IV.

VAN ANDRIES Z’N OUËRS, Z’N HUIS,

EN M’N EERSTE SCHOUWBURGBEZOEK.

’n Paar dagen na ’et gebeurde met ’et mosselenvrouwtje zei Andries,

toen we ’s avonds samen naar huis gingen: „Ga je nu ’es met me mee, dan

kan je ’es kennis maken met m’n moeder.” Ik vroeg natuurlijk: „Vind je

moeder dat goed?”, waarop Andries met de vraag antwoordde: „Waarom zou

ze dat niet goed vinden?” Ik vond ’et moeilijk, om daarop ’n antwoord

te geven, maar als ik er aan dacht, hoe ’et bij mij thuis zou opgenomen

worden, wanneer ik maar zoo ineens ’n vriendje had meegebracht, was ik

er toch nog niet al te gerust op, dat Andries z’n moeder er niets op

tegen zou hebben. Ik vroeg daarom:

„Maar weet je moeder dan, dat ik meekom?”

„Nou, niet precies. Ik heb ’er gezegd, dat ik je ’es mee zou brengen.

Maar niet bepaald van avond.”

„En je vader?”

„Die is niet thuis! Maar dat zou er anders toch niets toe doen. Kom,

zeur niet! Je mag toch wel van je ouërs?”

„Ja, dat denk ik wel.”

Ik kon dat laatste gerust zeggen, want er werd bij mij thuis al heel

weinig op gelet, of ik ’n uurtje vroeger of later kwam. ’Et was zelfs

niet heel waarschijnlijk, dat iemand er iets van merken zou, behalve

’et dienstmeisje dan. M’n vader was zeker uit, en ’et was tien tegen

éen, dat m’n moeder naar bed was gegaan. Ze sukkelde nog even erg met

de „zenuwen” als vroeger. Ik besloot dus, ’et er maar op te wagen.

Andries woonde op ’n bovenhuis in de Voorstraat. Hij schelde aan, riep,

toen er opengedaan was, luid: „Hallo!” naar boven, en ging me vóor,

twee trappen op, en ’n kamer binnen. Daar zat bij de tafel ’n dame te

lezen, die er heel jong uitzag en vriendelijk lachend opkeek, toen wij

binnenkwamen. Andries vloog naar ’er toe, pakte haar om den hals en gaf

’er ’n kus. Toen zei-i:

„Kijk, Mam, daar heb je nou Hans!”

Ik wist niet, wat ik hoorde! „Je?” Zei Hans tegen z’n moeder „je”? Maar

dat kon toch niet! Ik had bepaald verkeerd gehoord. Ik kon daar

intusschen niet langer over nadenken, want ik moest z’n moeder ’n hand

gaan geven. Ze zag nu ook mij vriendelijk aan, en zei met ’n stem, die

me meteen heelemaal op m’n gemak zette:

„Zoo, Hans, dat is goed. Ik heb van Adi al ’n heelen boel van je

gehoord, en ik ben blij, dat ik je ’es zie. Ik vind ’et altijd prettig,

dat ik Adi z’n vriendjes ook ken. Ga jullie maar zitten, jongens! Je

lust zeker allebei wel ’n kopje thee!”

We gingen bij de tafel zitten, en kregen ’n kopje thee met ’n koekje.

Onderwijl vroeg Mevrouw naar ’et een en ander van onze school en ’et

bleek, dat Andries ’er van alles goed op de hoogte had gebracht. De

geschiedenis van ’et mosselenvrouwtje werd natuurlijk ook nog ’es

opgehaald, en ik merkte, dat Andries z’n moeder ook verteld had, hoe ik

voor ’em in de bres was gesprongen en daardoor straf opgeloopen had.

Onder de hand keek ik de kamer ’es rond. Eigenlijk waren ’et twee heel

ruime kamers, die in elkaar liepen. In allebei brandde licht en ik

vond, dat alles er veel mooier en gezelliger uitzag dan bij me thuis.

Er stonden juist niet zooveel andere meubelstukken, maar ze waren heel

anders gerangschikt, niet zoo stijf, mannetje aan mannetje naast

elkaar. Aan de muren hingen veel schilderijen, groote en kleine, in

mooie lijsten, en op de piano, op ’et buffet en op de tafel stonden

prachtige bloemen in vazen. Ik was niet gewoon, veel op zulke dingen te

letten, en nog minder, om me er om te bekommeren, hoe iemand gekleed

was. Ik zou dan ook niet in staat zijn, om precies te beschrijven, hoe

de woning van Andries z’n ouërs was ingericht, en hoe z’n moeder was

aangekleed. Maar even mooi en gezellig als me de kamers leken, even

prettig vond ik ’et, om naar z’n moeder te kijken, en als ik had moeten

zeggen, hoe zij er uitzag, zou ik gezegd hebben: als ’n prinses, of als

’n fee. Want aan zulke wezens, die ik natuurlijk alleen uit boeken

kende, deed ze me telkens denken. En tegen zoo’n moeder zei Andries

„jij en jou.” Ik hoorde ’et nu voortdurend en ’et gaf me iederen keer

’n kleinen schok.

