U ’s Heeren zegen op uw werk toebiddende, verblijve ik

Uw Oom

H. C. Rencke Sr.

P.S. Tante laat u hartelijk groeten.

„Wat duivel is dat?” vroeg Korman zich af. „Denken ze daar in Holland

dat het hier een asyl is voor zoontjes die niet deugen? Zwakke vaten,

jawel, we kennen dat! Wel Gévédé!”

Maar vloeken hielp niet; hij zou het neefje krijgen en daarmee uit. En

’t was niet eens een neefje! De heer Rencke was gehuwd met een halve

zuster zijner moeder en had zich, dat herinnerde Korman zich zeer wel,

heel weinig aan de verwantschap laten gelegen liggen. En nu die

vriendelijkheid en dat gescharrel met ’s Heeren zegen... Hij vloekte

nog eens en greep toen naar den tweeden brief.

Het was een fatsoenlijk epistel van den jongen Rencke, zijn aankomst te

Semarang meldende. Hij deelde voorts mede hoe hij op raad van iemand

aldaar de reis zou nemen, eerst per spoor tot Solo en verder per

karretje. Eindelijk vroeg hij Korman’s instructies voor het laatste

gedeelte van de reis, dewelke hij in het logement hoopte te vinden.

De toon van dit briefje verloste Korman van zijn driftige bui. Hij ging

zitten nadenken hoe hij den jongen Rencke moest „stallen.” Zijn huis

was nog niet klaar en in deze hut kon hij hem niet bergen. Enfin, er

moest maar een kamer aangezet worden, want zoo’n kersversch uit Holland

gearriveerd heertje zou men toch moeielijk direct in een eigen

huishouding kunnen zetten. En de oude heer die zoo bang was voor

Henri’s zedelijkheid!

„Verroest! dan had hij hem maar niet naar de binnenlanden van Java

moeten sturen,” besloot Korman zijn gedachten.

Hij riep Li, die nog altijd met de kokki aan ’t bepraten was van de

maatregelen voor de slamatan, en vertelde haar het nieuws. Zij nam het

tamelijk onverschillig op, maar haar gezichtje betrok toen Korman er

bijvoegde, dat hij over drie dagen zelf naar de stad ging om den

nieuweling te halen.

Eerder kon hij niet, vanwege de betaling van het werkvolk; en, vond

hij, die jonge snoeshaan zou van een paar dagen wachten niet bederven.

Intusschen schreef hij een kort briefje, dat hij den volgenden morgen

met den plajangan naar de stad zond, dezen tevens een paard medegevende

om dat te stationeeren bij den wedhono van Wonosarie, waar ook de

américaine stond met het span Kadoeërs, die hem en Messner

toebehoorden.

Het was Zaterdag. Den avond te voren had Korman zijn volk betaald en ’s

morgens, toen hij dacht te vertrekken, was er eensklaps een ploeg nieuw

werkvolk op komen zetten dat ingedeeld moest worden. Dit hield hem tot

aan den middag bezig. Zoodoende in zijn voornemen, om in de

morgenkoelte den tocht te doen, verhinderd, achtte hij het beter tot

den namiddag te wachten eer hij afreed.

Moe van de reis en blazende van de hitte niettegenstaande de duisternis

reeds gevallen was, kwam Korman in het logement aan. Een door het

gouvernement gesubsidieerd hôtel natuurlijk, men zag het al van verre.

Want hoewel in den tegenwoordigen tijd alle hôtels op Java toonbeelden

zijn van keurige inrichting en goede bediening, toen Korman zijn

onderneming begon, was dat anders. Toen waren de meeste hôtels slecht,

en de door ’t gouvernement gesubsidieerde nòg slechter.

Sluit uwe oogen en stel u voor: een groot erf, met onkruid begroeid;

aan den grooten weg afgesloten door een bouwvallig gemuurte, waarin een

breed gat dat vroeger een hek rijk geweest was; voorts omgeven door een

greppel en een levende pagger [42] die den hardvochtigsten criminalist

geen aanleiding had kunnen geven iemand, die er doorheen wandelde, van

braak te beschuldigen; op den achtergrond een steenen gebouw met

alang-alang gedekt, de deuren en vensters geel geverfd met een rood

randje, en afgebrokkeld witsel op de muren, van onderen behoorlijk

groen uitgeslagen; links een rij van acht kamers met een galerijtje er

voor, welk galerijtje vóór de drie kamers, die het dichtst aan den weg

lagen, breed was uitgebouwd, in den vorm van een pendoppo [43]; rechts

een ordelooze hoop loodsen en gedogans. [44]

In twee der laatsten werden de Kadoeërs gestald, terwijl Korman de

pendoppo betrad, waar een petroleumlamp—neergedraaid, want er was

toevallig niemand—hem behoedde voor struikelen over de stoelen of de

nog met het tafellaken van ’s middags gedekte eettafel.

Op zijn geroep, dat weldra in een soort gebrul ontaardde, verscheen ten

leste een inlander, die zich mandoer noemde, en in wiens hand feitelijk

het bestuur over het logement berustte. Door hem liet Korman zich een

kamer aanwijzen, of liever hij koos er zelf een uit de leegstaanden, na

er een paar te hebben opgenomen met zijn neus, die hierin de beste

leidsman was. Toen vroeg hij of er niet een jonge meneer was

aangekomen, die Rencke heette.

De mandoer zou het vreemdelingenboek gaan halen en Korman kleedde zich

intusschen uit, om te baden eer hij tot iets anders overging. Reeds was

hij daarmee gereed en voor de helft met zijn avondtoilet op orde, toen

eindelijk de mandoer terugkwam met de mededeeling, dat het boek naar

alle waarschijnlijkheid nog bij den controleur-kotta was, maar dat er

twee heeren waren gekomen sinds eergister, waarvan één ’n toewan baroe

[45], en dat die naar de sociëteit was.

Korman bedacht zich nog een oogenblik of hij zich niet vernederde door

óók naar de Soos te gaan, en zoo als ’t ware zijn employé na te loopen;

maar och, wat deed het er toe; op de onderneming, te midden van een

arbeid waarvan het jongemensch niets verstond, zou straks zijn

superioriteit voldoende uitkomen, en daarmee het vereischte prestige.

Hij wandelde dus op, en ging de sociëteit binnen. In de voorgaanderij,

aan de kletstafel, zat een uitgelezen clubje, de resident, de

secretaris en eenige der voornaamste ingezetenen, en ook een

vreemdeling. Diep buigend—hoeden droeg men toenmaals ’s avonds

nooit—wilde Korman voorbijgaan, het lokaal binnen, waar hij dacht onder

het groepje levenmakers bij het biljart zijn aanstaande ondergeschikte

te zullen aantreffen en op dezen door zijn verschijnen een geweldigen

indruk te maken, toen hem op eens iemand achterop kwam, die zijn naam

op vragenden toon uitsprak.

Zich omwendende zag hij tegenover hem den vreemdeling. Een slanke

welgevormde figuur ongeveer van zijn eigen grootte; een fijnbesneden

aristokratisch gelaat, versierd door heldere donkerblauwe oogen en een

zwaren knevel; gekleed in een zwarte jas met weggesneden panden en

grijzen pantalon waarvan de coupe den besten kleermaker verraadde....

Korman stond een oogenblik versuft, toen de ander met een klankrijke

stem zich bekend maakte: „Ik ben Henri Rencke.”

„O zoo... aangenaam kennis te maken. Ik hoorde in ’t logement dat... u

hierheen was gegaan...”

„U is wel beleefd,” zeide Rencke. „Had ik geweten dat u zelf komen

zoudt, dan had ik u opgewacht, te meer daar ik op een eenigszins

zonderlinge wijze aan u ben opgedrongen. Toen ik vertrok wist ik dat

niet—men dacht in Holland dat men u een dienst bewees, doch op reis

hoorde ik daarover anders spreken.”

„’t Is niets.... we zullen het samen wel vinden, hoop ik,” antwoordde

Korman, die tegenover de vrijmoedige explicatie van dien jongen man

geen andere woorden ter beschikking had. Intusschen werd hem daar op

eenmaal een wapen uit de hand geslagen, dat hij zich voorgenomen had

ter gelegener tijd te gebruiken. Bij het minste vergrijp van Rencke,

had hij hem voor de voeten willen werpen dat hij een presentkaasje was;

maar dat ging nu niet meer, daargelaten al of hij een zoodanige

uitdrukking ooit zou durven gebruiken tegen den man die daar voor hem

stond.

„Meneer Korman!” riep de resident, en de geroepene ging, gevolgd door

zijn employé, naar de kletstafel.

„Komt u niet wat bij ons zitten?” noodigde het Hoofd van Bestuur.

„Straks, op uw koffieland, moogt u meneer Rencke geheel in beslag

nemen, maar hier hebben wij ook rechten. Ombert u?”

„Een beetje, resident.”

„Wel, dan moesten we vanavond eens een partijtje maken,” zeide de

resident. „Meneer Rencke is ons hier komen leeren wat omberen was;

prepareer u dus op een zwaren strijd.”

„Je bent in den pas bij den ouwe,” zeide Korman, toen hij met Rencke

naar het logement wandelde om te gaan eten. „Hoe heb je zoo de kennis

gemaakt?”

„Wel, ik heb dien logementsfrik uitgevraagd hoe men zich hier

presenteerde ... Apropos, wat kost het een moeite dat heer te spreken

te krijgen! Zijn dat oostersche manieren, dat een logé naar den

hotelhouder moet gaan in plaats van hem te ontbieden?”

„Ja, hij heeft het monopolie, zie je, en ’t kan hem weinig schelen. Hij

is binnen.”

„Dat heb ik gemerkt! En hij is moeielijk naar buiten te lokken,” zeide

Rencke, die de spreekwijze niet begreep, waarop Korman expliceerde dat

„binnen” beteekende: zijn fortuin gemaakt te hebben; hetgeen de

logementhouder bewerkstelligd had met de aanneming van zout- en

koffietransporten.

In den naävond kreeg Korman, bij gelegenheid van het omberpartijtje,

van zijn employé een lesje in dat edele spel, waaruit hij het voornemen

putte, om wat hij ook mocht doen te Watoeombo tot korting der

avonduren, nimmer met Rencke een partijtje te maken.

Vroeg in den morgen vertrokken zij naar het gebergte; Rencke nu ook in

een wit pakje, nieuw en ongestreken, waarvan het model Korman deed

opmerken dat het goed genoeg was om „boven” te worden opgedragen, doch

niet geschikt om er „beneden” mee voor den dag te komen. Waarop Rencke,

die trouwens op reis al had gemerkt dat zijn zoogenaamde indische

uitrusting in ’t geheel niet indisch was, doch een product van

hollandsche kleermakersfantasie en verkeerde voorstelling van

oud-indiërs, verklaarde, als hij ooit in Europa terugkwam, de menschen

te zullen inlichten omtrent hun vergissing.

