II.

VAN M’N SCHOOL, MEESTER LINDEMAN,

’N MISLUKT EXAMEN EN ’N STRANDAVONTUUR.

Toen ik dertien en ’n half jaar was, deed ik toelatings-examen voor de

Hoogere Burgerschool, en zakte als ’n baksteen. Ik geloof niet, dat

iemand ter wereld zich daar erg over verwonderde. De onderwijzer, bij

wien ik in de klas zat, had ’et me in den loop van ’et jaar wel

vijfentwintig keer voorspeld. Ik zelf wist maar al te goed, hoe zwak ik

in sommige vakken was. En m’n ouërs verwonderden er zich zeker ook niet

over, omdat de heele zaak hun niet bijster veel schelen kon. M’n vader

had me voor ’et examen aangegeven, maar dat was ook alles. Hij had er

met den meester op school heelemaal niet over gesproken, en ook niet

eens ’n briefje er over geschreven. En toch had de meester in de klas

wel al twee maanden geleden gezegd, dat-i heel graag ’es met een van de

ouërs van de jongens zou spreken over ’et aanstaand examen.

Natuurlijk had ik de boodschap thuis overgebracht, maar daar was verder

niet op gelet. En tegen den onderwijzer zei ik maar, toen die er ’n

paar maal naar vroeg, dat m’n vader ’et verschrikkelijk druk had, en

dat m’n moeder ziek was. Daar was nu wel wat van aan, maar toch, als ze

gewild hadden ...

Ik had, toen ik examen deed, twee jaar in de hoogste klas gezeten, en

in de derde klas was ik ook ’n keer blijven zitten. Om dat laatste was

ik achteraf erg blij, want daardoor kreeg ik meester Lindeman als

onderwijzer, en bij hèm heb ik toen vier jaar achter elkaar gezeten tot

aan ’et eind van de hoogste klas toe. Ik wil heelemaal geen kwaad

zeggen van de andere onderwijzers of onderwijzeressen, die ik vroeger

gehad had of later kreeg. ’Et waren allemaal goeïe menschen, die erg

hun best deden, dat we veel zouën leeren. Maar—ik weet niet goed, hoe

ik ’et zeggen moet—’et bleven toch altijd onderwijzers en

onderwijzeressen, je dacht, als je hen zag, toch dadelijk aan sommen en

thema’s en taaloefeningen, aan rooïe en blauwe strepen en afkeuringen.

Maar meester Lindeman!

Als je ’em alleen maar ’es had kunnen hooren lachen! Wanneer de school

open ging en wij naar binnen schuifelden, dan stonden de onderwijzers

wel ’es met elkaar op de gang van de bovenverdieping te praten, en dan

hoorden wij vaak beneden bij de deur al den luiden lach van meester

Lindeman boven alles uitklinken. En dan liep je onwillekeurig de trap

’n beetje vlugger op als eigenlijk wel mocht, om z’n prettig rond rood

gezicht des te eerder te zien. Die lach alleen al maakte van ’et

ongezellige lokaal met z’n zwarte borden en gele kasten en banken, z’n

groezeligen vloer en eindelooze witte muren en plafond, z’n landkaarten

vol barsten en scheuren en z’n leelijke platen, ’n plaats, waar je je

thuis voelde, waar ik me eigenlijk veel prettiger voelde dan thuis.

Gelijk met mij was er in de derde klas ’n jongen blijven zitten, die

niet alleen lui en dom, maar ook erg koppig was. Als die ’n standje

kreeg, dan gaf-i ’n bonk met z’n elleboog op de tafel, ging op z’n arm

liggen en dan was er den heelen schooltijd verder niets met ’em te

beginnen. De onderwijzer, dien we den eersten keer in de derde klas

hadden gehad, kon zich op dien jongen verschrikkelijk kwaad maken, maar

wat-i ook deed of zei, ’et gaf geen steek. Maar de eerste maal de

beste, dat diezelfde jongen dat kunstje bij meester Lindeman uithaalde,

begon die zoo hartelijk te lachen, dat de jongen ’n gezicht zette, of-i

’et in Keulen hoorde donderen, en z’n heele koppigheid vergat.

Van ’et leven van de andere onderwijzers buiten school wisten we zoo

goed als niets. Maar van meester Lindeman wisten we alles. We kenden

allemaal z’n vrouw en z’n kleine dochtertje en z’n moeder, die bij ’em

in huis woonde. Er was geen jongen in de heele klas, die niet meer dan

eens bij em thuis geweest was. Als je ’es ’n paar schriften of ’n boek

bij ’em thuis moest brengen, dan werd je nooit aan de deur afgescheept,

maar dan mocht je binnen komen, en dan waren al die menschen altijd

even aardig en hartelijk tegen je, en dan kreeg je ’n koekje, en dan

liet kleine Jo je ’er speelgoed zien. En vóordat de groote vacantie

begon, vroeg meester Lindeman altijd, wie er niet uit de stad gingen,

en die jongens mochten dan ’n keer bij ’em komen, niet te gelijk, maar

een voor een. En dan ging-i met die jongens ’n verre wandeling doen of,

als ’et slecht weer was, naar ’n museum, of ze mochten bij ’em thuis

blijven spelen.