„Toe, Mam, speel ’es wat!”

„Ja, Adi, dat wil ’k wel doen. Maar dan mogen we toch wel eerst aan je

vriend vragen, of die ook van muziek houdt.”

„Natuurlijk, niet Hans?”

„O ja, Mevrouw, als ’et u blieft!”

„Speel je zelf ook piano, Hans?”

„Nee, Mevrouw. Ik zou ’et wel graag geleerd hebben, maar onze piano is

altijd op slot. M’n moeder kan zoo iets heelemaal niet hebben. Ze is

altijd ziek.”

„Zoo, dat is erg jammer! Adi heeft ’n jaar les gehad, maar-i had niet

erg veel aanleg en wou er maar liever mee uitscheiden.”

„Maar ik hoor heel graag muziek. En Mam speelt zoo prachtig! Zòo had ik

’et toch nooit geleerd!”

Z’n moeder lachte en zei: „Ja, dat is wel makkelijk! Maar als je ’et

zelf kan, heb je ’n ander niet noodig. En dan kan je anderen ook ’es ’n

plezier doen”. Ze ging voor de piano zitten en begon te spelen. ’n

Oogenblik volgde ik haar vlugge vingers, die over de toetsen vlogen,

keek even naar Andries, die me toeknikte met ’n gezicht, alsof-i zeggen

wou: „Heb ik geen gelijk gehad? Is ’et niet prachtig?” En toen vergat

ik alles om me heen. Ik wist niets meer van Andries of van z’n moeder,

ik zag geen kamer meer en geen meubels, ik was weg. Weg in ’n land,

waar ik nooit geweest was, waar ik menschen zag, die ik nooit gekend

had, waar ik sprak en deed, zooals ik nooit gesproken of gedaan had. En

ik voelde me zoo luchtig, zoo sterk en zoo moedig, en ik was geen

jongen meer, maar ’n man. En ik reed te paard als ’n generaal en

duizenden soldaten presenteerden ’et geweer, en ik zat als Koning in ’n

rijtuig met acht paarden en alle menschen juichten en zwaaiden met

hoeden. En ineens was dat alles weer verdwenen en ik zat tegenover oom

Frits en luisterde naar ’n verhaal, dat ik nooit van ’em gehoord had,

maar dat o zoo mooi was, maar treurig, erg treurig. En toen moest ik

blijven denken aan dien goeïen oom, die dood was gegaan, en aan m’n

moeder, die ook dood was, en dat ik zelf ook dood zou gaan. En......

„Mam, wat speel je treurig! Hans heeft tranen in z’n oogen!”

Mevrouw Van Ulft hield op met spelen, maar draaide zich gelukkig niet

dadelijk om. Ik had dus gelegenheid, m’n oogen af te vegen, en weer

heelemaal tot me zelf te komen. Ik zou erg graag gezegd hebben, hoe

heerlijk ik ’et gevonden had, maar daar zag ik geen kans toe.

„Hou je van noten, Hans?”

„Als ’et u belieft, Mevrouw!”

„Heb je noten, Mam? Heerlijk!”

Mevrouw haalde ’n bord met noten en ’n notenkraker uit ’et buffet, en

we gingen met z’n drieën zitten kraken en pellen en peuzelen. Er werd

geklopt, en ’n aardig jong dienstmeisje kwam binnen, om ’er tweede

kopje thee te halen.

„Lust je ook ’n paar noten, Marie?”

„Als ’et u blieft, Mevrouw.”

„Kom er dan maar bij zitten, en drink hier je kopje thee. Je zit ’er

zoo alleen in die keuken!”

Ik wist alweer niet recht, hoe ik ’et had. ’Et dienstmeisje bij Mevrouw

aan de tafel en mee aan de noten smullende, of ’et zoo hoorde! Zoo iets

was bij mij thuis ondenkbaar geweest. Maar ik vond ’et wel gezellig.

Andries scheen ’et ook heel gewoon te vinden, en plaagde ’er soms, door

’er ’n leegen dop in de hand te duwen, maar dan zocht-i weer ’n mooien

grooten uit en schoof die naar ’er toe.

„En doen we nu nog samen ’n spelletje, Mam, of lees-je verder uit ’et

boek van gisteren voor?”

„Ja, Adi, wat je ’et liefst wil. Maar je moet ’et eigenlijk aan Hans

overlaten”.

„Da’s goed, Mam! Zeg jij ’et maar, Hans! Willen we ’n spelletje

zwartepieten?”

„Zwartepieten? Dat kan ik niet!”

„O, dat is niets. ’Et is doodmakkelijk! Dan zullen we ’et ’em wel

leeren, niet Mam? Heb jij ’n kurk, Marie? Jij doet toch ook mee, hè?”