„Ik vond het al vreemd,” voegde hij er bij, „dat ze mij voor alles

zoo’n wijde zakkerige geschiedenis maakten. Men had mij gezegd: neem

voor de witte pakjes het dikste russisch linnen; de jas gemaakt naar

het gewone Colbert-model, en de pantalon zooals een gewone fatsoenlijke

broek. Maar de „specialiteit in uitrustingen” lachte er om, en zeide

dat het veel te warm was; dus nam hij van dit dunne goed en maakte het

zoo wijd als u ziet. Thuis riepen ze: echt indisch! maar ik kon wel

zien dat ze ’t niet mooi vonden, zoomin als ik.”

„Wat wèl goed is,” zeide Korman, „zijn die kappen die je daar aan

hebt.”

„Het zijn oude jachtkappen,” antwoordde Rencke, „die ik bij toeval in

mijn koffer heb gesmeten, en nu van morgen aangetrokken, omdat ik er u

ook zag dragen.”

Naarmate zij verder reden kreeg Korman meer schik in zijn nieuwen

employé. Hij vond in hem iemand waarmee te praten was, en die, begaafd

met een groote mate van practisch verstand, den eenzamen weg recht

gezellig wist te maken, zoowel door zijn gesprekken als zijn goed

ingerichte vragen om opheldering van hetgeen zijn oog als vreemd

opmerkte.

Te Wonosarie stapten zij uit de américaine, en terwijl de paarden

gezadeld werden, stelde Korman zijn employé aan den wedhono voor. Daar

Rencke echter nog geen maleisch verstond, moest Korman voor hem het

woord doen. Misschien was dat de reden dat hij vergat, wat hij zich in

het rijtuig had voorgenomen. Hij had namelijk den vorigen dag last

gegeven het meest lastige zijner twee paarden voor Rencke te zadelen,

doch toen deze hem zoo was meegevallen had hij gedacht: kassian! [46]

’t is zoo’n goede jongen, en contra-order willen geven. Doch hij

bemerkte zijn verzuim pas toen de paarden voorgebracht werden, en

Rencke hem vroeg welk dier voor hem bestemd was.

„Hm,” deed hij, „eigenlijk de zwarte, maar ze hebben er mijn zadel op

gelegd. Kan je rijden? De plongko [47] is nogal nukkig onder een

vreemden ruiter.”

„’t Is mij hetzelfde, als hij maar loopt,” zeide Rencke, en aan de

manier waarop hij de stijgbeugels pas maakte, door die te meten van de

vingertoppen tot onder den oksel, zag Korman dat hij althans geen

onervaren ruiter was.

Rencke steeg op; de plongko trippelde even, trachtte toen vooruit te

schieten, doch door zijn rijder onmiddellijk bedwongen en met het

rechterbeen zijwaarts gedrukt, kwam hij, netjes overschenkelend, naast

den zwarte.

„Toewan bisa sekali,” [48] zeide de wedhono, den afscheidsgroet van de

beide Europeanen met een minzaam lachje beantwoordend.

Toen zij het land naderden, en op meer geaccidenteerd terrein kwamen,

fronste Rencke een paar maal de wenkbrauwen bij het opzien tegen de

steilten die zij op moesten, en meer nog als de weg een sterke helling

naar beneden nam. Hellingen, die naar zijn schatting den voetganger

moeite zouden hebben veroorzaakt! Ziende hoe Korman’s paard, dat voor

hem uitliep, het er afbracht, overwon hij echter spoedig den angst die

een ieder bevangt die voor ’t eerst op bergwegen rijdt, en bewonderde

hij de kracht dier kleine dieren, die hij vóór dezen met eenige

minachting had aangezien.

„Daar staan hutten!” riep Rencke op eens uit. Zij waren de kalie

overgetrokken en reden op de kampong aan.

„Juist,” zeide Korman, voor de eerste „hut” zijn paard inhoudende en

afstijgende. „Welkom op Watoeombo!”

Rencke begreep niet hoe hij ’t had. Was dat het „landhuis” dat zijns

vaders vriend hem beschreven had met de aan indisch-gasten eigen

overdrijving? Hield Korman hem voor den gek? ’t Kon wel, want hij stond

hem feitelijk in zijn gezicht uit te lachen. Doch neen, want daar kwam

een dier wezens te voorschijn waarvoor Rencke altijd de grootste

vereering gekoesterd had, een meisje, in wat hij noemde de

schilderachtig romaneske flodderdracht, welk meisje Korman met „Papa”

aansprak en hem kuste. Een dochter? Hij meende toch.... hm, zeker....

jawel, ze had een gelen teint.... enfin, ’t was een meisje, dus naderde

Rencke met gepaste hoffelijkheid en maakte een diepe buiging.

„Een aangename verrassing, freule; uw Papa had mij nog niet verteld

dat....”

Hier bleef hij steken, want Li keek hem met haar groote oogen verbaasd

aan, terwijl Korman bijna stikte in een lachbui.

„Die is goed! Ha ha,” bracht Korman er eindelijk uit. „Ga naar binnen

Li.—Ahem! Ze verstaat je niet, Rencke—’t is mijn huishoudster weet

je—en... je zoudt maleisch moeten spreken als je haar een compliment

wilde maken, want van het hollandsch begrijpt zij niet meer dan

doodgewone dagelijksche uitdrukkingen.”

„Ik zal maleisch leeren,” zeide Rencke vol vuur. „Het is een aangename

verschijning, parole d’honneur!”

Korman zag hem uit de hoeken zijner oogen even aan, en ging toen voor,

het huis binnen. Links, tegenover zijn slaapkamer, was een appartement

aangebouwd terwijl hij weg was. Na er even in rondgezien te hebben,

wenkte hij Rencke, die in het middenvertrek was blijven staan.

„Dit is je kamer,” zeide hij. „Ik heb een ledikant voor je besteld,

maar dat moet uit Soerabaja komen, en dus moet je het voorloopig maar

zóó stellen.”

Hiermede wees Korman op een bamboe baleh-baleh [49], door de zorgen van

Li heel aardig in een bed getransformeerd. Rencke verklaarde dat hij

het zeer interessant vond aldus de ontberingen mee te maken op een

pasbeginnende plantage.

Onder de rijsttafel vertelde Li dat er menschen met bibit [50] gekomen

waren, die in de loods wachtten.

„Dan heb ik een mooi werkje voor je,” zeide Korman tot Rencke.

Toen om één uur de kenthong [51] het sein gaf om het werk te hervatten,

bracht Korman den employé naar de loods. Daar zat het vol met mannen en

vrouwen, die draagkorven bij zich hadden met jonge plantjes.

Korman nam uit een der korven een boschje, en begon Rencke te

onderrichten hoe hij die sorteeren moest; de dunne zwakke stengels of

gehavende wortels er uit, en de gave gezonde bibit ter telling

overgeven aan den kapala kampong [52]; daarna de door dezen op hoopjes

van tien gelegde plantjes optellen en achter den naam van den brenger

schrijven; eindelijk de gesorteerden bijeen laten binden en met water

besproeien.

„Ik ga intusschen even naar de tuinen,” zeide Korman. „Tegen dat je

klaar bent, zie je mij weer terug.”

Daar zat Rencke, te midden van een volkje dat hij niet verstond, met

het hem aangewezen werk zich de blanke handen bedervende en met een

blik van wanhoop de massa korven overziende. Het ging hem niet vlug af;

door gebrek aan oefening bekeek hij de plantjes veel te lang eer hij

goed- of afkeurde, met het gevolg dat hij weldra nauwelijks meer zag

wat dik of dun was, en er telkens de door Korman gegeven modellen

tegenaan moest houden ter vergelijking.

De oogen deden hem pijn van de inspanning nadat hij nauwelijks een half

uur aan den gang was, en reeds driemaal had hij zich gesneden aan een

bamboe-touwtje dat hij open wilde trekken in plaats van draaien.

„Ik wist niet dat groen zoo vervelend kon zijn,” mopperde hij, even de

oogen sluitende. Toen hij ze weer open deed schitterde er iets wits, en

opziende bemerkte hij Li, die een bankje neerzettende, tegenover hem

plaats nam, en met groote vlugheid de plantjes door de vingers liet

glijden.

Dankbaar knikte hij haar toe en gevoelde weer nieuwen moed, toen hij de

gemakkelijkheid zag, waarmee zij het werk verrichtte. Van haar

afziende, leerde hij het zelf; en de eene korf na den andere verdween

van het tooneel, tot de laatste toe.

Met een zucht van verlichting stond Rencke op, en trachtte een praatje

aan te knoopen met zijn helpster. Maar dat mislukte; want hoewel Li hem

best verstond, zij zelve kon niet anders dan in ’t maleisch antwoorden,

en dát begreep hij weer niet. Toen, terwijl hij enkele voorwerpen

aanwees, gaf zij hem de maleische benamingen, die hij zorgvuldig

noteerde. Hiermee waren zij nog bezig toen Korman terugkwam.

„Ben je er al doorheen?” zeide hij. „Dat is vlug. Wat doe je daar?”

vervolgde hij een blik werpende in Rencke’s notitieboekje. „Hm, ik zou

je raden liever maar dadelijk javaansch te leeren, dan krijg je geen

verwarring, en dat heb je toch het meest noodig.”

„Dat kan ook,” antwoordde Rencke. „Maar, me dunkt de klanken van het

maleisch hooren gemakkelijker aan.”

„Nu, doe wat je wil, als je maar één taal tegelijk aanpakt. Trouwens,

de mandoers spreken allen maleisch, dus kan je daar voorloopig wel mee

terecht. Laat ons nu naar huis gaan en die lui afbetalen, dan zullen we

het vandaag maar voor gezien houden.”

Dit voorstel was zeer naar den zin van Rencke, die duchtig vermoeid was

van den langen rit van dien morgen, en hard verlangde naar het

oogenblik waarop hij zich in een dier gemakkelijke indische stoelen zou

mogen uitstrekken. En het kwam, toen de bibit betaald was en de

daglijst ingeschreven.

Het werd dien avond later dan gewoonlijk. Rencke kon gezellig praten,

en Korman had zooveel te vragen over alles wat er op zeker dierbaar

plekje grond in de laatste jaren was voorgevallen, dat het hem gelukte

na den eten zijn oogen nog lang open te houden.

„Er is niets bijzonders voor je te doen,” zeide Korman den anderen

morgen. „Ga maar eens op je eigen gelegenheid naar de tuinen, en kijk

rond. Het werk moet gedaan worden... zooals ze het doen; dat leer je,

door het te zien, vanzelf. En eer je de taal verstaat, kan je toch niet

veel uitvoeren. Als je iets onbehoorlijks ziet, rapporteer het mij dan

als je thuiskomt—zoo tegen twaalven.”