Natuurlijk gingen we ook ’n paar maal in ’et jaar met de heele klas ’n

wandeling maken, om naar ’n polder te kijken of naar sluizen of zulk

soort van dingen. En in den zomer gingen we een keer met z’n allen ’n

dagje naar buiten. Dat was ’et verrukkelijkste van alles. Dan hadden we

pret van dat we in den trein of de boot stapten, totdat we ’s avonds

terug kwamen, en den heelen dag praatte en lachte en zong en rende en

buitelde meester Lindeman ’et hardste van allemaal. Want geen een van

de jongens was zoo sterk of zoo vlug als hij. Hij kon alles. Hij kon

zwemmen en roeien en schaatsenrijden. Als er ’s winters ijs was, dan

spraken de jongens die rijën konden met meester Lindeman af, en dan

maakte de heele bende samen ’n tochtje, en als ze niet meer

voortkonden, dan trok hij ze. En soms trakteerde-i ze wel allemaal op

heete melk.

En op school, bij ’et leeren, maakte meester Lindeman ’et ook altijd

zoo gezellig mogelijk. ’Et kwam er bij hem niet op aan, of je den

heelen dag kaarsrecht in je bank zat, met je armen stijf over elkaar,

en je voeten op de plank. Als je maar oplette en naar ’em luisterde. En

dat was niet moeielijk. Want als er van die verschrikkelijk vervelende

en eentonige lessen waren, bijvoorbeeld sommen over ’et metriek

stelsel, dan zou meester Lindeman nooit ’n half uur of drie kwartier

lang achter elkaar al maar die berekeningen van vierkante Kilometers en

Hectaren en kubieke centimeters en decistère’s laten opdreunen, maar

dan gooide hij er nu en dan ’n grap tusschen, of was ineens aan ’et

vertellen, dat je heelemaal vergat, dat er ’n rekenboek voor je lag.

Je hebt wel al begrepen, dat ik lang niet tot de beste leerlingen

behoorde. Dat deed ik ook niet in de klas van meester Lindeman. Toch

werd ik bij hem elk jaar verhoogd, en alleen aan ’et eind van de zesde

klas bleef ik zitten, omdat ik toen op geen stukken na klaar was voor

’et toelatingsexamen van de Hoogere Burgerschool. Meester Lindeman gaf

me toen ’n brief mee naar huis, maar wat daar precies in stond kan ik

je niet zeggen. Toen m’n vader ’em gelezen had, zei-i alleen: „Dan

blijf je nog maar ’n jaar op school. ’Et volgende jaar zal je dan toch

zeker naar de Burgerschool kunnen. Anders moest je wel ’n groote ezel

wezen!”

Nu, zoo’n groote ezel was ik. Ik kwam dat tweede jaar bij ’n

onderwijzer, die vreeselijk streng en precies was, die iederen

schooltijd, soms uren lang, jongens na liet blijven, om werk over te

maken of lessen te leeren, die driemaal zooveel huiswerk opgaf als

meester Lindeman ooit had gedaan, die ’et heele jaar geen seconde

grappig was of een enkel woord zei, dat niets met de les te maken had,

waaraan we bezig waren. En toch, zooals ik al verteld heb, ondanks al

die moeite, zakte ik voor ’et examen.

Waar dat nu eigenlijk aan lag? Dat is voor me zelf niet zoo heel

gemakkelijk om te zeggen. Ik was in elk geval op school niet ondeugend,

want straf voor m’n gedrag heb ik zoo goed als nooit gehad. Onwillig

was ik zeker ook niet, en onverschillig nog minder. Als ik met ’n

slecht rapport naar huis ging, trok ik me dat wezenlijk aan, en kreeg

soms wel de tranen in m’n oogen, en toch wist ik, dat ik er thuis geen

standje voor zou krijgen. M’n moeder vroeg er heelemaal niet naar, en

als ik ’et aan m’n vader gaf om te teekenen, gooide die ’et, meestal

zonder er in te kijken, op den schoorsteen of op ’et buffet, en nadat

ik dan minstens drie- of viermaal gevraagd had, of-i ’et al geteekend

had, zette hij er met ’n nijdige kras z’n naam in, en wierp-i ’et me

toe met: „Daar, zeurpiet!” of zoo iets.