Andries zocht ’n spel kaarten te voorschijn, en Marie haalde ’n kurk

uit de keuken. Ik was verschrikkelijk nieuwsgierig, wat er gebeuren

zou. Ik had vroeger m’n oom Frits met m’nheer Arnolds wel ’es zien

kaartspelen, maar ’n kurk was daar nooit bij te pas gekomen.

Andries begon me nu ’et spel uit te leggen, en als ’et niet erg

duidelijk was, wat-i zei, kwam Mevrouw ’em te hulp. Nu, erg moeilijk

was ’et werkelijk niet. Je kreeg ieder ’n stuk of acht kaarten, en als

je nou twee heeren of twee vrouwen, of twee negens of twee tienen had,

dan mocht je die wegleggen. Maar ze moesten van dezelfde kleur zijn,

dus bij voorbeeld hartenaas en ruitenaas of klaverenzeven en schoppen

zeven. Maar schoppenboer kon je nooit wegleggen, omdat klaverenboer uit

’et spel genomen was. Nu moest je telkens om de beurt ’n kaart van je

buurman trekken, en dan zat je natuurlijk in angst, dat je zwartepiet,

d.w.z. schoppenboer zou trekken, want wie daarmee ’et laatste zitten

bleef, die had ’et spel verloren.

„Maar nou die kurk?” vroeg ik, toen ik dacht, dat ik de zaak nu wel

begrepen had, en we ons eerste spel zouën beginnen.

„Dat zal je wel zien!” zei Andries lachend. „Pas maar op, dat jij niet

verliest!”

Andries deelde de kaarten rond, en we begonnen te spelen. Wie

zwartepiet had, deed z’n best, om zoo onschuldig mogelijk te kijken, in

de hoop, dat z’n buurman ’em van ’em trekken zou. Gebeurde dit

werkelijk, dan was ’et erg moeilijk, om je vreugde daarover niet te

verraden, en zoo kon je, door goed op al de gezichten te letten,

dikwijls wel zoo’n beetje raden, bij wie zwartepiet zat. Maar

natuurlijk vergiste je je ook wel ’es. Aan ’et gezicht van Andries z’n

moeder was ’et minste te zien. Dat stond voortdurend even lachend en

vriendelijk. Maar Andries kon ’et ’n enkelen keer niet laten, luid te

juichen, en toen Marie bij ’et trekken van ’n kaart onwillekeurig

„ajakkes” riep, wisten we meteen allemaal, hoe laat of ’et was. Zoo

ging ’et spel door, telkens werden er kaarten weggelegd en zwartepiet

ging van de eene hand in de andere. Eindelijk was Andries al z’n

kaarten kwijt en dadelijk daarna z’n moeder ook. Ik had nog een kaart,

ruitenacht en Marie nog twee. Zij moest mij laten trekken. Ze draaide

en draaide ’er kaarten door elkaar, en hield ze me eindelijk voor.

Natuurlijk aarzelde ik ’n beetje, want een van ’er kaarten moest

zwartepiet zijn. Ik trok er ten laatste een, en jawel, ik had ’em.

Groot gejuich van Andries en groote pret van Marie! Maar nu moest zij

weer van mij trekken, en nu draaide ik m’n twee kaarten door elkaar en

aarzelde zij met er een te nemen. En warempel, ze trok weer de

ongelukskaart. Nog harder gejuich van Andries en nog grooter pret van

mij! En nu was ’et mijn beurt weer om te trekken, en ik trok ...

hartenacht! Ik mocht m’n kaarten wegleggen, en Marie zat met

zwartepiet.

En nu werd ’et geheim van de kurk opgelost. Hij werd ’n oogenblik boven

de lamp gehouën en op die manier ’n beetje zwart gebrand. En toen mocht

Andries, omdat hij ’et spel gewonnen had, met die kurk Marie ’n zwarten

veeg in ’et gezicht geven. Je begrijpt, hoe er bij die kunstbewerking

gelachen werd, en hoe Marie tegenspartelde en schreeuwde: „Niet op m’n

lip, niet op m’n lip!” Maar eindelijk zaten we toch allemaal weer kalm,

al schoot ik telkens weer in ’n lach, als ik naar Marie keek, die er

met ’er zwarte snorretje allergekst uitzag.

We begonnen nog aan ’n tweede spelletje, maar dat kregen we niet meer

uit. Want ineens werd er gescheld. Marie sprong verschrikt op, zei, dat

ze zoo onmogelijk open kon doen, en holde naar de keuken, om ’er

gezicht te wasschen. Andries riep ’er na, dat hij wel gaan zou, en ging

opendoen. En net in den tijd, dat ik met z’n moeder alleen in de kamer

was, sloeg de pendule op den schoorsteen half tien. Ik schrok er van:

ik had gedacht, dat ’et op z’n hoogst negen uur zou wezen. Mevrouw

merkte ’et, en vroeg:

„Wordt ’et je tijd, Hans?”