Rencke ging het pad op dat hij gister Korman had zien inslaan, daarbij

de voorzorg nemende van nu en dan op een zakkompasje te kijken,

teneinde te weten in welke richting hij straks het huis weerom moest

vinden. De wijze waarop hij in de geheimen der cultuur werd ingewijd,

beviel hem niet. In zijn vroegere betrekking gewoon al zijn plichten

van a tot z als ’t ware op een briefje te hebben, en haast niets te

doen of het was speciaal gekommandeerd, bracht hem deze manier van doen

in niet geringe verlegenheid. De opdracht die Korman hem gegeven had

was hem vrij duister. Na een klim van een half uur was hij terecht

gekomen bij het terrassenmaken, en daar moest hij niet zijn, dacht hij,

want Korman had over „tuinen” gesproken, die hij nochtans nergens

ontdekte. Enfin, er werd gewerkt, dus kon hij wel een poos toekijken.

Met dit voornemen liep hij over een der terrassen, met attentie

toeziende hoe de koelies met den patjol de aarde uithakten en gelijk

streken. Bij een der werklieden bleef hij even staan, wat onmiddellijk

uitwerkte dat de mandoer op den man toesprong, hem den patjol uit de

handen rukte, en onder veel woorden voordeed hoe hij werken moest; in

welk model Rencke geen onderscheid zag met het reeds geleverde werk.

„Er schijnt toch iets onbehoorlijks geweest te zijn,” dacht hij, en

kuierde verder. Doch toen hij bij een anderen koelie bleef staan

kijken, herhaalde de mandoer hetzelfde spelletje, wat Rencke in twijfel

bracht of er nu wezenlijk in dit schijnbaar eenvoudige werk iets

verborgen was dat hij niet zag, of dat er slechts overdreven

dienstijver van den mandoer achter gezocht moest worden.

Dit personage hield ten slotte een aanspraak tegen Rencke, waarvan deze

geen syllabe begreep, zelfs niet toen de mandoer uit het javaansch in

’t maleisch overging. Intusschen verrijkte Rencke zijn woordenlijst met

enkele nieuwe namen van dingen die hij aanwees.

Plotseling kreeg hij een inval. Op een schoon blaadje van zijn

zakboekje begon hij te schetsen, en weldra ontstond een vrij aardige

potloodteekening van een tuin, met perken en gazons, hoog en laag

hout... men moest erkennen dat Rencke talent van teekenen bezat. Toen

het gereed was liet hij het den mandoer zien, die het bagoes sekali

[53] vond en vroeg of het meneers familie in Holland voorstelde; wat

Rencke gelukkig niet verstond.

Met zijn wijsvinger wees hij eerst op de schets en toen, de hand

uitspreidende, maakte hij een vragende beweging in het rond. Dit deed

den mandoer een licht opgaan.

„Oah, beddingan!” riep hij uit met een tweeden blik op de teekening, en

toen, voorgaande, wees hij Rencke den weg aan, die naar de pépinières

leidde, terwijl deze, verheugd over het gelukken van zijn middel, in de

aangegeven richting verder stapte.

„Men moet zich maar weten te redden,” zeide hij bij zich zelf.

Het einde van den weg was de plaats waar de beddingen stonden. Dat was

een teleurstelling! Maar van onder het alang-alang dak klonken stemmen;

dus ook hier werd gewerkt, en Rencke ging er binnen. Vrouwen plantten

de jonge bibit; dezelfde die hij gister zoo bloedig uitgezocht had! Hij

voelde solidariteit; daar was een stuk van zijn ziel in die plantjes.

Zich neerzettende op een boomstronk te midden der plantsters, nam hij

den zwaren helmhoed, dien hij te Portsaid gekocht had, af en genoot èn

van de schaduw èn van het toezien op het werk dat hij volkomen begreep.

Ook was er een groot onderscheid tusschen de babbelende en lachende

vrouwen, en de ginds als in doffe zelfberusting werkende mannen; hier

een beeld der onafhankelijke vrijheid, dáár der drukkende slavernij.

Want ontegenzeggelijk draagt de Javaan der binnenlanden nog het kenmerk

op zijn gelaat, dat zijn vaderen slaven waren, zoo dan niet altijd in

den zin die gewoonlijk aan dat woord gehecht wordt.

Een meisje dat in Rencke’s onmiddellijke nabijheid werkte, vroeg hem

iets, en hij antwoordde door haar in de wangen te knijpen, wat

uitroepingen van alle kanten deed opgaan, doch de toon daarvan was niet

onwelwillend of afkeurend. Rencke voelde zich volkomen thuis. Hij ging

de lange rij der reeds afgeplante bedden na, en ontdekte geheel aan het

eind daarvan een paar scheefstaande plantjes. Men kon van die plaats

uit, de plantende vrouwen niet zien, daar er een rijzing van het

terrein tusschen lag. Rencke ging een eind terug en riep „Hei, zeg

eens!” waarop het meisje dat hij in de wangen geknepen had, naar hem

toe kwam.

De plantjes werden behoorlijk recht gezet, al duurde het wat lang.

Rencke nam toen den terugweg aan, daar het tegen twaalven liep, doch

besloot aan dit gedeelte van het werk zijn bijzondere aandacht te

wijden; want als het jonge plantje niet onberispelijk gezet werd, hoe

kon er dan ooit een flinke koffieboom uit groeien?

Thuis gaf hij aan Korman bericht van zijn wedervaren. Bij de scène met

den geschetsten bloementuin moest deze hartelijk lachen.

„Wij noemen hier een tuin,” verklaarde hij, „een stuk grond dat met

koffie beplant is of worden moet, en dat tusschen vier wegen in ligt.

Al naar gelang der hoogte van de hellingen, worden er twee of drie

horizontaal loopende wegen in getrokken, de een boven den ander, en

deze verbonden door schuin tegen de hoogte oploopende wegen. Waar de

helling sterk is, en dus de weg te lang zou worden, maakt men hem met

een paar slagen, de zoogenaamde zigzagweg.”

„Begrepen,” zeide Rencke. „Dank u wel. En.... die tuinen zijn zeker

genommerd?”

„Ja, met dien verstande dat een groep tuinen, bij voorbeeld al de

tuinen van één helling of om één ravijn heen, een naam heeft, meestal

naar de een of andere eigenaardigheid van den vorm der bergruggen of

zoo. De inlanders verzinnen die namen.”

„Hoe heet de tuin waar nu gewerkt wordt?”

„Die heeft nog geen naam,” zeide Korman. „Maar wacht maar, eer ze over

den loengoer heen zijn is die ook gedoopt.”

En zoo geschiedde; doch op een wijze die geen van beiden vermoed had,

en Rencke althans nimmer uit het geheugen zou gaan.

Vreezende dat er schoon terrein tekort zou komen voor het aanleggen van

terrassen, had Korman een paar dagen na bovenvermeld gesprek, den

mandoer Podrono last gegeven om met vijftig man te gaan „opstapelen en

branden”. Dat beteekende: de overgebleven stukken hout bijeen halen,

die leggen rondom de door het vuur gespaarde groote stammen en

stronken, en daarna in brand steken.

Dit werk vereischt eenig overleg, daar men aan een zekere limite van

lichtere brandstof gebonden is, en die zóó moet aanwenden dat het

grootst mogelijk resultaat bereikt wordt; want na deze opruiming is er

geen meer mogelijk, en moet blijven liggen wat ligt, tot het in den

loop der jaren verrot. Podrono nu was een dier weinige inlanders, die

overleg bezaten—misschien moet men zeggen: die hun overleg in dienst

van een Europeaan willen aanwenden—en daarom had Korman hem aangewezen.

Natuurlijk was Rencke, die thans reeds beter dan eenige dagen geleden

begreep „wat hij eigenlijk op zoo’n koffieland moest uitvoeren,” naar

het werk van Podrono gaan kijken. Op den weg staande, overzag hij het

geheel. De mandoer had zich een plekje uitgekozen, uitnemend geschikt

voor zijn post als dirigent. Een dikke boom lag bijna geheel boven aan

de helling. In den loop der tijden had die boom eens den top verloren,

en hij had gedaan wat iedere fatsoenlijke boom doet, namelijk twee

loten, straks stammen, uitgeschoten. Die stammen stonden zeer dicht bij

elkaar. Zooals hij thans lag, leek hij een reuzen vork met twee tanden;

de een op den grond, de ander vrij. Daarop stond Podrono, orders

gevende nu aan deze, dan aan die groep van zijn volk.

Het was een levendig ventje, dat steeds zijn woorden deed vergezeld

gaan van gebaren, die toen hij Rencke zag aankomen nog wilder werden

dan gewoonlijk, tot groot amusement van de koelies die lachten.... en

daardoor meer kracht zetten dan anders.

„Ajo! angkat!” [54] gilde Podrono, in zijn knieën veerende als iemand

die straks een hoogen sprong zal doen. „Allah!”

Dat was zijn laatste kreet.

Er was beweging in den boom gekomen. Podrono had het bemerkt en wilde

er achteruit afspringen. Maar de stam waarop hij stond zakte onder hem

weg, de ander van den tweeling sloeg hem in den rug, zoodat hij

tusschen de tanden van den vork inraakte en voorover viel. In steeds

wilder vaart rolde de boom naar beneden, en met ontzetting zagen Rencke

en de koelies het lichaam, ach, het lijk! van den ongelukkigen Podrono

meedraaien, breken, en toen de boom den voet der helling bereikt had

met een dreunenden slag, prevelden de koelies Allah ill’ Allah en sloot

Rencke de oogen, flauw en misselijk van het verschrikkelijke gezicht.

Het weinige dat er nog van den mandoer te vinden was, werd door het

volk naar de kampong gebracht. Van Rencke die vooruitgeijld was, vernam

Korman het gebeurde.

„Jammer van den vent,” zeide Korman. „Komen ze met hem hier?

Waarachtig, daar heb je het heele zoodje! Zijn ze bedonderd?” En hij

ging den stoet te gemoet. De voorsten, die het lijk droegen, liet hij

passeeren, en joeg toen de rest terug met barsche verwijten. Den

knapsten koelie riep hij aan, en droeg hem op tijdelijk den arbeid te

surveilleeren. Toen kwam hij terug bij Rencke, die huiverend het kleine

troepje, dat hem gepasseerd was, nazag.

„Kom mee in huis,” zeide hij. „Je bent geschrokken, denk ik. Neem een

paitje; [55] ’t is toch bijna tijd. Weet je wat een bof is? Dat jij

niet ook op dien boom stond.”

Rencke gaf geen antwoord, zijn tanden klapperden tegen het glas.

„Kom, je moet je zoo beroerd niet maken,” raadde hem Korman. „Er

gebeurt wel eens meer een ongeluk. Als je niet nog zoo kort hier was,

zou ik je een standje maken dat je al dat volk uit de tuinen hebt laten

gaan, maar nu.... soedah! En wat wed je nu—we hadden het er laatst

over—dat die tuin, eer de zon ondergaat, zijn naam heeft?”

„Podrono!” zeide Rencke plechtig.

De weduwe van Podrono....

Zij had een braven man verloren, die goed voor haar was, haar nooit

sloeg, om wiens grappen zij altijd moest lachen, en met wien zij een

heel jaar lang getrouwd was geweest.

