VAN MEZELF, M’N OUËRS, M’N OOM FRITS,
EN DE BROEK VAN M’NHEER VAN LEDDERUM.
Ik heb altijd erg veel van vertellen gehouën. Ik bedoel daarmee niet,
dat ik graag hoorde vertellen. Natuurlijk deed ik dat ook, net als
iedere jongen. Toen ik nog in de klas van Meester Lindeman zat, was et
laatste half uur of drie kwartier van de week altijd ’et heerlijkste.
Want als we ’et in den loop van de week niet al te bont gemaakt hadden,
en dat kwam bij Meester Lindeman zoowat nooit voor, dan gebruikte-die
Zaterdags de laatste les, om ons ’n verhaal te doen. ’Et kon ons dan
geen steek schelen, of de bel ging, of eigenlijk hadden we ’em maar
liever niet gehoord. Nu, ’et gebeurde dan ook dikwijls genoeg, dat
Meester er zich niet aan stoorde en kalm doorvertelde.
Maar wat ik daar even wou zeggen is, dat ik als jongen zelf zoo graag
vertelde. Wat ik in boeken gelezen of van anderen gehoord had,
verhaalde ik aan wie maar luisteren wou, en al heb ik er m’n hoorders
misschien niet altijd ’n plezier mee gedaan, voor mezelf was ’et altijd
verrukkelijk. Als ik ’n geschiedenis in ’n boek mooi of leuk vond, en
er van genoot, dan merkte ik toch steeds, dat-i nog veel mooier en
leuker werd, als ik ’em kon navertellen. Ik meen, voor mezelf.
Misschien kwam dat voornamelijk daardoor, dat er bij de verhalen die ik
las, gewoonlijk zooveel dingen gezegd werden, die me heelemaal niet
konden schelen, en die toch ook werkelijk met de geschiedenis zelf geen
snars te maken hadden. Daar had je bijvoorbeeld dat eeuwige gezeur over
de natuur. „Het was zomer.” Nu zou je denken, dat je daarmee precies
genoeg wist. ’n Jongen van ’n jaar of twaalf weet toch zeker wel zoo
zachtjes aan, wat er ’s zomers buiten te zien is. Maar jawel, dan
volgde daar meestal ’n heele bladzij met: „De weiden waren groen, de
bloempjes bloeiden, de vogeltjes zongen in de boomen, de vischjes
spartelden in het water,” en dergelijke belangrijke mededeelingen. En
datzelfde kreeg je bij alle jaargetijden te slikken. Of je zou gaan
lezen van ’n Sinterklaasfeest bij m’nheer Jansen aan huis, en je was
nieuwsgierig, wat daarbij gebeuren zou. Maar dan werd je eerst ’n paar
bladzijden lang bezig gehouden met ’n kachel die vroolijk snorde en ’n
lamp die helder brandde, en ’n ouën leunstoel en ’n groote ronde tafel
en ’n gezellig theelichtje. Heel belangrijk misschien voor ’n Indiaan
of ’n neger uit de binnenlanden van Afrika, maar voor ’n Hollandschen
jongen, die duizend maal zoo’n kamer gezien heeft, niet bizonder.
Nu, als ik de geschiedenis navertelde, kon ik al dat moois gelukkig
overslaan. M’n toehoorders waren gewoonlijk de jongens uit m’n klas of
’et dienstmeisje bij ons thuis. Op de speelplaats van onze school en
bij ’et loopen op straat waren er meestal wel ’n paar luisteraars naar
m’n verhalen te vinden. ’Et spreekt van zelf, dat ik ook wel meedeed
aan spelletjes, maar ik was niet bizonder sterk en kon niet erg hard
loopen. Ik denk, dat ik zonder m’n liefhebberij voor vertellen lang
niet zoo gezien onder de jongens zou geweest zijn. Maar nu was ik met
de meeste goeïe vrienden en ik geloof niet, dat iemand op school ’n
hekel aan me had.
Zooals ik al zei, bij me thuis was ’et haast altijd ’et dienstmeisje,
aan wie ik m’n vertellingen sleet. Als—wat de meeste avonden ’et geval
was—m’n vader niet thuis en m’n moeder in bed was, kon ik ’et in m’n
eentje in de huiskamer niet goed uithouën. Als ik m’n huiswerk af had
en niets te lezen vond, zocht ik dan ook dikwijls m’n heil in de
keuken. En daar vond ik gewoonlijk ’n paar ooren, die met veel
belangstelling naar m’n geschiedenissen luisterden. Meest bleven de
dienstmeisjes niet erg lang bij ons, en ze waren soms jong en soms oud,
soms vriendelijk en soms brommerig, maar van vertellen hielden ze toch
haast allemaal. En toen Keetje, die geloof ik nog ’et langst bij ons
geweest was, en die ik altijd erg aardig gevonden had, heenging, gaf ze
me ’n zoen, wat ik heel raar vond, en zei ze, dat ’et ’er speet, dat ze
weg moest, alleen om die prettige avondjes met mij in de keuken.
Je zult ’et misschien vreemd vinden, dat ik met m’n verhalen niet in de
eerste plaats bij m’n vader en moeder aankwam of bij broertjes of
zusjes. Maar dat was toch heel natuurlijk. Zusjes had ik heelemaal
niet. Ik had alleen twee broers, die acht en negen jaar ouër waren dan
ik. M’n oudste broer had ’n betrekking in Indië en m’n andere was in
Engeland op ’n kantoor. Ik zal zoowat tien jaar geweest zijn, toen ze
heengingen, niet tegelijk, maar toch kort na elkaar. En ik was zelf al
volwassen, toen ik ze voor de eerste maal terug zag.
