De zon schoot haar stralen door de ijle lucht in het hooge gebergte. Op
het pad, slechts weinig beschaduwd door de van de hooge uitkapping
overbuigende glagah, [1] stak zij met geweldige kracht de kleine
ruiterschaar, die stapvoets tegen de sterke helling opklom. Hetzij door
de warmte, of door de omstandigheid dat de breedte van het pad niet
toeliet dat hun paarden naast elkaar gingen, doch de twee Europeanen
die voorop reden, wisselden slechts weinig woorden; af en toe vroeg de
voorste naar de benaming der streken, die zij doortrokken; welke vragen
door bemiddeling van den tweede, werden beantwoord door den inlander,
die nommer drie was in de rij.
Hij die vooraan reed, was niet jong meer, getuige de grijzende knevel
en bakkebaarden die het mannelijk gelaat sierden. Donkergrijze oogen
zagen u scherp en toch vertrouwenwekkend aan; een lange reeks jaren in
de open lucht doorgebracht, hadden de gelaatskleur gebruind; en zou dit
misschien bij een deftige zwarte kleeding misstaan hebben, boven het
wit der half jas, half kabaja kwam het voordeelig uit. Slechts bij een
zeer nauwkeurig opnemen bespeurde men dat de ruiter in zijn voorkomen
iets had, dat Indisch bloed verried; aan zijn uitspraak van het
hollandsch, noch aan eenig gebaar zou men het bemerkt hebben.
Deed degeen, die op hem volgde, niet in lichaamsgestalte voor den heer
Messner onder, wie hem in de oogen zag, gesteld dat het u gelukte zijn
blik langer dan een gedeelte van een seconde op te vangen, voelde
onwillekeurig een huivering, iets dat hem als het ware noopte
waarschuwend uit te roepen: pas op den deze! Zag men die oogen niet,
wier blauw uit een donkeren en een lichten kring bestond, dan moest men
erkennen, dat Korman eveneens een knap voorkomen had. Hij had den naam
van groote doortastendheid en energie, en beide eigenschappen stonden
hem op ’t gelaat geteekend, maar die oogen.... men moest er aan wennen;
en dat deed men te gemakkelijker, daar hij u altijd tegen zijn linker
of rechter wang liet praten.
Zij verschilden aanmerkelijk in leeftijd, Messner had de vijftig reeds
achter den rug, terwijl Korman eerst even acht en dertig jaar oud was.
Lang geleden hadden zij elkaar ontmoet; zij waren toen in betrekking op
een koffieland, en de aanleiding tot hun vriendschap was éénzelfde
gedachte geweest, die hen beide beheerschte: eigen zaken doen. De
oudere had daartoe willen geraken door te sparen; langzaam maar zeker
groeide zijn kapitaaltje aan, maar ach hoe langzaam! De jongere had
geen geduld; hij wilde dadelijk beginnen; ieder jaar was er één, waarom
zou men het verspillen? Hij overtuigde eindelijk zijn ouderen vriend
dat zij met de duizenden van deze, vermeerderd met de honderden van hem
zelf, gevoegelijk een zaakje konden opzetten. Wel bedroeg hun beider
schat niet veel, niet genoeg voor een koffielandje hoe klein ook,
maar.... men kon het eens in de tabak probeeren, daar had men meer
voorbeelden van réussite bij gezien.
Twaalf jaar hadden zij samen gewerkt, om aan het einde daarvan nog even
ver te zijn als toen zij begonnen, of eigenlijk nog niet eens zoover;
want toenmaals hadden zij hun geld boven den grond, en thans zat het er
in, zonder dat zij veel kans zagen het er ooit weer geheel uit te
krijgen. Toch kon men niet zeggen dat zij ongelukkig waren geweest,
maar hun kapitaal was te klein; met hard werken was er van te leven,
doch van overhouden was geen sprake. Daartoe moest men met veel, heel
veel geld werken, of zij hadden twintig jaar eerder moeten beginnen,
zooals hun buurman, die naar men zeide, óók met niets begonnen was en
onlangs met een paar millioen „naar huis was gegaan”. Ja, die oude heer
Benoit had geboft; en ook weer niet, want hij kon het Europeesch
klimaat niet verdragen en had daarom hals over kop moeten terugkomen
naar Indië, en zich in een mooi huis opgesloten te Soerabaja, om er te
blijven wonen in betrekkelijke ontbering, niettegenstaande al zijn
geld!
Op zekeren dag kwam Korman ’s avonds in de gezamenlijke woning thuis,
liet zijn zonnehoed door het vertrek gieren en viel op een stoel neer
onder den uitroep: „Ik verdom het langer.”
„Wat?” vroeg zijn compagnon, die ook pas terug van het werk, in een
luierstoel lag uit te rusten.
„Zóó te werken,” was het antwoord. „Heb ik daar niet den heelen middag
achter den ploeg moeten loopen, omdat die uilskuikens het maar niet
kunnen leeren! Ik ga morgen naar Soerabaja.”
„Ga voort,” verzocht Messner.
„Ik ga den ouden Benoit opzoeken en om werkkapitaal vragen. Weigert
hij, dan ga ik liever weer in betrekking; maar dit is niet uit te
houden; ik herhaal het, ik....”
„We weten het,” zeide Messner. „Nu, ’t idée is zoo kwaad niet; probeer
het, en lukt het niet, dan kunnen wij nog altijd zien. Voor één is in
dit zaakje nog wel brood te verdienen.”
„Neen,” zeide Korman, „geen brood; dit kun je in Holland verdienen;
hier is het nauwelijks droge rijst.”
Met schoenen aan, die hij ontwend was, en vreeselijk transpireerende in
een kleeding die hij in geen jaren gedragen had, kwam Korman den
eersten avond bij den heer Benoit. Nog drie avonden herhaalde hij zijn
bezoek, doch zonder te spreken over hetgeen hem op dezen tocht gedreven
had, toen Benoit hem eindelijk zelf op de zaak bracht.
„Je komt om duiten, hè?” vroeg hij aan Korman.
„Ja meneer,” zeide deze. Hij kende den ouden heer, en wist dat men hem
tot veel kon overhalen, mits men hem flink aandurfde zoodra hij genoeg
had nagedacht over hetgeen men van hem verlangde. En dat laatste moest
Benoit zelf als ’t ware uitvinden; want als men het hem in ronde
woorden vroeg of voorstelde, dan sprak de oude zonderling de twee
eenige woorden uit die hij van het latijn kende: Non possumus! en
daarbij bleef het.
„Dat begreep ik; iedereen komt om duiten bij mij, maar je krijgt ze
niet.”
„Geen latijn,” dacht Korman, en overluid zeide hij, „Ik wel.”
„Haha!” lachte Benoit. „Neen vriend, je vergist je. Dat wil zeggen, als
ik iemand aan geld zou willen helpen, dan zou jij dat zijn. Ik heb je
zien werken, jou en dien ander.... Ik heb nooit zoo hard gewerkt; dat
is waar! Maar de tabak staat me niet aan; dat is een te gevaarlijke
zaak.”
„U hebt er toch zelf goede zaken mee gemaakt,” merkte Korman aan.
„Juist daarom weet ik er alles van. Met dobbelen kun je ook geld
verdienen, en veel hooger schat ik tabakplanten niet. Neen man, ik wil
mijn geld niet wegsmijten. Een solide koffieonderneming zou me wel
lijken; als jij dát kon ...”
„Ik ken het,” zeide Korman. „Ik kwam uit de koffie, en zou nooit iets
anders begonnen zijn, als we maar meer kapitaal hadden gehad.”
„Zie je nu wel,” zeide Benoit. „Daar geef je me al gelijk! Met een
snertbeetje geld gauw en veel verdienen, rouge ou noir, va banque,
jawel, dat is het. Maar als jij dat zelf zoo goed wist, hoe durf je mij
dan aankomen om duiten voor je tabak?”
Korman vergat zijn leven lang het oogenblik niet dat hij thans
doorleefde. Zou hij...? Tijd tot bedenken was er niet ... hij moest!
Met een gevoel of hij plotseling in een koud water sprong, loog hij:
„Ik kwam niet om geld voor tabak. Veel liever hing ik me op, dan u
daarom te vragen. Te goed weet ik zelf wat u daareven zei. Ik vraag
geld om een koffieonderneming te beginnen.” En hij martelde zich om
gedurende twee minuten den ouden heer recht in de spottende oogen te
zien.
„’t Is sterk!” riep Benoit eindelijk uit... „Maar soedah! [2] ik werk
liever met een pinteren gladakker [3] dan met een eerlijken stommerik;
je kunt geld van me krijgen.”
Korman bleef nog drie dagen en toen was alles geregeld.
„Apropos,” had Benoit nog gevraagd, „neem je dien compagnon van je
mee?”