.... weende eenige dagen en nachten. De medebewoners van het huis

dachten dat zij gek zou worden van smart. Reeds tweemaal had zij een

zenuwtoeval gekregen en gevraagd om ketjoebong. [56] In plaats daarvan

gingen de buren medicijn vragen bij Korman.

„Ga maar eens naar de meid kijken,” zeide deze tot Rencke. „Neem de

flesch met castorolie mee, en geef haar om te beginnen een flinke

dosis. Hier is ze. Neen heusch,” ging hij voort toen Rencke hem gek

aankeek; „ik meen het; als die lui wat van dien aard door ’t hoofd

spookt, vergeten zij hun heiligste plichten.”

Rencke ging en paste de voorgeschreven geneeswijze toe, die wonderen

deed. Den volgenden dag was het vrouwtje veel bedaarder, en een week

later weer geheel hersteld.

In die week was veel gebeurd.

Het huis van Korman, de definitieve administrateurswoning, was gereed

gekomen. Hoog gelegen op een daarvoor gemaakte uitkapping van de

bergglooiing, verhief het zich boven de kampong. Van uit de voorgalerij

had men het gezicht, tusschen twee uitloopers van den berg, tot in de

vlakte, ja tot zelfs op den naburigen berg, die als een groote molshoop

uit het groen der laaglanden verrees. Waar het oog toch ook wat wil,

was de plek goed gekozen.

Eén ding was jammer, en wel dat alle boomen waren weggekapt en het huis

op een kale plek stond, en wel altijd zou blijven staan, daar de

onmiddellijke omgeving niet beplant werd, doch gereserveerd bleef voor

later aan te leggen établissement en droogbakken. Maar wie denkt daar

van te voren aan! Wie denkt er aan, dat het ook zaak ware op de

loengoers de boomen te laten staan, als zij er zijn, om zoodoende

windbrekers te hebben, die men er later, als de wind eenmaal vrij over

de naakte ruggen strijkt, met geen mogelijkheid meer op krijgt, tot men

na veel geld en moeite vermorst te hebben de loengoer-tuinen in

godsnaam maar afschrijft.

Daarvoor moet men minstens eerst een koffieonderneming hebben

ontgonnen; en die dat gedaan heeft is òf rijk, òf heeft geen succes

gehad en krijgt derhalve geen administratie meer.

In het nieuwe huis was oorspronkelijk een kamer voor Rencke bestemd

geweest, toen Korman plotseling van plan veranderde. De aanleiding

daartoe was een mededeeling, die Li hem gedaan had van een praatje dat

in de kampong had gecirculeerd.

„Je weet waarschijnlijk,” was Korman begonnen, op een avond, terwijl

hij met Rencke aan de bittertafel zat, „dat ik indertijd een brief van

je vader heb gehad.”

Rencke knikte toestemmend.

„Daarin stonden een paar uitdrukkingen... hm! ik wil niet zeggen dat ze

mij een ongunstig denkbeeld van je gaven, maar... enfin, hij zeide dat

je nogal veel van de meisjes hield.”

„Dat had Papa wel kunnen laten,” mopperde Rencke. „Hij is wat

ouderwetsch ziet u, en meent dat een jongmensch de oogen moet neerslaan

of stotteren als een dame voor hem staat. Ten minste hij scheen het

altijd af te keuren dat ik me wat vrij bewoog. Maar aan u had hij

waarachtig niet behoeven te schrijven... hier zou ik mij, al wilde ik,

moeielijk kunnen bezondigen. Er zijn geen dames!”

„Behalve in de pépinières, hé?” zeide Korman, terwijl Rencke bloedrood

werd. „Ja, ja, vriendje, we zijn hier in Indië, te midden van een

bevolking die in dergelijke zaken weinig of geen geheimhouding

betracht. Maar,” vervolgde hij, „waar ik eigenlijk op komen wou is dit.

Ik heb wel het verzoek van je oude heer gekregen om zoo’n beetje voor

Mentor te spelen, doch ik ben geen oogenblik van plan dat te doen. In

mijn positie als administrateur echter, moet ik je instantelijk

verzoeken hier op het land van de vrouwen af te blijven; je krijgt er

zelf te avond of morgen moeite mee, en ik door jou. Weet je wat, neem

een huishoudster.”

„Daar heb ik wel ooren naar,” zeide Rencke; „maar als de oude heer het

hoort....”

„Onzin! Ik zal ’t hem niet aan zijn neus hangen, en jij natuurlijk nog

minder. Hoort hij het van de buitenwacht... welnu, dan zeg je òf dat

het niet waar is, òf dat je in de binnenlanden niet anders kan.”

„De groote moeielijkheid zit hem in de manier er een te krijgen,”

meende Rencke.

„O, dat is niets. Kijk maar eens rond; hier, of in de stad... er is wel

wat te vinden. Wie hebben we daar?”

De laatste vraag gold eene donkere gestalte die in de deur was komen

zitten. Het was de weduwe van Podrono, die kwam vertellen dat zij

voornemens was den volgenden morgen te vertrekken, en thans vroeg om

het door haar overleden man verdiende salaris, teneinde reisgeld te

hebben.

Terwijl zij sprak met den gebruikelijken omhaal van woorden, die een

welopgevoede javaansche ter harer beschikking heeft, had Korman haar

nauwlettend opgenomen, meer bezig met een gedachte die hem beving, dan

luisterend naar het verzoek van het jonge vrouwtje.

„Kijk deze eens aan,” zeide hij tot Rencke. „Hoe denk je er over? Ze is

zindelijk en handig, spreekt een beetje maleisch naar ik meen, en wat

haar voorkomen aangaat zou je het moeielijk beter kunnen treffen.”

„Watblief?” vroeg Rencke verbaasd. „U meent toch niet... haar man is

immers nauwelijks begraven, en het verdriet....”

„Och wat,” viel Korman hem in de rede.... „De vraag is of je wilt of

niet.”

„Ik wel, maar....”

„Dan is het goed.—Ga maar naar achter,” gelastte Korman de bezoekster.

„We zullen de rekening van dat salaris dadelijk opmaken.—Li!” en toen

deze gekomen was: „Praat eens met de vrouw van Podrono. Ze moest maar

huishoudster worden bij meneer Rencke.”

Met een knikje van instemming vertrok Li om aan de gegeven opdracht te

voldoen.

„Ziezoo,” zeide Korman; „schenk jij nu nog eens in, en pikir [57] er

niet langer over; Li zal dat zaakje wel klaarspelen.”

„Het zou me zeer verwonderen,” zeide Rencke, „na al wat ik van dat

vrouwtje in de laatste dagen gezien heb. Ze was daarvoor te diep

getroffen door haar verlies.”

„Ik heb nogal vertrouwen in de werking van de castorolie,” antwoordde

Korman. „Wat wed je.... hier, ’n ringgit! [58] Zet je er een tegen?”

„Mij wel,” zeide Rencke, die waar het een weddingschap gold, niet onder

wou doen.

Het duurde heel lang eer Li terugkwam. Doch toen zij om het hoekje van

de deur verscheen, streek Korman doodbedaard de twee rijksdaalders op,

die op de tafel lagen, en stak ze in den zak van zijn kabaja.

„Zij zegt dat zij erg dom is,” rapporteerde Li, „en bang dat zij aan

meneer Rencke niet zal voldoen; maar als meneer daar niet tegen opziet,

dan wil zij zich wel bedenken, tot morgen. Intusschen zou zij gaarne

het geld hebben dat Podrono heeft verdiend, want er is een soedara [59]

van haar hier, dien zij nu maar vooruit wil zenden naar de dessa.”

„Ik ben mijn ringgit kwijt,” zeide Rencke, toen Korman hem Li’s woorden

had uitgelegd. „Maar ’t is sterk!”

Den dag daarna verhuisde Korman naar zijn nieuwe woning, welk feit

behoorlijk bezegeld werd met een slamatan en een tandak-partij, waartoe

expresselijk een anklong [60] met bijbehooren was ontboden uit de

dessa, waar de assistent-wedhono zetelde.

In dien tijd had ook de weduwe van Podrono zich bedacht, met dien

gevolge dat zij, met een paar van Li geleende muiltjes en een gebreide

shawl, haar toewan vergezelde, toen deze naar het tandakken ging

kijken, iets wat Rencke voor ’t eerst van zijn leven aanschouwde.

De indruk dien hij er van kreeg was niet precies een gunstige.

Natuurlijk had hij de „Duizend en één nacht” gelezen, en de oostersche

bajadères die hij zich daarbij gedacht had, kwamen in ’t geheel niet

overeen met de krijschende vrouwspersonen die hij hier zag dansen.

Dansen! godbetert, hoe durven ze dat dansen noemen. In de rookerige

koelie-loods was in ’t midden een groote mat gespreid over den aarden

vloer. Waarvoor eigenlijk? Tegen het vuil-worden der voeten? Daar was

het waarachtig niet voor noodig, want die... bah! Het speet Rencke dat

hij niet schilderen kon, om in kleuren weer te geven waarnaar hij

liever niet lang keek, en met het opschrift: „het voetje van een

bajadère” ter ontgoocheling aan zijn hollandsche vrienden te zenden.

De zoogenaamde gracieuse bewegingen van het lenige lichaam vond Rencke

eenvoudig ongracieus en leelijk, en het eenige wat hem een minder

streng oordeel deed vellen over de arme tandak-meid, dan misschien

anders het geval ware geweest, was dat zij den goeden smaak toonde van

de punt van de slendang [61] voor den mond te houden als zij dien

opendeed om te.... zingen.

Neen, nu niet en later niet, toen hij gezien had wat voor het beste

doorging op dit gebied, kon Rencke behagen vinden in javaansche

danskunst, en hij vond al wat daaromtrent geschreven of verteld werd,

gewoon opsnijderij.

„Je moet maar eens goed toezien,” zeide hem Korman, die mede acte de

présence maakte, „want bij grootere gelegenheden, als de Regent eens

komt of zoo, moeten we er zelf aan meedoen; en dan staat het altijd

beter als je het kunt.”

Toen ging Rencke een huivering door de leden. Nooit zou hij dat met

genoegen doen, nooit zou hij zich moeite geven om op te sporen wat er

voor schoons in gelegen was, naar de opvatting van het volk, dat met

gespannen aandacht elke beweging volgde en de tandakkende mannen

goedkeurend toemompelde als zij het er goed hadden afgebracht.

„Als overmorgen de controleur komt, gebeurt het dan ook?” vroeg Rencke.

„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Korman wien de herinnering aan dit

aanstaande bezoek de wenkbrauwen deed samentrekken.

Een koelie van Donowarie had dien middag het briefje gebracht, waarin

Messner schreef dat de controleur bij hem was gekomen, en, zijn

terugtocht over Watoeombo doende, aldaar tegen de rijsttafel zou

aankomen.

Daar kwam het weer, het gevaar van ontdekking! Zou Messner meekomen?