„Ja, Mevrouw, ik heb thuis niets gezegd, en ...”

„Ja, dan moet je gaan! Je moeder zal toch wel al ongerust wezen. Wil je

nog wel ’es terug komen?”

„O, mevrouw; erg graag!”

„Maar dan moet je in ’et vervolg zorgen, dat ze ’et thuis weten!”

„Ja, Mevrouw.”

Andries kwam weer binnen; ’et was ’n puisje geweest.

„Wat is dat? Ga je nou ineens weg, Hans?”

„Ja, Adi, ’et is al half tien. Jij moet ook naar de koets,” zei z’n

moeder.

„En ’et spel is niet eens uit!”

„Nou dat zullen we later nog wel ’es uitspelen. Je brengt Hans nog maar

’es gauw weer mee.”

Ik gaf Mevrouw ’n hand, riep bij de keukendeur „dag, Marie”, nam boven

aan de trap afscheid van Andries en ging naar beneden en naar huis, vol

van plezierige gedachten over den prettigen avond, dien ik gehad had,

en vlassende op den volgenden keer, dat Andries me mee zou nemen. Thuis

vond ik alles, zooals ik verwacht had. Ons dienstmeisje—we hadden juist

weer ’es ’n erg knorrig exemplaar—deed me open met: „Ken je nog later

thuiskomme?” Maar dat was ook alles, wat ik er van te hooren kreeg.

Al heel gauw daarna mocht ik weer ’es met Andries mee, en nog ’es, en

nog ’es, en op ’et laatst bracht ik bijna al m’n vrije uren bij hem aan

huis door. Niet alleen ging ik haast iederen avond ’n uurtje met ’em

mee, maar ook Woensdag en Zaterdag middag was ik vaak bij ’em thuis,

als ik tenminste geen extra-uren op school had. En dat gebeurde nog al

’es ’n keer, want voor ’et stoomen scheen ik nog minder geschikt dan

voor ’et leeren op ’n gewone school. Andries maakte ’et daarentegen

uitstekend, en ’et bleek al gauw, dat hij verreweg de beste van onze

heele klas was. Dat beteekende nu wel niet zoo heel veel, want ons

heele stelletje was bijna zonder uitzondering allesbehalve snugger.

Maar Andries was werkelijk n vlugge jongen, en ’et verwonderde me hoe

langer hoe meer, dat hij voor ’et toelatings-examen gezakt was. Ik kan

hier wel meteen vertellen, dat de heeren, die ’em geëxamineerd hadden,

zich inderdaad vergist moeten hebben, want ’et volgende jaar slaagde

Andries voor de tweede klas van de Burgerschool en hij heeft ’et daar

ook verder heel goed gemaakt.

Even heerlijk als ik ’et den eersten avond bij m’n vriend aan huis had

gevonden, bleef ik ’et daar ook in ’et vervolg vinden. Natuurlijk

bemoeide z’n moeder zich niet altijd met ons, en vermaakten wij ons

vaak met z’n tweetjes. Maar toch, als ze kon, en Andries ’et ’er vroeg,

was ze altijd klaar, om piano voor ons te spelen of ’n spelletje mee te

doen. Ook zong ze wel, terwijl ze speelde, en die liedjes, waarvan ik

de woorden meestal niet eens verstond, leken me ’et mooiste, wat er op

de wereld kon bestaan. Ik geloof, dat ik er altijd naar had kunnen

blijven luisteren, zonder ooit moe te worden. En al was ik nooit in

staat, om precies te zeggen, wat ik bij haar spelen of zingen voelde,

en al dorst ik haar niet eens te bedanken voor ’et groote genot, dat ze

mij er door gaf, toch scheen Mevrouw wel te merken, hoe ik er over

dacht. Ik verbeeldde me tenminste, dat ik langzamerhand ’n beetje ’n

gunsteling van ’er werd, en dat de manier, waarop ze met me omging,

weinig minder hartelijk was dan de omgang tusschen haar en Andries. En

dat die twee dol op elkaar waren, dat kon ’n blinde zien. De trots,

waarmee Andries me aankeek, als z’n moeder speelde of zong, en-i aan

m’n gezicht kon zien, hoe prachtig ik ’et vond, was precies even groot

als die van haar, wanneer ik dingen van onze school vertelde en ’et

daarbij te pas kwam, hoe ’n bolletje Andries was. Nooit zou hij thuis

komen of ’et huis verlaten, al was ’et maar om ’n boodschap van vijf

minuten te doen, zonder z’n moeder ’n dagzoen te geven. En altijd

sprak-i met ’er als met ’n goeïen kameraad, aan wien je gerust al je

geheimen vertellen kunt.

„Ik vind ’et jammer, dat wij op school heelemaal geen zangles krijgen,”

zei ik op ’n keer, dat Mevrouw weer gezongen had.