„Natuurlijk meneer,” antwoordde Korman. „Wij werken al sinds zooveel
jaren samen; zou ik hem nu in den steek laten? Hij zal mijn rechterhand
zijn, en later onderadministrateur.”
Maar de oude heer had het hoofd geschud.
„Neen,” zeide hij. „Dat gaat nooit goed. Jelui hebben altijd evenveel
te commandeeren gehad en hij is de oudste... Is hij zelfstandig geheel
te vertrouwen?”
„Te vertrouwen in allen opzichte wat zijn eerlijkheid betreft, doch
eenige contrôle op zijn werk kan hij velen,” gaf Korman ten antwoord.
„Zoek een driehonderd bouws voor hem uit, niet te ver van je vandaan,”
zeide Benoit. „Jij kunt dan voor superintendent spelen.”
Korman kwam bij zijn compagnon terug, een geheel ander mensch dan een
week geleden. Hij deelde Messner mee wat hij met den heer Benoit had
afgehandeld; althans voor zoover hij dat kon en wilde.
„Zie je,” zeide hij, „de oude wil van mijn land iets maken waarop hij
geuren kan. Daarom moet het zóó groot zijn, dat hij er als ’t ware alle
anderen de loef mee afsteekt. Hij wou ons niet samen laten werken: dus
moest jij een ander land zoeken. Enne ... dat is waar ook, hij wilde
absoluut dat je administratie over mij tot hem kwam ... zoo’n beetje
superintendeeren. Ik weigerde eerst en zei dat het omgekeerd beter zou
gaan, enzoovoort, maar hij werd eindelijk boos en zei „Nu, doen of niet
doen?” Toen heb ik maar voor je aangenomen; dat begrijp je. Je vindt
het immers goed?”
„Och ja,” zeide Messner, die te blij was met deze uitkomst, om veel te
letten op het krenkende dat voor hem in die bepaling lag opgesloten.
En nu waren zij op weg naar de woeste gronden, die Korman voor zich had
uitgezocht.
Achter hen reed de wedhono [4] van Wonosarie, onder wiens gebied de
verlangde gronden lagen, en die zich had laten vinden om mede te gaan,
ten einde mogelijke kleine vergoedingen aan de bevolking in ’t reine te
helpen brengen.
„Poeniko lêpên-ipoen,” [5] klonk een diepe stem uit de achterhoede, de
woorden uitende alsof zij hardop gedacht waren.
De wedhono had even het hoofd bewogen ten teeken dat hij het gehoord
had, en wachtte geruimen tijd eer hij nader blijk gaf dat de gesproken
woorden betrekking hadden op den tocht van heden. Toen zeide hij, zich
tot Korman wendende:
„Daar begint het land van mijnheer.”
Het pad, tot nu toe loopende door onbehagelijke glagah en alang-alang
[6] strooken, had het bosch bereikt, en welkom was de koelte die daarin
heerschte. Links van den weg, die nu zachtkens de diepte in leidde,
stond hoog woest bosch, in eeuwenoude ongestoordheid; het onderhout een
bosch op zichzelf vormende, als een tweede generatie van een
reuzengeslacht; rechts een steile helling, een afgrond, waarop geen
boom had kunnen standhouden vanwege de ontelbare afschuivingen, die
groote open plekken in het kreupelhout hadden gebroken, en waarlangs
rijdende de europeanen zich onwillekeurig op hun paard naar den
binnenkant van den weg overbogen. Beneden rolde en viel het water van
een vrij sterken bergstroom, leven aanbrengende als een solist in het
eentonige orkest van ’t oerwoud.
Aan den overkant dier kalie [7] begon het land van Korman, dat
Watoeombo zou heeten, naar den breeden steen, die beneden de kalie
dwong zich in tweeën te splitsen en dusdoende een veilige doorwaadbare
plaats te maken.
„Kijk!” zei Korman, toen zij daar even halt hielden, „hier is een vlak
terrein, zeer geschikt voor woningen en établissement.—Vindt de wedhono
dat ook niet?” vroeg hij, om deze beleefdheidshalve niet uit het
gesprek te houden.
De wedhono zag rond, en nog eer hij kon antwoorden klonk weer een stem
uit het gevolg.
„Deze grond is angker [8] mijnheer,” vervolgde daarop de wedhono. „In
die drie groote boomen daar in ’t westen huizen de geesten; u kunt hier
geen woning bouwen.”
Korman trok de schouders op. „Is de wedhono dan niet bang?” vroeg hij
schertsend.
Tot eenig antwoord reikte het inlandsch hoofd hem zijn rijzweepje toe,
dat Korman met een onnoozelen blik bekeek.
„Geef eens hier,” zeide Messner. „O ja, ik zie het; er loopt een
pellet-streep [9] door de rottan, over twee geledingen, waarvan de een
den verkeerden kant opgaat. Juist, dan heeft de wedhono van den invloed
der geesten niet te vreezen. En wat deze betreft, kan men een modin
[10] laten komen en ze doen verhuizen; ik ken een beste.”
„Kom,” stelde Korman voor, wien het gesprek verveelde, „laat ons nu
dien loengoer gaan opzoeken van waaruit men den boel overzien kan.”
Het gezelschap trok verder tot zij eindelijk den bergrug bereikten, die
een vergezicht aanbood over den geheelen omtrek, aangezien er geen
bosch, doch alang-alang op groeide.
Van daaruit wees Korman den wedhono aan, welk gedeelte hij wilde
aanvragen. Het strekte zich in de breedte uit over drie bergruggen,
uitloopers van den hoogen piek die zich achter hen verhief, en liep in
de lengte van af de plaats waar het bosch zoo even begonnen was, tot
nog ver boven de plaats waar zij nu stonden.
Hoewel nergens op het aangeduide perceel eenig spoor van een dessa [11]
of aanplant van de bevolking te ontdekken was, wist nochtans de
wedhono, voorgelicht door de bekende stemmen uit het gevolg, een reeks
plekken aan te wijzen waarop de inlander zus en zoo verklaard had recht
te hebben. En toen Korman, met een notitieboekje gewapend, aan ’t
opschrijven wilde gaan, raakte hij al spoedig verward in de namen, de
dessa’s, de omschrijving en wat er meer was. Messner, die zich
intusschen bezig had gehouden met het nemen van enkele peilingen en het
vervaardigen van een ruwe schets, kwam eindelijk tusschenbeiden.
„Wel, wedhono,” zeide hij, „wat dunkt u; als we al die dingen gaan
opnoemen en omschrijven, dan komt er geen eind aan de soesah [12] als
straks de controleur komt; als we het maar eens taxeerden, en de
wedhono liet de verdere regeling door een zijner ondergeschikten
afmaken?”
Het inlandsch hoofd vond dat „mijnheer goed gesproken had.”
„Is er ook een pad dat oostwaarts loopt, om of over den hoogen loengoer
dien wij daar zien?” vroeg Messner daarop.
Ja, dat was er, loopende van een hoog in ’t gebergte gelegen dessa, die
rijk was aan koffietuinen, naar de standplaats van den
assistent-wedhono, alwaar ook het gouvernementspakhuis was.
„Ik zou niet te veel praten over die bijzonderheden,” mompelde Korman;
„anders krijg je ’t nooit.”
Messner haalde de schouders op, met een onwillige uitdrukking in zijn
gelaat. Toen wendde hij zijn paard, en men reed den weg terug dien men
gekomen was, om straks bij het koffiepakhuis linksaf te slaan naar de
gronden die Messner voor zich zou aanvragen.
Het was avond geworden eer men terug was op Wonosarie, waar de wedhono
woonde. Op diens erf stond de américaine te wachten waarmee de beide
aanstaande administrateurs van koffieondernemingen, of zooals zij zich
zelf met een meer vulgaire uitdrukking betitelden: koffieboeren, naar
de stad zouden rijden om er te overnachten.
Voor zij weggingen, had Messner den wedhono apart genomen.
„Ziehier wedhono, vijfhonderd gulden,” had hij gezegd. „Hieraan heeft
de man, dien de wedhono met de regeling der stukjes eigendom der
bevolking belasten zal, ruim voldoende. Is er over, dan bestemme de
wedhono dat tot het geven van een slamatan [13], of wat hij wil. Zou de
wedhono hier even zijn handteekening op willen zetten?” Daarbij reikte
hij het inlandsch hoofd een door hem opgestelde quitantie toe.
Een donkerder tint overtoog het bruine gelaat van den inlander toen hij
teekende en het geld opstreek, om daarmee.... de bevolking te gelasten,
straks als de controleur kwam vragen, te antwoorden dat zij niets,
hoegenaamd niets geen belang had bij de door de heeren Korman en
Messner aangevraagde perceelen.
In de américaine, die door een span Kedoeërs getrokken, licht en vlug
over den weg stoof, maakte Korman zijn vriend een compliment over de
wijze waarop deze het zaakje met den wedhono geregeld had.
