgen tegen negen uur op de Veergracht kwam,
waren er wel wat meer jongens dan den vorigen dag, maar zoo druk als
bij ’n gewone school was ’et toch lang niet. En dat was geen wonder. Op
m’n vorige school waren ’n driehonderd jongens geweest en hier waren er
in ’et geheel ’n dikke veertig. ’Et scheen hier ook geen gewoonte te
zijn, de deur om kwart voor negenen open te zetten; éen of twee minuten
voor den tijd werden we pas binnengelaten.
Ik had natuurlijk naar Andries uitgekeken, maar ’em nergens gezien. Net
op ’et oogenblik, dat ik naar binnen wou gaan, kwam-i aanloopen. Ik
ging ’em tegemoet, en-i vertelde me, dat-i bij den hoek van de
Voorstraat ’n tijdje op me gewacht had, en dat ’et daardoor ’n beetje
laat was geworden. Ik zei, dat ’et me speet, dat ik ’et niet geweten
had, en dat ik ’et erg aardig van ’em vond. In ’t vervolg zou ik ook op
hem wachten. Dat was afgesproken en we gingen samen in school.
We kwamen weer in ’etzelfde lokaal te zitten, waar we den vorigen dag
geweest waren, maar er zaten nu vier jongens meer. Die waren al vroeger
daar op school geweest, en niet verhoogd geworden. Een van de vier had
zelfs al twee jaar in diezelfde klas gezeten, ’n groote, forsche jongen
van zeventien jaar, met lang zwart haar en al ’n klein snorretje, en
met ’n gouden ring met ’n grooten zwarten steen aan z’n pink, in mijn
oog al haast ’n m’nheer. Ik begon dus te begrijpen, dat zelfs ’n
stoominrichting niet altijd z’n doel bereikte, vooral toen ik later
merkte, hoe ongelooflijk dom die jongen met z’n ring was. Ik had alle
reden om heelemaal niet trotsch te zijn op m’n eigen knapheid, maar bij
dien jongen vergeleken was ik ’n kraan.
In plaats van m’nheer Belmans kregen we als onderwijzer ’n m’nheer, die
veel jonger was en er ook niet zoo onvriendelijk uitzag. Toch was ook
hij tamelijk strak en streng en op geen stukken na ’n Meester Lindeman.
We kregen van hem les in alle vakken, die daar op school onderwezen
werden, behalve in ’et Fransch. Daarvoor kwam m’nheer Belmans zelf
elken dag ’n uur. Andere onderwijzers had onze klas niet, want aan
gymnastiek, zingen en teekenen deden we niet.
Wat nu de manier aangaat, waarop we op ’et instituut Belmans onderwijs
kregen, die verschilde niet zoo heel erg van wat ik ’et laatste jaar op
school gewend was. Maar toch wel ’n beetje. In de eerste plaats maakte
de meester daar zich veel drukker, om ons de dingen uit te leggen, om
ons duidelijk te maken, waarom je zoo en niet anders doen moest. ’Et
was niet genoeg, dat je wist ${3\over 5} : {2\over 7} = {3\over 5}
\times {7\over 2}$ of de inhoud is lengte maal breedte maal hoogte,
maar je moest dat ook kunnen verklaren. Hier leerde je alleen ’et
kunstje, en verder werd er geen woord over vuil gemaakt. ’Et zal wel
niet met alle jongens ’etzelfde geweest zijn, maar mij leek de laatste
manier veel beter. Hoe langer ’n uitlegging duurde en hoe vaker ’n
verklaring herhaald werd, hoe onduidelijker de zaak voor me werd,
zoodat ik me ten slotte bij de toepassing van ’et kunstje zelf telkens
vergiste.
Verder moesten we veel meer schriftelijk werk maken dan vroeger,
thema’s, sommen en taaloefeningen, zooveel, dat ik vooral in ’et begin
kramp in m’n vingers kreeg, wat ik vóór dien tijd nooit gehad had. Op
m’n vorige school waren alle jongens altijd even ver, maar hier liet
men ieder zoo hard vooruitkomen als-i kon, en we waren nog geen
veertien dagen op school, of de vlugste rekenaar was mij bij voorbeeld
’n goeïe honderd sommen voor, en zat ik nog op thema twaalf te zweeten,
terwijl Andries nummer achtendertig inleverde.