„Ja,” zei Mevrouw, „dat is ’et ook wel! Ofschoon, als jelui allemaal

zulke stemmen hebt als Adi op ’et oogenblik, dan zou ’et ’n fraai

bromkoor worden.”

Andries lachte en zong ’n paar regels van ’n schoolliedje met ’n diepe

basstem.

„Zit jouw baard niet in je keel, Hans?”

„Ik weet ’et niet, Mevrouw, ik geloof ’et niet.”

„Kun je goed zingen?”

„Ik had vroeger op school altijd goeïe cijfers voor zingen. Maar nu doe

ik ’et nooit meer.”

„Nu, zing maar ’es wat! Wat ken je?”

Ik noemde ’n liedje, dat ik op school altijd met voorliefde gezongen

had: „In ’t groene dal, in ’t stille dal”. Mevrouw ging aan de piano

zitten en begeleidde. Bij de eerste maten was ik nog ’n beetje

verlegen, maar al gauw zong ik uit volle borst. Toen de drie coupletten

uit waren, klapte Andries als razend in de handen, en schreeuwde

„bravo”, natuurlijk om me ’n beetje te foppen. Mevrouw liet me nog ’n

paar liedjes zingen, en onder ’et laatste liep Andries stilletjes naar

de keuken en kwam terug met ’n groote bloemkool, die hij me bij ’et

einde met ’n diepe buiging aanbood. We lachten alle drie hartelijk om

dien fraaien ruiker, maar Mevrouw zei: „Nu, Hans, je hebt werkelijk ’n

krachtige en ’n zuivere stem!” En sedert dien tijd gebeurde ’et meer,

dat ze me bij de piano liet zingen, wat ik verrukkelijk vond, vooral

wanneer ze zelf mee zong en onze stemmen samenklonken. Soms maakte ze

ook wel ’n opmerking of verbeterde hier of daar, en zonder dat ’et

natuurlijk ’n zangles werd, voelde ik toch wel, dat ik wat leerde.

Andries hield me nu ook niet meer voor ’et lapje, maar zei zelf wel

’es: „Kom, Hans, zing nog ’es wat met Mam!”

Zoo lang ik alleen ’s avonds bij Andries over den grond kwam, maakte ik

geen kennis met z’n vader. Daar m’n eigen vader ook iederen avond uit

was, vond ik daar niets vreemds in. Wat voor ’n betrekking i had, wist

ik ook niet en ik vroeg er niet naar, want ’et kon me niet veel

schelen. Alleen was er één ding, dat me wel wat nieuwsgierig maakte. ’n

Paar maal al had ik Andries aan z’n moeder hooren vragen: „Speelt Pa

vanavond hier?” En dan was ’et antwoord soms „ja” geweest, maar soms

ook: „Nee, in Utrecht, of in Rotterdam” of in nog ’n andere plaats. Ik

maakte er uit op, dat net als mijn vader lid van ’n schietvereeniging

was, zijn vader lid was van ’n vereeniging, die domino of kaart of

billard speelde, en ik vond ’et alleen vreemd, dat-i daarvoor zoo

dikwijls op reis ging. Ook vroeg Andries op ’n keer: „Moet Pa

Zondagmiddag spelen?” en toen zei z’n moeder: „Nee, gelukkig niet;

Zondagmiddag gaan we met ons drietjes uit, daar heeft Pa de heele week

al op gevlast.” Dat leek me nog vreemder: z’n vader scheen dus niet

eens voor z’n plezier te spelen.

Wonder boven wonder kreeg ik de oplossing bij mij thuis te hooren. Ik

had natuurlijk telkens, als ik ’n uurtje bij Andries aan huis zou

doorbrengen, aan m’n moeder gezegd, dat ik wat later thuiskwam, en die

had daar nooit eenig bezwaar tegen gemaakt. Maar op ’n Zaterdag- of

Zondagmiddag, dat ik gelijk met m’n ouërs aan ’et middageten zat, begon

m’n moeder:

„Hoe heet die jongen eigenlijk, waar je tegenwoordig zoo groot mee

bent?”

„Andries.”

„Jawel, maar z’n achternaam?”

„Van Ulft.”

„En wat zijn dat voor menschen?”

Ik vond ’et nogal moeilijk, om op die vraag te antwoorden, maar ’et was

gelukkig niet noodig, want tot m’n groote verrassing mengde m’n vader

zich in ’et gesprek.

„Van Ulft? Is dat die acteur?”

Ik keek m’n vader verbaasd aan: „acteur?”

„Ja. Tooneelspeler?”

Daar ging me ’n licht op; dat „spelen”, waar Andries en z’n moeder over

gesproken hadden, was dus tooneelspelen geweest. Ik antwoordde dus:

„Ja, vader, ik geloof ’et wel.”

„Ken jij ’em?” vroeg m’n moeder aan m’n vader.