„Och,” antwoordde Messner; „om je de waarheid te zeggen, deed ik zulke
dingen liever niet. Met veel meer genoegen betaalde ik aan de inlanders
zelf uit, wat hun rechtmatig en billijk toekomt. Doch begin er eens
aan! Je hebt dan dadelijk tegenwerking van den wedhono, die den boel
natuurlijk in de war stuurt, en, zoogenaamd opkomende voor het belang
van den kleinen man, direct het geheele Binnenlandsch Bestuur op zijn
hand heeft.”
„Jawel,” zeide Korman, „uit een standpunt van hoogere moraliteit
beschouwd, is het misschien niet al te mooi; maar ik heb schik in je
handigheid en zal het onthouden om er bij voorkomende gelegenheid van
te profiteeren. Wat drommel, als het gouvernement zelf dergelijke
toestanden in de hand werkt, kan men ons arme planters niet kwalijk
nemen dat wij er ons voordeel mee doen.”
Na een uur rijdens bereikten zij de stad en namen hun intrek in het
logement, om na het avondeten, doodelijk vermoeid van den zwaren tocht,
hun kamers op te zoeken en zich door een langen nacht slapens voor te
bereiden op het werk dat hen morgen weer wachtte. En dat was voor
beiden bij lange na niet het gemakkelijkste van alles wat er tot
voorbereiding van hun toekomstige werkzaamheid moest worden verricht.
Het betrof niet meer of minder dan het invullen der requesten en die
persoonlijk te gaan aanbevelen bij den resident.
Persoonlijk—bij den resident! Er zullen er zijn die lachen als zij
vernemen dat juist dit het moeielijkste was voor Messner en Korman. Het
zijn dezulken die niet weten wat eenige jaren van afzondering
uitwerken, zelfs op de meest conversabele menschen. Zij kennen dat
gevoel niet waarmee de binnenlander, na een jaar niets dan inlanders om
zich heen te hebben gezien en hoogstens tweemaal in dat jaar het
gezicht van een medeplanter te hebben aanschouwd, de stad betreedt waar
men een taal spreekt die hij ontwend is, onderwerpen behandelt die hem
vreemd geworden zijn, waar hij telkens het gevaar loopt dames tegen te
komen! Dames ... waarvoor hij op den loop gaat, of die hij, als ’t niet
anders kan, zenuwachtig groetend en met een verhoogde gelaatskleur
passeert.
En later als de arme fortuin heeft gemaakt en in de omgeving van een
hollandsche stad weer is herleefd, weer is geworden wat hij in zijn
jeugd was, aangenaam en gemakkelijk in den omgang, dan verwondere men
zich niet aan zijn zijde een halve wilde te zien, een vrouw waarvan men
zich afvraagt: hoe is ’t in ’s heeren naam mogelijk dat zóó’n man aan
zóó’n vrouw komt!—maar men bedenke dat die man eenmaal tot haar opzag
als tot een wezen uit een hoogere wereld; dat zij eenmaal met haar
vriendinnen den spot dreef met dien onhandigen verlegen koffieplanter,
die haar waarachtig eens in ’t maleisch had toegesproken—uit
vergissing.
Naar den resident! Hoe moesten zij dien halfgod der binnenlanden te
gemoet treden, hem groeten, aanspreken? Men kan toch geen sembah [14]
maken en hurken ... de eenige beleefdheidsvormen die den binnenlander
helder voor den geest staan. Geloof mij, gij ministers en kamerleden,
die den knop van de deur niet kunt vinden als ge bij Zijn Majesteit ten
gehoore zijt geweest om den eed af te leggen, uw gang naar het paleis
was minder zwaar dan die van Messner en Korman naar het residentiehuis.
Zij zagen wat bleek toen zij er vandaan kwamen en hun gang richtten
naar de sociëteit, waar zij een paar bekenden aantroffen met wie zij op
het succes hunner nieuwe onderneming klonken en dronken, tot hun
angstige stemming geheel was verdwenen en Korman bij het naar huis gaan
verklaarde bereid te zijn de eerstvolgende dansreceptie van den
resident bij te wonen, en „er geen donder van te zullen hebben.”
Waarmee hij bedoelde dat hij niet bleu zou zijn.
In hun pondok [15] teruggekeerd zagen zij die woning, die hun zooveel
jaren een onderkomen was geweest, met minachting aan. Zij haastten zich
hun zaken in de tabak af te wikkelen, wat daarin bestond dat zij hun
inventaris voor een prijsje overdeden aan een chinees, die kans scheen
te zien wèl zaken te maken waar dat den europeanen niettegenstaande
groote inspanning mislukt was. Voorts wachtten zij tot er een missive
kwam van den resident, die hun mededeelde dat er geen bezwaren
bestonden tegen de afgifte in erfpacht van de door hen aangevraagde
perceelen, en zij dus, onder voorbehoud der nadere goedkeuring door de
Regeering, konden beginnen met te laten opmeten en ook met de
ontginning.
Het laatste was een gunst, die in den tijd dat Messner en Korman
begonnen, dikwijls aan serieuze ondernemers werd toegestaan, opdat zij
niet zouden behoeven te wachten tot de stukken den langen weg hadden
afgelegd naar Buitenzorg en terug, waarmee twee tot soms vier jaar
gemoeid waren.
Korman zond bericht aan zijn geldschieter, den heer Benoit te
Soerabaja, er bij voegende dat Messner en hij van den gunstigen tijd
des jaars geen dag wilden laten verloren gaan, en derhalve wanneer deze
brief den heer Benoit bereikte, zij reeds vertrokken zouden zijn, elk
naar zijn perceel.
Het was den avond vóór den dag waarop zij voor het eerst van elkaar
zouden afscheid nemen op langeren tijd, dat Messner en Korman in de
voorgaanderij van hun bamboe-huis, de laatste schikkingen met elkaar
zaten te bespreken.
Binnen was een vrouw, geholpen door een jong meisje van ruim twaalf
jaar, bezig de tafel te dekken voor hun laatste avondeten in dit
verblijf. Die vrouw was de huishoudster van Messner. Een korte,
eenigszins gezette gestalte, helder van voorkomen, geprononceerd
chineesch type en op het gelaat een uitdrukking van vriendelijkheid,
goedheid en trouw. Het jonge meisje was haar zusje, Li Nio of kortweg
Li geheeten, door Messner en Korman ongeveer tien jaar geleden
geadopteerd, toen haar moeder was overleden. Behalve de blankheid van
haar teint verraadde niets haar chineesche afkomst; eer zou men geneigd
zijn haar voor een indo-européenne te houden. Een half hoofd grooter
dan haar oudere zuster, had zij in tegenstelling van dezer stille
bedaardheid, een vroolijke bewegelijkheid in haar mondje zoowel als in
haar gebaren. Zonder ophouden snapte zij door; van de eigenaardigheden
van het zich moeten behelpen nu alles was ingepakt, sprong zij telkens
over op wat hen straks in „het bosch” te wachten stond; of zij ook zoo
bruin zouden worden als de bergbewoners, die nu en dan zich in de kotta
[16] vertoonden; of Papa Messner en Papa Korman krassan [17] zouden
zijn als ze elkaar niet dagelijks meer zagen, en wie wel voor Papa
Korman zou zorgen? Of hij de njai [18] die hij had weggejaagd, omdat
zij brutaal was geweest tegen haar zuster en haar zelf geslagen had, nu
weer terug zou nemen?
In de voorgaanderij was het laatste papier geborgen en de laatste
afspraak gemaakt. Zij lagen in hun luierstoelen tegen de kepang te
staren waarmee het afdak was beschoten, elk in zijn eigen gedachten
verdiept. Dezelfde vraag die Li Nio al babbelend geuit had, was ook bij
Korman opgerezen. Hij had zijn huishoudster een half jaar geleden
moeten wegzenden om het alsnog zonder te stellen; maar dat kon zoo niet
blijven als hij ginds alleen zat, midden in de wildernis. Hij had er
tot op dit oogenblik niet aan gedacht en morgen in de vroegte moest hij
weg. Zaken als deze beslissen zich niet in een paar uur, dus zou hij
het nu moeten opgeven; dat besefte hij, doch het deed hem onaangenaam
aan dat hij er niet eerder aan gedacht had.
„Li! schenk papa nog eens in,” riep Messner.
Het meisje kwam en bediende hen beiden. Toen zij het glaasje bitter aan
Korman toeschoof, viel diens blik onwillekeurig op het handje dat het
voortbewoog, en toen op de geheele figuur van het meisje. Hij schrok
van de ingeving die hij kreeg, gewaar wordende wat hem tot nu toe
verborgen was gebleven, dat het kind dat hem papa noemde, dat hij
steeds als een dochtertje had beschouwd, gerijpt was tot jonge maagd en
dat zij reeds nu bij hem, Korman, een zeer goede plaatsvervangster zou
kunnen zijn voor de njai, die hij had moeten wegjagen.