Er blijft voor mij dus niet veel anders over dan aan te nemen, dat ik

minder verstand bezat, dan de meeste andere jongens, of dat ’et me

althans niet mogelijk was, ook met den besten wil en met de grootste

inspanning van mijn kant, sommige dingen in m’n hoofd te krijgen. Want

er waren ook vakken, waarin ik niet alleen tot de besten behoorde, maar

waarvoor ik me bovendien niet de minste moeite behoefde te geven. Voor

lezen en taal bijvoorbeeld had ik altijd hooge cijfers, behalve ’et

laatste jaar in de hoogste klas, toen ik voor taal geregeld onvoldoende

kreeg, omdat ik de verschillende voornaamwoorden en bijwoorden en

bijvoeglijke naamwoorden nooit goed uit elkaar wist te houden en er

geen been in zag, om ’n naamwoordelijk deel van ’et gezegde voor ’n

lijdend voorwerp uit te maken. Bij ’et rekenen had ik geen moeite met

vermenigvuldigen en deelen of zulke dingen, maar bij de vlakte- en

inhoudsmaten raakte ik geregeld in de war, en van zus of zooveel

decastère’s hektoliters te maken, was ’n heksetoer voor me. En wanneer

’n som begon met: Als ik drie en ’n zevende maal et geld, dat Jan zou

hebben, wanneer hij twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft,

er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat ... dan

stond m’n verstand daar in waarheid bij stil. Hoe vaker ik zoo’n som

las, hoe onbegrijpelijker-i voor me werd, en ik was ten slotte zoo vast

overtuigd, dat ik zulke sommen toch nooit zou leeren maken, dat ik ’et

maar niet eens meer probeerde. Ik maakte me wel ’es ongerust als ik er

aan dacht, hoe ’et later in ’et leven met me zou gaan, als ik al zulke

sommen en nog zooveel andere over vaten vol kranen en menschen, die

elkaar eeuwig achterna of tegemoet liepen, niet kon maken, maar

gelukkig in ’et beroep, dat ik gekozen heb, was ’et niet noodig.

Ook in aardrijkskunde was ik niet bizonder sterk. Ik kon de namen van

steden en dorpen, rivieren en kanalen, bergen en meren wel in m’n hoofd

prenten, en als de les dan overhoord werd, ’n behoorlijk figuur maken.

Maar ... over ’n week of veertien dagen was ik alles weer glad

vergeten. En hoe dikwijls en hoe zorgvuldig ik ook telkens weer

dezelfde dingen er inpompte, er bleef na korten tijd zoo goed als niets

meer van in m’n hoofd hangen. Met geschiedenis ging ’et beter,

tenminste voor ’n deel. Meester Lindeman zei ’es tegen me: „Ik heb ’es

van ’n jongen gehoord, die kende alle jaartallen. Maar-i wist niet, wat

er in gebeurd was. Maar, met jou, Hans, is ’et net anders-om. Wat er

gebeurd is, weet je meestal heel goed te vertellen, maar wanneer ’et

gebeurd is, dat weet je nooit.” En zoo was ’et ook. ’Et onthouden van

jaartallen was een van de dingen, die ik na ’n aantal vergeefsche

pogingen maar opgegeven had.

De andere vakken op school waren van niet zooveel beteekenis, althans

niet voor ’et examen. Behalve Fransch dan natuurlijk, maar daarin kon

ik ten minste vrij goed meekomen. Ik maakte wel vrij veel fouten, maar

dat deden de andere jongens ook, en daarvoor had ik dan ook meestal wel

’n voldoend cijfer, net als voor schrijven. Als de onderwijzer op

school allerlei dingen van dieren vertelde, of natuurkundige proeven

deed, of we bloemen en plantjes uit elkaar moesten peuteren, dan vond

ik dat wel aardig, maar ik onthield er weer heel weinig van. In zingen

en teekenen eindelijk was ik goed, en in gymnastiek slecht.

Zooals ik dan ook al gezegd heb, ik was volstrekt niet verwonderd, toen

ik na ’et examen van den directeur van de Hoogere Burgerschool te

hooren kreeg, dat ik afgewezen was. Erg ter neer geslagen was ik ook

niet, want ik hoopte in stilte, dat er nu meteen ’n einde aan m’n

schoolgaan zou komen. Wat er dan eigenlijk verder met me gebeuren zou,

daarvan had ik geen recht idée. Aan ’n bepaalde betrekking had ik nog

nooit gedacht; alleen was ’et me wel ’es door m’n hoofd gegaan, hoe

heerlijk ’et moest zijn, om bediende in ’n boekwinkel te wezen, en dan

alle boeken uit zoo’n leesbibliotheek te kunnen lezen.