’Et grootste verschil tusschen vroeger en nu zat em natuurlijk wel
daarin, dat we ’s avonds van zessen tot achten op school moesten komen,
om daar lessen te leeren en werk te maken, wat we anders als huiswerk
meegekregen zouën hebben. Ik had daartegen eigenlijk ’et meest
opgezien, en dat ’et ’n pretje was, om daar nog die twee extra-uren op
school te zitten, vooral op mooie herfst- of zomeravonden, wil ik dan
ook niet zeggen. Maar toch, ’et had ook z’n goeïe zij. Als je nu
eindelijk naar huis ging, dan was je tenminste van al den schoolrommel
heelemaal af. Je hoefde niet onder ’et spelen of ’et lezen van ’n mooi
boek telkens te denken aan ’n rist jaartallen, die je er voor den
volgenden dag nog in moest pompen, of aan ’n reusachtige vormsom, die
je nog te maken had, en waarvan je zoo goed als zeker vooruit wist, dat
jij er zooiets van $1295368735 \over 49028362183$ uit zou krijgen,
terwijl de meester beweerd had, dat ’et antwoord ’n „mooi” getal was.
Ook kon je onder ’et werk af en toe ’es iets aan den onderwijzer
vragen, wat vooral voor mij, die thuis nooit op eenige hulp had kunnen
rekenen, ’n groote verbetering was.
Toch zou ik met m’n nieuwe school zeker niet half zoo ingenomen geweest
zijn, als ik daardoor Andries niet had leeren kennen. Wat ik den
eersten dag den besten gehoopt had, gebeurde: we wèrden vriendjes.
Andries was wel in dezelfde stad geboren als ik, maar had ’n jaar of
vijf met z’n ouërs in Rotterdam gewoond. Daar had hij dus ook school
gegaan. Maar nu waren z’n ouërs weer uit Rotterdam vertrokken, en
daarom had-i ook examen gedaan voor dezelfde Burgerschool als ik. Hij
had dus ook geen vriendjes, en zoo sloten we ons bij elkaar aan. In de
eerste weken gingen we alleen geregeld samen naar school en weer naar
huis, maar ’et duurde niet lang, of ik maakte ook kennis met z’n ouërs.
Vóór ik je echter meer van onzen omgang vertel en van alles, wat ik
daaraan te danken had, wil ik je iets zeggen van ’n voorval, dat vrij
kort na onze komst op school plaats had, en dat er veel toe heeft
bijgedragen om ons tweetjes aan elkaar te binden.
Ik heb, meen ik, al gezegd, dat ’et instituut Belmans aan de stille zij
van de Veergracht stond. Er was werkelijk ’n kolossaal verschil in
drukte tusschen de twee kanten van die gracht. De lokalen, waarin op
onze school les gegeven werd, lagen alle aan den tuinkant, maar al was
dat niet ’et geval geweest, van ’et leven op onze gracht zouën we niet
veel hinder gehad hebben. Maar aan den overkant zag ’et er heel anders
uit. Daar waren ’n stuk of wat kantoren van stoombootdiensten voor ’et
vervoer van goederen naar allerlei plaatsen. Enkele van die kantoren
werden gehouën in kleine houten huisjes, die aan den waterkant stonden,
andere in kelders of benedenhuizen. Den heelen dag was ’et daar ’n
gerij van wagens en karren, die goederen kwamen brengen en halen. Aan
den waterkant stond ’et altijd vol met kisten en pakken en doozen; daar
lagen ijzeren staven naast potten met bloemen, manden met flesschen
wijn naast zakken meel, stapels baksteenen naast piramides van kazen.
Daar stond soms ’n heele verhuisboel tusschen in, en ook wel koeien en
bokken en kippen. En daar waren eeuwig mannen aan ’et sjouwen en
hijschen, aan ’et rollen van vaten en ’et duwen van handkarren, en als
’et twee weken achter elkaar niet geregend had, was die kant van de
Veergracht nòg vuil en modderig.
Dan stonden er ook nog ’n paar pakhuizen op die gracht, waar wel niet
elken dag, maar toch van tijd tot tijd alweer zakken en kisten uit- of
ingeheschen werden, en eindelijk was er ’n groote fabriek, waar zeker
wel ’n paar honderd mannen en jongens werkten. Die fabriek gaf alleen
maar drukte bij ’et aan- en uitgaan, maar op die oogenblikken was de
gracht dan ook zoo vol, dat iemand, die daar niet bekend was, zou
gedacht hebben, dat de koning in de stad was of dat er ’n huis in brand
stond.