Hij greep een harer handen en trok haar naar zich toe, op zijn knie.
„Je moet nog eens bij mij komen zitten, Li,” zeide hij. „Morgen gaat
Papa”—het kostte hem eenige moeite dit woord thans uit te
spreken—„morgen gaat Papa alleen weg, en moet van Li afscheid nemen;
voor heel lang.”
Het meisje gaf niet dadelijk antwoord. Met haar fijne vingertjes krulde
zij zijn baard op, ernstig en bedroefd op het gebruinde gelaat starende
van den man die haar mede had opgevoed, dien zij niet alleen den
vadernaam gaf, maar ook als een vader liefhad.
Op eens klaarde het lieve gezichtje op, verhelderd door een gelukkig
denkbeeld.
„Ik ga met Papa mee,” zeide zij, en toen, vleiend tegen hem
aanleunende, ging zij voort: „Ja papa, ik mag mee niet waar? Li zal
voor u zorgen en goed oppassen. Zeg dat Li mag, papa!
„En ik dan, Li?” vroeg Messner.
Zij scheen een oogenblik te weifelen, doch het duurde niet lang.
„U heeft zus om op u te passen, en ik zal dikwijls bij u komen,” meende
zij; „zoodra de weg klaar is, die u laat maken om bij papa Korman te
kunnen komen.”
„Wat ze zegt is nog zoo dom niet,” viel Korman in. „Ik zal daar beroerd
alleen zitten; ik had er in de drukte zelf nog niet aan gedacht. Alleen
geloof ik niet dat Li het lang uithoudt; ze zal haar zuster niet kunnen
missen en wel gauw weer verlangen bij haar te zijn.”
„Hm,” deed Messner. „Maar.... ga nu naar binnen, Li.”
„Mag ik dan mee met papa?” zeurde zij.
„Jawel,” zeide Messner, en juichend liep het kind naar binnen om het
groote nieuws aan haar zuster te vertellen.
„Wat ik zeggen wou, Korman,” zeide Messner; „onthoud wat we met elkaar
hebben afgesproken; als zij bij je wil blijven, en je krijgt later
employés en zij wordt wat ouder, dat je haar nooit voor huishoudster
afstaat. Dan is het mij wel.”
„Dat beloof ik je,” zeide Korman.
„Het zou zonde zijn van het kind,” mijmerde Messner hardop. „Ze moet op
haar tijd trouwen met een harer landslui, een goeden als die te vinden
is.—Kom, nog een halfje, dan gaan we eten.”
Tegen den middag bereikte Korman het land waar hij thans eindelijk zijn
fortuin hoopte te vinden. Aan den zijweg bij de woonplaats van den
assistent-wedhono had hij afscheid genomen van zijn vriend en van de
„nonja.” [19] Daar hadden zij ook de koelies [20] gevonden die waren
besteld om mede te gaan, om een tampat [21] op te slaan en de eerste
werkzaamheden te verrichten. Li had gehuild toen zij van Zus moest
scheiden, maar die tranen waren spoedig gedroogd, en vroolijk was zij
op haar javaansche paardje de kalie overgetrokken voorbij den grooten
steen, die aan het land zijn naam gaf.
Alles wat de koelies aan huisraad, rottan, taliedoek, kepang en verder
gereedschap hadden meegebracht werd nu op een hoop gelegd en terwijl
Korman een gedeelte der koelies in het bamboe-bosch stuurde dat vlak
bij te zien was, ging hij met de rest het terrein langs de kalie af om
een plek te zoeken waar niet te veel zware boomen stonden. Hij vond er
weldra een; de medegekomen modin sprak eenige onverstaanbare formules
uit die dienen moesten om de booze geesten te verjagen, en toen gebood
Korman de koelies om te beginnen. Met een gejuich of geschreeuw, zooals
men het noemen wil, werd dat bevel opgevolgd, en weldra zag men het
struikgewas vallen, om door de achterste koelies te worden weggetrokken
en te worden gebracht naar de kalie, die het welwillend afvoerde.
Toen de kappers van bamboe met het medegebrachte materiaal aankwamen,
was het laatste dunne boompje geveld. In het donkere bosch was een
lichte open plek ontstaan, die met een smal paadje gemeenschap had met
het groote pad waarlangs Korman gekomen was. Met den patjol [22] werd
nu een goot gegraven, ongeveer twee voet diep en drie voet wijd; de
gewonnen aarde werd verspreid over het langwerpig vierkant dat deze
goot begrensde; de koelies stelden zich vrij regelmatig in drie
gelederen op en begonnen het vierkant, voetje voor voetje
vooruitgaande, hard te treden. De knapste van den troep stak daarna op
aanwijzing van Korman hier en daar een stokje in den grond; bij ieder
stokje begonnen twee koelies met behulp van een aangepunte bamboe een
gat te graven; de anderen gingen aan ’t bekappen en splijten van de
bamboe.
Het werk zoover gevorderd zijnde, nam Korman een troepje koelies met
zich mee verderop, en werd een tweede, iets ruimere plek schoongemaakt
evenals de eerste. Hier moest de koelieloods komen.
Op de eerste plek begon intusschen het karkas van een woning te
ontstaan. In ’t midden een hoog juk; er omheen een rij bamboe-stijlen
met een doorloopenden bamboe-ligger er op, alles wèl bevestigd met het
meegebrachte taliedoek, dat door gaten in de rechtopstaande bamboe
getrokken, over de horizontale bamboe was heengehaald, die twee
dusdoende stevig aaneenbindende. Dit karkas van de dikke, zoogenaamde
betong vervaardigd zijnde, werden nu de daksparren van bamboe apoes,
een zeer taai maar dunner soort, aangebracht.
Zij die de bamboe spleten waren onderwijl aan het vervaardigen gegaan
van ramen van doorgestoken bamboe-latten, een vlechtwerk met mazen van
een voet wijd, die hoewel met een touwtje opgemeten, naderhand toch
bleken te passen op de vlakken van het dak dat met hoekkepers was
gemaakt, of, om den javaanschen naam te gebruiken, een limassan dak
was.
De bedekking was versch gesneden alang-alang, met touwtjes uit den bast
der reeds genoemde bamboe-apoes vastgebonden op het latwerk. Ten slotte
groeiden de omwandingen, van gespleten bamboe ineengevlochten, onder de
handen der ijverige koelies als ’t ware bij de minuut aan. Opgezet en
aan de binnenzijde met kepang beschoten, voltooiden zij de woning die,
met een op dezelfde wijze als de omwandingen behandeld tusschenschot in
tweeën verdeeld, een deur aan den voorkant als eenige toegang rijk was.
Op een achttal na, dat het huisraad en de kisten en koffers
binnenbracht, verhuisden de koelies nu naar de plek waar zij voor hun
eigen onderdak moesten zorgen. Dit volbrachten zij nog eer het geheel
donker was.
Een ondernemende warong-houder had den troep vergezeld en rijst
gekookt. Toen de loods gereed was had hij opgeschept; en bij het
schijnsel van een vuur, dat gevoed werd met de restanten der
bouwmaterialen, zaten de koelies in een lange dubbele rij, met den
modin aan het hoofd, hun eerste maal te doen op de onderneming
Watoeombo.
Li had zich den geheelen tijd bezig gehouden. Eerst had zij met
belangstelling den voortgang van het werk gevolgd, maar spoedig daarop
moest zij gaan zorgen dat ook Korman en zij dien avond iets te eten
kregen. Met behulp eener oude vrouw, die Korman als kokkin had
geëngageerd, zette zij eenige pannetjes te vuur en ging aan het
uitpakken der meest benoodigde zaken, welk werk zij voortzette toen de
woning gereed was.
Ook Korman was in het huisje gekomen, zoodra de boel er in was; terecht
meende hij dat de koelies bij het opzetten der loods voor hen zelf wel
zonder opzicht den noodigen ijver zouden betrachten, daar het hier hun
eigen belang gold. Hij bond een hanglamp aan een der dwars-bamboes,
schikte de spaarzame meubelen, en schroefde zijn ijzeren ledikant, dat
een plaatsje kreeg in het afgeschoten vertrek, in elkaar, terwijl Li er
de klamboe [23] aan bevestigde; een overbodige luxe eigenlijk in het
hooge gebergte, waar de muskieten ’s nachts een schuilplaats zoeken in
het dichte gebladerte, tegen de koude van de atmosfeer, en de menschen
met rust laten.
Het bedje van Li had hij niet opgezet, maar was aan het trekken van
lijntjes begonnen in kladboeken waarin hij ’s avonds het werkvolk en
den gedanen arbeid moest opteekenen, een bezigheid die hem aanleiding
gaf aan Li te verklaren dat hij het te druk had, toen deze hem kwam
zeggen dat zij klaar was, en vragen of hij haar bed ook even in elkaar
wilde schroeven.