„Hij is ’n tijdje geleden ’es aan me voorgesteld. Door Steneke. Die

schijnt ’em in Rotterdam gekend te hebben.”

„Ja,” zei ik, „ze hebben in Rotterdam gewoond.”

„En wat was ’et voor ’n man?” vroeg m’n moeder verder.

„Nou, i maakte ’n fatsoenlijken indruk.”

„En verdient zoo’n man zooveel geld, dat-i z’n zoon op zoo’n dure

school kan laten gaan?”

„Ja, hoor ’es, daar weet ik geen lor van. Ik geloof niet, dat ’et ’n

eersterangs acteur is, maar misschien had z’n vrouw geld.”

Verder werd er niet over gesproken. M’n moeder ’er hart scheen gerust

gesteld door ’et gehoorde, want ze kwam er later niet meer op terug, en

liet me zoo vaak naar Andries gaan als ik verkoos. Ik zelf besloot, om

de eerste de beste gelegenheid, dat ik met m’n vriend alleen was, waar

te nemen, om ’es over ’et beroep van z’n vader te spreken. Want als

iemand me gevraagd had: „Wat is ’n tooneelspeler?” dan zou ik

geantwoord hebben: „Iemand, die tooneel speelt”, zonder me daarbij

eigenlijk iets wezenlijks voor te stellen.

En zoo vroeg ik dus aan Andries:

„Is jouw Pa tooneelspeler?”

„Ja; wist je dat niet?”

„Nee! Maar zeg, wat is dat eigenlijk?”

Andries zette groote oogen op. „Wat dat is? Maar ben je dan nooit naar

den schouwburg geweest?”

„Ja, eenmaal, heel lang geleden. Toen heb ik prachtig paardrijën

gezien, en ’n gedresseerden olifant, en ’n goochelaar en ’n dame, die

over ’n ijzeren draad liep met ’n parasol en ’n waaier, en .....”

„O, je bedoelt ’et circus? Maar dat is geen schouwburg.”

„Niet?”

„Wel nee! ’n Schouwburg is heel wat anders. Daar spelen ze stukken.”

„Zoo?” zei ik, nog niet veel wijzer. „En ben jij dan wel ’es naar den

schouwburg geweest?”

„O je, zoo dikwijls. In Rotterdam ging ik haast elke week ’n keer. Maar

nu kan ik natuurlijk alleen Zaterdags en Zondags. En die avonden gaat

’et niet zoo makkelijk.”

„Wat bedoel je?”

„Nou, dan is ’et altijd ’et volst. En dan kan Pa niet zoo goed

vrijbiljetten krijgen.”

„Maar wat gebeurt daar dan eigenlijk in zoo’n schouwburg?”

„Ja, dat is niet zoo makkelijk om te zeggen. Denk nou ’es, dat je ’n

verhaal in ’n boek leest, maar dat je dan al de menschen uit dat boek

werkelijk voor je ziet, en dat je ze hoort spreken, dat je dus niet

lèèst, wat er gebeurt, maar dat ’et net is, of je er zelf bij bent.

Snap je?”

„Ja, wel zoo’n beetje.”

„Maar ik zal wel zorgen, dat je ’es gauw met ons mee gaat. Ik zal er

dadelijk vanmiddag ’n balletje van opgooien.”

„O, als je dàt kon gedaan krijgen!”

„Natuurlijk kan dat. Reken er maar vàst op!”

Ik had in m’n heele jonge leven nog naar geen enkel ding zoo sterk

verlangd als ik van dit oogenblik af naar ’et beloofde

schouwburg-bezoek verlangde. Dat kwam waarschijnlijk juist, omdat ik me

de heerlijkheid, die me wachtte, in ’et geheel niet kon voorstellen.

’Et was ’n onderwerp, waar ik zoo goed als nooit over gedacht had,

omdat ik er tot nu toe ook bijna nooit over had hooren spreken. Of m’n

vader wel ’es naar den schouwburg ging, wist ik niet; ’er was in elk

geval bij me thuis nooit over gesproken.