Nu zat er iederen dag op den hoek van die drukke gracht, pal bij de
brug, ’n oud vrouwtje, dat mosselen en haring verkocht. Hoe vroeg ze
daar verscheen, weet ik niet, maar als we ’s morgens naar school
gingen, zat ze er, en ook om twaalf en om twee uur. Alleen als om vier
uur de school uitging, zagen we haar niet, maar tegen zes uur kwam ze
weer opdagen. Als ik ’s avonds wat vroeg bij school was en nog wat
rondslenterde, had ik wel ’es gezien, dat haar stalletje werd
opgeslagen. Er was dan ’n man bij, zeker ’er zoon, die de handkar
duwde, waar haar koopwaar en alles, wat ze verder noodig had, in lag:
’n paar planken, ’n matten stoel, ’n groote ijzeren pot, enz. De man
hielp ’er, om den boel in elkaar te zetten, en als dat gedaan was en
zij rustig op ’er stoel achter ’et stalletje zat, ging hij weer heen.
Om zes uur ging altijd de fabriek uit, en dat zal wel de reden geweest
zijn, waarom ’et mosselenvrouwtje zorgde, dat ze tegen dien tijd weer
op ’er post was. Of ze over ’et algemeen goeïe zaken deed, kan ik niet
zeggen, want daarvoor heb ik er te weinig op gelet. Maar ik zou ’et wel
denken, want ’n punt, waar meer menschen van de haring- en
mosselenetende soort bij elkaar waren, zou er in de heele stad moeilijk
te vinden geweest zijn.
We zullen ’n dag of veertien op school geweest zijn, toen Andries en ik
’n paar minuten voor zessen den hoek omsloegen van onze schoolgracht,
en we op de brug ’n troep jongens van ons zagen staan, die ergens naar
schenen te kijken. Er waren ook jongens van onze klas bij, en een, die
ons in de gaten kreeg, riep: „Hallo, kom ’es hier?” We liepen de brug
op, en kregen nu van allerlei kanten te gelijk te hooren, wat er aan de
hand was. ’n Paar jongens zouën ’n mop uithalen, nee maar, ’n reuzemop.
Ze hadden ’n lang, stevig touw mee gebracht, en nu zouën ze ’et eene
eind daarvan probeeren vast te maken aan ’et mosselenstalletje, en dan
’et andere achter aan ’n kar of rijtuig vastbinden. Als dan de kar
voortging, nam-i ’et stalletje op sleeptouw, en de mop was gelukt. ’n
Paar andere jongens waren meegegaan, om haring of mosselen te gaan eten
en daardoor de aandacht van ’et vrouwtje af te leiden. Toen ik keek,
zag ik dan ook vier of vijf jongens, waaronder ook den grooten jongen
met z’n gouden ring uit onze klas, vóor ’et stalletje staan, maar veel
meer konden we te midden van ’et gewoel, dat er bij den hoek van de
Veergracht heerschte, niet onderscheiden. We hadden er ook geen tijd
toe. De torenklok begon te spelen, en op ’etzelfde oogenblik ontstond
er ’n opschudding op de plek, waarheen al onze oogen gericht waren. We
hoorden gillen, schreeuwen, zagen jongens weghollen, en zonder
eigenlijk goed gezien te hebben, wat er gebeurd was, vlogen we de brug
af en de gracht op naar onze school.
Ik was uit al m’n macht meegerend, zonder op Andries te letten, en
eerst toen ik hijgende voor m’n lessenaar zat, merkte ik, dat hij er
nog niet was. Ik begreep dat niet recht, want hij kon harder loopen dan
ik. ’Et duurde intusschen niet heel lang, of-i kwam binnen. ’s Avonds
werd ’et op school niet zoo heel precies met den tijd genomen, en ’et
liep dan ook zonder standje voor ’em af. Maar ik zag aan z’n gezicht,
dat-i niet heelemaal in z’n gewone doen was; ’et stond lang zoo
vroolijk niet als anders. Graag zou ik even ’n praatje met ’em gemaakt
hebben, maar dat ging niet, want we zaten tamelijk ver van elkaar. Ik
keek later nog ’n paar maal naar hem, en telkens vond ik, dat-i
bizonder ernstig keek.