Natuurlijk. En blijven, met Li spreken, hooren hoe deze of gene haar

als nonja aansprak, vermoedens krijgen....? Wat al vragen en even

zooveel angsten! Want Korman zat er leelijk in.

Het liep beter af dan hij gedacht of gehoopt had. Eerstens kwamen zij

laat en had de controleur haast; ten tweede ging Messner mee door.

Zoodoende had hij niet meer dan een oogenblik tijd om Li te begroeten.

Rencke ziende, nam hij Korman even ter zijde, en informeerde of er van

dien kant geen gevaar bestond, doch was spoedig gerust gesteld toen hij

vernam dat de opzichter reeds „voorzien” was.

Met een zucht van verlossing zag Korman de beide heeren vertrekken.

„Een bijzonder aangenaam mensch, die meneer Messner,” merkte Rencke op.

„Vind je niet?” zeide Korman. „We hebben samen heel wat doorgemaakt.”

„Dat hoor ik. Nu, zoodra u mij eens verlof wilt geven zal ik voldoen

aan de uitnoodiging die meneer Messner mij deed, om een dag ten zijnent

te komen doorbrengen.”

„Na het planten,” zeide Korman. „Dan kun je zoolang verlof krijgen als

je wilt.”

De employé boog. Wanneer die tijd kwam wist hij niet, doch hij wilde

het nu niet vragen, om den schijn te vermijden van onbescheidenheid.

„Jawel!” dacht Korman. „Hij er heen, en in zijn onnoozelheid alles

uitflappen!”

De heele zaak hinderde hem intusschen geweldig. Nu Messner vertrokken

was, bedacht hij dat hij eigenlijk een groote stommerik geweest was,

door zijn verhouding tot Li niet juist heden aan het licht te hebben

gebracht. In tegenwoordigheid van den controleur, omstraald door de

heerlijkheid van het B. B. zou Messner toch niets hebben durven zeggen;

en als hij er later op terugkwam, och, dan was het al weer zooveel tijd

geleden!

Het had Li’s gedachten ook beziggehouden.

„Toen papa Messner naar achter kwam,” zeide zij ’s avonds, „dacht ik:

nu komt het, en nu zal hij zeker probeeren mij weg te halen. Maar Papa

zei alleen: „Dag Li, ada baik?” [62] en gaf mij een kus. Toen ging hij

naar voren. Gelukkig dat Zus er niet bij was, want die had het zeker

gezien.”

„Gezien?” herhaalde Korman....

Li stond aan den uitersten rand der voorgalerij, draaide op de hakken

harer slofjes, zich vasthoudend aan het touw van een der zeilen. Zij

had het hoofd afgewend, starende naar de wazige grenslijnen der donkere

boommassa’s aan den overkant van de kalie. De vraag van Korman had zij

voorzien, ja uitgelokt; en haar geheele houding, rechtop, in het volle

lamplicht, plastisch geteekend op den donkeren achtergrond, gaf het

antwoord.

Alsof een muskiet hem door de zitting van zijn stoel heen gestoken had,

sprong Korman op. Li wendde zich om, en hem te gemoet tredende, sloeg

zij haar armen om zijn hals, opziende met een mengeling van geluk en

vrees.

Li was een mooi meisje, maar zóó mooi had hij haar nog nooit gezien. De

vloek die hem op de lippen zweefde, werd ingehouden, en zacht

verwijtend klonk zijn stem: „Waarom dat niet eer gezegd?”

„Kokki zei dat heeren blanda’s [63] dit niet graag hebben, want dat ze

dan ongeduldig zijn.... en ik wou heelemaal een vrouwtje zijn naar

Papa’s zin.”

„De kokki is gek,” verklaarde Korman.

Messner had niets gezien en niets gemerkt. En toch, toen hij thuis zat,

en de inspanning, om den controleur bezig te houden, zich opgelost had

in een gevoel van rust en voldaanheid, trad het korte bezoek op

Watoeombo weer in zijn herinnering naar voren. Zus ondervroeg hem, en

hij had zoo weinig te vertellen dat hij er zelf eigenlijk niet mee

tevreden was, en zijn geheugen pijnigde om nog wat te vinden. De

stoelen hadden zóó gestaan... de kleur van de hanglamp... het gezicht

van den bediende...

„Ze lieten den staljongen aan tafel dienen, Zus,” deelde hij mee.

Zus had daar een aanmerking op, die hij echter niet hoorde, daar hij

voortging met denken. Hij had dien staljongen gevraagd waar de „nonna”

[64] was... de vent had geantwoord... hé ja, hoe herinnerde hij zich

dat antwoord!... dat de „’doro [65] nonja” in de keuken was.

Nonja! Dat is de titel van een getrouwde chineesche vrouw... wat een

stomme vent, die staljongen! Hij deelde het Zus mee, bijwijze van

aardigheid. Maar Zus vond het blijkbaar geen aardigheid; zij had geen

inlandsch bloed in de aderen moeten hebben om niet dadelijk een

verdenking op te vatten....

„Messner,” zeide zij voor hem gaande staan. „Messner, je bent dom; nog

dommer dan die staljongen. Allah,” vervolgde zij zenuwachtig; „die

staljongen praat maar na wat hij hoort; en als iedereen haar „nonja”

noemt.... Messner, dat is niet goed. Je moet vragen, onderzoeken,

iemand sturen.”

„Dat is niet noodig,” zeide hij, wijzende op het pad dat zijwaarts

voorbij hun huis liep. „Kijk, daar komt een transport bibit.—Hei!

Waarheen?”

„Naar Watoeombo, mijnheer,” antwoordde een oude vrouw die in de

voorhoede liep. Gewenkt door Messner kwam zij nader.

„Wie zoekt de bibit uit?” vroeg hij.

„De nonja en de toewan ziender,” [66] antwoordde het mensch, terwijl

Messner een stomp in den schouder voelde van Zus.

„Is de nonja de vrouw van den toewan besaar?”

Ja juist, die bedoelde zij; een andere nonja was er niet. Messner moest

haar nader uitleggen wat hij meende, en toen verklaarde de oude vrouw

dat zij niet beter wist of het was zoo, maar zij wilde, als meneer het

gelastte, wel eens nader informeeren.

„Dat is goed,” zeide Messner. „Kom vanavond hier even aan. En.... je

bent al een vrouw op leeftijd, niet waar; die praat niet meer dan

noodig is, en vertelt haar geheimen niet rond als een jonge deern.”

„Ziezoo,” ging hij voort toen de vrouw vertrokken was; „nu ben je

tevreden Zus, hoop ik. Maar ik ben zeker dat je je vergist; ik kan het

van Korman niet denken.”

’s Avonds dacht hij het echter wel. Zus huilde van woede en zong een

schimp-litanie aan ’t adres van Korman, waar Messner, hoewel bedaarder,

volkomen mee instemde. Zij spraken af, er den volgenden morgen samen

heen te gaan en Li terug te halen.

Bij nadere overdenking begreep Messner dat zij dit laatste, nu de zaak

toch eenmaal zoo stond, misschien beter niet deden; maar er was met Zus

geen praten, dus hield hij het voor zich.

Korman zat te werken in zijn kantoortje. Nu hij Rencke had, en deze met

den dag vooruitging in het vak, achtte hij het onnoodig zoo dikwijls

naar het werk te gaan. Hij deed nu ’s middags zijn dutje, en ’s morgens

knoeide hij zoo’n beetje aan zijn administratie. Volgens zijn eigen

opvatting deed hij die keurig netjes, maar op Soerabaja werd er,

telkens als de post een stuk ervan aanbracht, door den ouden Benoit en

diens boekhouder hartelijk om gelachen.

Na een langdurige studie in een dik boek over het boekhouden, was hem

een flauw licht opgegaan over wat men verstaat onder „boek-hoofden.”

Doch hoe hij die moest vormen was hem niet duidelijk. In het model

stonden: Emil Herz te Hamburg, Joseph Meier te Kopenhagen, en zoo

voort; dus: iedere naam in zaken vertegenwoordigde een grootboekhoofd.

Dientengevolge gaf hij er een aan Benoit, aan zich zelf, aan Rencke, ja

zelfs aan den chinees die zijn boodschappen in de stad deed en zich

agent noemde. Dan had hij: huizen bouwen, terrassen maken, bibitkoopen,

beddingen en nog veel meer, alles grootboekhoofden! een ingewikkelde

geschiedenis, die hem vrij wat moeite bezorgde eer alles „klopte.”

Te midden eener lange recapitulatie over de laatste betaling, werd hij

gestoord door naderende hoefslagen. Buiten komende zag hij tot zijn

schrik: voorop Zus, à la duchesse de Berry op een inlandsch paard, en

daarachter Messner. Zus sprong er af, liep de drie treden van de

voorgaanderij op, duwde hem opzij en liep met een strak gezicht naar

achter.

Messner was minder vlug. Afgestegen, wachtte hij tot er een staljongen

was toegeschoten om de paarden vast te houden. Toen ging hij langzaam

naar binnen en stelde zich op tegenover Korman, wiens blik in de ledige

ruimte dwaalde.

Juist wilde hij beginnen te spreken, want hij zag wel dat hij niets

meer behoefde te vragen, toen een geweldig rumoer beider aandacht

afleidde. Het was Zus, die Li aan een arm had genomen en haar voorttrok

onder een bandjir [67] van woorden in de hoogste faussettonen.

„Bangsat!” [68] siste zij Korman naderende; en Li loslatende, riep zij

Messner toe: „Die rakkersche meid is al zwanger!”

Toen kreeg Korman wat te hooren! Zus had een langen adem, en zij deed

haar best; doch juist dit was haar noodlottig, want Korman had tijd van

de verrassing te bekomen. Li had hem met haar groote zwarte oogen als

om hulp smeekend aangezien, en hij voelde dat hier een daad van moed

van hem verwacht werd. Geen moed bezittende, en zich ten sterkste

bewust van zijn schuld en zijn minderheid, brak hij door dat alles heen

tot dollen overmoed.

Zus was perplex. Zóó was haar nog nooit de les gelezen, zóó’n katje had

zij nog nimmer gehad; en dat van Korman, in presentie van haar... man!

Li daarentegen was opgefleurd. In één bewondering was zij naast Korman

gaan staan en had zijn hand gegrepen. Met fonkelende oogen zag zij haar

zuster aan, gereed om, als Korman ophield, er het hare bij te voegen.

Doch dat was niet noodig. Messner maakte een eind aan het standje door

beide vrouwen naar achter te zenden. Toen wendde hij zich tot Korman.

Hij bracht dezen zijn onwaardig gedrag onder het oog, naar welk

gedeelte zijner redevoering door Korman nagenoeg niet geluisterd werd.

Voorts deelde hij Korman mede dat hij van zijn plan om Li mede te nemen

was teruggekomen, en wel vanwege de positie waarin het meisje

verkeerde, doch dat hij hierbij één voorwaarde stelde, namelijk dat

Korman dit en eventueel volgende kinderen zou doen wettigen.