Den volgenden dag al vertelde Andries me, dat z’n vader beloofd had,

dat ik den eersten den besten keer mee zou mogen, en den Woensdagmiddag

daarop, toen ik voor de eerste maal met z’n vader zelf kennis maakte,

hoorde ik die belofte nog ’es uit z’n eigen mond. Wat was dat ook al

weer ’n aardige man! Vroolijk en druk, nu ’es met ons jongens babbelend

en lachend, naar onze grappen luisterend en zelf grappen vertellend,

dan weer z’n vrouw plagend en met ’er stoeiend, dat ’et soms was, of ze

krijgertje speelden; ’et eene oogenblik de trap opstuivend naar de

bovenkamer, waar we ’em luid zingend boven onze hoofden hoorden

scharrelen, ’et andere oogenblik zonder hoed of overjas de straat

opstormend, om terug te komen met de een of andere tractatie voor ons

allemaal. Ik had nooit zoo’n man gezien; ’n enkelen keer deed-i me aan

meester Lindeman denken, maar die was toch heel wat bedaarder. Hij

maakte Andries en mij ook drukker dan we anders ooit waren. Op een

oogenblik—we hadden ’et toevallig over schermen gekregen, en Andries

z’n vader had ’n paar ouë wandelstokken voor den dag gehaald, en ons ’n

paar stooten geleerd, en we stonden alle drie uitvallen te doen, met

harde stampen op den vloer, en te porren en te schreeuwen—op een

oogenblik, zeg ik, maakten we zoo’n heidensch leven, dat er ’n

boodschap van de benedenburen kwam. Natuurlijk waren we gauw koest en

mevrouw zei half lachend, half boos tegen ’er man:

„Zie je nou wel, dat jij de grootste kwajongen van de drie bent! Dat is

nou nog geen een keer gebeurd, als Hans met Adi alleen was!”

’Et zal ’n goeïe week na die eerste kennismaking met Andries z’n vader

geweest zijn, dat de groote dag kwam, waarop ik voor de eerste maal

naar den schouwburg zou gaan. ’Et was op ’n Zaterdagavond en ik zou met

Andries en z’n moeder meegaan. Natuurlijk had ik er van te voren thuis

over gesproken, en zonder veel moeite verlof gekregen. We zouën niet

naar den schouwburg gaan, waar Andries z’n vader speelde, want daar

werd geen stuk gegeven, dat erg voor kinderen geschikt was. Als ik den

tijd sneller had kunnen laten voorbijgaan door aan de klokken te

draaien, dan zou ik zeker geen uurwerk met rust gelaten hebben. Ik

telde letterlijk de uren, die me nog van de verwachte zaligheid

scheidden, en ik verwachtte eigenlijk ieder oogenblik de een of andere

verschrikkelijke gebeurtenis—zooiets als ’et in de lucht vliegen van

den schouwburg of ’n aardbeving of ’et uitbreken van ’n oorlog met

Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen—die zou maken, dat de heele boel

in ’et water viel. Maar er gebeurde niets van dat alles, en

Zaterdagavond tegen zeven uur stond ik in m’n beste plunje bij Andries

op de stoep en schelde aan.

Ik vond Andries en z’n moeder nog niet klaar, om dadelijk weg te gaan,

en in ’n veel minder opgewonden toestand, dan waarin ik zelf verkeerde.

Vooral de kalmte, waarmee Andries de zaak opnam, had voor mij iets

wonderbaarlijks. Toen Mevrouw merkte, dat ik ’n paar maal bezorgd naar

de pendule keek, stelde ze me gerust met te zeggen: „Wees maar niet

bang, dat we te laat zullen komen, Hans. We hebben besproken plaatsen.”

Ik geloofde haar natuurlijk wel, maar zoolang ik nog niet werkelijk

goed en wel in den schouwburg zat, bleef ik vreezen, dat er nog op ’et

laatste oogenblik wat in den weg zou komen.

Eindelijk zat ik dan toch rond te kijken in ’n prachtige groote zaal,

met heel veel licht, en gemakkelijke stoelen met rood trijp, vol heeren

en dames, die lachten en praatten en haast niet luisterden naar de

muziek, die er gemaakt werd. Ik keek naar ’et mooie plafond,

geschilderd in wit en goud, naar de schitterende lichtkroon met

honderden lichtjes, maar ’et meest naar ’et groote doek, dat boven de

muzikanten hing, en dat alles verborg, wat we straks te zien zouën

krijgen. Heel lang behoefden we daar niet op te wachten. De muziek

hield op, ’et werd donker in de zaal, en ’et scherm ging omhoog.

Ik zag nu ’n landschap met weiden en boomen, waar geen eind aan scheen

te komen, en daar waren drie mannen met wijë witte mantels en groote

strooien hoeden met breede randen, die met elkaar spraken, zoo hard,

dat je alles kon hooren, wat ze zeiën. In ’et eerst zat ik daar nog wat

vreemd naar te kijken, en begreep ik ook niet recht, waar ze ’et over

hadden. Maar langzamerhand begon ik ’et een en ander te snappen, en van

dat oogenblik af vergat ik alle andere dingen en leefde heelemaal mee

met wat ik voor me zag gebeuren. Er kwamen andere menschen, ook

allemaal heel vreemd gekleed, en een was er bij, die heel slecht was,

want die maakte met ’n ander ’n plan, om iemand ongelukkig te maken. En

toen ze dat plan wilden uitvoeren, en met hun slachtoffer gingen praten

en ’em wilden overhalen, om dàt te doen, waardoor-i ongelukkig zou

worden, en toen dat slachtoffer toen ’n oogenblik nadacht en hardop

vroeg: „Zòu ik hen vertrouwen?” toen riep ik: „nee!” Meteen kreeg ik ’n

duw van Andries in m’n zij, en zag ik, hoe de menschen, die vóór ons

zaten, zich omdraaiden, en hoorde ik naast me en achter me lachen, en

ik kreeg ’n kleur als vuur en had wel in de zitting van m’n stoel

willen kruipen, om me te verbergen. Maar gelukkig gingen de menschen op

’et tooneel gewoon door.