De avond ging verder voorbij als altijd. Ik had half en half verwacht,
dat er iemand bij m’nheer Belmans zou zijn gekomen, om zich te beklagen
over den streek, dien onze jongens uitgehaald hadden. Maar dat scheen
niet gebeurd te zijn, althans wij hoorden van niets. ’Et eenige
bizondere, wat er gebeurde, was, dat de groote jongen met z’n ring—z’n
naam was Walraven—misselijk werd. Hij moest ’n paar maal de klas
uitgaan, zag zoo wit als ’n doek, en kreeg eindelijk verlof, om maar
naar huis te gaan. Ik denk, dat-i er niet aan gewend was, om na ’et
middageten ’n portie mosselen of ’n paar mootjes haring aan ’n
stalletje als dessert te gebruiken, en dat z’n maag er niet tegen kon.
Maar in m’n hart gunde ik ’em z’n misselijkheid, want ik vond ’et ’n
naren jongen.
Ik verlangde dien avond nog wat harder naar ’et einde van den
schooltijd als gewoonlijk, want ik was nieuwsgierig, om van Andries te
hooren, waarom-i zoo laat gekomen was. Ik vermoedde natuurlijk wel,
dat-i nog even naar den overkant van de gracht geloopen was, om te
kijken, hoe ’et geval daar was afgeloopen. Nu, dat was ook zoo. Toen de
school uitging, liepen we eerst nog even met de meeste andere jongens
mee de brug op, om te kijken, of er nog wat bijzonders te zien was.
Maar dat was niet ’et geval. De gracht was tamelijk stil, en ’et plekje
van ’et mosselenvrouwtje was leeg. De jongens praatten en lachten onder
elkaar nog wel ’n oogenblikje over ’et gebeurde, en er waren er ook
wel, die beweerden dat ze gezien hadden, dat de kar ’et stalletje ’n
heel eind voortgesleept had, maar ik geloof, dat ze zich dat maar
verbeeldden. Andries zei niets, en weldra sloegen wij met ons tweetjes
den weg naar huis in.
Onderweg kwam z’n tong los. Toen hij naar de plaats van de opschudding
was toegehold, had-i zich eerst door ’n kluw van menschen en karren en
kisten moeten heen wringen, en dat was ’em niet eens heelemaal gelukt.
Maar toch had-i genoeg gezien en gehoord, om er uit op te maken, hoe
’et gegaan was. De kar had werkelijk ’et stalletje ’n eindje
meegetrokken, maar de voerman had onraad gemerkt en al gauw stil
gehouden. Er zouën dus wel wat mosselen en ’n stuk of wat mootjes
haring op de straatsteenen terecht zijn gekomen, en misschien ’n paar
bordjes en kommetjes en flesschen gebroken zijn, maar dat zou toch wel
niet zoo heel erg zijn. Maar ’et vrouwtje, dat daar plotseling ’er
stalletje op den loop had zien gaan, was van den schrik, of misschien
omdat ze er met ’er armen op geleund had, voorover van ’er stoel
gevallen. Of ze zich erg bezeerd had, wist Andries niet, want hij was
er niet dicht genoeg bij kunnen komen, en-i had ook niet langer durven
blijven.
We hoopten allebei, dat ’et zonder groot ongeluk afgeloopen was, en
waren ’et er over eens, dat ’et eigenlijk ’n flauwe, gemeene streek van
de jongens was geweest. Ik moet eerlijk bekennen, dat ’et door de
manier, waarop Andries over de zaak sprak, eerst goed tot me doordrong,
hoe laf en verkeerd ’n dergelijke grap eigenlijk was. Ik durf wel van
mezelf te verzekeren, dat ik nooit zoo iets op touw zou hebben gezet,
maar ik weet niet zoo vast, of ik niet meegedaan zou hebben, als andere
jongens ’et me gevraagd hadden. En er om gelachen had ik zeker wel.
Niet omdat ik gewoon was, om ’et verdriet van ’n ander verheugd te
zijn, maar omdat ik er niet aan dacht, dat die ander leed hàd. Maar
alles, wat Andries dien avond over dat mosselenvrouwtje zei, klonk zoo
hartelijk, dat ik me inwendig ’n beetje schaamde, dat ’et gebeurde mij
zelf eerst zoo koel had gelaten. En toen ik afscheid van m’n vriendje
genomen had, dacht ik bij mezelf: „ik vind je ’n aardigen jongen en ’n
goeïen jongen”.