Dien dag van ’et examen gebeurde er iets, wat anders nooit gebeurde. Er

werd dien middag aan tafel door m’n vader en moeder over mij gesproken.

„Wat moet dat nu met dien jongen?” begon m’n moeder.

„Ja, dat weet ik niet,” zei m’n vader.

„Hij kan toch zeker niet nòg ’n jaar daar op die school blijven?”

„Nee, dat zal wel niet gaan.”

„Maar wat dan? Thuis kan ik ’em heelemaal niet hebben. Dat is me veel

te druk. Ik heb weer zoo’n last van m’n zenuwen. En de dokter zegt

maar: rust, rust!”

„Ja, ’et is lastig!”

„Kan jij em niet in de zaak gebruiken?”

„In de zaak? Ben je gek? Wat moet ik ’em daar laten doen? Stokvisch

beuken?”

„Ik dacht, misschien schrijfwerk.”

„Daar heb ik m’n boekhouër voor.”

„Of boodschappen?”

„Ik kan toch in m’n eigen zaak m’n zoon niet als boodschaplooper

gebruiken! Wat zouën m’n klanten zeggen?”

„Dat-i nou ook niet door dat examen gekomen is. Andere jongens komen er

wel door.”

„Ja, ’et is ’n ezel!”

„Maar jij hebt je ook nooit ’es met z’n werk bemoeid.”

„Ik ben geen schoolmeester.”

„Nou ja, maar je had toch wel ’es naar z’n huiswerk kunnen kijken, of

....”

„Waarom heb je dat zelf niet gedaan? Jij bent meer thuis dan ik.”

„Ik ben ziek!”

„Nu, ik zal wel ’es bij dezen of genen informeeren, wat we ’et beste

met den jongen kunnen beginnen.”

Hiermee was ’et gesprek uit. Maar den volgenden middag aan tafel al

werd ’et voortgezet. ’Et scheen, dat m’n vader dit maal er werkelijk

geen gras over wou laten groeien. Nog voordat m’n moeder naar iets

gevraagd had, begon-i:

„Ik heb van middag op de Beurs met Steenman over Hans gesproken.”

„En?” vroeg m’n moeder.

„Ja, die heeft zelf ook ’n jongen, die ’n paar jaar geleden gesjeesd is

voor de Burgerschool. Hij raadde me aan, om ’em naar zoo’n soort van

stoominrichting te sturen.”

Ik wist niet, wat ik hoorde. Ik dacht bij dat woord aan ’n inrichting,

waar onze kleeren wel heen gestuurd werden, om uitgestoomd of geverfd

te worden. Maar wat moest ik daar doen?

Gelukkig begreep m’n moeder er evenmin iets van, en vroeg ze

verwonderd: „’n Stoominrichting?”

„Ja, ’n instituut, waar ze de jongens klaar stoomen voor ’et examen.

Steenman zei, dat die menschen op zoo’n instituut natuurlijk veel

harder hun best doen, om de jongens door hun examen te krijgen als

gewone onderwijzers. Die laat ’et natuurlijk koud, of ze desnoods

allemaal zakken; zij krijgen toch hun salaris. Maar hoe meer leerlingen

er van zoo’n instituut slagen, hoe ’n beter naam dat krijgt, en hoe

meer klandizie.”

Ik snapte nu wel zoo eenigszins, wat voor inrichting m’n vader

bedoelde, al kon ik me met geen mooglijkheid voorstellen, hoe iemand

ter wereld nog harder z’n best zou kunnen doen, om me de dingen in te

stampen, als bij voorbeeld de onderwijzer, dien ik ’et laatste jaar op

school gehad had.

„En weet je nu al zoo’n instituut?” vroeg m’n moeder verder.

„Nee, maar daar zal ik dan wel ’es op uitsnuiven.”

„Is dat niet geschikt, waar Steenman z’n zoon op geweest is?”

„Dat bestaat niet meer! Maar er zijn er hier in de stad genoeg. En

zoo’n gloeiende haast is er ook niet bij. ’Et is nu toch overal

vacantie.”

„Als er dan nog maar plaats is!”

„Op die scholen is altijd plaats. Maar ze kosten ook ’n handvol geld.”

Meer werd er dien middag niet over gesproken, en ook de drie volgende

dagen, die ik nog in de stad doorbracht, hoorde ik er niets meer van.

