jongsaf is opgeleid tot zijn baantje, en een Gouverneur-Generaal niet.
Ja ik vraag, als er eens iemand was, die door ondervinding, van alle
details in de kolonie voldoende op de hoogte was om er over te kunnen
oordeelen en beslissen, hoe zou zoo iemand, die dan natuurlijk
gedurende tal van jaren een zeer warrig leven moest hebben geleid, in
ondergeschikte betrekkingen van allerlei aard,—hoe zou zoo iemand ooit
in aanmerking kunnen komen, als men uitziet naar een
Gouverneur-Generaal?”
„Maar als men het is...?”
„Dan heeft men geen tijd en geen gelegenheid. De Gouverneur kan niet
vandaag op een paard gaan zitten en de binnenlanden inrijden, morgen de
handelskantoren afloopen en overal inlichtingen vragen—zijn positie
verbiedt hem dergelijke vrije beweging. Hij moet op adviezen regeeren
en kan niet, al wilde hij nog zoo graag, door eigen oogen zien. Ook zij
die hem adviseeren gaan weer af op adviezen van lagere ambtenaren; en
dit daalt steeds meer, totdat... wie is nu het gouvernement?”
„Ja, als men het zoo beschouwt, juist zij die uit gebrek aan routine
knoeiers zijn,” gaf Rencke toe.
Het waren slechts drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, doch
hij had in dien korten tijd meer geleerd dan in al de maanden die hij
te Watoeombo had gesleten. De gave bezittende van te kunnen zwijgen
waar het pas gaf, pronkte hij thuiskomende niet met de opgegaarde
wetenschap, doch paste die toe waar hij kon, en nam zich voor die
eveneens te gebruiken als hij later geroepen werd tot ontginning van
nieuwe gedeelten.
Op de plaats waar hij de wilde honden had ontmoet, liet Rencke een val
zetten. De vindingrijkheid der inlanders had kans gezien daarbij
gebruik te maken van een levend aas, doch zóó dat dit—het was een
geitje—niet het minste gevaar liep van te worden verslonden. De val was
gemaakt van bamboe, en had den vorm van een doos zooals de apothekers
gebruiken om poeiers in te doen. Achterin stond de geit, vastgebonden
aan een der stijlen van den achterwand. De voorzijde was open, doch
daarboven hing een valdeur, aan een der armen van een evenaar. Viel die
deur, en ging daarmee de eene arm naar omlaag, dan trok de andere arm
van den evenaar een bamboe beschotje, dat in den grond gelaten was,
door een sleuf in den bodem naar omhoog, en scheidde zoodoende de val
in twee compartimenten: in het kleine de geit, in het grootere het
gevangen dier.
Met deze vernuftige inrichting ving Rencke twee exemplaren, waarvan tot
zijn groote blijdschap één teef die, naar het uiterlijk te oordeelen,
binnen weinige dagen het hare zou doen ter voorkoming van het
uitsterven van het wilde hondenras. Hij doodde het andere dier. Ook de
teef moest dat lot ondergaan, doch eerst nadat zij een tweetal jongen
zoover had grootgebracht, dat deze het zonder haar konden stellen.
Hij bood er een aan Korman aan, doch deze was bang voor ongelukken, met
het oog op de kleine meid; dus werd de versmade op zekeren dag met de
pooten aaneengebonden over een pikoelan [76] gehangen, en naar
Donowarie gebracht, waar hij ten huize van Messner een vriendelijk
onthaal vond.
Nog eenmaal in dien westmousson moesten de tuinen schoongemaakt worden.
De grond op de terrassen echter nog los genoeg zijnde, werd er nu niet
gedangird, doch alleen het onkruid, waaronder zich reeds de zoo gehate
alang-alang vertoonde, met den arit weggesneden; een werkzaamheid door
de Javanen babad genoemd, en waartoe zoowel mannen als vrouwen werden
gebruikt.
Korman had intusschen een drukke correspondentie gevoerd met den heer
Benoit. Op diens voorstel over de ontginning der geheele duizend bouws
had hij instemmend geantwoord, en hem verzocht in de Soerabajasche
bladen een advertentie te laten zetten, waarbij sollicitanten naar een
opzichtersbetrekking werden opgeroepen. Het aantal jongelieden buiten
betrekking kon in dien tijd nog geteld worden; doch Benoit had zijn
eigen naam onder de advertentie gezet; en de reputatie die van hem
uitging, dat hij ijverige jongelui wel eens voorthielp tot eigen zaken,
maakte dat er meer aanbiedingen kwamen dan anders het geval zou geweest
zijn.
Uit de ontvangen brieven zond Benoit er drie aan Korman, met den raad
de schrijvers er van alle drie te nemen, en inzonderheid Jhr. van
Everdingen tot Aardam, met wien Benoit, naar hij schreef, reeds in
nadere onderhandeling was getreden over het voorstel, dat Korman in den
brief zelf zou lezen.
Op de beide andere brieven beschikte Korman onmiddellijk gunstig,
zoodat Gerlings en Biezeman aanschrijving kregen om met den eersten der
volgende maand in dienst te komen, doch de brief van van Everdingen,
met de speciale aanbeveling van Benoit, woog hem zwaar op het hart.
Wat toch was het geval. Van Everdingen was pas in Indië gekomen, op een
in dien tijd zeldzame wijze, namelijk met eenig fortuin. Hiervan bood
hij aan dertig duizend gulden in Kormans onderneming te steken, mits
hij er een betrekking kreeg en een aan zijn inbreng geëvenredigd
aandeel.