„Waar moet Li dan slapen?” vroeg het meisje.
Hij zag rond als zocht hij naar een plekje.
„Soedah,” zeide hij toen, „Li slaapt vannacht maar bij mij.”
In het oosten begon het licht te worden, ten teeken dat daar, achter de
bergen, de zon reeds boven de kim was. De eerste die in den morgen van
den tweeden dag dien Korman op zijn onderneming zou doorbrengen, tot
hem kwam, was de modin. Kuchend en rillend van de kou hurkte de oude
man in de deur van Korman’s woning neer met het gebruikelijke „koelo
noewoen ’ndoro.” [24]
En hij begon te vertellen hoe hij den nacht wakende had doorgebracht,
hoeveel moeite hij nog had gehad met de geesten, die niet verhuizen
wilden, tot zij eindelijk waren geweken voor de wonderkracht zijner
spreuken en voor den invloed der door hem begraven voorwerpen. Of
mijnheer dien vreeselijken slag niet had gehoord, op ’t oogenblik van
hun vertrek?
„Jawel zeker,” verklaarde Korman; „ik ben er van wakker geworden.”
Daarop overhandigde hij den modin de som die voor dát werk was
bedongen, en gaf hem zijn afscheid.
Uit de loods waren intusschen de koelies aangekomen, nog gewikkeld in
hun kains, die zij echter bij het naderen van Korman’s woning—de
lodjie!—behoorlijk om deden. Een langdurige bespreking volgde nu over
het werk dat Korman hen wilde laten doen. waarvan de uitslag was dat
een deel aannam nog eenige huizen te bouwen, een ander deel om het
bosch om te hakken en enkelen, na afbetaald te zijn, vertrokken.
Alvorens met de aanstaande boschkappers mee te te gaan, ten einde hen
de te vellen gedeelten aan te wijzen, ontbeet Korman.
Li had gezorgd voor nasi-goreng [25]—brood was er natuurlijk niet—en
zat mee aan; doch lusteloos, etende zonder honger, telkens het kopje
thee aan den mond zettende omdat de zenuwen haar beletten de rijst te
slikken. Zij had getracht zich rekenschap te geven van haar positie;
zij moest blij zijn dat zij nu de vrouw van... Korman was geworden,
zooals Zus van Papa Messner; en ach, dat was ze ook wel; als hij het
haar gevraagd had eer zij hierheen kwamen, zou ze geantwoord hebben:
heel graag! Maar zoo bij verrassing... daarin was iets wat haar niet
beviel, iets wat haar zich af deed vragen of zij geen kwaad had gedaan.
Zij zou het Zus willen vragen, doch bedacht tevens dat zij op ’t
oogenblik Zus niet zou durven ontmoeten; waarom wist zij niet, maar nog
lang, heel lang moest het duren eer zij haar weer in de oogen kon zien
als vroeger. En toen Korman weg was naar het bosch schreide zij, net
als zij dien afgeloopen nacht had gedaan, nadat hij haar zoo ruw in
haar slaap gestoord had.
In den nu volgenden tijd werd op Watoeombo met kracht gewerkt. Van uit
de plaats waar zijn woning stond, had Korman een weg laten kappen in de
richting van den hoogen bergrug, die aan deze zijde zijn onderneming
begrensde en aan de overzijde waarvan het land van Messner lag. De
afspraak was dat ieder van zijn kant zou beginnen en afwerken tot boven
op den loengoer [26], een werk dat door Korman met driemaal zooveel
volk zou worden uitgevoerd als door Messner, zijnde de berekening dat
vanwege de meerdere lengte van den weg door het enorme perceel van den
eerstgenoemde, zij dusdoende ongeveer gelijktijdig gereed zouden zijn.
Wie het eerst boven aankwam zou in een hoogen boomtop een vlag
hijschen.
Voorts had Korman, naarmate hij meer volk kreeg, meer bosch laten
hakken. In ’t eerst ging dat langzaam, doordat het terrein bij de kalie
vlak was en dit vóór alles tot het aanleggen van een definitieve
kampong moest worden schoongemaakt, en ook om er beddingen te plaatsen,
zoogenaamde pépinières, tot het kweeken van jonge plantjes. Doch toen
men op het effen terrein, boom voor boom kappende gereed was, werd het
hellende onder handen genomen. En dat ging gemakkelijker; want van
onderen af beginnende, hakten de boschkappers de boomen half door, en
zoo opgaande tot boven aan. Zoolang zij daarmee bezig waren zag men
geen vooruitgang, en als de dreunende bijlslagen niet het tegendeel
hadden verkondigd, zou men niet licht gedacht hebben dat eenige bouws
dicht bosch daar op vallen stonden. Eindelijk kwam het oogenblik dat
zij boven waren. De laatste rij werd doorgehakt, meer en meer, gelijk
op, dikwijls de eene partij boschkappers geholpen door die het perceel
er naast hadden aangenomen, en dan kraakte het en brak het en donderde
het, de eene boom den ander die onder hem stond meesleepende in zijn
val, al vlugger en vlugger, eindigende in een geweldigen slag die de
aarde deed dreunen; en er waren weer zooveel bouws van het statige ruwe
oerwoud veranderd in een wildernis, die wachtte op het vuur dat straks
die gevallen reuzen in een vruchtbaarmakende aschlaag zou omzetten.
Het weder was gunstig. Behalve een paar buien in de eerste weken van
Kormans verblijf op Watoeombo, had het niet meer geregend; en onder den
strakken grijsblauwen hemel, waarin de zon ronddoolde als had zij het
zelf te warm en te eenzaam zonder een enkel wolkje, droogde alles uit
wat geveld was en brandde weldra op; de zware stammen nog lang
nasmeulende op de zwarte vlakte, en tegen de hellingen ’s nachts een
gratis vuurwerk leverende, zoo schoon als men het maar wenschen kon.
Maar daarvoor had Korman geen oog; wat hem aantrok was alleen de
vlugheid waarmee het werk vorderde en de goedkoopte van de
aannemingssommen; want alles ging op taak, tot het ompatjollen van den
grond voor de pépinières toe, en het aanleggen van het vlakke
bamboe-dak daarover, gedekt met alang-alang. Nog eer deze gereed waren,
hadden de wegwerkers den loengoer bereikt, en was een witte vlag
uitgestoken tot een aanwijzing voor het volk van Messner.
Bij de vlag stonden den ganschen dag twee inlanders op wacht—één alleen
durfde niet vanwege de wilde honden die men er gezien had—met strikt
bevel om zoodra zij iets bespeurden van de nadering van Messners volk,
naar huis te hollen en Korman te waarschuwen. Want deze wilde om der
wille van zijn verhouding tot Li niet door zijn vriend verrast worden.
Reeds tweemaal was hij zelf den weg afgereden, niet zoozeer omdat hij
de daar geposteerde inlanders niet vertrouwde, doch uit ongeduld. Hij
moest toch langs dien weg zijne jonge koffieplantjes, kêpêlans,
ontvangen, die door de bevolking geleverd zouden worden uit de
gouvernements-koffietuinen die dicht bij het land van Messner lagen. En
dat had haast, wilde hij nog in den komenden westmousson planten.
Eindelijk, Korman zat juist aan de rijsttafel, kwamen de twee koelies
op hun dooie gemak aanslenteren en brachten het zoo lang gewachte
bericht. In allerijl eindigde Korman zijn maal, liet zijn paard zadelen
en reed heen, na Li gezegd te hebben dat hij misschien op Donowarie,
het land van Messner, bleef overnachten. Hij zette toen zijn paard aan,
zooveel als de weg toeliet.
Op den loengoer gekomen hoorde hij de stemmen van de werkende inlanders
en het doffe geluid der arit-slagen, [27] waarmee het struikgewas werd
geveld. Maar het duurde nog wel een uur eer hij de menschen zag. Op
eens riep hij uit: „Dacht ik het niet!”
Achter de koelies bespeurde hij de hooge gestalte van Messner, met
blijkbaar ongeduld wachtende tot de laatste hindernis zou zijn
weggeruimd. Korman was reeds lang geleden afgestegen, en nu, zijn paard
bij den teugel nemende, leidde hij het tot vlak voor de plaats waar de
koelies juist een opening gemaakt hadden.
„Lèren disseh” [28] beval hij, en toen zij daaraan gevolg gegeven
hadden en opgehouden met kappen, drong hij er door, met voorzichtigheid
voortgaande, opdat zijn paard niet zou struikelen en de helling
afglijden.
Op het reeds gebaande gedeelte van den weg wachtte Messner hem op, met
een glimlach van teleurstelling op het gelaat.
„Dat is mis,” riep hij Korman toe. „Bonjour; hoe maak je het? Ik had je
willen komen verrassen.”