Toen we den volgenden morgen bij de brug over de Veergracht kwamen,
zochten onze oogen dadelijk de plek, waar ’et mosselenvrouwtje altijd
te vinden was. Zij was er niet. We hoefden daaruit nog wel niet af te
leiden, dat ze den vorigen dag ’n ongeluk gekregen had, maar ’et maakte
ons toch ongerust. We hadden zoo gehoopt, ’er weer op ’er post te
vinden. Andries had zelfs voorgesteld, dat we aan ’er stalletje ’n
portie mosselen zouën gaan eten, als ’n soort van vergoeding. Toen ik
zei, dat ik nog nooit mosselen geproefd had en niet wist, of ik ze
lusten zou, zei Andries: „Ik ook niet, maar dan doen we maar net, of we
er een eten, en we laten de rest staan.” Hij was zelfs van plan, om al
de jongens ’etzelfde te vragen, en had gehoopt, ’et vrouwtje op die
manier ’n reuzenklandizie te bezorgen. Maar dat viel nu allemaal in ’et
water.
Toen m’nheer Belmans dien morgen onze klas binnenstapte, om als
gewoonlijk z’n Fransche les te geven, stond z’n gezicht nog barscher en
onvriendelijker dan anders. Nog langer dan anders keek-i ons strak aan,
zonder ’n woord te zeggen. Ik heb wel ’es gehoord, dat ’n slang ’n
vogeltje, dat-i verslinden wil, zóó weet aan te kijken, dat ’et arme
diertje niet in staat is, om weg te vliegen, maar stijf van schrik
blijft zitten. Wij jongens voelden ons, dunkt me, eenigszins als zoo’n
vogeltje, als de oogen van m’nheer Belmans achter z’n glinsterende
brilleglazen op ons gericht waren. Nog vóór-i den mond had open gedaan,
waren we er allemaal van overtuigd, dat-i van de zaak af wist. En dat
was ook zoo. ’Et bleek, dat de zoon van ’et mosselenvrouwtje nog den
vorigen avond op school geweest was, om zich te beklagen. Z’n moeder
had bij haar val ’n arm gebroken, en lag nu in et gasthuis. Van
menschen, die bij ’et ongeval tegenwoordig waren geweest, had-i
gehoord, dat ze ’n troep jongens hard hadden zien wegloopen, en dat die
jongens op onze school gingen.
Nadat m’nheer Belmans ons dit alles op z’n gewone afgemeten manier en
met z’n gewone zachte stem had medegedeeld, vroeg-i: „Wie van jelui
weet me van ’et gebeurde iets te vertellen?” Zooals ’et gewoonlijk bij
zoo’n algemeene vraag gaat, de heele klas bleef zwijgen. De
brilleglazen van m’nheer Belmans flikkerden sterker dan ooit, maar
niemand stak ’n vinger op. Nu geloof ik vast, dat de meeste jongens wèl
geantwoord zouën hebben, als m’nheer ze afzonderlijk gevraagd had, of
ze er iets van wisten, vooral omdat de eigenlijke aanleggers niet bij
ons in de klas zaten. Maar m’nheer Belmans was er de man niet naar, om
te dulden, dat ’n vraag van hem onbeantwoord bleef. Hij herhaalde z’n
vraag dus zelfs niet, maar zei na ’n doodsche stilte van minstens vijf
minuten alleen nog: „Dan weet ik, wat me te doen staat”. En daarna
begon-i gewoon met de les, en liet ons om twaalf uur naar huis gaan,
alsof er niets bizonders aan de hand was.
Op straat werden natuurlijk de hoofden bij elkaar gestoken, en klonk
van tien kanten tegelijk de vraag: „Wat zou de ouë doen?” Ja, dat wist
niemand. Walraven, die van z’n misselijkheid genezen was, en van ons
allen de meeste reden had, om zich bezorgd te maken, schreeuwde ’n paar
maal: „Als jelui je mond maar houdt!” Wat ons ’et meeste verwonderde,
was, dat we van ’n paar jongens uit de hoogste klas hoorden, dat
m’nheer Belmans daar geen woord van de zaak gerept had. Daar snapten we
niets van.