M’n vader was heel weinig thuis. Hij had ’n groothandel in stokvisch,
zoutevisch, haring en ansjovis. In m’n heele-jongen tijd hadden we
boven de zaak gewoond, maar de lucht van de stokvisch zat zoo door ’et
heele huis en in al onze kleeren, dat we daar dikwijls last van hadden.
Op de fröbelschool, waar ik ging, wou geen kind naast me zitten, en
sommige ouders schreven er briefjes over aan de juffrouw. En als ik in
’n tram of bij iemand op visite was, merkte ik altijd aan de menschen,
dat ze me op ’n bizondere manier aankeken. Eens toen ik in de tram zat
naast ’n juffrouw met ’n pakje op ’er schoot, zei de conducteur:
„Juffrouw, ik mag u met die stokvisch niet binnen laten zitten, u moet
buitenop gaan staan.” Je begrijpt, dat de juffrouw kwaad werd, en ’et
papier van ’er pakje afrukte, en aan den conducteur en al de passagiers
liet zien, dat er niets anders in zat dan ’n onschuldige bonte
boezelaar, en dat ze mopperde van dat ’et ’n schandaal was, en dat zij
geen stokvischlucht bij ’er had. En je begrijpt zeker ook, dat m’n
moeder meteen zei: „Conducteur, volgende halte”, en dat we uitstapten
op ’n plaats, waar we heelemaal niet moesten wezen.
Zoo kwam ’et, dat we gingen verhuizen. Elken morgen al vóór zevenen
ging m’n vader naar z’n zaak, en ik was dan nog niet op. ’n Enkelen
keer kwam-i thuis koffiedrinken, maar gewoonlijk zag ik ’em voor ’et
eerst, als we om half zeven gingen eten. Na den eten ging-i de krant
lezen, maar meestal viel-i daarbij in slaap en dommelde door tot ’n uur
of acht. Dan dronk-i ’n kop thee en ging uit. Hij was ’n liefhebber van
schieten en lid van ’n schietvereeniging. Of-i elken avond daarheen
ging, weet ik niet, maar thuis bleef-i in elk geval heel zelden, meest
alleen, als-i verkouden of niet erg lekker was, en vroeg naar bed ging.
’Et gebeurde misschien vier keer in ’n jaar, dat-i mij meenam op ’n
wandeling, en dan ontmoetten we nog meestal ’n heer of ’n dame, die
vader kende, en die met ons opliepen en met vader praatten en lachten,
maar die van mij bitter weinig notitie namen. Ik weet wel, dat ik er me
bij die gelegenheden altijd over verwonderde, dat m’n vader dan zooveel
spraakzamer en vroolijker was, dan ooit bij ons thuis, behalve
wanneer-i ’es ’n enkelen keer ’n paar vrienden bij zich had.
M’n moeder was eigenlijk m’n moeder niet. M’n eigen moeder was
gestorven, toen ik acht dagen oud was. Er hing op m’n slaapkamertje
boven m’n ledikant ’n groot portret van haar, dat m’n vader naar ’n
kleine photographie had laten maken, die vroeger in ons album zat, maar
die m’n oudste broer mee naar Indië had genomen. Dikwijls keek ik naar
dat portret in z’n breede zwarte lijst en toen ik nog heel jong was en
’n beetje angstig zoo alleen in m’n kamertje boven in ’et huis, gaf ’et
me ’n kleinen troost, als ik er aan dacht, dat ’et daar hing. Maar ’et
smalle bleeke gezicht, met de groote vriendelijke oogen, maakte toch
altijd meer op mij den indruk van iets vreemds, dan van iets, dat mij
lief was en vertrouwd. Wat wist ik ook van haar! Niet alleen had ik
haar nooit gekend, maar ik had ook haast niets van haar gehoord. En wat
ik van haar had hooren vertellen ... maar dat komt straks.
M’n vader was voor de tweede maal getrouwd, toen ik drie jaar was. Of
de moeder, die ik toen kreeg, ooit gezond en vroolijk geweest is, weet
ik niet, maar ik heb haar nooit anders dan ziek gekend. Dat wil zeggen,
ze lag niet altijd te bed en de dokter kwam niet elken dag en ze at en
dronk meestal wel gewoon, en ze ging ook wel uit, maar ze was toch niet
als andere menschen. „Zenuwen”, heette haar kwaal. Als ik wat veel
praatte, of ’n blokje van m’n bouwdoos liet vallen, of in de kamer heen
en weer liep, dan maakte dat m’n moeder dadelijk zenuwachtig. Daarom
werd ik ook al met m’n vierde jaar, den dag na m’n verjaardag, naar ’n
fröbelschool gestuurd, want de dokter had gezegd, dat m’n moeder meer
rust moest hebben. In de groote vacantie ging ik naar vreemde menschen
buiten, ’n paar maal naar Laren en de meeste keeren naar Zandvoort Dan
kwam m’n vader me meestal één keer en m’n moeder me ’n paar maal
bezoeken, maar gewoonlijk had de reis ’er zoo vermoeid, dat ze niet met
me kon gaan wandelen, maar ’n uurtje moest gaan rusten en dan weer
vertrok.