Korman vloekte zich stijf, maar hij begreep dat er niets aan te doen
zou zijn. Hij schreef aan Benoit dat hij de voorloopige regeling geheel
aan hem overliet, en verzocht alleen vóór de definitieve sluiting der
overeenkomst daarvan inzage te mogen hebben.
Toen zocht hij Rencke op, om bij dezen zijn gemoed uit te storten. De
employé vond ook dat een dwang, als die welke de geldschieter aldus
uitoefende, voor Korman onaangenaam was. Daarbij vreesde hij, en hij
zeide het aan Korman, dat de komst van een compagnon hem in zijn
bevordering zou achteruit zetten.
„Om den dood niet!” riep Korman uit. „Die lamme 30 mille mogen hem al
een aandeel in de zaak verschaffen, maar in geen geval een hoogere
betrekking, dan hij door zijn werk verdient. Maak je niet ongerust. Ik
begrijp trouwens niet, dat Benoit het doet. Wat beteekent die som voor
hem—in een onderneming waar minstens een half millioen in gaat? Het is
om een dwarskijker te hebben, anders niet!”
„Als ik het had geweten,” zeide Rencke, „dan had ik van mijn familie
ook wel een dergelijk bedrag kunnen krijgen.”
„Zwijg er over, alsjeblieft,” verzocht Korman. „Benoit is in staat en
maakt van al mijn employé’s nog compagnons!”
„Het idée was misschien nog zoo kwaad niet,” vond Rencke. „U zoudt op
groote ambitie staat kunnen maken; ieder zou ook voor zijn eigen belang
werken.”
„Behalve als het een luilak was, die dacht: ze kunnen mij er toch niet
uitzetten,” zeide Korman.
Toen hij het geconcipieerde contract las, glimlachte Korman echter. In
hoofdtrekken luidde het aldus: De onderneming zou in tweeën gesplitst
worden, elk deel groot 500 bouws. Tot het eerste deel behoorde al wat
tot nu toe ontgonnen was, met nog tweehonderd bouws; het tweede deel
was geheel onontgonnen grond. Hiervan zou van Everdingen een half
aandeel bekomen voor dertigduizend gulden, waarvoor Korman’s rekening
werd gecrediteerd. Benoit zou voorts werkkapitaal blijven verstrekken;
ten eerste voor Korman’s aandeel, en ten tweede voor van Everdingen,
tenzij deze het zelf wilde bijpassen.
„Begrepen!” zeide Korman bij zich zelf. „We drukken hem dood met de
rente.” Nu hij wist waaraan hij zich te houden had, vond hij het minder
erg dan in het begin.
De beide employé’s, Gerlings en Biezeman, arriveerden tegelijk. De
eerstgenoemde was een jong man van korte gestalte, zwart haar, bruine
oogen en een klein, mager kneveltje. Hij praatte veel en lachte steeds.
Overigens toonde hij een beschaafd en welopgevoed man te zijn.
Biezeman was een gewezen matroos. Reeds lang in de koffie en in de
suiker werkzaam geweest, had hij van zijn verschillende chefs de
manieren overgenomen, die hem van ieder afzonderlijk het meest
beschaafd voorkwamen, daardoor een potsierlijk ensemble vormende. Als
hij zijn hand uitstak, dan herkende men daarin dadelijk de wijze waarop
meneer A., administrateur van die of die fabriek, dat ook deed; doch
waar deze met een welgevormde kleine hand een gracieuse voorwaartsche
beweging maakte, daar was de imitatie dier beweging, met een groven
klauw vol blauwe ankers en hartjes van Biezeman, eenvoudig koddig.
Meneer B., van een koffieland in Midden-Java, droeg zijn zachten,
langen baard, netjes gescheiden, in twee punten uitloopend. Wacht,
zeide Biezeman, en kamde en borstelde net zoo lang, tot zijn als van
rood koperdraad vervaardigde gelaatsversiering eveneens met twee harde
punten pronkte. Meneer C., een derde chef, was gewoon „Amice!” boven
aan de briefjes te zetten, die hij zijn employé’s stuurde, en sedert
schreef Biezeman „Amize!” onverschillig aan wien.
Zoo kon men nog veel verder gaan, maar dat alles nam niet weg dat
Biezeman een flink en trouw werkman was, die èn daarom èn om de
komische stof die hij leverde, overal gemakkelijk een betrekking kon
krijgen.
Hij bracht een huishoudster mee en twee jongetjes: aanstaande
Gombonggers [77], zooals hij hen voorstelde.
Korman zette beiden onmiddellijk aan het werk. Er moest een grensweg
gemaakt worden, die de scheiding aangaf tusschen de twee perceelen
waarin Watoeombo verdeeld werd. Van het midden uitgaande, werkte
Biezeman de eene helft af en Gerlings de andere.
Voorloopig waren de beide nieuwe opzichters onder dak gebracht in een
oud kampong-huis, terwijl Biezeman’s huishoudster ook voor Gerlings
kookte. Dit huis was, met dat van Rencke, het laatste dat nog stond
onder de boomen; de oude koelie-loods en andere gebouwen waren allen
verdwenen; en straks, als het huis dat voor Rencke opgetrokken werd,
gereed was, en deze nieuwe opzichters naar hun standplaatsen zouden
vertrokken zijn, dan moesten ook de groote boomen vallen en zou daarmee
het eenige schilderachtige plekje dat op Watoeombo te vinden was,
weggevaagd worden.