Toen ging ik naar Zandvoort, om daar, zooals gewoonlijk, m’n

zomervacantie door te brengen. Ik woonde daar, net als de vorige jaren,

bij ’n visscher in huis, dien m’n vader kende, en die in z’n kleine

woning nog juist ’n slaapkamertje voor mij kon inrichten. Voor ’et

overige at en dronk ik met hem en z’n vrouw en z’n volwassen dochter

aan dezelfde tafel. ’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet

erg spraakzaam, en hadden weinig lust en ook al geen tijd, om zich veel

met mij te bemoeien. Enfin, ik was natuurlijk ook haast altijd aan ’et

strand, en maakte daar van zelf kennis met andere jongens, die met hun

ouërs in Zandvoort logeerden. Alleen als ’et lang achter elkaar

regende, was ’et nogal vervelend, want in ’et heele huisje van den

visscher was geen boek te vinden, en ’et lukte me ook niet altijd, om

er een van iemand te leen te krijgen. ’n Paar nam ik er wel van huis

mee, maar die waren gauw uit.

Net als andere jaren waren de bezoeken van m’n ouërs weer niet al te

talrijk. Een keer schreef moeder me, dat ze dien en dien dag tegen ’n

uur of elf bij me zou komen. Ik kon ’er niet van ’et station gaan

halen, want ik wist niet, of ze met den trein of met de tram zou komen,

en ook den tijd wist ik niet precies. Ik bleef dus thuis op ’er

wachten. Maar ’et werd twaalf uur, een uur, en wie er verscheen, m’n

moeder niet. Ik was dolgraag uitgegaan, want ’et was prachtig weer, en

in ’et kleine kamertje van den visscher erg benauwd, maar dat dorst ik

toch niet te doen. En zoo bleef ik wachten en wachten. En eindelijk,

dicht bij vijven, daar kwam m’n moeder, en vertelde, dat ze toevallig

in den trein ’n paar kennissen ontmoet had, die ook in Zandvoort

logeerden, en dat ze met hen meegegaan was. Ze moest er ook dadelijk

weer naar toe, want ze hadden haar ten eten gevraagd, maar ze had toch

eerst even willen kijken, hoe ’et met mij ging. Nu, met mij ging ’et

goed, en geen kwartier daarna was m’n moeder weer vertrokken, met de

belofte, dat ze heel gauw weer ’es ’n dagje zou overkomen. Maar die

belofte schijnt ze vergeten te zijn.

Op ’n Zondagmorgen, dat ik op ’et strand met andere jongens aan ’et

spelen was, zag ik ineens m’n vader, die naar ons stond te kijken. Ik

ging natuurlijk dadelijk naar ’em toe, en gaf ’em ’n hand. Ik was blij,

dat de andere jongens ’et zagen, want ik had ’et dikwijls naar

gevonden, dat er nooit ’n groot mensch was, dat naar mij omkeek,

terwijl de andere allemaal vaders en moeders, en ooms en tantes, en

kennissen hadden. M’n vader bleef bijna dien heelen dag bij me, haast

tot zes uur, en was erg aardig voor me. We wandelden eerst ’n heel eind

langs ’et strand, wel ’n uur ver, gingen toen wat in ’et zand zitten,

om uit te rusten, en liepen toen terug. Gelukkig zag m’n vader geen

kennissen, dat wil zeggen, wel ’n paar menschen, voor wie-i z’n hoed

afnam, maar toch niemand, dien-i aansprak. Toen gingen we met z’n

tweeën in ’n groot, mooi café, waar ’et vreeselijk vol was, voor ’n

open raam zitten, en kreeg ik ’n heerlijk broodje met vleesch en ’n kop

koffie. Na ’et koffiedrinken gingen we weer naar ’et strand; vader

kocht ’n paar kranten en ging in ’n badstoel zitten, en ik bleef in de

buurt wat rondloopen en spelen. En toen m’n vader ’n uurtje gelezen had

en af en toe ’es ingedommeld was, gingen we weer terug naar ’et zelfde

café, en kreeg ik ’n kogelfleschje limonade. En daar bleven we, tot ’et

tijd was om naar ’et station te gaan.

Op onze wandeling langs ’et strand en in ’et koffiehuis praatten we

natuurlijk met elkaar, en ik geloof, dat ik dien dag meer met m’n vader

gesproken heb, dan anders in ’n heel jaar. Ik vertelde ’em, hoe ik m’n

tijd in Zandvoort doorbracht, en van de jongens, die ik er kende, maar

ook dingen van m’n school en van meester Lindeman, en van oom Frits. En

zelf zei m’n vader wel niet veel, maar-i luisterde toch wel naar me, en

tusschenbeide lachte hij zelfs even hartelijk, als ik ’em anders alleen

met z’n vrienden hoorde doen. Ik waagde ’et ook, om ’em te vragen, of-i

al ’n andere school voor me gevonden had, en toen hoorde ik, dat ik met

September naar ’et instituut Belmans op de Veergracht zou gaan. Ik had

daar nooit van gehoord, maar m’n vader zei, dat ’et ’n heel goeïe

school was, en dat ’et m’n eigen schuld zou zijn, als ik daar nu ook

weer niet goed leerde. M’nheer Belmans had zelfs gezegd, dat ’et best

mogelijk was, dat ik ’et verloren jaar nog inhaalde, en ’et volgend

jaar examen kon doen voor de tweede klas van de Hoogere Burgerschool.