„Want anders,” eindigde hij, „kom ik weer hier en haal haar weg; bij

God, dat zou ik. En je moogt daareven Zus gebluft hebben, mij zou je

dat niet kunnen.”

Dat wist Korman ook, en dus gaf hij zijn woord dat hij aan de door

Messner gestelde voorwaarde zou voldoen.

Gemakkelijker dan hij gedacht had, gelukte het Messner om Zus te

overreden zich bij het feit, zooals dat was, neer te leggen, waartoe de

vrees voor een tweede standje waarschijnlijk sterk meewerkte.

De vriendschap scheen geheel hersteld toen Messner en Zus afscheid

namen na de rijsttafel. Blijven overnachten en het werk rondgaan,

zooals Korman voorstelde, wilde Messner echter niet.

„Een andere keer,” zeide hij. „Vandaag ben ik niet in een stemming om

lang bij je te kunnen zijn.”

Op zekeren dag gingen Korman en Rencke naar de tuinen. Reeds sedert een

week hadden zich rondom den hoogsten top van het gebergte wolkjes

genesteld; een teeken dat er regen in aantocht was, doch er was nog

geen enkele bui gevallen.

Plotseling ontstond er een mist; het was alsof een der wolken van boven

naar omlaag gegleden was. De beide europeanen konden het werkvolk niet

meer zien, dat op de helling tegenover hen bezig was.

„Djawoeh!” klonk het klagend en langgerekt, en van een anderen kant,

als ware het de echo: „Bawoeh!”

„Wat een lugubre geluid is dat,” zeide Rencke. „Mijn jongste zusje zou

zeggen: ik vind het eng. Wat beteekent het?”

„Djawoeh is regen,” antwoordde Korman. „En het andere is een soort van

weerslag. Verder beteekent het, dat we ’t best doen om maar

onmiddellijk naar huis te gaan, als we niet kletsnat willen worden.”

Nauwelijks waren zij in Korman’s woning of het begon, eerst in groote

droppels die als hagelsteenen klonken op het gegalvaniseerd ijzeren

dak, en toen de volle regen, die een oningewijde op het denkbeeld moest

brengen dat de heele rommel straks naar beneden zou komen.

„Een practische dakbedekking,” schreeuwde Rencke, luider dan hij aan

boord ooit een commando had gegeven, terwijl Korman zich vergenoegde

met glimlachend te knikken.

„Morgen de bedekking van de beddingen wat dunnen,” zeide hij, zoodra er

kans bestond het geweld van den regen te overstemmen. „Denk er aan

daarvoor een stuk of twintig koelies te geven. En ga zelf mee, want

anders laten ze te veel alang-alang naar beneden vallen op de

plantjes.”

De bui werd weldra door meerdere gevolgd; en na een afwisseling van

regen en onweer, kwam het eerste zachte morgenregentje, den

definitieven inval van den Westmoesson aankondigende.

„Heerlijk plantweer vandaag!” zeide Korman even vóór het begin van de

rol bij Rencke binnenstappende.

„Weer een nieuwtje voor mij,” antwoordde deze. „Hoe moet het gebeuren?”

„Poeterans maken, een gat slaan met den patjol en planten,” expliceerde

de chef.

Rencke trok de schouders op. Hij zag in dat hij dit werk weer zou

moeten leeren als al het vorige: toezien en volgens zijn beste weten

handelen; van Korman kreeg hij niet anders dan antwoorden die hem al

even wijs lieten als te voren. Deze bepaalde er zich toe alleen dan in

te grijpen, als hij vreesde dat zonder dit de boel misliep, zooals nu,

daar Rencke, niet wetende wat er gedaan moest worden, het volk niet kon

indeelen.

Heksenwerk was het niet; zelfs het poeterans maken was al zoo eenvoudig

als iets. De grond tusschen de plantjes op de pépinières werd eerst

vastgetrapt; dan werden er de koffieplanten uitgestoken met een kluit

aarde er aan, die vervolgens met de arit werd gefatsoeneerd tot een

cilinder; eindelijk werd het geheel op een pisang-blad gezet en

ingewikkeld. Aan het touwtje waarmee het blad werd toegebonden—een

bamboe-touwtje—werden lange einden gelaten, om het straks op den

pikoelan [69] te kunnen bevestigen.

Teneinde zich op de hoogte te stellen van de dikte of lengte die voor

den poeteran vereischt werd, offerde Rencke een plantje op, dat hij

uittrok om te zien hoever de wortels reikten. Hij zag de koelies den

penwortel, waar deze onder den poeteran uitstak, afbreken; dit was het

eenige waarover hij straks om inlichting vragen moest.

Het planten... men wist in dien tijd nog niet van de moderne

plantkuilen, hetgeen de koffie zeer ten goede kwam. In den plantkuil

toch, die liefst een jaar te voren wordt gemaakt, om den grond te laten

„verzuren” naar het heet, doch waardoor de binnenwanden als steen

verharden, staat het plantje als in een bloempot; en tenzij later de

koelies behoorlijk dicht onder den boom patjollen, en de wortels

vrijheid verschaffen, stuiten deze overal, en krommen zich, tot de

plant, na al het voedsel in den kuil te hebben verteerd, van gebrek

doodgaat. Dikwerf ook rotten de wortels, daar het water in den kuil

niet weg kan.

Rencke vond maar één ding vervelend, en dat was de regen, die nu

zachter dan harder viel, en waartegen een pajong [70] geen voldoende

beschutting aanbood zoodra men over de terrassen liep. Hij was derhalve

erg blij toen het tegen den middag opklaarde.

Bij de tuinen waar geplant werd, had Korman zoogenaamde gardoe’s laten

bouwen. Het waren alang-alang daken op zes stijlen, met een wand aan de

windzijde. Zij dienden om de bibit te beveiligen tegen plotselinge

stortregens, die anders van de poeterans al heel gauw een modderpapje

zouden gemaakt hebben. Met de aan dit soort van werk eigen vlugheid

stonden de gardoe’s reeds, toen de eerste bezending poeterans aankwam.

Op het middaguur thuiskomende vond Rencke zijn chef bezig met iets wat

hij in de verte aanzag voor gooien met stokken, doch nabijgekomen

vernam „uitzoeken van dadap-stekken” te zijn. Deze stekken waren door

javanen uit de dichtstbijliggende dessa’s aangebracht; stuk voor stuk

werden zij nagezien, en al wat te dun of te droog was zoover mogelijk

weggeslingerd. Dit laatste, zoo legde Korman uit, om te voorkomen dat

zij ten tweeden male werden aangeboden. Na den middag werden de stekken

aangepunt en naar de tuinen gebracht, om daar, één bij elke twee

koffieplantjes, in den grond te worden gestoken. De dadap, die snel

opgroeit, wordt nog steeds beschouwd als de beste schaduwboom te zijn.

De afwisseling in het werk deed Rencke genoegen, hoewel het meer van

hem vergde. Het was hoognoodig dat hij den geheelen dag bij het planten

stond, om op te passen dat dit behoorlijk geschiedde; en toen men

verder en verder van huis werkte, moest hij ’s middags zijn eten in de

tuinen laten brengen, teneinde zoo min mogelijk tijd te verzuimen. Kwam

hij dan ’s avonds thuis, doodmoe en meestal met natte kleeren, dan had

hij weinig lust nog naar de administrateurswoning te gaan, doch vond

het gezellig als Korman bij hem zijn bittertje kwam drinken.

En de administrateur deed dat gaarne. Hij had in den laatsten tijd een

onderwerp, waarop hij telkens terugkwam als hij alleen was met Rencke:

de aanstaande bevalling van Li. Waar zij bij was, durfde hij het niet

uiten, doch haar jeugdige leeftijd boezemde hem groote ongerustheid in.

Hij had er over nagedacht haar naar de stad te brengen en door den

dokter te laten bijstaan, maar hij was daarvan teruggekomen. Er warde

iets door zijn hoofd van wetsbepalingen omtrent te jonge jaren,

verkrachting, en nog veel meer, en hij vreesde dat er misschien lieden

zouden zijn die zich ongeroepen met het geval bemoeiden. Aan den

anderen kant wantrouwde hij de oude vrouw, die zich doekoen noemde en

sedert een week in de bijgebouwen was gelogeerd. Wel vond hij bij

Rencke weinig troost, doch het was hem een behoefte er over te praten.

„Is men gehouden,” vroeg Rencke eens, „de kinderen die men bij een

huishoudster krijgt, te adopteeren?”

„Zeker niet,” antwoordde Korman. „Ik doe het, zieje. Ten eerste is Li

van kind af bij ons geweest, en.... och, er zijn verscheiden redenen.

Maar anders, neen; de meesten sturen hun ménagère weg als zij in

positie komt.”

„Zooals in Holland ’n maîtresse.”

„Ongeveer; hoewel er daar niets vóór te zeggen valt.”

„Hier dan wel?” vroeg Rencke. „Hoe rekent u dat uit?”

„Dat zal ik je vertellen,” zeide Korman, zijn ledig glaasje naar het

blad toeschuivend. „Een hollandsch kind, door zijn vader erkend, komt

ginds op de hem toekomende plaats in de maatschappij, en behoeft voor

niemand achter te staan. Alles wat aan hem in opvoeding wordt ten koste

gelegd is positieve winst, en als hij een en ander derven moet, kan men

gerust zeggen, dat het hem op een gemeene manier onthouden is.”

„Logisch en waar,” merkte Rencke op; „doch dat geldt mijns inziens hier

even goed.”

„Neen. Dat geldt hier alleen dàn wanneer de vader in staat is het kind

een supérieure opvoeding te geven, òf een fortuin na te laten. Kan hij

dat niet, dan is het voor het kind tienmaal gelukkiger niet erkend te

worden en inlander te blijven, dan zoo’n stakker van een arme sinjo te

zijn, die overal moet achterstaan; met te weinig geld en opvoeding om

’n heer te zijn, en te veel verbeelding van zijn stand om met

handenwerk zijn brood te verdienen. Geloof me, ik heb families ontmoet

waarvan, door een toeval of verzuim, een deel der kinderen niet erkend

was. En dan waren de inlanders altijd gelukkiger dan hun zoogenaamde

europeesche broers; ja, ik heb het zelfs gezien dat de laatsten door de

eersten werden onderhouden!”

„Ja, als dat zoo is, dan heeft u gelijk,” zeide Rencke. „Beter een

tevreden inlander dan een ontevreden europeaan. En... niet ieder kan

zijn wilde kinderen bij zijn familie introduceeren.”

„Dat hangt er van af of je geld hebt,” zeide Korman. „Ik weet niet of

er landen bestaan waar men rijke menschen veel durft zeggen, doch in

Holland is dit niet het geval.”

„U schijnt geen hoog denkbeeld te hebben van de maatschappij in ons

vaderland.”

„Een heel laag! Herinner je je dien ouden jonkheer van Crooswijk?”