Ongeveer veertien dagen na de aankomst van de beide opzichters, ontving
Korman bericht dat van Everdingen op reis was naar hem toe. Hij gaf
Rencke daarop den welkomen last om naar de stad te rijden en den
nieuweling af te halen; een opdracht die Rencke daarom dubbel aangenaam
vond, omdat Korman, sedert Biezeman er was, zich bijna uitsluitend met
dezen occupeerde, waarbij zich het eigenaardige verschijnsel voordeed,
dat hij, die in en door den omgang met Rencke zich even beschaafd als
deze wist te gedragen, thans hoe langer hoe meer tot een soort van ruwe
ongegeneerdheid verviel, die men Biezeman vergaf, doch in Korman
stuitend was.
Rencke vond van Everdingen in het logement, in druk gesprek met een
heer van buitengewoon groote lichaamsgestalte. Hij stelde zich voor en
vernam dat de vreemdeling van Os heette en gepensionneerd kapitein was.
„Meneer van Os denkt overmorgen met ons mee te gaan naar boven,” zeide
van Everdingen.
„Eens kijken of er nog woeste gronden zijn, geschikt voor koffie,”
vulde van Os aan.
„Ik zou denken van wel,” zeide Rencke. „Is u ook van het vak?”
„Neen, ik ben pas uit den dienst. Daarom zoek ik wat in de buurt van
een ander land, zieje; dan kan ik afkijken,” antwoordde van Os, terwijl
Rencke moeite had zich goed te houden.
„Is die meneer wel recht bij het hoofd?” vroeg hij later, toen hij met
van Everdingen naar de sociëteit liep.
„Ik geloof dat hij zich dommer voordoet, dan hij is,” antwoordde deze.
„Hij heeft, naar hij zegt, verscheiden ondernemingen bezocht en
bevonden dat koffieplanten geen heksenwerk is. Enfin, hij moet zelf
weten wat hij doet; in alle gevallen is hij een gezellig prater, en mag
ik lijden dat hij in onze buurt komt.”
Rencke en van Everdingen konden het samen al dadelijk goed vinden. Als
bij intuïtie gevoelden zij dat zij in denzelfden stand thuis behoorden;
en mag het al zijn dat in het moederland de edelman en de patriciër
niet altijd harmonieeren, in de kolonie sluit zich een verdwaald
solitair uit de upper ten thousand gaarne bij zijns gelijke aan, als
hij dien bij toeval ergens tegenkomt te midden der lower millions.
Rencke had belet laten vragen bij den resident. Thuiskomende in het
hôtel, vond hij een uitnoodiging om zijn bezoek uit te stellen tot den
volgenden dag, en wel in den naävond, daar er dan dansreceptie was. Van
Everdingen had dezelfde invitatie den vorigen dag reeds ontvangen.
Hoewel Rencke reeds na die weinige maanden den invloed gevoelde van de
afzondering in de binnenlanden, was hij echter spoedig weer op dreef;
en hij zoowel als van Everdingen, waren schitterende figuren op het
bal. De resident, die daar bij de schaarschte aan cavaliers sterk op
lette, vloeide over van vriendelijkheid jegens hen, en hield een
lofrede op Korman, die zulke nette jongelui aan zich wist te verbinden.
Ook de heer van Os was op de partij aanwezig, en had zich
verdienstelijk gemaakt door de residentsvrouw voor de quadrilles te
engageeren, waarvoor de jongelui hem in stilte eeuwigen dank zwoeren,
en niet minder door met zijn krachtvol orgaan deze dansen te
commandeeren, zóó goed, dat de resident hem ten volle vergiffenis
schonk voor het niet deelnemen aan de rondedansen, en hem later op den
avond zijn steun toezegde als de heer van Os mocht besluiten in dit
gewest gronden aan te vragen.
Een behoorlijke partij in de binnenlanden eindigt niet voor zonsopgang,
zoo ook deze niet. Rencke en van Everdingen stapten dien morgen als het
ware zoo uit het residentiehuis de badkamer in. Toen zij daar weer
uitkwamen, en de kamer van van Os passeerden, riep deze hen aan, en
ging hen voor naar binnen. Achter de deur stond een knaapje, en daarop
een veldflesch, waarvan de stop tevens als kroes dienst deed.
„Ga je gang,” zeide van Os op deze artikelen wijzende.
Doch de beide jongelui trokken een vies gezicht; zij rooken de
jeneverlucht, die vooral Rencke zoo vroeg in den morgen onaangenaam
aandeed. Van Os was ten zeerste verbaasd.
„Niet?” vroeg hij. „’t Is anders zeer recommendabel, vooral na een
nacht wakens. Als de heeren eens op expeditie waren geweest zouden ze
het meer apprecieeren.”
„Dat is mogelijk,” zeide Rencke, „gewoonte doet veel, maar ik zou het
nu niet kunnen verdragen.”
„Wel, vrijheid blijheid,” zeide van Os. „Als de heeren zich nog
bedenken mochten, dan weten ze waar het staat.” En zijn handdoek
opnemende, slofte hij op zijn beurt naar de badkamer.