Ik zei daar niet veel op, maar in m’n hart leek me dat zoo wat even

mogelijk, als om van den hoogsten toren te springen en levend en wel op

je voeten neer te komen.

Na dat bezoek van m’n vader bleef ik nog ’n week in Zandvoort. Ik had

in den loop van die week nog ’n soort van avontuur, dat ver van prettig

voor me was, maar dat ik je toch vertellen wil.

Als je ’n week of zes in ’n badplaats logeert, dan spreekt ’et van

zelf, dat je ook wel ’es graag ’n bad neemt. Je kunt natuurlijk wel

altijd je schoenen en kousen uittrekken, en zoo’n beetje in ’et water

plassen, en dat deden wij jongens dan ook wel vaak genoeg, maar dat is

toch je ware niet. Op ’n warmen dag is niets prettiger, dan zoo

heelemaal in ’et water te duikelen en te spartelen. Dat kan je nu in

Zandvoort doen, als je ’n badkaart hebt, en dan krijg je ’n badkoetsje,

om je uit en aan te kleeden, en ’n badcostuum en handdoeken en dan

rijën ze je ’n heel eind in zee, en ’n badknecht houdt ’n oogje in ’et

zeil, dat je je niet te ver waagt. Dan heb je dus alles, wat je maar

verlangen kan. Maar ongelukkig kost zoo’n badkaart geld.

Nu kreeg ik als ik naar Zandvoort ging, twee kwartjes mee op reis, en

daar mocht ik wel mee doen, wat ik wou, maar ’et was nog niet eens ’n

dubbeltje in de week, en dus te weinig, om er voor te baden. Dat zou ik

er net één keer voor hebben kunnen doen. En ik wou toch ook wel ’es ’n

stuk chocola of ’n andere snoeperij koopen.

Als ik daarom ’n bad wou nemen, dan deed ik dat op m’n eigen houtje, op

’n heel stille plaats. Ik wandelde eerst ’n half uur of drie kwartier

’et strand langs, totdat ik zoo goed als geen menschen meer zag. Dan

trok ik m’n goed uit, lei m’n kleeren op ’et strand, en ging in zee,

natuurlijk niet al te ver, want zwemmen kon ik niet. Meester Lindeman

had er altijd erg op aangedrongen, dat alle jongens toch vooral zwemmen

zouën leeren, omdat dat zoo gezond en zoo nuttig was. En hij had meer

dan eens gezegd, dat iedereen dat kon, omdat wie geen geld had, om ’et

abonnement in ’n zweminrichting te betalen, naar ’t kostelooze zwembad

kon gaan. Daar had hij zelf ’et ook als jongen geleerd. Ik had er thuis

dan ook ’n paar maal ’n balletje van opgegooid, maar geld wou m’n vader

er niet voor uitgeven, en ’et kostelooze zwembad vond m’n moeder te

onfatsoenlijk. Ik plaste dus alleen maar wat in ’et lekkere koele

water, liet de zon me op ’et warme zand drogen, kleedde me weer aan, en

wandelde langs ’et strand terug. ’n Enkelen keer gingen er bij deze

tochtjes wel andere jongens met me mee, maar meestal was ik toch

alleen.

’Et jaar, waarvan ik nu spreek, had ik ’n bizonder geschikt plekje voor

m’n badpartijen ontdekt, dat ik gemakkelijk terug kon vinden. Er lag

daar midden op ’et strand, half in ’et zand begraven, ’n ouë ton zonder

deksel, of eigenlijk waren ’et niet veel meer dan wat losse duigen, die

meer door ’et zand bij elkaar gehouën werden dan door den anderhalven

hoepel, die er nog omheen zat. Je kon daar bij die plaats makkelijk in

zee komen, en in dat overschot van ’n ton kon ik m’n kleeren bergen.

Dan bleven ze beter bij elkaar, want anders gebeurde ’et op ’n

winderigen dag wel ’es, dat ik ’et water uit moest komen, om m’n hoed

of m’n boord na te hollen, die door den wind opgejaagd waren.