Onderweg spraken Andries en ik weer over niets anders. We hadden
allebei erg te doen met ’et arme vrouwtje. Die gebroken arm zou wel
weer in orde komen, meenden we, maar ’n week of zes duurde zoo’n
geschiedenis toch wel, en al dien tijd zou ze geen cent verdienen.
Andries was ’et eigenlijk weer, die van dat laatste sprak, want daaraan
zou ik niet gedacht hebben, en-i maakte meteen al plannen, om onder de
jongens ’n collecte te houën en zoo geld bij elkaar te krijgen voor ’n
schadevergoeding. Ik praatte maar mee, al dacht ik bij me zelf, dat van
mijn kant voor die collecte niet veel te verwachten was. Niet, dat ik
geen medelijden met de stumper had, of bizonder gierig van aard was,
maar ik kreeg van m’n vader ’n dubbeltje zakgeld in de week, en daarvan
zou ’et vrouwtje niet vet soppen.
We waren dien middag op school pas met ons werk begonnen, toen m’nheer
Belmans de deur van onze klas opendeed, en ’n man in ’n witte kiel met
’n pet op binnenliet. We keken allemaal verwonderd op, behalve onze
onderwijzer, die al van de zaak scheen te weten, en ons dadelijk liet
ophouën met werken. M’nheer Belmans zei geen woord, en de vreemde man,
die ’n rood gezicht, ’n rooie snor en ’n paar rooïe bakkebaarden had,
ging midden voor de klas staan, en keek alle jongens éen voor éen strak
aan. Maar ’et duurde niet lang, of-i stapte regelrecht op Andries aan,
tikte ’n paar maal met ’n korten, dikken wijsvinger midden op z’n
borst, draaide zich om naar m’nheer Belmans en zei: „Dien jongeheer heb
ik gisteren zien wegloopen.” M’nheer Belmans vertrok geen spier van z’n
gezicht, zei alleen: „ik dank u”, en liet den man heen gaan.
Daarna keerde hij zich naar Andries en vroeg: „Van Ulft, ben jij
gisteren avond aan de overzij geweest?”
„Ja, m’nheer!”
„Dus jij wist wèl, wat er gebeurd was?”
„Ja, m’nheer!”
„Dus jij hebt gelògen!”
„Ja, m’nheer, maar ....”
„Zwijg! Jij krijgt in de eerste plaats voor je liegen ’n strenge straf!
En vertel nu alles, wat je weet!”
Nu had ik van ’et oogenblik af, dat de man Andries aanwees, al op heete
kolen gezeten. ’Et leek me verschrikkelijk onrechtvaardig, dat de
jongen, die van allemaal misschien ’et minst in staat was, om zoo’n
grap uit te halen, en die zooveel medelijden met ’et mosselenvrouwtje
getoond had, nu als een van de hoofdschuldigen zou aangezien worden. En
toen ik nu van ’n strenge straf voor hem hoorde spreken, werd ’et me te
machtig. Ik vergat m’n angst voor de flikkerende brilleglazen en de
ijzige kalmte van m’nheer Belmans, en riep nog vóor Andries op z’n
laatste vraag kon antwoorden:
„We weten er allemaal van! We hebben ’et allemaal gezien! En Andries
heeft niets gedaan!”
Nooit zal ik ’et gezicht van m’nheer Belmans vergeten! Als ’et heele
plafond naar beneden gekomen was, had-i er onmogelijk met meer
ontzetting naar kunnen kijken als nu naar mij. Hij werd eerst bleek,
toen rood, strekte toen den arm uit en wees naar de deur, zonder ’n
woord te zeggen, maar zoo, dat ik aan z’n bedoeling niet behoefde te
twijfelen. Ik verliet dus m’n plaats, nam m’n weg achter om de klas
heen, om niet langs m’nheer Belmans te moeten, en ging buiten de deur
in de gang staan.
Hoe ’et verder met de zaak ging, hoef ik niet in bijzonderheden te
vertellen. ’Et lukte m’nheer Belmans natuurlijk, de aanleggers te
vinden. Dat die in de hoogste klas zaten, verwonderde hem ’et meest.