„Jawel, dat snapte ik,” zei Korman. „Maar daar komt niets van in. En nu
ga ik met je mee; vooruit maar! Ik ben verlangend je vrouw eens te
zien; is ze wèl?”
Messner gaf nog eenige orders aan het werkvolk, en leidde toen den weg.
„Jongens,” zei Korman toen zij iets verder waren, „je hebt het dadelijk
mooi gemaakt. Lange gemakkelijke zigzageinden en breed uitgekapt... ik
ben maar zoo gewoon weg naar boven gekropen; zooals het viel zoo viel
het. Later zullen we het wel eens opknappen.”
„Dat is mij te duur,” antwoordde Messner. „’t Geeft dubbel werk en
nagenoeg ook dubbele kosten, want zóóveel is het verschil niet tusschen
een slechten aanleg en een goede.”
Maar Korman was dit niet met hem eens, of liever hij wilde niet
toegeven aan iemand die.... hm, in zekeren zin toch onder hem stond.
Vroeger was dat anders; toen was hij de jongere compagnon, die alles
wat hij wist van Messner geleerd had; maar thans was hij administrateur
van het ruim duizend bouws groote Watoeombo en superintendent van het
landje van Messner!
Zij bleven er over doorpraten—of liever Korman ontwikkelde zijn
meening, daar de ander reeds lang met een ongeduldig schouderophalen
gezwegen had—tot zij aan Messner’s woning kwamen. Hier was Korman
geheel en al verbazing. ’t Was een groot huis, met een breede
voorgaanderij, doorloopende binnengaanderij en links en rechts
kamers.... in één woord een geacheveerd huis, netjes gewit en de
vloeren belegd met een fijn vlechtwerk van bamboe-woeloeh, die de dikte
van een vinger heeft en een uiterst dunne bast. Waarlijk, het was mooi
en smaakvol, ieder deel er van, tot zelfs de hekwerkjes, die de
voorgaanderij omsloten en met in pijlvorm gesneden stukjes bamboe
versierd waren.
Zus, want dien naam droeg de huishoudster van Messner in den
huiselijken kring, kwam de ruiters vóór het huis te gemoet. Haar eerste
vraag was naar Li; waarom was zij niet meegekomen?
„Verbeelje,” riep Korman lachend uit; „de weg is nog niet eens klaar.
Neen Zus, de volgende keer, hoor. Alleen ben ik bang,” ging hij tot
Messner voort, „dat zij niet meer terug zou willen komen in onzen
tampat als ze eenmaal dit huis gezien heeft. Ik maak je mijn
compliment. Waar ben je den eersten nacht onderdak gekomen?”
„In die kamer, links,” zeide Messner. „Die heb ik eerst gezet, en toen
de rest aangebouwd.”
„’t Is wel aardig,” vond Korman. „Alleen wat mooi voor een tijdelijke
woning.”
„Tijdelijk?” riep Messner uit. „Ik hoop van beter. Neen man, daar blijf
ik in zoolang ik op de onderneming zal zijn. Ik moet niets hebben van
die steenen paleizen, die voor niemand waarde hebben, en waarover toch
maar rente betaald moet worden; dank je hartelijk! Misschien dat ik er
later eens wat dakijzer op leg; hoewel—ik vind alang-alang aangenamer:
’s nachts warm en overdag koel.”
„Nu, elk zijn meug,” zeide Korman. „Ik ben aan het zagen en bekappen
van hout voor mijn huis. Voorloopig trek ik het van hout op, gedekt met
gegalvaniseerd dakijzer, en later metsel ik er muren in—zoodra de
eerste picols koffie verscheept zijn. Kom, ik ga me lekker maken.”
Dit laatste volvoerde hij door in een der kamers zijn kleeren uit te
trekken en een slaapbroek en kabaja van Messner aan te schieten. In de
kamer alleen zijnde balde hij de vuist. Die dit en datsche vent, zoo’n
sinjo, die daar weer alles beter in orde had dan hij zelf, en hem met
een uitgestreken gezicht zijn moois vertoonde, alsof hij het er niet
alleen om gedaan had om hem, Korman, de oogen uit te steken! Maar
morgenochtend zou het blijken wie meer werk had afgedaan; dit was maar
larie, op het werk daar buiten kwam het aan; huisjes bouwen en
weggetjes mooi maken was geen koffieland ontginnen.
„Het is prachtig, ik moet het nòg eens zeggen,” zeide hij naar buiten
komende, waar Messner hem reeds met een bittertje zat op te wachten.
„Je zoudt den resident zelf kunnen logeeren.”
„Wie weet,” zeide Messner. „Ik heb al een vraag van den controleur,
wanneer ik hem kan ontvangen. Hij heeft nog nooit een particulier land
zien beginnen, schrijft hij, en zou gaarne eens een kijkje komen
nemen.”
„Beroerd volk, die ambtenaren,” mompelde Korman, „ze komen alleen omdat
ze overal hun neus in willen steken. Komt hij bij mij ook?”
„Als je hem liever niet hebt, dan zou ik hem kunnen zeggen dat je huis
nog niet is ingericht,” opperde Messner. „Dan kom je er met een
voorbijgaand bezoek af.”
„Hm, doe dat maar. Hola! vergis je niet.”
Deze uitroep gold de bitter, die Messner bijna in Kormans glaasje
gedruppeld had. Korman dronk altijd klare jenever; hij begreep niet
waartoe men er bitter in deed, en nog minder waarom sommigen deze
preparatie fatsoenlijker vonden dan het zuivere vocht; eindelijk was
hem de manipulatie van het inschenken te lastig; als men dat een keer
of vijf zes moest doen in den korten tijd vóór het eten, dan kon men
wel aan den gang blijven, vond hij. Want het traditioneele tweetal met
een halfje na, dat eigenlijk een heel is, overschreed hij zonder eenig
gemoedsbezwaar. Een mensch moest niet meer drinken dan hij verdragen
kan; kon hij er echter zes velen, dan lette hem niets die te drinken,
als hij er trek in had.
Aan het avondeten ondervroeg Messner’s huishoudster den gast naar haar
zusje. Hij moest of hij wilde of niet in details treden, en zelden had
Korman in zulk een korten tijd zooveel gelogen als hij dat halfuur
deed. Intusschen gelukte hem één ding, namelijk dat hij zoowel Messner
als Zus overtuigde dat zijn huis van dien aard ongeriefelijk was, dat
zij een bezoek moesten uitstellen tot de definitieve
administrateurswoning gereed zou zijn. Hij wist wel dat het toch
eindelijk moest komen, maar met al zijn slimheid had hij nog geen plan
weten te beramen om de alsdan noodzakelijke botsing, en wie weet welke
verwijtingen over zijn gedrag ten opzichte van het kind, dat aan zijn
hoede was overgelaten, zoo zacht mogelijk te doen zijn.
Eén belofte had hij gegeven—die om Li mee te zullen brengen, zoodra hij
weer eens te Donowarie kwam. En dat kon hij uitstellen, of wel hij kon
probeeren Li aan ’t verstand te brengen dat zij over hun sexueele
verhouding moest zwijgen. Dit laatste idee kreeg hij eerst toen hij in
bed lag, kort na het eten, want vroeg naar bed, om vroeg te kunnen
opstaan is in de koffie een regel, waarop men niet dan noode inbreuk
maakt.
Vroeg was het dan ook toen Messner en Korman zich den volgenden morgen
op weg begaven teneinde het op Donowarie verrichtte werk te
inspecteeren. Voor den leek moge het een treurig schouwspel zijn als
hij de verwoesting aanziet door het boschkappen teweeggebracht, voor
den koffieplanter echter is dat een geheel ander iets. De open plekken
die hij van den weg af bespeurt, de verwarde massa die bij ’t naderen
voor hem ligt, zij roepen hem toe, dat hier straks de plant zal
opgroeien, die hem het loon van zijn arbeid moet verschaffen; en de
ruïne die hij ziet, weerkaatst voor zijn fantasie het beeld eener
schoone buitenplaats in Holland, of van een statig huis in een der
voornaamste steden van datzelfde land.
Ook Korman gevoelde die uitwerking toen hij achter Messner het pad
opliep dat naar de reeds vermelde gouvernements-koffietuinen voerde, en
waarlangs Messner had laten kappen; doch nadat zij geruimen tijd waren
voortgestapt, werd hem duidelijk dat hij zich gister met een ijdele
hoop had gevleid, toen hij meende dat zijn vriend hem ten achter zou
zijn met de ontginning; en een zekere teleurstelling maakte zich van
hem meester.
„Ben je van plan alles te laten kappen van ’t jaar?” vroeg hij
eindelijk.
„Neen,” gaf Messner lachend ten antwoord; „de helft maar. Valt het je
mee? Nu, dat doet me plezier. Ik ben zelf ook tevreden. Hier moeten we
in.”