Je begrijpt nu wel, dat m’n ouërs niet de menschen waren, die ik met
m’n vertellen kon lastig vallen. Veel familie hadden we niet. Oom Frits
was eigenlijk de eenige, die voor mij wat beteekende. Hij was ’n oom
van m’n moeder—van m’n werkelijke moeder dan—en dus mijn oudoom. Hij
was op den dag af zeventig jaar ouër dan ik, want we waren gelijk
jarig. Getrouwd was-i nooit geweest, en-i woonde als commensaal bij ’n
paar menschen zonder kinderen, die allebei ook al tamelijk op leeftijd
waren. Welke betrekking m’n oom vroeger gehad had, weet ik niet
precies. Ik hoorde er wel ’es over spreken, dat hij en m’nheer
Arnolds—dat was de m’nheer bij wien-i in huis woonde—vroeger allebei
„bij de stad” geweest waren, maar wat dat beteekende, wist ik niet
recht. In elk geval waren ze, toen ik ze leerde kennen, al lang
gepensionneerd, en ze hadden dus al den tijd, om zich met mij bezig te
houën, als ik er op visite was.
En dat gebeurde nog al ’es. M’n vader en m’n moeder liepen oom Frits nu
niet bepaald de deur plat; als ze eens in ’et jaar bij em kwamen, zal
’et veel geweest zijn. Maar ze hadden er niets op tegen, dat ik er heen
ging, en als ik thuis ’n beetje druk was, zei m’n moeder al gauw tegen
’et dienstmeisje: „Breng ’em maar ’n uurtje naar oom Frits”. En toen ik
wat ouër was, en zelf den weg naar z’n huis kende—hij woonde gelukkig
in onze buurt—was ’et nog gemakkelijker. Er ging dan ook van m’n vijfde
of zesde jaar af geen week voorbij, dat ik niet twee of driemaal ’n
middag bij oom doorbracht. En dat heeft geduurd tot aan z’n dood toe.
Veertien dagen vóor z’n tachtigsten verjaardag was ik ’et laatst bij
’em geweest; den volgenden dag werd-i ziek, en drie dagen later
stierf-i. Ik zie nog m’nheer Arnolds voor ’et eerst van z’n leven onze
huiskamer binnenstappen, en terwijl ik er over spreek, voel ik nog weer
den schok, die er door m’n heele lichaam heenging, toen ik z’n bedroefd
gezicht zag. Et was, of er van binnen iets in me knapte. Vader en
moeder namen de tijding van m’n oom z’n dood heel wat kalmer op. Toch
geloof ik, dat m’n vader ’n oogenblik getroffen werd door m’n
verslagenheid; hij nam althans de uitnoodiging van m’nheer Arnolds aan,
om mee te gaan met ooms begrafenis. En zoo iets was anders niets voor
m’n vader. Ik weet ook nog, dat moeder, toen onze bezoeker weg was,
dadelijk vroeg: „Hoe kom je er toe, om dat aan te nemen?” En dat m’n
vader antwoordde: „Ja, voor m’n plezier doe ik ’et waarachtig niet,
maar-i is altijd nogal aardig geweest voor Hans”.
Dat was niet te veel gezegd. In de kleine voorkamer bij oom Frits met
z’n ouërwetsche meubelen van mahoniehout heb ik de gelukkigste uurtjes
van m’n eerste jeugd doorgebracht. Ik zag in m’n oom, die toch wel m’n
overgrootvader had kunnen wezen, geen ouën man, maar ’n
speelkameraadje. Dat kwam, omdat-i heel anders deed dan andere groote
menschen, die wel ’es met me praatten of speelden. Bij die voelde je
altijd, dat ze zich maar met je bezig hielden, om je ’n plezier te
doen, en dat ze zelf eigenlijk blij waren, als je ze weer met rust
liet. Maar oom Frits deed maar niet, of-i ’et prettig vond, als ik bij
’em kwam, maar-i vond ’et prettig. Hij deed maar niet, of-i belang
stelde in de dingen, die ik ’em van m’n school vertelde, maar-i stelde
er werkelijk belang in, en-i kende de namen van al de jongens in m’n
klas even goed als ik, en onthield, wat ik van hen zei, en vroeg naar
Jan en Piet en Klaas, of ’et ook zijn vriendjes waren. En als we samen
’n spelletje deden, dan deed-i dat weer niet, omdat ik ’et graag wou,
maar omdat-i ’et zelf plezierig vond, en als-i ’et eerst kien had of
domino was, juichte hij even hard en lachte hij even luid als ik in dat
geval deed. En-i speelde niet met opzet zoo, dat ik ’et altijd of
tenminste de meeste keeren won, maar-i deed precies even erg z’n best
om te winnen als ik zelf.
Oom Frits was dol op spelen. Behalve ’n uurtje, dat-i de krant las en
natuurlijk den tijd, dat-i at of sliep, deed-i, geloof ik, den heelen
dag niet anders. Hij ging heel zelden uit. Dat kwam, omdat-i pijnlijke
voeten had, en er altijd vreeselijk tegen op zag, als-i z’n pantoffels
uit en z’n laarzen aan moest trekken. Gewoonlijk speelde-i kaart met
m’nheer Arnolds, en als juffrouw Arnolds met ’er werk klaar was—ze deed
’er huishouën heelemaal alleen—kwam die ook wel meedoen. Bovendien kwam
er van tijd tot tijd wel ’es ’n ouë vriend of kennis bij oom op bezoek,
maar ook dan werd er negen van de tien keeren ’n spelletje gedaan.