Hij was zòo overtuigd geweest, dat jongens, die al ’n jaar of langer
onder zijn voortreffelijke leiding waren, nooit tot zoo iets in staat
zouën zijn, dat-i in die klas niet eens iets gevraagd had. Ik, kan hier
meteen wel zeggen, dat de bovenmenschelijke strengheid van m’nheer
Belmans in ’et algemeen minder uitwerking had, dan hij er zich van
scheen voor te stellen. Tenminste, buiten de school. In den korten
tijd, dat ik op zijn instituut geweest ben, hebben de veertig jongens
daar meer gemeene streken en straatschenderijen uitgehaald dan de
driehonderd van m’n vorige school in al de acht jaren. Eigenaardig voor
de manier van doen van m’nheer Belmans was zeker ook, dat-i de jongens,
die schuld hadden aan ’et ongeluk van ’et vrouwtje, strafte, maar
minder zwaar dan Andries en mij. Heel eerlijk en rechtvaardig leek ons
dit niet, maar, zooals ik al gezegd heb, ’et heele voorval maakte, dat
wij ons nog meer dan vroeger bij elkaar aansloten.
De straf, die Andries zoo onverdiend had opgeloopen, deed ’em z’n
medelijden met ’et mosselenvrouwtje toch niet vergeten. Hij kwam weer
met z’n plan van ’n collecte onder de jongens op de proppen, en sprak
daarover met onzen onderwijzer. Die vond dat plan prachtig, sprak er
over tegen de jongens uit onze klas, beloofde er ook in de hoogste klas
’n balletje van op te gooien, en verklaarde zich bereid, ’et geld in
ontvangst te nemen.
Ik zelf raakte door dit plan ’n beetje in verlegenheid. Andries zei,
dat-i eenvoudig thuis de zaak aan z’n vader en moeder zou vertellen, en
dat die zeker wat zouën willen geven. Hij bracht dan ook den volgenden
dag al vijf gulden mee. Maar wat zou ik doen? Van de scheutigheid van
mijn ouërs voor onbekende mosselenvrouwtjes had ik niet veel
verwachting, en met éen of twee dubbeltjes van me zelf dorst ik niet
aan te komen.
Den eersten keer den besten, dat ik m’n vader even te pakken kon
krijgen,—ik was net thuisgekomen uit de avondschool en hij stond klaar,
om uit te gaan—vroeg ik:
„Vader, krijg ik van u voor m’n verjaardag ’n nieuw horloge?”
M’n vader keek vreemd op.
„Voor je verjaardag? Ben je dan niet in ... in December jarig?”
„Drie Januari, vader!”
„Nou ja, precies. En we hebben nu September! Tegen dien tijd zijn we
misschien dood en begraven!”
„Ja, vader, maar ik bedoel ook eigenlijk, àls u dan van plan was, om me
’n horloge te geven ....”
„Van plan? Ik ben niets van plan! Denk je, dat ik maanden van te voren
over jouw verjaardag loop te piekeren. Ik heb wel andere dingen aan m’n
hoofd.”
„Ja, vader, maar ik wou u vragen, of u me dan nu niet vast wat geld zou
willen geven..... ’n rijksdaalder of zoo, en dan met m’n verjaardag
minder.... of niets.”
„Ben je gek? Waarvoor heb jij geld noodig?”
Ik begon nu de geschiedenis te vertellen, tamelijk hakkelend, want na
et begin van ’et gesprek met m’n vader twijfelde ik heel erg aan ’n
goeïen uitslag. Ik kon ook niet zeggen, dat m’n vader met bizonder veel
belangstelling luisterde of erg begaan scheen met ’et vrouwtje. ’Et
viel me dus nog erg mee, toen vader, voordat ik nog aan ’et eind van
m’n verhaal gekomen was, z’n portemonnaie uit z’n zak haalde, ’n gulden
op tafel lei en zei:
„Daar dan! Maar wacht nou in ’et vervolg met je bevliegingen van
liefdadigheid tot je zelf geld verdient!”
En daarmee verliet-i de kamer.
Met veel moeite leende ik van ons dienstmeisje drie dubbeltjes, als
voorschot op m’n zakgeld; twee dubbeltjes had ik zelf nog, en zoo kon
ik dus den volgenden morgen ’n daalder aan onzen onderwijzer geven. Ik
denk, dat Andries ’et wel wat weinig vond, maar-i zei er gelukkig niets
van. Als-i geweten had, hoeveel moeite ’et me gekost had, om dat
weinige bij elkaar te krijgen, zou-i er wel anders over gedacht hebben.
Maar dat vertelde ik ’em natuurlijk niet.