Gaarne had van Os van Rencke’s aanbod gebruik gemaakt om met de
américaine tot Wonosarie mede te rijden, en daarom zijn paard—een zware
Makassaar—vooruitgezonden.
Zonder ander ongeval dan een losse onweersbui, zooals de kentering die
gewoonlijk meebrengt, bereikte het drietal Korman’s woning.
De onverwachte gast werd met hartelijkheid ontvangen, en onmiddellijk
een logeergelegenheid voor hem in orde gebracht. Het was nog in de
gulden dagen der zoo geroemde Indische gastvrijheid, een deugd die
overal gevonden wordt waar geld verdiend wordt, of waar men althans
geen zorgen kent. Want komen er tijden, die de menschen noodzaken ieder
dubbeltje driemaal om te keeren eer men het uitgeeft, dan verdwijnt ook
de gastvrijheid en de behulpzaamheid, en ontvangt men den vreemdeling
staande in de voorgalerij, om hem hoogstens den kortst mogelijken weg
naar het logement te wijzen. En helaas, al brengt de fortuin weer
blijdere dagen, de vervlogen deugden keeren nooit weerom.
Met eenige verbazing had Korman van Everdingen aangezien, en zich
afgevraagd of deze bestand zou zijn tegen het zware werk op een
onderneming. Want het werken in de open lucht, het loopen bergop
bergaf, natworden en weer opdrogen, vereischt een sterk gestel, en daar
zag van Everdingen nu juist niet naar uit. Vooral waar hij stond te
midden der breede gestalten van de anderen, viel zijn smalle borst,
bleek gelaat en eenigszins gebogen rug sterk in het oog.
„En u komt zoo gronden zoeken, meneer van Os?” vroeg Korman, toen allen
gezeten waren. „Dan zal ik morgen wel wat koelies voor u mogen
reserveeren?”
„Zeer verplicht,” was het antwoord. „Maar morgen heb ik alleen iemand
noodig die hier in de buurt wat bekend is. Ik geloof namelijk al
gevonden te hebben wat ik zoek. Juist beneden dit land liggen gronden,
die, als ze even goede aarde bevatten als ik hier heb gezien, voor mij
als geknipt zijn.”
Korman zag even naar Rencke, die bijna onmerkbaar de schouders optrok.
„Maar het is allemaal alang-alang en glagah,” merkte Korman op.
„Mag ik vragen,” zeide van Os, die de bedoeling van den ander volkomen
begreep, „hoe u het onkruid betitelt, dat ik in de verte in uw tuinen
zag wegsnijden?”
„Wel, alang-alang,” antwoordde Korman min of meer beteuterd. „Maar,”
vervolgde hij, zich herstellend, „waar een ander alle mogelijke moeite
doet het te verdrijven, zoudt u het daar gaan opzoeken?”
„Ik zou de zaak anders willen voorstellen,” zeide van Os. „U heeft
zwaar bosch omgekapt, met het resultaat dat er thans alang-alang in uw
tuinen staat; ik heb straks alang-alang zonder boschkappen, dat wil
zeggen: zonder de groote onkosten daaraan besteed.”
„Zoo oppervlakkig zou men u gelijk geven,” zeide Korman. „Maar het is
tegen alles in.”
„Tegen alle traditie,” gaf van Os toe; „maar dat bewijst niet veel. Het
is mogelijk dat er in mijn redeneering en gevolgtrekkingen een haakje
los is, maar naar dat haakje zoek ik; en als ik het niet vind, dan waag
ik het. Zooveel heb ik op mijn rondzwerven wel gezien, dat alle
koffieplanters probeeren en nog eens probeeren, en dat niemand precies
zou kunnen voorschrijven wat zeker goed is en wat niet deugt.
Intusschen groeit de koffie, hoe men haar ook maltraiteert.”
Van Everdingen en Rencke hadden dit gesprek met belangstelling
aangehoord. De eerste zooals ieder nieuweling in een vak, in de hoop
wat te leeren; de ander als iemand die reeds zelfstandig weet te
oordeelen.
Rencke dacht aan de lessen die hij op Donowarie gekregen had, en zijn
opinie formuleerend, mengde hij zich in het discours.
„Als het geoorloofd is,” zeide hij, „zou ik wel een stelling willen
opwerpen. Namelijk deze: Koffie groeit altijd wanneer de grond goed is
en schoongehouden wordt. Daarvan uitgaande, staat de methode van meneer
van Os vrijwel gelijk met de onze. Wat wij in den beginne meer hebben
uitgegeven aan kaploon, betaalt hij straks voor de meerdere moeite bij
het dangirren, en blijft alleen de vraag open, wie nu het meeste
betaalt.”
Van Os knikte goedkeurend en maakte een beweging alsof hij nog wat had
willen zeggen, doch zich plotseling bedacht; Korman daarentegen schudde
het hoofd over de ketterijen door zijn employé uitgesproken.
Den volgenden morgen, toen van Os vertrokken was, begeleid door een der
vaste opgezetenen, installeerde Korman van Everdingen. Om aan zijn
gebrek aan kennis te gemoet te komen, werd hem Biezeman toegevoegd. Met
hun beiden gingen zij dagelijks uit, het boschkappen dat nu met kracht
begonnen en voortgezet werd surveilleerende, en een weg slaande naar de
uiterste grens van het perceel, waar zij een kalie vonden en een stuk
vlak terrein geschikt voor kampong en établissement. Daar werd toen
eenig volk heengebracht, en ongeveer op dezelfde wijze als vroeger
Korman, vestigde er zich Biezeman, terwijl van Everdingen voorloopig
bij den administrateur in huis bleef.