Zoo kwam ’et dan, dat oom Frits al heel gauw begon, met mij allerlei
spelletjes te leeren. Hoe jong ik precies was, weet ik niet meer, maar
lang vóor m’n zesde jaar zeker, was ik ’n volleerd domino-speler. Ik
kon domineeren op allerlei manieren, gewoon, blindelings, kruis,
matador, en hoe ’et verder heeten mag. Lang vóor ik op school de
getallen tot tien geleerd had, zat ik met oom te kienen, en las de
dopjes af, zonder me ooit te vergissen. Oom had bij die spelletjes de
gewoonte, sommige getallen heel anders te noemen dan andere menschen.
Zoo herinner ik me bij ’et domineeren, dat-i ’n blanke ’n witje noemde,
’n éen ’n aap, dubbel zes en andere hooge steenen Roeters van Lennep of
krentebrood. Bij ’et kienen was éen Klein Jantje van Amsterdam, elf
heette kwak of ’et malle nummer, veertig was ’et kouë jaar en
zevenenzeventig de pooten van den prefect. Er waren nog veel meer van
die gekke namen, maar die ben ik vergeten. Ik was er zoo aan gewoon in
dien tijd, dat ik ze niet alleen gebruikte bij ’et spelen met oom, maar
ook wel in ’et gewone leven. Nog zie ik ’et ontstelde gezicht van de
juffrouw in de eerste klas, toen ik op ’er vraag: „Hoeveel is tien en
één?” met ’n doodkalm gezicht antwoordde: „Kwak!” Van de meeste van die
namen wist oom zelf niet hoe-i er aan kwam of waarom die zoo luidden.
Maar van enkele wist-i me wel ’n verklaring te geven, en daardoor heb
ik die ook zeker ’et beste onthouën. „Roeters van Lennep” was de naam
van ’n schatrijke familie, ’et jaar 1740 was ’n bizonder koud jaar
geweest, en in den Franschen tijd hadden we hier ’n prefect gehad met
kromme beenen.
Niet alleen bij ’et spelen hield oom Frits er ’n bizonder taaltje op
na. Ook bij ’et gewone spreken gebruikte-i telkens woorden en
uitdrukkingen, die ik thuis of op school nooit hoorde, en die ik in m’n
later leven ook niet meer ben tegengekomen. Als ik z’n kamer binnen
stapte, werd ik meestal begroet met: „Zoo, ouë Zwitser!” en wanneer ik
iets vertelde of deed, waarover oom z’n verwondering wou te kennen
geven, dan kreeg ik den fraaien uitroep te hooren: „Als je me nou
belatafelt, dan zal ik je ’n chiffonnière geven, dat je ligt te
linnenkasten tegen ’n buffet.” Oom was zelf altijd gezond geweest, en
kon daarom zeker nooit goed begrijpen, dat andere menschen wel ’es ’n
beetje onwel of ziek waren. Kwam ’et tenminste ter sprake, dat de een
of de ander ongesteld was, dan toonde hij nooit eenig medelijden, maar
gaf als zijn meening te kennen: „Dan moet-i ’es aan m’n slof ruiken!”
Misschien zou ik meer van ooms eigenaardige taal onthouën hebben, als
ik niet gauw in de gaten had gekregen, dat de menschen ’et vreemd
vonden, als ik z’n uitdrukkingen overnam. Thuis kreeg ik er knorren
voor, en op school verbood de juffrouw me zulke „leelijke woorden.” Ik
besloot daarom er voor eigen gebruik maar liever van af te zien, al
begreep ik niet, wat de menschen er op tegen hadden. Tegen oom zelf
sprak ik daar echter nooit over, want ik hield veel te veel van ’em, om
’em daarmee misschien verdriet te doen.
Natuurlijk brachten we niet altijd al de uurtjes, die ik bij oom aan
huis was, met spelletjes door. Toen ik eenmaal ontdekt had, dat oom
Frits eigenlijk familie was van m’n eerste moeder, en dat-i die goed
gekend had, vroeg ik ’em dikwijls, om me toch wat van haar te
vertellen. Nu bleek ’et echter, dat oom m’n moeder wel vaak gezien en
gesproken had in den tijd, toen ze nog ’n jong meisje was, maar dat-i
haar later, vooral nadat ze met m’n vader getrouwd was, nog maar ’n
enkele maal ontmoet had. Hoe dat zoo kwam, weet ik niet recht, want als
ik naar de reden vroeg, gaf oom ’n ontwijkend antwoord. Maar ’et gevolg
van die omstandigheid was, dat als ik oom Frits vroeg, om me nog es
iets van m’n moeder te vertellen, ik verhalen kreeg van ’n drukke,
jolige meid met ’n paar dikke blozende wangen, die net als ik bij oom
op visite kwam, en spelletjes deed en met ’em stoeide. En als ik die
verhalen hoorde, en dan tegelijk dacht aan ’et portret van die bleeke,
magere vrouw, dat in m’n slaapkamertje hing, dan paste dat zoo weinig
bij elkaar, dat ik in m’n eigen gedachten verward raakte. Toch vroeg ik
’er telkens weer naar, en oom werd niet moe, me voor de twintigste maal
te vertellen, hoe hij m’n moeder gefopt had door stilletjes ’n
nagemaakte muis in ’er schooltasch te stoppen, of ’er op noten te
trakteeren, die-i vooraf uitgehold en met snippers papier gevuld had,
en hoe m’n moeder hem beetnam, door ’n steenen pijp uit z’n pijpenrekje
ongemerkt in tweeën te breken, en dan de stukken aan elkaar te maken
door ’n lucifer in de beide gaatjes te steken.