Hij had zich misschien juister uitgedrukt door te zeggen: hier moeten
we op, want het tweetal besteeg nu langs eenige ruw ingehakte treden
een der grootste gevallen boomen. Daarop volgde een gang dwars door de
woestenij, waarbij men niet wist wat meer te bewonderen: de
geoefendheid waarmee de beide Europeanen over de boomen, ja soms over
vrij smalle takken liepen zonder hun evenwicht te verliezen, of het...
instinct waarmee de inlanders zoo juist hadden uitgevonden wáár in dien
chaos de boomen lagen die het pad vormden, zonder ooit op een plek te
stuiten waar de doortocht versperd was.
Bij het uitgaan van het gekapte bosch kwamen zij op schoon terrein, nog
zwart van het branden, gestoffeerd met plekken witte asch overal waar
een groote boom tot het einde toe was opgesmeuld. En daar lagen ook op
een vlak stuk de beddingen, met hun breede alang-alang bedekking; een
heldergeel vierkant, scherp afstekend tegen den donkeren achtergrond.
Een twintigtal javaansche vrouwen en meisjes waren er aan ’t werk, elk
met een bamboe-lat van de breedte van een bed, met ingekorven afstanden
voor de plantjes, die vier duim van elkaar moesten worden gezet. Zij
hadden de baadjes uitgetrokken, werkende met bloote schouders, en
voorts gekleed in een kain [29] en over de borst een kemben. [30]
Reeds een groot deel der beddingen was afgeplant en prijkte met de
frissche groene rijen plantjes, niet ouder nog dan tot de ontwikkeling
der zaadblaadjes.
„Hierin ben je mij vóór,” merkte Korman op, die tot nu toe geen mond
had opengedaan over het werk te Watoeombo, enkel omdat zijn vriend van
alles meer had afgedaan dan hij zelf, hetgeen hij uit valsche schaamte
niet wilde bekennen.
„Nu,” zeide Messner, „dat zal je gauw hebben ingehaald. Morgen denk ik,
kan je de eerste bezending plantjes verwachten; ik heb gister dadelijk
kabar [31] gezonden aan de lui, dat de weg klaar was. Maar ga nu eens
mee naar den anderen kant.”
Zij liepen al bukkende voort, onder het dak dat voor de hooge gestalten
der beide mannen te laag was, Korman nu en dan omziende naar een stel
fraaie schouders dat hij onder de plantsters had opgemerkt, en
verlieten de beddingen. Hier hadden zij het gezicht op verscheidene
ploegen werkvolk die boven aan de helling begonnen zijnde, het
schoongebrande terrein met den patjol hadden veranderd in nette,
horizontaal loopende terrassen. En waar die nog niet gemaakt waren,
wezen dunne bamboe-stokjes, die op de plaatsen gesteld waren waar
naderhand de koffieboomen zouden komen te staan, en door de Javanen
andjirs geheeten werden, den koelies aan, hoe zij werken moesten.
„Drommels mooi!” liet Korman zich zijns ondanks ontvallen. „Als met een
schaartje geknipt.” En toen als had hij spijt van zijn goedkeuring: „Je
hebt een besten meet-mandoer.” [32]
„Ik wou wel dat het waar was,” zeide Messner; „maar het meten heb ik
zelf moeten doen.”
„Ja,” antwoordde Korman, „dat kan je op een klein land doen, maar ik
zou er geen tijd voor hebben. Enfin, ’t is mooi; ik ben zeer tevreden.”
Messner zag snel op, doch het gezicht van den ander stond strak als had
hij iets doodgewoons gezegd. Wat verbeeldt zich Korman wel, dacht de
oudere; ’t is alsof hij als chef tegen een mindere spreekt. Wacht, we
zullen hem eens op den tand voelen!
„Als je ’t wezenlijk zoo goed vindt,” zeide hij toen overluid, „dan zou
je dat misschien den ouden heer Benoit wel eens kunnen melden... het
werk regardeert je wel niet, maar Benoit schijnt veel vertrouwen in je
te stellen en dus....”
Of Korman den steek voelde? ’t Was moeilijk te zeggen, want hij keek
juist onder de beddingen, waar zij langs liepen op hun terugweg, of hij
de eigenares der mooie schouders ook kon ontdekken.
Op eens begon Messner hartelijk te lachen.
„Wat heb je?” vroeg Korman, hem verbaasd aanziende.
„Hoorde je dat niet?” was de wedervraag. „Hij was goed!”
„O, je bedoelt wat die meid daar riep? Hm, ik begreep het niet
heelemaal. Wat zei ze?”
„Ja,” zeide Messner, „al vertel ik het je, dan snap je het nòg niet.
Een ui in het javaansch is zoo moeilijk in onze taal weer te geven.”
„Ik versta toch wel javaansch!” riep Korman eenigszins misnoegd uit.
„Gewoon huis- of tuin-javaansch, ja,” antwoordde Messner; „maar zóó....
hoe zal ik het zeggen... de volkstaal, zooals zij die onder elkaar
spreken, met woord- en klankspelingen, met naïeve dubbelzinnigheden,
neen Korman, die versta je niet, en die leer je ook niet, al bleef je
nog eens zoolang in Indië als je er al bent, tenzij je onder het volk
ging leven, heelemaal en famille meeleven, zooals ik destijds.”
Bij de laatste woorden ging een droeve trek over Messners gelaat, als
ware de herinnering aan die tijden van groote armoede en ontbering hem
onaangenaam, en zwijgend liep hij voort, den weg dien zij gekomen waren
terug, over de boomstammen en door het bosch, niet eer sprekende dan
toen zij weer thuis waren en hij Korman eenige papieren overhandigde.
„Hier is de kasstaat,” zeide hij toen. „Ik heb hem in duplo opgemaakt,
dan kan je er één opzenden aan Benoit.”
„Ik was eigenlijk van plan aan Benoit enkel een recapitulatie te
zenden,” zeide Korman.
„Inderdaad heeft hij ook niet meer noodig,” beaamde Messner; „doch hij
schijnt van opinie te zijn dat ik mijn administratie niet al te best
doe, en dus ben ik er op gesteld dat hij van het tegendeel overtuigd
wordt door alleen door mij geschreven verantwoordingen te ontvangen,
die, zooals deze, steeds perfect in orde zullen zijn. Begrepen?”
„Mij wel,” antwoordde Korman, „maar dan snap ik niet wat of ik
eigenlijk met den rommel te maken heb.”
„Och, nazien of de optellingen goed zijn,” spotte Messner.
Korman had nog wat willen zeggen, doch hij hield het terug. Het
overwicht van zijn ouderen vriend kon hij niet van zich schudden. Ja,
als er iets niet in orde geweest was! Maar nu... neen! Messner zag te
scherp om niet aanstonds te bemerken wat hij voorhad; en straks de zaak
met Li... hij moest geen ruzie maken, en zich maar stil houden, dat was
het beste.
Na de rijsttafel zette Korman zich op zijn paard, en verliet Donowarie
met iets minder zelfvertrouwen dan waarmee hij er gekomen was.
De weg over zijn eigen land, waarin hij vóór dezen een soort ruwe
poëzie gezien had, iets als de eerste toetsen op het doek eens
kunstenaars, leek hem nu toe, wat het dan ook inderdaad was: een
erbarmelijk slecht stuk werk. Maar meer nog had hij het land toen hij
de plaats naderde waar zijn volk aan ’t werk was. In tegenstelling van
de gelijke, waterpas loopende terrassen bij Messner, zag men hier
achteloos uitgehakte trappen, de een nog scheever dan de ander,
ongelijk van breedte en hoogte.
„Setrodimedjo!”
Springend en glijdend zakte een inlander de hoogte af tegenover den
weg, kroop door het ravijntje en klauterde weer naar boven, om hijgend
van inspanning op een pas of tien achter Korman neer te hurken. Alle
teleurstelling die deze ondervonden had, uitte zich in een stortvloed
van aanmerkingen, doorspekt met talrijke Gévédé’s, aan het adres van
den armen meetmandoer, die niet slechter gewerkt had dan hem geleerd
was en voor alles wat recht en waterpas is, juist zooveel oog had als
de rest zijner rasgenooten.
Korman wond zich hoe langer hoe meer op.
Setrodimedjo begreep dat er iets niet in den haak was, hetzij met zijn
werk dan wel met den toewan besaar [33], doch van al wat deze vertelde,
snapte hij gewoon niets. Heel in ’t begin had hij iets gehoord over
timbang banjoe [34] juist als de galangans der sawah’s, [35] en
vruchteloos pijnigde hij zijn kleine verstand om er achter te komen wat
meneer bedoelde. Hij zag geen kans om daar boven op den loengoer water
te krijgen, en zonder water kon toch niemand galangans waterpas maken!
Hij althans niet.
Zijn stille overdenkingen werden gestoord door het ophouden van het
standje en het tweemaal herhaald bevel om dichterbij te komen. Het
booze gezicht van Korman ziende, naderde hij dien tot op twee pas en
hurkte toen weder neer, nog even buiten het bereik van de dreigend
opgeheven karwats.