Gerlings, belast met het opzicht over het boschkappen op Rencke’s
afdeeling, betrok een huisje dat voor hem in de kampong was neergezet,
natuurlijk na zich op de bekende wijze te hebben voorzien van het
noodige huisraad, waaronder een ménagère.
Een maand later achtte Biezeman, hoewel van Everdingen iederen dag naar
hem toe ging, het noodig een briefje aan Korman te zenden van den
volgenden inhoud:
„Amize, het huis is klaar. Laat de hoogedelen Heer nou maar komme.
verblijv met den achting
Gerrit Biezeman.”
En hiermee bluschte hij zonder het te weten, een vuurtje dat in
Korman’s woning leelijk aan het smeulen was.
De dagelijksche omgang had tusschen van Everdingen en Li een zekere
mate van intimiteit doen ontstaan. De vroolijke losheid van manieren
die de eerste bezat, zoo geheel in tegenstelling met Korman’s zwijgende
geaffaireerdheid, hadden het jonge vrouwtje zeer aangetrokken; en zij
hield er van met van Everdingen te stoeien en te schertsen, zonder dat
zij bemerkte hoe deze gaandeweg meer werk van haar maakte dan met hun
wederzijdsche positie wel in overeenstemming was te brengen.
Als Korman thuis was, nam hij van Everdingen altijd geheel in beslag,
en bepaalde deze er zich toe Li met de oogen te volgen als zij in de
galerij kwam, of als toevallig haar aan te raken wanneer hij haar
passeerde; doch als de administrateur nog niet thuis was bij van
Everdingen’s terugkomst van het werk, dan begon het spelletje, tot
groot vermaak van de bedienden die reikhalzend zaten uit te kijken naar
den ernst, die er volgens hen het natuurlijke gevolg van zou zijn.
Eens—Korman was naar de stad gereden en werd dien dag terug
verwacht—waren zij samen aan het krijgertje spelen in de binnengalerij,
die vanwege den sterken wind juist gesloten was. Na vele vergeefsche
pogingen had van Everdingen de vlugge Li ingehaald en hield haar vast,
terwijl zij zich lachende trachtte los te maken, toen haar slof
uitschoot, hakende aan de rottan-mat, en zij achterover viel op de
rustbank. Van Everdingen bleef haar vasthouden, terwijl zijn onderlip
zenuwachtig trok...
Met fonkelende oogen...
O neen, toch niet. Li was geen romanheldin en gedroeg zich dus ook niet
als zoodanig. Zij zeide eenvoudig: „Djangan toewan [78]”, en ontsnapte
met een vlugge beweging, eerst van de bank en daarop uit de
binnengalerij.
Li was geschrokken; dàt had zij niet verwacht en niet gewild ook; zij
was nog te veel kind om het gevaar te voorzien, dat gelegen was in het
dagelijks stoeien van een jonge vrouw met een jongen man; zij vond het
ten slotte jammer en vervelend.
Vervelend vooral omdat zij nu niet meer zooveel gekheid durfde maken,
bang zijnde voor de gevolgen. Aan Korman zeide zij echter niets; ook
niet toen van Everdingen haar een paar dagen later onder tafel
herhaaldelijk aanstootte; iets wat haar echter in groote verlegenheid
bracht, daar zij het hem niet kon beletten zonder dat Korman het
bemerkte.
Gelukkig maakte Biezeman’s epistel er een eind aan; dat vond ook van
Everdingen, die zich, toen hij naar zijn eigen woning verhuisd was,
onttrokken aan de charme dier groote zwarte oogen, eigenlijk schaamde
voor zichzelf.
Uit de stad bracht Korman het nieuwtje mee, dat de heer van Os
werkelijk de gronden had aangevraagd aan den onderkant van Watoeombo,
en spoedig aan den gang zou gaan op de alang-alang velden, die Korman
spottenderwijze de „prairiën” noemde.
„Ga je mee, eens kijken wat die dolleman uitvoert?” vroeg hij aan
Rencke, nadat van Os een poos aan ’t werk was geweest.
„Heel graag,” zeide deze; „men kan overal wat leeren.”
„Hm,” bromde Korman; „vooral hoe je het niet moet doen.”
Een goed half uur beneden Watoeombo vonden zij een versch in het hooge
gras gekapt pad, en een voorbijgaand inlander lichtte hen in dat dit de
weg was naar Soemberpetong, de oude naam voor het perceel van van Os,
dat officieel echter Marialand gedoopt was, naar van Os’ oudste
dochtertje.
Maar hoe stonden zij te kijken, toen zij den eenzamen weg door de
alang-alang ten einde waren, en stuitten op een stukje bosch! Bosch
mocht men het eigenlijk niet meer noemen. Het dunne hout was weggehakt;
zorgvuldig was alle vuilnis weggeruimd onder de groote boomen; nette
breede wegen liepen, schijnbaar achteloos tusschen de woudreuzen door
kronkelend, naar het midden; de wegen aan den kant afgezet met een
roode grassoort; aan den uitersten rand zagen zij de kampong, de erven
omsloten door bamboe paggers; een inlander was bezig, nog eenigszins
onhandig, met een hark, een echte hollandsche hark!, den weg te
reinigen, aan welks einde, na een korten draai, een pleintje lag, reeds
half getransformeerd in een bloemtuin; daarachter het huis.