Dat oom Frits twintig maal ’etzelfde vertelde, kwam trouwens niet
alleen voor bij ’et spreken over m’n moeder. Hij hield er ’n paar
geschiedenissen op na—hij zelf noemde ze altijd moppen of bakken—die-i
zelf zòo aardig vond, dat-i ze telkens en telkens weer verhaalde, ook
zonder dat ik eerst gevraagd had: „Toe, oom, vertelt u nog ’es van dit
of dat.” Hij deed zoo’n verhaal altijd, al was ’et nog zoo onmogelijk,
of ’et zuivere waarheid was, en of-i de menschen, die er in voorkwamen,
uitstekend gekend had. Hij noemde er hun namen altijd bij. Alleen waren
’et dikwijls dezelfde personen, die in z’n geschiedenissen voorkwamen,
en de namen waren gewoonlijk nogal gek.
’Et meest verzot was-i op de geschiedenis van de broek van m’nheer Van
Ledderum. Die heb ik zeker wel vijftig maal van ’em gehoord. Je zult ze
misschien wel kennen, want ik heb ze later door anderen ook wel hooren
vertellen, en ze ook wel ’es in ’n boekje gelezen. Maar uit den mond
van oom Frits heb je ze toch zeker niet gehoord, en daarom wil je er
misschien toch nog wel weer naar luisteren.
Hier volgt dus ’et verhaal, zooals m’n oom ’et zoo ongeveer deed:
Toen ik nog bij de stad was, had ik ’n collega, die heette Van
Ledderum. Dat was ’n klein verkankelemiend mannetje, met ’n paar heel
korte beentjes. Als-i zat, leek-i nog wat, want z’n bovenlijf was zoo’n
beetje middelmatig. Maar z’n loopstokken bungelden altijd ’n uur van
den grond, en als-i van z’n stoel opstond, werd-i ’n heel stuk kleiner.
In ’t begin, als je niet aan ’em gewend was, dacht je altijd, dat-i
onder de tafel gleed, als-i tegenover je gezeten had en dan opstond, om
heen te gaan.
Die m’nheer Van Ledderum was getrouwd, natuurlijk met ’n vrouw, die
veel grooter was dan-i zelf, en die ’er moeder, die nog ’n stuk langer
was dan ’er dochter, woonde bij ’em in huis. Kinderen had-i niet. Als-i
met z’n vrouw en z’n schoonmoeder ging wandelen, liep hij altijd in ’et
midden, en dan leek ’et net ’n olie- en azijnstelletje. Z’n
schoonmoeder kon je best voor de azijnflesch houën, want die keek
altijd even zuur en had ’n gezicht als drie dagen slecht vet.
Nu gebeurde ’et op ’n keer, dat ’n andere collega van ons, m’nheer Van
Puffelen heette die, trouwen ging. En omdat die nogal dikke vrinden met
Van Ledderum was, noodigde hij ’em uit, om als getuige mee naar ’et
stadhuis te gaan, en dan later natuurlijk z’n bruiloft mee te vieren.
Of eigenlijk gaf-i geen bruiloft, maar dan toch zoon soort van
smikkelpartij. Wat je zoo gewoonlijk ’n diner noemt.
Maar van Ledderum z’n vrouw vroeg-i niet, want-i kwam er nooit aan
huis, en z’n schoonmoeder natuurlijk niet, want azijn hadden ze bij ’et
diner niet noodig, omdat ’et geen komkommertijd was.
Natuurlijk nam m’nheer Van Ledderum de uitnoodiging aan, want zoo klein
als-i was, hield-i van ’n lolletje. Maar z’n vrouw en z’n schoonmoeder
waren woedend. Ze vonden, dat ’et niet te pas kwam, dat ’n getrouwd man
in z’n eentje uitging, behalve dan naar z’n werk. En ze vonden van
Puffelen ’n onbeleefden vent, die niet wist, hoe ’et hoorde, en die
arme Van Ledderum kreeg iedren dag weer op z’n brood, dat-i er zulke
ongemanierde vrinden op na hield. Maar hij had nu eenmaal beloofd, om
op de trouwpartij te komen, en-i kon dus niet meer terug.
Als je zoo getuige bij ’n huwelijk bent, moet je natuurlijk in ’et
pontificaal gekleed wezen, ’n zwart pak en ’n hooge dop.
Gelukkig had Van Ledderum dat allemaal, behalve alleen ’n zwarte broek.
Die moest-i dus noodzakelijk hebben. Hij stapte daarom naar ’et
kleerenmagazijn van Van Epscheuten in de Weststraat, en liet zich daar
’n broek aanmeten. Dat was in den loop van de week voor de bruiloft, en
er was afgesproken, dat-i de broek op z’n laatst Woensdag thuis zou
krijgen, want Donderdag was de groote dag.