„Zeker,” zeide Rencke. „Als kinderen gingen we hem altijd feliciteeren,

op nieuwjaar en op zijn verjaardag. We kregen dan geregeld iets voor

onzen spaarpot. En des zomers kwam er zonder mankeeren een boodschap:

of de jongejuffrouwen en de jongeheer lust hadden met den jonker naar

de Grebbe te toeren.”

„Dezelfde. Nu, ik moest indertijd, bij het afscheidnemen, beloven de

correspondentie met hem aan te houden. Ik heb het trouw volgehouden; en

waarom? Hij antwoordde geregeld en vulde zijn brieven aan met chronique

scandaleuse, die ik, toen althans, gretig las. Ik heb zijn brieven nog

liggen, ze maken een curieuze verzameling uit! En als ik soms hier eens

gewetenskneepjes voel over het zoogenaamde immoreele leven in de Oost,

dan sla ik dien bundel nog eens op, om bij den derden of vierden brief

al uit te roepen: Ik dank u Heer, en zoo voort.”

„Leest u in den laatsten tijd veel in die brieven?” vroeg Rencke

ondeugend.

„Loop naar de pomp!” zeide Korman, zijns ondanks lachend. „Jij hebt

goed spotten; ik wou dat je er zelf eens zoo voor zat.”

„Dat zal niet licht gebeuren,” antwoordde Rencke. „Ik zal bij

voorkomende gelegenheid van uw wijze lessen gebruik maken.”

Wie zich het minst ongerust maakte was Li. Zij was blij met wat haar de

bevestiging toescheen van den band die haar met Korman vereenigde, en

trotsch op het geval zelf. Meer dan vroeger wandelde zij ’s avonds den

breeden weg op en neer, waarlangs het steeds toenemend getal

„opgezetenen” zich huisjes had gebouwd; en het gelukkigst was zij

wanneer Saminah, de huishoudster van Rencke, ex-weduwe Podrono, haar

onverholen meedeelde dat zij haar benijdde.

Zij liet zich de zorg waarmee Korman haar behandelde welgevallen, die

beschouwende als een haar rechtmatig toekomende hulde. Alleen speet het

haar dat Zus niet eens kwam kijken. Zij had haar een boodschap

gezonden, maar Zus had terug laten zeggen dat zij geen tijd had.

„Kassian,” zeide Li; „zij heeft altijd verlangd naar een kindje, en

Papa Messner ook. En nu krijg ik het nog vóór haar!”

„Ik wou dat het er al was,” bromde Korman.

„Alles moet zijn tijd hebben,” zeide Li, zijn ongeduld aan heel andere

oorzaken toeschrijvende.

Onder de minst aangename werkzaamheden op een koffieland behoort

ongetwijfeld het geldtellen. Als ’s avonds de plajangan aankomt met

twee witte zakken op zijn picol-paard [71] en begeleid door een

gewapenden mandoer, dan weet iedereen dat de volgende morgen dat werkje

meebrengt, en hoopt maar dat het „plezierig” geld zal zijn. Want de

remise uit Soerabaja wordt eer zij naar de onderneming gaat, in de stad

gewisseld door den opiumpachter, die natuurlijk geeft zooals hij het

heeft liggen; soms met veel rijksdaalders en guldens—en dat is

plezierig geld—maar ook dikwijls met voor ’t grootste deel kwartjes en

dubbeltjes òf... en dat is het algemeenste!.... duiten.

Dan kan men zich aan ’n duizend gulden of vijf, zes de vingers moe

tellen, om niet te spreken van het feit dat het nooit wil uitkomen, en

men zich blind staart om te ontdekken waar er maar vier geldstukken op

een worp liggen, of zes, in plaats van de vereischte vijf.

Op zulk een morgen moet alles wat tellen kan meehelpen.

Korman vergat ditmaal zijn bezorgdheid voor Li, en deze telde ouder

gewoonte dapper mee, lachend om Rencke die den slag nog maar niet kon

beetkrijgen, niettegenstaande hij al zoo dikwijls had meegedaan.

Het liep tegen tien uur eer men klaar was. Rencke ging dadelijk na

afloop naar het werk, en Korman bracht de geldzakken, elk van vijftig

gulden—voor het gemakkelijk uitgeven—in zijn kantoor en in de

brandkast. Daarna ging hij op zijn gewone omslachtige manier aan het

inboeken.

Li was naar de slaapkamer gegaan om haar handen te wasschen. Zij had

haar kabaja uitgedaan, en plaste met genot in de waschkom. Geld heeft

namelijk de eigenschap om iemand een gevoel van vuil-zijn te bezorgen,

dat zich veel verder uitstrekt dan de werkelijk bevuilde gedeelten,

doch daarentegen weer verdwijnt als men zich die gedeelten reinigt.

Plotseling werd het haar wee om het hart. Ze had nauwelijks kracht om

haar handen af te drogen en naar het bed te wankelen.

„Nèk!” [72] riep ze, zich steunend tegen den rand van de matras,

machteloos zich op te hijschen.

Er was gedurende eenige oogenblikken wat opschudding in het achterhuis,

doch toen werd alles stil. Met de kalme zekerheid van iemand die dat

werk al dikwijls verricht heeft, en betrekkelijk onverschillig is

omtrent den afloop, althans niet vatbaar voor eenige zenuwaandoening,

hielp de oude doekoen.

Korman was gereed met zijn inboeking. Hij ging naar het venster en

bekeek de strakke grauwe lucht. Het zag er niet uit alsof er vóór den

middag nog regen zou komen, dus kon hij wel eens naar de tuinen gaan.

Drie, viermaal moest hij roepen eer hij antwoord kreeg, en toen was het

de staljongen die om den hoek van het achterhuis naar het venster kwam.

„Laat een glas water brengen, en zadel den zwarte,” gebood Korman.

De staljongen scheen te aarzelen....

„Ajo, Gévédé!”

Ook al goed, dacht de staljongen, en naar achter schreeuwende dat

meneer water wilde hebben, ging hij naar de gedogans om den zwarte op

te tuigen.

Met een glas water op een blaadje kwam de huisjongen het kantoor

binnen.

„Sampoen,” [73] zeide hij doodbedaard.

„Wat?” vroeg Korman, het glas opnemende.

„Het kind van mijnheer,” was het antwoord.

Glas en inhoud kwamen den jongen in ’t gelaat... Wat is dat nu? vroeg

hij zich af, de scherven oprapende. Rare lui, die europeanen... eerst

zijn ze er niet bij als hun vrouw bevalt en dan, als het kind er is,

doen ze alsof zij dronken zijn....

Met vaart was Korman de kamer binnengevlogen, en vond daar alles in de

beste orde afgeloopen. Li lag, licht gedekt en stevig ingespeld, op het

groote ledikant met een uitdrukking van voldoening toe te zien op

hetgeen er met de jonggeborene geschiedde, die met vereende krachten

van doekoen en kokki tot een toonbaar menschenkind werd gemaakt.

Zich voorzichtig over haar heenbuigende gaf Korman Li een kus, en zich

daarop tot de andere vrouwen wendende, verweet hij haar dat zij hem

niet geroepen hadden.

De doekoen deed hem opmerken dat zij de nonja niet alleen had kunnen

laten; kokki had de doekoen moeten helpen, de huisjongen had kokki

moeten helpen, en de staljongen had water gehaald.

Het kind was klaar en werd aan den vader getoond.

„Gévédé, kleine deugniet, heb ik om jou zoo lang in de penarie

gezeten,” zeide Korman, de kleine op het dikke wangetje streelend.

Dat was het welkom in het leven, Hendrika Korman door haar vader

toegeroepen!

Want het was een meisje. Maar meisje of jongen, zijn eerstgeborene zou

naar zijn overleden vader gedoopt worden, had Korman bepaald, in de

stille hoop daarmee een groot gedeelte van het pleit te winnen dat hij

bij zijn moeder te bezorgen had, die, dat begreep hij, zijn „oostersch

huwelijk” ten zeerste zou afkeuren.

De eerste dien Korman ontmoette toen hij de slaapkamer verliet, was de

huisjongen, die hem met een uitgestreken gezicht vertelde dat de zwarte

gezadeld was, en vóór stond. Een draai om de ooren was zijn loon.

„Uitspannen,” beval Korman, in de voorgaanderij komende; doch toen de

staljongen met het paard halverwege den stal was, riep hij hem terug.

Na een kort briefje te hebben geschreven gaf hij dit aan den

staljongen, hem gelastende te paard naar Donowarie te rijden en het den

heer Messner te overhandigen.

Toen Rencke ’s avonds thuis kwam vernam hij het groote nieuws. Hij

verkleedde zich en ging naar de administrateurswoning om Korman te

feliciteeren. Tegelijk met hem arriveerde Zus. Zij had geen kracht

gehad zich langer boos te houden, en nu was zij gekomen om op Li te

passen en niet eer weg te gaan voor deze weer op de been was.

Het planten was afgeloopen. Ruim honderdvijftig bouws stonden in den

grond, en niet zonder voldoening zond Korman dit bericht aan zijn

geldschieter. Deze was op zijn beurt ook tevreden, en schreef terug dat

hij Korman in overweging gaf het volgende jaar meer europeesch

personeel aan te stellen en zoo mogelijk de geheele duizend bouws aan

te planten.

In de oudste tuinen was het onkruid al weder hoog opgeschoten. Hierin

werd nu begonnen de aarde met den patjol om te werken, welke bezigheid

men dangir noemt, en waarbij tevens de wortels van het onkruid uit den

grond verwijderd worden. De order luidde, dat de omwerking een voet

diep geschieden moest.

De boschkappers gingen intusschen steeds voort met bouw na bouw tegen

den grond te leggen. Van een paar dikke stammen in de nabijheid van den

breeden steen aan de kalie, had Korman, door ze met den wadoeng [74]

ruw te laten bekappen, een stel brugliggers gemaakt. Na aan weerszijden

een met steenen aangevuld bruggehoofd te hebben opgeworpen, werden deze

leggers over de kalie gebracht. Dwars er over heen werden

bamboe-petong, de een naast de ander bevestigd en gedekt door een

sassak—vlechtwerk van bamboe—, terwijl een dubbele leuning het geheel

voltooide. Later, als men eens zagers kon krijgen, zou de sassak door

planken worden vervangen.

„Als je soms trek hebt eens naar Donowarie te gaan, moet je het nu

doen,” zeide Korman op zekeren dag tot zijn employé. „Over een paar

weken moet er begonnen worden met soelammen; en daar moet je den

geheelen dag bij zijn.”

„Heel graag,” antwoordde Rencke. „Moet ik belet laten vragen?”

„Er gaat straks een koelie. Ik zal meneer Messner laten weten dat je

komt. Morgen dan?”

„Ja, alsublieft. En... u noemde daareven de aanstaande werkzaamheid,

soe...”

„Soelam? O, dat is de niet geslaagde bibit en dadap door nieuwe

vervangen.”

„Dank u,” zeide Rencke, en naar huis gaande repeteerde hij het nieuw

geleerde woord, teneinde het voorgoed in zijn geheugen te prenten.