„Wat bl...,” begon Korman, doch het woord stolde op zijn tong. Uit de
voorgaanderij kwam een dame, den koelie die in het tuintje werkte iets
toeroepend. Twee meisjes, van ongeveer zes en acht jaar, trokken de
dame aan de sarong als om haar aandacht op te wekken.
„Daar komen heeren, Ma,” hoorden de twee ruiters het oudste meisje
zeggen.
De dame wendde zich om, en beantwoordde den groet der bezoekers, die
inmiddels waren afgestegen. Korman stond verlegen en wist niet wat hij
zeggen moest, terwijl Rencke wachtte tot zijn chef het eerste woord zou
gesproken hebben. Er ontstond een pijnlijke stilte, die echter maar
even duurde.
„U is zeker meneer Korman,” zeide de dame.
„Ja mevrouw,” antwoordde de aangesprokene, doch verder bracht hij het
niet.
„Mijn naam is Rencke,” viel toen deze in, zich vermakende met de
verlegenheid van zijn chef. „Maar welk een verrassing, mevrouw. We
dachten hier meneer van Os te vinden in een dier fameuse
plantershutten, en zie, we treffen een feeënpaleis aan....!”
„Nu meneer, geen overdrijving,” zeide mevrouw van Os. „Maar.... willen
de heeren alsjeblieft binnen komen? Marietje, roep Sidin even, om de
paarden vast te houden.”
De komst van Sidin, in een helderwit baadje met blauw afgezet,
acheveerde Korman, die, blij dat hij Rencke meegenomen had, achter
dezen de voorgaanderij instapte.
„Gaat zitten heeren,” verzocht de gastvrouw. „Van Os is uit, maar zal
wel zóó thuis komen. Kijk, daar komt hij al aan.”
Van den tegengestelden kant als vanwaar de bezoekers gekomen waren,
verscheen de groote gestalte van den oud-kapitein, evenals de anderen
in het wit, met een breeden zonnehoed op het hoofd.
„Daar doe jelui wèl aan!” riep hij binnenkomende. „Dag Korman, dag
Rencke! Ik zag jelui toppies [79] in de verte boven het gras uitsteken,
en heb me gehaast naar huis te komen. Ga zitten; wat gebruiken jelui?
Vrouwtje, laat de minoeman [80] eens aanrukken. En een potje bier.”
De komst van den heer des huizes had Korman weer op zijn gemak gezet;
en toen mevrouw van Os naar binnen was gegaan om voor het gevraagde te
zorgen, durfde hij weer te spreken.
„Wat is het hier mooi!” begon hij.
„Aardig prutswerk,” zeide van Os. „Och, mijn vrouw heeft er plezier in
om die dingen te doen, en ik om er naar te kijken. Maar jelui wilt
zeker ook eens het meer essentieele zien? Na de rijsttafel dan; ’t is
nu te laat.”
Intusschen had Korman een aanknoopingspunt gevonden; hij redeneerde
alleen over koffie en nog eens koffie; andere onderwerpen lieten hem
koud, omdat hij ze niet machtig was. Toen mevrouw van Os weer terug was
gekomen, hield hij met hardnekkigheid vast aan een quaestie over den
aanleg van pépinières, zoodat Rencke zich geroepen achtte een
afzonderlijk gesprek te beginnen met de vrouw des huizes.
Zij was ook uit den Haag, en kende verscheiden menschen die ook Rencke
kende, totdat deze haar vroeg naar haar meisjesnaam, en toen verwonderd
was over het feit dat zij, die uit een gefortuneerde familie stamde,
als onderwijzeres naar Indië was gekomen.
„Al leerende kreeg ik zin in het onderwijs,” verklaarde zij. „Na de
hulpacte te hebben gehaald, assisteerde ik op dezelfde kostschool waar
ik vroeger onderwezen was. Toen de verplichte twee jaar om waren, ging
ik terug naar den Haag, om voor de hoofdacte examen te doen. Daarin
geslaagd, wachtte ik den afloop der onderhandelingen af, die Papa voor
mij voerde met de juffrouw van de kostschool om die inrichting voor mij
over te nemen. Maar wat gebeurt er. Eens, op visite bij een oude freule
van onze kennis, ontmoet ik daar den advokaat Daatselaar.”
„Die half blinde, met zijn krukje?” vroeg Rencke.
„Ja, juist! Leeft hij nog?”
„Neen mevrouw, dat zou wat al te bar zijn. Hij is een jaar of vijf
geleden gestorven.”
„Zoo. Nu, deze ondervroeg mij naar mijn plannen, en ik vertelde hem een
en ander. Op eens zegt hij: „Ja ja, daar doen tegenwoordig veel meisjes
aan; de dochter van mijn koetsier heeft onlangs ook haar examen
afgelegd.” Ik was woedend, en—hoe het kwam weet ik niet—ik had
plotseling allen lust verloren om onderwijzeres in Holland te worden.
Later hoorden wij van de schitterende vooruitzichten die Indië aanbood,
en... ik ging. Geplaatst te Passoeroean maakte ik kennis met mijn
collega’s. En wie denkt u dat de eerste was?”
„De koetsiersdochter!”
„Dezelfde,” zeide mevrouw van Os. „Het was om wanhopig te worden.