Zoo kwam dan de dag vóór ’et huwelijk. Toen m’nheer Van Ledderum om zes
uur thuis kwam, om te bikken, was z’n eerste vraag, of de broek al
gekomen was. Nee, de broek was er niet. Enfin, die kon ’s avonds nog
wel bezorgd worden. De familie ging aan tafel. Of nu ’et zout
omgevallen was, of er ’n paar messen kruiselings op tafel hadden
gelegen, weet ik niet, maar in elk geval, m’nheer Van Ledderum en z’n
vrouw en z’n schoonmama kregen mot. Z’n vrouw begon er weer over, dat
’et ’n schandaal was, dat hij alleen naar ’n feest zou gaan, en dat
zij, stakker, er nuchter van zou blijven. ’Er moeder gooide natuurlijk
ook ’n duit in ’et zakje, of liever ’n handvol duiten, en zei, dat-i
zich schamen moest, en dat-i niet wist, wat ’n vrouw toekwam, en dat
zij wel weten zou, wat ze doen zou, als zij in ’er dochter ’er plaats
was.
In ’et algemeen was Van Ledderum nogal geduldig en schaapachtig, maar
dien middag was-i misschien ’n beetje zenuwachtig, omdat-i in angst zat
voor z’n broek, tenminste hij kefte en blafte er tegen in, dat ’et ’n
liefhebberij was. Tot overmaat van ramp liet de meid ’et deksel van ’n
schaal vallen, die ze binnen bracht, waardoor de knop er af brak. Nu
kreeg die den wind van voren van de twee dames, en zij zelf was ook
niet op ’er mondje gevallen. En zoo werd er dien middag bij m’nheer Van
Ledderum aan huis niet veel gegeten, maar des te meer gekeven.
Toen de prettige eterij was afgeloopen, ging m’nheer Van Ledderum er al
gauw weer op uit, zonder zelfs op ’n kopje thee te wachten. Hij moest
nog ’n uurtje naar z’n kantoor, want-i had voor den volgenden dag vrij
gevraagd en wou zorgen, dat-i met z’n werk niet al te erg achter
raakte. Eerst liep-i echter nog even naar den winkel van Van
Epscheuten, om te vragen hoe ’et met z’n broek stond. Daar zeiën ze
hem, dat de broek klaar was, en dat de bezorger er juist mee onderweg
was. En zoo kon-i dus met ’n gerust hart naar z’n kantoor gaan.
Tegen half tien kwam m’nheer van Ledderum thuis, en ’et dienstmeisje,
dat nog ’n paar rooie oogen van ’et huilen had, vertelde hem, dat de
broek gekomen was, en dat ze hem op de slaapkamer over ’n stoel
gehangen had. Even stak-i z’n hoofd in de huiskamer, om z’n vrouw en
z’n schoonmoeder goeïen avond te zeggen, maar toen-i zag, dat die twee
nog altijd keken, of ze de een op hadden en de ander aan wilden, en ze
z’n groet nauwelijks beantwoordden, ging-i maar liever meteen naar z’n
slaapkamer.
Daar hing de broek, prachtig fijn kamgaren met ’n scherpe vouw in de
pijpen. Eerst hield m’nheer Van Ledderum ’em ’n heelen tijd in z’n
handen, om ’em aan alle kanten te bewonderen. Maar je kan toch eerst
goed over ’n mooie, nieuwe broek oordeelen, als je ’em aan hebt, en
daarom besloot-i ’em, voor-i naar bed ging, even aan te trekken. Dat
deed-i, maar, o wee, de broek was te lang. Hoe-i ook sjorde en sjorde,
om ’em omhoog te trekken, de pijpen bleven op den grond hangen, en
als-i er mee loopen wou, trapte hij er op.
Dat was verschrikkelijk. Zoo kon-i de broek onmogelijk dragen. En om
’em te laten veranderen, daarvoor was geen tijd. ’Et magazijn van Van
Epscheuten werd ’s avonds om negen uur gesloten, en ’et was nu bij
tienen. En morgenochtend om half negen zou ’et rijtuig komen, om ’em te
halen. ’Et zweet brak den armen man aan alle kanten uit, en ’et was
Januari en de slaapkamer was ijskoud.
Hoe was ’et in ’s hemelsnaam mogelijk, dat die stommeling van ’n
kleermaker ’n broek minstens vier, vijf centimeters te lang kon maken.
Ze hadden ’em toch de maat genomen! Daar stond m’nheer Van Ledderum z’n
verstand voor stil. Maar ik denk, dat ’t zoo gegaan was. De werkman,
die de broek moest maken, zal niet hebben kunnen gelooven, dat er op de
heele wereld een volwassen mensch op zoo’n paar korte beentjes
rondhobbelde, en-i zal gedacht hebben, dat de coupeur, die de maat
genomen had, zich bepaald moest hebben vergist. En daarom zal-i op z’n
eigen houtje de pijpen maar ’n flink stuk langer gemaakt hebben, en er
van onderen nog een breeden zoom in hebben gelaten, om ’em te kunnen
verlengen, als-i soms toch nog te kort mocht wezen.
Nu, te kort was de broek niet bepaald. M’nheer Van Ledderum staarde en
staarde met ’n wanhopig gezicht naar de pijpen, die z’n heele voeten
bedekten, en wist geen raad. Wat moest-i beginnen? ’Et eenigste, wat er
op zat, was, dat-i z’n vrouw, of z’n schoonmoeder, of ’et dienstmeisje
in den arm nam, en die vroeg, of ze de broek voor ’em wilden verkorten.
Maar.... zouën ze willen? Met ’n diepen zucht trok-i z’n nieuwe broek
uit en z’n ouë aan, nam ’et ongelukkige kleedingstuk over z’n arm en
ging met looden schoenen naar de huiskamer terug.