Op ’n keer was ik er nu weer in m’n eentje op uitgetrokken, om op m’n

lievelingsplekje te gaan baden. Toen ik ’et drukke gedeelte van ’et

strand met z’n badkoetsjes en badstoelen en wriemelende menschenmassa,

en z’n hôtels en villa’s boven op de duinen al ’n goed eind achter den

rug had, keek ik ’es om, en zag toen, ’n vijftig pas achter me, ’n

slordig gekleeden jongen, met ’n grijze pet met ’n groote klep, en veel

te wijde afgetrapte schoenen, met ’n rooïe das om den hals, waarvan de

uitgerafelde punten in den wind fladderden. ’n Eind verder keek ik nog

’es haastig om, en later nog ’es, en telkens zag ik den jongen weer.

Onwillekeurig begon ik wat langzamer te loopen, bleef ’es even staan,

om ’n doodgewone schelp op te rapen en te doen of ik die met bizondere

belangstelling bekeek, maar wat ik gehoopt had, gebeurde niet: de

jongen passeerde mij niet. Ik zag dus alweer om, of-i misschien

omgekeerd was, maar neen, daar was de fladderende rooïe das nog precies

even ver achter mij. Ik gooide ’et nu over ’n anderen boeg, en begon

m’n pas hoe langer hoe meer te versnellen. Maar ook dit middel hielp

niet, want toen ik half buiten adem stilstond en omkeek, was de afstand

tusschen mij en den jongen niet veel grooter dan eerst.

Ik moest dus wel tot ’et besluit komen, dat de jongen me opzettelijk

volgde. Maar waarom? ’Et gedeelte van ’et strand, waar wij liepen, was

wel stil, maar toch niet heelemaal verlaten. Van tijd tot tijd kwam ons

’n wandelaar tegemoet of ’n fietsrijder of ’n ruiter, hier en daar

passeerden we ’n eenzaam bader, en aan den voet of op den top van de

duinen zagen we ook nu en dan ’n paar menschen zitten. Er was dus geen

reden, om me bepaald ongerust te maken. Toch voelde ik me niet op m’n

gemak, en ik had ’n lief ding willen geven, om den jongen met z’n rooïe

das weg te kunnen kijken.

Toen ik dan ook dicht bij ’et doel van m’n wandeling gekomen was, en ik

m’n ton al in de verte zag, besloot ik maar, voor dit maal van m’n bad

af te zien. ’t Speet me natuurlijk verschrikkelijk, want ik was van ’et

harde loopen warm geworden, en ’et frissche water lachte me toe. Maar

’et was nu eenmaal niet anders. Ik bleef dus staan, keek ’es rond,

stapte naar den kant van ’et water en maakte m’n handen en armen wat

nat, draalde nog ’n beetje, en drentelde toen langzaam terug. Ik had

opzettelijk niet naar den jongen gekeken, maar nu zag ik, dat hij ook

weer was blijven staan. Ik bleef dus bij m’n besluit, om maar

onverrichterzake naar huis te gaan, en liep door. De jongen stond nog

op dezelfde plaats, toen ik hem op eenigen afstand passeerde en ik

verbeeldde me, dat-i mij eenigszins spottend aankeek, maar zeggen

deed-i niets.

Natuurlijk was ik nieuwsgierig, om te weten, of-i me weer zou volgen,

en ik keek dus al heel gauw weer achter mij. Neen, ditmaal was-i

doorgeloopen. Nog ’n paar maal zag ik om, maar de afstand tusschen ons

werd telkens grooter. Ik was warm en moe geworden, en toen ik op ’n

plaats kwam, waar twee dorpsjongens aan ’et zwemmen waren, ging ik in

’et zand zitten, om naar ze te kijken.

Maar ik had nog geen vijf minuten gezeten, of de lust, om toch in ’et

water te gaan, werd me te machtig. Ik stond dus weer op, en wandelde

voor de tweede maal in de richting van de ton. Heel in de verte zag ik

’n zwarte figuur, die ik voor den jongen hield, die me m’n heelen dag

bijna bedorven had, maar na ’n poosje had ik die uit ’et oog verloren.

Toen ik op m’n ouë plekje kwam, keek ik ook nog ’es naar alle kanten,

maar ik zag niets, dat me ongerust maakte. En ik besloot m’n bad te

nemen, dat ik dien dag zeker dubbel verdiend had.

In ’n wip was ik uitgekleed, en plonsde ik in ’et heerlijke water. In

’et eerst wierp ik nog nu en dan ’n blik naar ’et strand, maar spoedig

dacht ik niet meer aan gevaar, en vergat alles om me heen door ’et

prettige opgewekte gevoel, dat ’et zeewater me gaf. Zoo lekker als dien

dag had me ’et baden nog nooit geleken.