Gelukkig kwam spoedig daarna van Os. En nog gelukkiger,” vervolgde zij,
eenigszins kleurende op het glimlachje dat Rencke niet geheel had
kunnen onderdrukken, „konden wij het samen zoo goed vinden, dat ik zijn
voorslag met een gerust hart mocht aannemen.”
Sidin kwam vertellen dat het eten opgedragen was.
Het trof Rencke zoo netjes als de twee meisjes aan tafel zaten. Op zijn
reis toch had hij in de logementen geen grooten dunk van indische
kinderen opgedaan. Het voeren door de baboes [81], het smijten met
tafelgereedschap en eten, ondanks vermaningen van ouders, de kreten
van: „nonni wil niet,” „njotje lust niet, njotje is zoo misselijk” en
andere hebbelijkheden, als het hangen op- en afglijden van hun stoel,
wegloopen en terugkomen zonder verlof.... dat alles, overal herhaald in
onderscheiden variaties op hetzelfde thema, had hem doen denken dat dit
zoo ’s lands wijs was. Hier bespeurde hij echter dat er op dien regel
ook uitzonderingen waren.
Na de rijsttafel gingen de drie heeren op marsch, doch even te voren
woonden Korman en Rencke een tooneeltje bij dat beiden amuseerde. Nadat
de kenthong het sein gegeven had, kwamen de koelies op het middagappel,
dat ter zijde van de administrateurswoning gehouden werd. Daar lagen
twee lange bamboe riggels, met pennen in den grond vastgezet. De
koelies hurkten neder, de hielen op de bamboe, zoodat zij dadelijk in
een welgeordende dubbele rij kwamen te zitten. De mandoers bleven
staan, elk bij zijn ploeg volk.
Het beviel de beide bezoekers wel, aangezien het te Watoeombo lang
placht te duren eer het volk voldoende geordend was om het te kunnen
tellen. Maar wat er volgde vonden zij grappig, en Korman daarenboven
aanstellerig.
Nadat van Os het getal der koelies had opgenomen, dat vergeleken met de
lijst van het morgen-appel en de mandoers orders had gegeven voor het
werk, kommandeerde hij:
„Geeft acht!”
Als één man stonden de Javanen op.
„Ovèrrrr.... huup!”
Vrij gelijkmatig gingen de patjols of wadoengs of arits omhoog en over
den schouder; bij enkelen links, en bij anderen rechts; doch zóó nauw
moest men niet zien.
„Rechtsom,” en „voorwaarts marsch!” hadden ten gevolge dat de troepjes,
twee aan twee, met den mandoer aan ’t hoofd, wegmarcheerden, elk naar
het hun aangewezen werk.
„Ik maak u mijn compliment, meneer van Os,” zeide Rencke. „Ik heb, den
korten tijd in aanmerking genomen, onzen luitenant van de mariniers met
minder succes de janmaats zien drillen.”
„Het wint tijd uit,” zeide van Os. „In de eerste dagen had altijd ieder
nog wat te bescharrelen eer ze aftrokken; dat verveelde mij, en heb ik
het toen zóó ingepikt. De kerels hebben er zelf schik in.—Nu konden wij
langzamerhand óók wel opwandelen.”
Zij bezochten een paar stukjes boschgrond, waar men bezig was de dunne
boomen uit te kappen en den grond schoon te maken—trontong, zooals dit
werk heet—, en op hun terugweg zagen zij een groote open plek waar
beddingen werden aangelegd. Dat was alles.
De uitgestrektheid van de beddingen deed Korman verwonderd vragen, waar
al die bibit zou moeten geplaatst worden. Het zetten van boschkoffie in
de trontongans had hij begrepen, doch verder scheen de heer van Os geen
aanleg te ondernemen.
„Wel, overal,” was het antwoord.
„Dan zal er wel spoed gemaakt mogen worden met babadden en
terrassenmaken,” meende Korman, „of je komt niet klaar.”
„Terrassen?” riep van Os uit, met een uitdrukking van de hoogste
minachting. „Daar doe ik niet aan. Als de eerste regenbui dreigt, steek
ik een lucifer aan, en houd die tegen de alang-alang; in een ommezien
is dan het heele perceel schoon en gereed om te worden beplant. Alleen
in de gedeelten boschgrond laat ik doen wat jelui gezien hebt; en
daarmee uit. Ik heb wel een contract met de Handelsbank, zie je, maar
zij willen dat ik eerst mijn duiten, of liever die van mijn vrouw,
opwerk; daarna zouden zij kapitaal fourneeren. Dat wil zeggen: ik de
risico, en zij, als alles goed gaat, het voordeel. Dank je hartelijk!
We zullen eens zien of we er zonder hen niet kunnen komen. Maar daarom
moet ik zuinig zijn, en mij geen overbodige luxe permitteeren van
terrassen als anderszins.”
Korman was het niet met hem eens en bestreed zijn theorieën, zelfs toen
zij weer in huis waren en mevrouw van Os met blijkbaren angst naar
Korman’s uitspraken luisterde. Rencke bemerkte het, en om een afleiding
te geven, zeide hij iets over een hond, dien hij opzij van de
voorgalerij zag liggen.
„Een trouw beest,” zeide van Os. „Twee jaar geleden heeft hij onze
Nonni uit de kalie te Batavia gered. Bello, kom hier!”
Het was een groot dier, bastaard patrijs, met dik bruin kroeshaar en
groenachtige oogen.