Toen-i daar binnen kwam, stonden de twee gezichten nog altijd op „regen
en wind”, en bij ’et zien van de broek wezen ze dadelijk op „storm en
onweer.” Maar-i moest door den zuren appel heenbijten.
„Och, vrouw, zou je niet even ’n stuk van de pijpen van die broek
willen afnemen? ’n Centimeter of vijf. Ik kan ’em zoo onmogelijk aan
hebben,” vroeg-i heel nederig.
„Nee”, zei z’n vrouw kortaf.
„Maar Ludovica”—zoo heette z’n vrouw—„ik kan ’em heusch morgen zoo niet
dragen!”
„Dan draag je em maar niet!”
„Maar ik kan toch met m’n lichte pantalon niet mee naar ’et stadhuis
gaan.”
„Dat hoorde je heelemaal niet te doen. Met iemand, die zoo impertinent
onbeschoft is, om je vrouw niet te vragen, moest jij niet willen
omgaan. Die moest jij niet aankijken.”
„Maar Ludovica ...”
„Geen woord meer! Ik ga midden in den nacht geen broeken zitten
naaien.”
„Maar Ludovica ... midden in den nacht? ’Et is even tien uur!”
„Dat kan me niet bommen! Ik ga naar bed!”
Dat was nummer éen, bij wie m’nheer Van Ledderum bot had gevangen.
Hoop, dat ’et bij z’n schoonmoeder beter zou lukken, had-i heelemaal
niet. Maar probeeren moest-i ’et. Dan wist-i tenminste voor zich zelf,
dat-i alles gedaan had, wat mogelijk was.
Hij zette dus weer ’et zoetsappigste gezicht, dat-i trekken kon, en
vroeg:
„Zou u ’et dan niet even voor me willen doen, moeder?”
„Ik sta verbaasd, Van Ledderum!”
„Verbaasd, moeder?”
„Ik sta verbaasd, Van Ledderum! ’n Man, die van middag aan tafel tegen
de moeder van z’n eigen vrouw durft te zeggen: Als ’et u hier niet
bevalt, dan moet u maar heengaan, die man durft bij mij met ’n broek
aan te komen!’
„Maar wat voor verkeerds heb ik daar dan aan gezegd? ’Et is toch waar!
Als ’et u hier niet bevalt, is ’et toch beter, dat u ergens anders gaat
wonen! Ik heb u toch niet gesoebat, om ...”
De lieftallige ouë dame liet m’nheer Van Ledderum niet uitspreken, maar
verliet met opgestoken zeil de kamer. ’Er dochter volgde haar
voorbeeld.
Dat was nummer twee! Nu had m’nheer Van Ledderum nog éen kans. Met de
ongeluksbroek nog altijd over den arm, en ’n diepen zucht, stapte hij
naar de keuken. Daar zat Betje, de meid, nog altijd met rooïe oogen,
over ’n afgescheurd stuk krant vol vetvlekken gebogen, dat de slager om
’et vleesch had gedaan, en waarin ze ’n brok las van ’et
drieën-zeventigste vervolg van ’n feuilleton.
„Kijk ’es, Betje, zou jij me ’n plezier willen doen? Zou jij die broek
niet even voor me willen verkorten?”
„Ik, meheer?”
„Ja. Kijk, ’et is heel eenvoudig: je knipt er ’n stuk van drie of vier
centimeters af, en je legt er ’n nieuwen zoom in.”
„Nee, meheer, van mansbroeke het ik geen verstajem.”
„Kom, Bet, probeer ’et maar, ik wil je er wel ’n kwartje ...”
„Nee, meheer, ik doen ’et niet. Dat is geen meidewerk. Daar het uwé
uwes vrouw voor. En as mevrouw mijn ’n standje ken schoppe en mijn me
dienst ken opzegge, omdat ik per ongeluk ’n knoppie van ’n schaaltje
breek, dan ken ze ook wel der man z’n broek naaie.”
M’nheer Van Ledderum mocht zeggen, wat-i wou, Bet was evenmin te
vermurwen als de twee anderen. Hij liep dus de keuken uit, smeet de
broek in de huiskamer over de leuning van ’n stoel, en ging vol wanhoop
naar z’n mandje.
Of ’et nu kwam door booze geesten in de lucht of door wat anders, dat
kan ik je niet zeggen, maar niemand in de woning van m’nheer Van
Ledderum kon dien nacht in slaap komen. Behalve hij zelf dan. Hij
snurkte dadelijk als ’n os. Maar z’n vrouw lag maar te kranewaken, en
draaide zich vijftigmaal in ’n kwartier om. En zoo raakte ze aan ’et
denken, aan al de ruzie van dien dag, en aan al de onvriendelijke
woorden, die ze gezegd had, en aan ’er man, die toch eigenlijk zoo’n
goeïe lobbes was, en aan z’n korte beentjes en aan z’n lange broek. En
ze dacht, hoe ’er man gevlast had op ’et uitje van morgen, en hoe
zelden-i anders ’n aardigheidje had. En hoe langer ze dacht, hoe meer
medelijden ze met ’em kreeg, dat-i nu morgen niet zou kunnen gaan. En
ze streek ’er hand over ’er hart, stond heel stilletjes op, ging naar
de huiskamer, stak de lamp aan en nam vijf centimeter van de
getuige-broek. In ’n kwartiertje was de heele zaak gepiept, ze kroop
weer in bed en sliep binnen vijf minuten als ’n roos.