Ik was ’n heel eind ver de zee ingegaan en stond tot aan m’n borst in

’et water, toen ik er aan dacht, om zoetjes aan terug te keeren. Maar

verbeeld je, hoe ik schrok, toen ik me omdraaide. Ik zag iemand, die

uit alle macht van den duinkant kwam aanrennen, en wel regelrecht naar

de plaats, waar ik m’n kleeren geborgen had. En geen seconde later

herkende ik den jongen aan de flapperende einden van z’n das. Eén

oogenblik stond ik verstijfd van schrik, maar toen begon ik te hollen

door ’et water, zoo hard als ik maar kon. Ik stoorde me er niet aan,

dat ik ’n paar malen m’n voet leelijk bezeerde op ’n scherpen steen,

maar liep als ’n razende verder.

De jongen echter bleef eveneens aan ’et hollen, en toen ik m’n voeten

weer op ’et droge zette, was hij veel dichter bij de ton dan ik. Want

’et was eb, en zelfs bij vloed lag m’n kleerenbergplaats nog ’n heel

eind van ’et water af. Ik begreep, dat ik te laat zou komen, maar toch

bleef ik doorhollen. Ik zag den jongen bij de ton komen, ’n oogenblik

in m’n kleeren grabbelen, er wat uithalen, en wegrennen in de richting

van ’et dorp af. Op ’etzelfde oogenblik was ook ik bij de ton, en met

één oogopslag had ik gezien, dat wat ik gevreesd had, ook gebeurd was.

De jongen met de rooie das had m’n horloge gestolen.

Ik gaf ’n gil van woede en vloog den dief na. Maar ’et duurde niet

lang, of ik kwam tot bezinning. Zonder kleeren aan ’et lijf kon ik toch

onmogelijk den jongen heel lang vervolgen, en hij liep eer harder dan

minder hard dan ik. En dus keerde ik weldra, huilend van kwaadheid en

spijt, terug, en begon me aan te kleeden zonder te wachten, tot ik

eigenlijk goed droog was, en stak telkens ’n arm in ’n verkeerde mouw,

en scheurde m’n flanel, en voelde me diep en diep ongelukkig.

’Et horloge, dat me ontstolen was, had ik als ’n gedachtenis aan oom

Frits gekregen. ’Et was natuurlijk ’n ouërwetsch horloge, van zilver,

met ’n bolronde kast, en vader had ’et na de begrafenis voor me mee

gebracht. In ’et eerst mocht ik ’et nog niet iederen dag dragen, maar

langzamerhand was dat er toch van zelf van gekomen, en in de vacantie

kreeg ik ’et altijd mee. Ik hoef je niet te zeggen, dat ik daarom nog

bedroefder om ’et verlies er van was.

Toen ik weer aangekleed was, stapte ik meteen naar huis. Van den jongen

was in geen velden of wegen iets meer te zien. Ik vertelde thuis

natuurlijk dadelijk onder tranen, wat er gebeurd was, en de

visschersfamilie sloeg de handen in mekaar en beklaagde me en probeerde

me te troosten. De man nam me mee naar ’et politiebureau, en daar moest

ik aan ’n m’nheer met ’n vreeselijk zwarten baard en ’n gouën bril op

alles heel precies vertellen. Ik gaf zoo goed en zoo kwaad als ’et ging

’n beschrijving van den jongen, en wees vooral ’n paar maal op de

wapperende rooie das, want ik meende, dat dit herkenningsteeken ’et

heel gemakkelijk zou maken om den boosdoener op te sporen. Maar de

m’nheer met den baard scheen daaraan niet zoo veel waarde te hechten.

Hij zei niet veel anders dan ’n paar maal „hm!”, schreef ’n paar dingen

op, ook m’n vaders naam en adres, en gaf me bij ’et heengaan den raad,

niet weer alleen op zulke eenzame plaatsen te gaan baden. Nu, zoo wijs

zou ik uit me zelf ook al geweest zijn.

Toen ik ’n paar dagen later weer bij m’n ouërs thuis was, en m’n

treurig avontuur vertelde, werd daar de zaak nog al koeltjes opgenomen.

M’n moeder zei, dat ’et jammer was, maar dat er nu eenmaal niets meer

aan te doen was. En m’n vader zei, dat-i hoopte, dat de Zandvoortsche

politie den jongen niet te pakken zou krijgen, want dan zou dat

allerlei geschrijf en last geven van getuige-verhooren en zoo, en dat

was de heele ouë knol van oom Frits niet waard. Ik zelf dacht daar

anders over, maar die wensch van vader werd verhoord: we hebben van de

zaak nooit meer iets gehoord.

Ik was dus de laatste gedachtenis van m’n goeïen oom voor altijd kwijt,

maar ik heb daardoor toch niet minder dikwijls aan ’em gedacht.

Uit de schooljaren van Hans Doncker · 第 4 / 8 题