Toch, hij had in de taal goede vorderingen gemaakt. Eenmaal het

maleisch machtig, behoefde hij niet meer te vreezen dat zijne orders

onbegrepen zouden blijven, want alle mandoers spraken deze lingua

franca van den N. I. archipel. Daarop was hij begonnen aan het

javaansch, hetwelk hij methodisch leerde.

Ten eerste nam hij geen enkel woord op of hij liet het eerst voor zich

opschrijven, èn in het laag- èn in het hoog-javaansch. Hiermee bereikte

hij een dubbele uitkomst, te weten dat hij de woorden zuiver uitsprak,

en behoorlijke schifting hield tusschen de beide talen waaruit het

javaansch bestaat. Toen hij wat verder was, bemerkte hij heel goed dat

Korman dikwijls hoog-javaansche woorden gebruikte en weer andere

woorden zóó slecht uitsprak, dat enkel inlanders die aan hem gewoon

waren ze verstonden.

Ten tweede oefende hij zich met zijn huishoudster in het spreken van

het hoog-javaansch, iets wat slechts weinige europeanen kunnen, omdat

er voor hen bijna geen gelegenheid bestaat het te doen.

Eindelijk leerde hij ook schrijven, te beginnen met de

mandoers-boekjes, die hij in javaansche karakters bijhield.

In den vroegen morgen reed Rencke de kampong uit. De levendige beweging

van den plongko, en het vooruitzicht van een paar aangename dagen te

zullen doorbrengen, gaven hem een hooggestemd gevoel. De beplante

tuinen doorrijdende—zijn werk!—zag hij met welgevallen neer op de

frissche bibit met haar teeder groen en lichtbruine topblaadjes; en hij

liet zijn verbeelding werken, het slechte pad herscheppende in een

gemakkelijken breeden weg, een gezelschap rondom zich tooverende,

bestaande uit geliefde figuren in Holland, aan wie hij alles uitlegde,

hij zelf chef van de onderneming, door allen bewonderd; tot hij hardop

iets zeide en schrikte van het geluid van zijn stem.

Met een schok stond de plongko stil, en Rencke, nu geheel ontwaakt uit

zijn droomerij, hoorde een sterk geblaas en zag tegenover zich een

twintigtal honden. Het waren mooie beesten; geel, langharig, met

pluimstaarten en spitse koppen. Zonder zich rekenschap te geven van wat

hij deed, drukte Rencke zijn paard met de hakken. Trillend van angst

nam de plongko een geweldigen sprong vooruit. Op de honden had dit een

merkwaardigen invloed; zij lieten hun dreigende houding varen en slopen

naar links en rechts de tuinen in, om, toen Rencke gepasseerd was en in

vliegenden ren verder holde, hem een geblaas achterna te zenden als

waarmee zij hem daareven begroet hadden.

Het is mogelijk dat er menschen zijn die van niets schrikken, die aan

geenerlei aandoening van zenuwen onderhevig zijn; doch in den regel zal

hij, die voor het eerst van zijn leven alleen staat tegenover een wild

dier, zich niet op zijn gemak gevoelen. Het hart klopt sneller; een

vreemd samentrekken der spieren doet het lichaam als ’t ware

verstijven; men wil wegloopen, maar kan niet: de beenen weigeren

eenvoudig den dienst. En niet zelden zal de jager die voor ’t eerst is

uitgegaan zijn anders wisse prooi laten voorbijgaan, zonder te

schieten; omdat hij niet durft.

Bij europeanen is dat wellicht sterker dan bij inlanders. Maar is het

wonder? Reeds de kindermeid begint den hollandschen jongen met

weergalooze brutaliteit beschrijvingen te geven van wolven, tijgers,

leeuwen en wat al niet, die zij nooit van haar leven in hun werkelijken

staat zag. Later leest hij romans, verre landen teekenende die de

schrijver nooit bezocht, met minstens één gevaarlijke ontmoeting „in

het woud,” of het reisverhaal van een engelschman, die eens een olifant

gezien heeft, waarop een andere engelschman bijna eens een tijger...

door een troep met pieken gewapende inlanders heeft zien afmaken. Als

hij wat veel van die dingen gelezen heeft, kan hij ze zelf maken, voor

een opstel op school, waarvoor de onderwijzer niet missen zal hem een

extra cijfer te geven. Voorts ziet hij in Artis de slaperige,

zindelijke exemplaren, die daar achter nette tralies te kijk staan;

lieve zachte dieren; die hoogstens eens grommen als men ze met

steentjes gooit, doch waarvoor hij, opgevoed als hij is, behoorlijk

bang is.

Stuur nu zoo’n jongen in het bosch....

Rencke was geschrokken, en hij erkende het toen de heer Messner hem

vroeg of hij een plezierig ritje gemaakt had.

„Wolven?” vroeg Messner, nadat Rencke zijn verhaal gedaan had. „Die

hebben we hier niet. Maar geel, en langharig... dat moeten zoogenaamde

asoeh wawar zijn. Ik dacht niet dat die in deze streken voorkwamen; zij

hooren meer op het Zuidergebergte thuis. Maar laat een val zetten, als

je thuiskomt.”

Rencke beloofde dat hij het doen zou, en vroeg of die dieren gevaarlijk

waren.

„Neen,” zeide Messner. „Een paard alleen zouden ze wel aanvallen, maar

een mensch... enfin, je hebt het zelf ondervonden. Trouwens, mijn

ondervinding is dat alle dieren den mensch ontloopen als zij kunnen, en

althans den europeaan.”

De drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, verschaften hem veel

genot. Het nette huis, het vrije leven, de aangename omgang met

Messner, ziedaar drie zaken die hem als ’t ware opfrischten, na al de

dufheid van het geheele zijn en werken te Watoeombo. Daarbij kwam nog

iets. Hem was al heel gauw het verschil opgevallen tusschen het werk op

deze onderneming en die welke hij verlaten had, en in tegenstelling van

de onduidelijke antwoorden die Korman hem steeds gaf als hij om

inlichting vroeg, verklaarde Messner hem alles wat hij weten wilde, op

een duidelijke heldere wijze, redegevend tot in de minste kleinigheden.

Met verbazing aanschouwde Rencke de mooie horizontale terrassen.

„Zie,” zeide Messner; „dat doe ik zóó. Ik neem op een der golvingen van

het terrein, op de helling, een punt—ongeveer in het midden van den

afstand tusschen het ravijn en den loengoer—en daar steek ik een andjir

in den grond. Thuis heb ik een lat van een voet of twaalf lang, mooi

recht geschaafd, en daaraan heb ik een soort vizier gemaakt van twee

spijkers, aan de uiteinden ingeslagen. Op die lat zet ik een gewone

bel—je zoudt het ook met een timmermanswaterpas kunnen doen—en ik richt

haar op de volgende golving van mijn terrein en ook in de holte.

Dezelfde bewerking doe ik, na van uit het eerste punt naar boven en

beneden andjirs te hebben gezet op den vereischten afstand, nog eens

zoo hoog mogelijk, èn aan den voet van het ravijn. Daarna kan de

meet-mandoer de rest afzetten. Hij heeft nu genoeg vaste lijnen om zich

naar te richten. Zouden door te groote steilte van de terreinholten, de

terrassen iets te smal worden, dan laat hij er hier en daar een

uitvallen en de anderen doodloopen; men noemt dat anakans.” [75]

„Hoe doodeenvoudig!” riep Rencke, die met de grootste aandacht had

toegeluisterd, uit; „en toch zoo afdoende. Mag ik u nog wat vragen?”

„Ga gerust je gang,” zeide Messner.

„Het is dit: ik zie bij u roode aarde op den kant en zwarte op het

terras. Op Watoeombo is dat in verscheiden tuinen juist omgekeerd, òf

er ligt op allebei zwarte aarde.”

„Dat begrijp ik best,” antwoordde Messner. „Als jelui terrassen maakt,

ga je dan niet aan ’t uitkappen, zóó dat de andjir op het midden van

het terras komt te staan, terwijl je de aarde naar beneden werkt?”

„Juist,” zeide Rencke.

„Nu, hier geschiedt dat anders. Mijn andjirs geven den rand van het

terras aan. Van uit de plaats waar ze staan begint de koelie te kappen;

hij spreidt de zwarte aarde naar links uit en hakt dan in den rooden

grond, dien hij naar beneden, op den rand van het terras werkt;

zoodoende ondergraaft hij de zwarte aarde, die straks met een plof op

het terras valt. Dit laatste bespaart den koelie eenig werk, en ik houd

zwarte, vruchtbare aarde op het terras, terwijl de onvruchtbare roode

op den kant ligt; en, daar deze harder is, tevens den bodem versterkt

en eenigermate aard-afschuivingen voorkomt.”

Het was na verscheiden dergelijke inlichtingen, dat Rencke Messner

vroeg of er handleidingen bestonden over de koffiecultuur.

„Voor zoover ik weet niet,” was het antwoord. „Feitelijk is onze

cultuur nog in de lange kleeren. De meeste administrateurs werken,

zooals zij dat als opzichter hebben geleerd; enkelen vinden een

verbetering uit en probeeren die, waarna zij langzamerhand bekend wordt

en meer algemeen toegepast. Het meest wordt er geknoeid bij de

gouvernementscultuur. Ik noem het knoeien, al die nieuwe probeersels

van jonge ambtenaren, die nog geen voldoende ondervinding hebben om te

voren eenigszins de gevolgen van hun nieuwigheden te kunnen voorzien.

Maar.... ik zal me wel wachten het hardop te zeggen; het is zoo

gemakkelijk voor ons om toe te zien, en te leeren hoe men het niet moet

doen, en een enkel maal hoe het wèl kan gedaan worden.”

„Laat het gouvernement dergelijke beunhazerij maar toe?” vroeg Rencke.

„Och ja,” zeide Messner. „Wie is het gouvernement?”

„Wel,” meende Rencke, „in de eerste plaats de Gouverneur-Generaal.”

„Geraden!” riep Messner uit. „Je spreekt als een oud-zeeman. De

commandant!—dat is „de man die het weet”, de verantwoordelijke persoon.

Best! Maar, aangenomen dat een commandant van een oorlogsschip van

alles aan boord verstand heeft, en het desnoods zelf zou kunnen

vóórdoen—denk je dat er iemand bestaat die in bestuurszaken dezelfde

positie zou kunnen innemen?”

„In zekeren zin, ja!” zeide Rencke. „Zoomin als de commandant van een

schip zelf een touwtje kan splitsen, maar drommels goed weet hoe een

behoorlijk gesplitst touw er uitziet, zoo goed kan een

Gouverneur-Generaal weten hoe alles moet zijn wat onder zijn beheer

staat, zonder het persoonlijk te kunnen aangeven. En evenals de

commandant, kan ook hij een standje of straf uitdeelen als er iets

verkeerd gedaan is, zonder in verdere explicatie te treden omtrent het

hoe; dàt moeten de betrokkenen zelf maar weten.”

In de koffie: Oorspronkelijke Indische Roman · 第 2 / 9 题