„Asoeh!” [36] bulderde Korman, en toen hem de karwats in het gezicht
werpende, beval hij: „Breng hier, Gévédé!”
Daar was niets aan te doen! Sidderend overhandigde Setrodimedjo den
toewan besaar het wapen, dat onmiddellijk daarna met zware slagen over
zijn rug en schouders striemde.
Zoo vlug als hij daareven gekomen was, zoo langzaam ging de mandoer
weer terug naar zijn volk.
„Wat was er, kang?” [37] vroeg een der meetkoelies. „Is hij dronken?”
„Ja, erg,” was het antwoord. „Hij wou dat ik hier water boven op bracht
om te timbangen.”
De koelie zeide een aardigheid, over een manier waarop zij met hun
vijven wel wat water daar konden krijgen, en allen lachten, doch
zachtjes, want Korman was nog niet ver, en in ’t gebergte wordt het
geluid soms wonderlijk weggekaatst. Toen gingen zij voort met andjirs
plaatsen, precies als te voren.
De strafoefening had Korman gekalmeerd. Messner kon naar de maan
loopen; hij zou minstens even goede koffie krijgen, al stond ze wat
minder mooi geplant; straks zou hij order geven voor meer werkvolk en
dan in quantiteit vergoeden wat hij in qualiteit bij zijn vriend ten
achter stond. En zoo moest het ook! Men kon duizend bouws niet
ontginnen alsof het er driehonderd waren!
Vóór hem lag het stukje bosch dat was blijven staan en waaronder de
woningen stonden. Dit deed zijn gedachten afdwalen naar zijn huis en
naar Li, een vrij wat aangenamer onderwerp dan het werk op Donowarie!
Was Li niet een allerbest vrouwtje voor hem, in alle opzichten? Zij
mocht nog wat jong zijn, doch daartegenover stond haar dartelheid en
vroolijkheid, die gaandeweg weer was teruggekomen; en dat had iemand
wel noodig hier in de eenzaamheid, in een omgeving die toch al tot
somberheid stemde. Haar opvoeding onder Europeanen had haar een zekere
losheid van manieren gegeven, meer uitdrukking in het gelaat en minder
placiditeit dan andere inlandsche of chineesche meisjes en vrouwen.
Zie, kwam zij daar niet aan? Ja werkelijk! Nu vraag ik, zeide Korman
halfluid, welke inlandsche njai zou zoo aan komen huppelen, haar toewan
te gemoet? Hij moest zelf lachen om het idee.
„Dag Papa, dag Papa!” riep Li, en hij steeg af en zoende haar
hartelijk, blij weer bij haar te zijn, zich niet storend zelfs aan den
naam dien zij hem bleef geven, ondanks zijn bevel, omdat hij dien in
deze omstandigheden niet langer passend vond.
Korman liet het paard los, dat in een drafje naar stal liep; en zijn
arm om Li’s schouders leggende, wandelde hij met haar verder,
vertellende van Zus en haar mooie huis, er verhalen bij fantaseerende
over de honden en de kippen en wat Li verder kon interesseeren.
Toen hij zich had uitgekleed en in slaapbroek en kabaja op den
luierstoel lag, kwam Li op de leuning zitten en vroeg weer van voren
afaan. Had Zus dan werkelijk zoo’n mooi huis? Maar dat ginds op de
uitkapping, boven de kampong [38], gebouwd werd zou toch zeker nog
mooier worden dan dat van Zus?
„Zie je wel,” zei Korman; „ik heb al tegen Zus gezegd dat ik je niet
liet overkomen eer het huis hier klaar is, want dat je anders eens niet
weer terug mocht willen komen.”
„Heeft Papa dan niet gezegd, dat ik nu de nonja besaar ben geworden?”
vroeg Li, met een koddige uitdrukking van deftigheid.
„Neen, nog niet,” antwoordde hij. „Ik wist niet wat ze er van zeggen
zouden; en, weetje, ze mochten je eens weghalen.”
„Is Papa dan niet brani [39] om mij vast te houden?”
„Zeker!” lachte Korman. „Als jij zelf wilt....”
„O!” viel zij hem in de rede. „Dan is het goed. Weet u Papa, ik was
bang voor Zus, maar nu niet meer; als Papa brani is, ben ik het ook.
Gister....” Hier zweeg zij plotseling als vreesde zij zich te
verpraten.
„Wat was er gister?” vroeg Korman.
„Niets, maar overmorgen, dat is tjemoea-legie, [40] dan moet er een
slamatan zijn.”
„Doe toch niet aan die flauwiteiten,” gromde Korman. „Je weet dat we je
geleerd hebben dat het onzin is en niets geeft.”
„Eén keertje maar,” vleide zij. „’t Is ook niet voor mij.”
„Nu, voor mijn part,” gaf hij toe, denkende dat de kampong-bewoners het
verlangden, en wetende dat in dit geval een weigering hem een reeks
vexaties zou bezorgen.
Li stond op en liep naar het hokje achter het huis dat dienst deed voor
keuken, alwaar de oude kokki bezig was met de bereiding van het
avondeten. Nauwelijks was zij weg of een stem buiten kondigde aan dat
de „plajangan” [41] er was.
Korman ging zelf naar de deur om de trommel in ontvangst te nemen, die
de dus aangediende man medebracht, en die openende vond hij er de
couranten in en brieven, die voor hem, sedert de vorige maal dat de
brievenlooper naar de stad gegaan was, waren aangekomen. De onderneming
had nog weinig relaties met de buitenwereld en Korman zelf ook niet
veel, dus had hij het niet noodig geacht de post meer dan éénmaal in de
week te doen afhalen. Toch, als de trommel kwam, was hij steeds in zijn
schik; al ware het enkel maar om de couranten, die hem zoo’n beetje op
de hoogte hielden van wat er buitenaf voorviel.
Ditmaal was er meer. Toen hij de boel gesorteerd had, lagen er naast
het stapeltje couranten drie, zegge drie! brieven. Hij bekeek ze van
alle kanten; de eerste was van Benoit, dat zag hij dadelijk, doch de
andere intrigueerden hem sterk. Eén er van kwam uit Holland en toch was
het niet de hand van zijn moeder.... wie drommel kon het dán zijn? En
de tweede.... uit Semarang.... hand geheel onbekend....
Hij eindigde met den brief van Benoit open te breken, die niets
bijzonders bevatte, en draaide toen de beide andere in zijn handen heen
en weer, besluiteloos en toch nieuwsgierig. Het was een kwaal van
Korman, die velen echter met hem gemeen hebben, dat hij graag eerst
wilde weten vanwaar en van wien een brief kwam eer hij hem opende. Doch
ditmaal lukte het hem niet. Toen nam hij die uit Holland, als zijnde de
oudste, en scheurde er den omslag af.
den Haag....
Waarde Korman!
Van uwe moeder vernamen wij het heuchelijke nieuws, dat het God den
Heer behaagd heeft u in den stand der plantage-directeuren te
plaatsen. Wij hebben ons gehaast haar per keerende post onze
gelukwenschen aan te bieden, gelijk wij dit bij dezen insmede aan
uzelf doen.
Over de u ten deel gevallen bevordering sprekende met een onzer
kennissen, die juist op de thee kwam, nadat de brief van uwe moeder
door ons was ontvangen, deelde ZE., die als Oost-Indisch ambtenaar
vele jaren in gindsche landen vertoefde, ons een en ander mede
omtrent het leven op de plantages. Mijn zoon Henri, die zooals gij
zult weten in den zeedienst is, was daarbij tegenwoordig.
Nu wilde het geval dat hem, die een werkzaam jongmensch is, het
luie leven aan boord en vooral aan den wal zeer tegen de borst
stuit. Vernemende dat op een plantage steeds vraag is naar
fatsoenlijke jongelieden, opperde hij een denkbeeld dat, ik moet
het bekennen, uwe tante en mij het eerst met ontsteltenis vervulde.
Het was om Z. M. dienst te verlaten en zich bij u aan te melden.
Na gehouden ruggespraak met uwe moeder echter, zijn wij over vele
bezwaren heengestapt, en hebben onzen jongen in Gods hoede
aanbevolen en op de stoomboot gebracht, die hem naar u toe zal
voeren. Ik kan niet nalaten u dit met een enkel woord te melden,
daarbij de gelegenheid waarnemende u op het hart te drukken hem
niet alleen voor te gaan in het goede, want daarvan zijn wij zeker,
doch ook onzen jongen zooveel in uwe macht ligt af te houden van
het kwade. Wij allen zijn zwakke vaten en Henri is de vrouwen zeer
genegen, welke bijzonderheid ons mede deed besluiten hem uit de
verleiding die zijn betrekking hem aanbood, weg te nemen.