Toen na ’n poosje ’et scherm naar omlaag ging en ik op ’et voorbeeld

van de andere menschen duchtig in m’n handen geklapt en met m’n voeten

op den grond getrappeld had, en ’et weer licht in de zaal werd, had ik

’n gevoel, of ik zoo kersversch uit ’n andere wereld was komen

aanreizen. Ik had ’n kleur als vuur en Mevrouw Van Ulft keek me lachend

aan, en Andries plaagde me ’n beetje, dat ik zooeven ook ’n woordje had

willen meepraten. Ik zag nu zelf in, hoe gek dat geweest was, en

begreep nu wel, dat alles wat ik gezien en gehoord had, geen

werkelijkheid, maar alleen spel geweest was. En toch, zoodra ’et scherm

weer op was, leefde ik weer mee met alles, wat er daar vóór me

gebeurde, en had ik alle andere gedachten verloren.

’Et was prachtig! Daar was ’n man, ’n veehoeder noemden ze hem, maar

’et was eigenlijk ’n prins, en daarvan dachten ze allemaal, dat-i stom

was. En nu was er ’n koning of ’n keizer of zoo iets, en die woonde

natuurlijk in ’n groot paleis, en die ging elken avond vóor-i naar bed

ging op ’et balkon staan, en dan riep-i naar buiten: „Wachten van ’t

paleis, waakt!”

Dat hoorde dan de schildwacht, die ’et dichtstebij stond, en dan riep

die: „Wachten van ’t paleis, waakt!” Dan riep weer de volgende

’etzelfde, en dan de derde en de vierde, en zoo hoorde je die woorden

al verder en verder wegklinken, en eindelijk heelemaal wegsterven. Maar

nu hadden slechte menschen dien koning opgesloten en dus zou-i dien

avond niet kunnen roepen, en dan zouën daardoor hun helpers weten, dat

’et booze plan gelukt was, en ’s nachts ’et paleis komen innemen. Maar

de stomme, waar ik je daar-even van vertelde, was ook in ’et paleis en

wist alles, want de boosdoeners hadden zich voor hem niet in acht

genomen. Ze dachten, hij kan toch niets verklappen. En toen die nu

alleen gebleven was, ging die naar buiten op ’et balkon en riep:

„Wachten van ’t paleis, waakt!” Want-i had zich maar gehouën, of-i stom

was. En ’et klonk weer van schildwacht tot schildwacht, al verder en

verder: „Wachten van ’t paleis, waakt!” en ’et slechte plan mislukte

Natuurlijk gebeurde er nog ’n heele boel meer, maar ik zie geen kans,

dat allemaal te vertellen. Je moet bedenken, dat ’et al heel lang

geleden is, en dat ’et niet ’et eenige stuk bleef, dat ik te zien

kreeg. Nog heel vaak mocht ik met Andries en z’n moeder mee, en ik heb

in den loop van dien winter zeker wel tien tooneelstukken gezien.

Misschien zou ik, wat ik je er van verteld heb, niet eens onthouën

hebben, als ik dat later zelf niet zoo dikwijls nagespeeld had. Ik had

namelijk ’et kunstje bedacht, om dat „Wachten van ’t paleis, waakt!”

met ’n telkens hoogere en telkens zachtere stem te roepen, zoodat ’et

precies klonk, of ’et hoe langer hoe verder weg geroepen werd, en dat

kunstje haalde ik bij mij thuis, maar vooral bij Andries aan huis vaak

genoeg uit. „Tooneeltje spelen” werd ons geliefdste spelletje. Met ouë

kleeren van Andries z’n ouërs of van Marie, met lappen en vodden,

takelden we ons toe, maakten ons snorren van schoensmeer en baarden van

watten, haalden alles in de kamer overhoop, en speelden de tooneelen

na, die ons ’et meest getroffen hadden. Nog zie ik Andries op handen en

voeten over de strijkplank kruipen, die over twee stoelen was

heengelegd: Andreas, de tijgerjager, die bij den waterval van de roode

cederrots over ’n boomstam den veiligen oever bereikt. Nog hoor ik den

schaterlach van Andries z’n moeder, die toevallig binnenkomt op ’et

oogenblik, dat ik met ’n bulderende stem en ’n koninklijk gebaar

uitroep: „Geef mij duizend zulke mannen, en ik zal de wereld

veroveren!”

O heerlijke, zalige tijd! En toch ....

Uit de schooljaren van Hans Doncker · 第 6 / 8 题