’Er moeder kon evenmin den slaap pakken. Ook die lag in bed te woelen
en te draaien en kreeg nu ’es kramp in ’er grooten teen en dan weer
jeuk aan ’er handen, en ze hoorde de klok elf slaan en half twaalf, en
nog sliep ze niet. En ook zij raakte aan ’et denken over de
gebeurtenissen van dien dag, en aan et gezegde van ’er schoonzoon, dat
ze maar ergens anders in huis moest gaan, als ’et ’er hier niet beviel.
Ze was wel erg overtuigd van ’er eigen verdiensten en innemende
eigenschappen, maar dat ze gemakkelijk iemand zou vinden, die haar
zonder ’n halven cent betaling kost en inwoning zou willen geven,
daaraan twijfelde ze toch wel ’n beetje. Ze kwam dus tot ’et besluit,
dat ’et maar ’et verstandigste zou zijn, zich bij ’er schoonzoon niet
al te gehaat te maken. En zoo kwamen haar gedachten van zelf bij de
broek te recht, en toen ze ’et nu ook nog twaalf uur en half éen had
hooren slaan, en de kramp en de jeuk nog maar niet wilden ophouën, kwam
ze tot ’n menschlievend besluit. Ze stond op, ging met ’et
nachtlichtje, dat ze altijd branden liet, naar de huiskamer, zocht ’er
naaigerei bij elkaar, en maakte de pijpen van de broek van m’nheer Van
Ledderum vijf centimeters korter. En toen ze, met ’n gevoel van
menschenredster, ’n half uurtje later weer onder de dekens lag, sliep
ze heel gauw in.
Ook Betje, de meid, was niet zoo gauw ingeslapen, als ze anders deed.
Dat mevrouw haar den dienst had opgezegd, zat ’er dwars. Over ’n maand
of vier zou ze gaan trouwen, en ze had niet veel zin, om voor dien
korten tijd nog ’n anderen dienst te zoeken. Maar zelf vragen, of ze
blijven mocht, dat was ’er eer te na. Maar, als zij nu ’es deed, wat
m’nheer ’er daar even gevraagd had, dan maakte die misschien ’et zaakje
weer in orde. Ja, dat zou ze doen! En toen ze eenmaal dit goeïe
voornemen had opgevat, was ze ook spoedig onder zeil.
Iederen morgen, precies om zes uur, schelde de bakker Betje uit ’er
bed. Dan ging ze naar beneden, nam door ’et raampje van de deur ’et
brood aan, maar kroop dan nog ’n half uurtje onder de wol. Maar dit
laatste deed ze dit keer niet. Ze kleedde zich, toen ze den bakker
geholpen had, vlug aan, repte zich met ’er naaimandje naar de
huiskamer, stak ’et keukenlampje op, en om kwart voor zevenen hing de
broek van m’nheer Van Ledderum weer netjes over de leuning van ’n
stoel, vijf centimeters korter dan ’n half uur geleden.
Op z’n gewone klokje, om zeven uur, werd m’nheer Van Ledderum wakker.
Nog vóor-i zich ’es goed uitgerekt en gegaapt had, herinnerde hij zich,
wat voor ’n bizondere dag ’et was, en meteen ook zag-i in gedachten de
rampzalige broek met z’n lange pijpen over z’n voeten flodderen. Wat
moest dat worden? Z’n vriend Van Puffelen in den steek laten, kon-i
niet, en zich zelf belachelijk maken, door in z’n ouë lichte of in z’n
nieuwe lange broek bij de festiviteit te verschijnen, dat kon-i ook
niet. Hulp had-i van niemand in huis te verwachten, en dus moest-i dan
in ’s hemelsnaam maar z’n eigen boontjes doppen. Hij had toch ook wel
’es ’n knoop aan z’n jas of aan z’n overhemd gezet, dus met ’n beetje
inspanning zou ’et wel lukken. En al wàs de zoom van onderen dan
misschien ook niet zoo precies recht, dat zou toch lang zoo erg niet in
den kijker loopen. En toen m’nheer Van Ledderum zich gewasschen en zoo
half en half aangekleed had, sloop-i naar de huiskamer, snorde ’n
schaar en ’n naald en ’n klosje zwart garen bij elkaar, en na heel wat
zuchten en zweetdroppels en prikken in z’n vingers, was tegen acht uur
de broek weer vijf centimeters korter.
En precies op ’et oogenblik, dat-i op z’n harleveensche manier den
laatsten draad afhechtte, stapten z’n vrouw en z’n schoonmoeder de
huiskamer in, en kwam de meid achter haar binnen, om ’et ontbijt klaar
te zetten. En met ’n triomfantelijk gezicht hield m’nheer Van Ledderum
de broek omhoog, waaraan ze allemaal eendrachtig hadden zitten werken.
Maar meteen ook liet-i ’em uit z’n handen vallen, zakte op ’n stoel
neer, en kreeg ’n appeleflauwte. De fijne kamgaren broek uit ’et
magazijn van Van Epscheuten was ’n soort van rouw-zwembroekje geworden!
„En zoo zie je”, zei oom Frits meestal tot slot „ze zeggen wel altijd,
dat eendracht macht maakt, en dat hebben de Belgen wel in hun wapen
staan, in ’et Fransch dan natuurlijk, maar ’et is toch niet altijd
waar. Want bij m’nheer van Ledderum aan huis maakte eendracht geen
macht, maar ’n zwembroekje.”