„Valsche oogen,” vond Korman.
„Toch een lobbes,” zeide van Os den hond streelende. „Alleen op sommige
menschen heeft hij het voorzien; maar het moet gezegd worden, dat het
zonder uitzondering gladakkers [82] zijn. Bello schijnt er slag van te
hebben die te onderscheiden. Nu is ’t genoeg, vort!”
Bij de laatste woorden gaf hij den hond een duwtje van zich af, in de
richting van Korman’s plaats. Deze stak de hand uit om Bello aan te
halen, maar eensklaps sprong de hond op, tegen Korman, de voorpooten op
diens borst zettende en hem met een geweldig gebrom de tanden toonende.
Korman werd zoo bleek als de muur, en van Os, toeloopende, greep zijn
hond, dien hij met een smak de galerij uit wierp.
„Wel verduiveld Bello, wat mankeer je?” riep de huisheer, en bracht,
tevens om van zijn verlegenheid te bekomen, den hond naar achter, waar
hij hem aan den ketting legde.
„Ik vraag wel excuus,” zeide hij terugkomende. „Ben je erg geschrokken?
Ik begrijp er niets van; als het niet was om den dienst dien hij ons
bewezen heeft, schoot ik hem dood.”
„’t Is niets,” verklaarde Korman, die van den schrik bekomen was.
„Alleen houd ik mij gerecommandeerd dat je hem vastlegt als ik eens
weer kom.”
Tegen den avond keerden Korman en Rencke huiswaarts.
„Wat een knoeier,” was het oordeel van den eerstgenoemde. „Ik heb
medelijden met die vrouw en kindertjes; want hij ruïneert zich vast en
zeker.”
Rencke gaf hier geen weerklank op. Hij zag niet in waarom van Os niet
zou slagen, en vond dat de tijd moest leeren wie het bij ’t rechte eind
had.
De eene helft der onderneming Watoeombo was spoedig geheel van bosch
ontdaan, en Gerlings werd verplaatst naar een geschikt terrein op het
nieuw gekapt gedeelte, waar hij een kampong liet bouwen en beddingen
aanleggen.
„Die is goddank wat uit de buurt,” zeide Korman. „De vent werkt goed,
maar dat eeuwige lachen bij al wat hij zegt, is onuitstaanbaar.”
Ook van Everdingen, die nu slechts zelden op het hoofdkwartier kwam,
begon lucht te krijgen op zijn gedeelte. Sabrang was het gedoopt,
hetgeen letterlijk: „de overzijde” beteekent, naar de gewoonte der
inlanders om te spreken van de overzijde van den grooten bergrug, als
zij doelden op de afdeeling van van Everdingen.
Het huis waar deze in woonde, was als een copie op verkleinde schaal
van dat van Messner op Donowarie, geheel van bamboe en gedekt met
alang-alang doch overigens comfortabel ingericht. Maar er ontbrak iets
aan en dat „iets” wilde van Everdingen er toch niet in hebben,
niettegenstaande het aanbod van Biezeman’s huishoudster, die een jonger
zusje wilde gaan halen uit de streek vanwaar zij zelve afkomstig was.
Hij had zijn hart achtergelaten bij een hollandsche jonkvrouw, wier
ouders echter hun veto hadden doen hooren. Want het huwelijk bestaat
uit twee zaken. De eerste is van geestelijken aard en wordt door de
jongelui zelf met veel gevoel bezorgd; de tweede is een zuiver
financieele transactie, waarvan de ouders het beleid aan zich gehouden
hebben. Dikwijls nu, en in casu bij van Everdingen, weerhoudt de
laatste het geheel. Toen was hij naar Indië getrokken in de hoop zijn
dertigduizend gulden daar in korten tijd te zien groeien, tot de ouders
zijner aangebedene er zich aan vergaapten. En hij had zijn liefde zoo
geheel gegeven, dat er zelfs niet wat afval overschoot voor dat „iets”
dat zijn huis in orde moest houden.
De oude kokki, die voor het eten moest zorgen, ondernam tweemaal in de
maand een tocht naar den passar te Wonosarie, waar de wedhono woonde.
De eerste keer had de meegebrachte voorraad, berekend voor veertien
dagen, nauwelijks een week gestrekt. Toen sloot van Everdingen de
goedang en het kippenhok af, en gaf elken morgen het ration voor den
loopenden dag. Daarop was het opgedischte eten in quantiteit gaan
afnemen, en de kippenpootjes natellende, bespeurde hij dat de kokki
zich aan verduistering daarvan schuldig maakte. Dit ook ontdekt ziende,
werd kokki om de zooveel dagen erg ziek, om op haar baleh-baleh te
kunnen liggen nadenken over nieuwe akals [83].
Zoo ging het ook in alle andere zaken. De huisjongen stal sigaren en
tabak, de stalknecht de gabah [84]; suum cuique dachten zij niet, maar
brachten het op hun manier in toepassing.
Eindelijk werd het den armen van Everdingen te kras, en was er
intusschen door een halfjarig verblijf in de binnenlanden van Java ook
een verandering gekomen in zijn zienswijze omtrent verschillende zaken.
Wat hem vroeger van uit Holland immoreel en stuitend zou hebben
toegeschenen, leek hem thans, nu het door den drang der omstandigheden
werd geboden, maatschappelijk bestaanbaar en ook niet zoo heel
onaangenaam meer.
„Een sigaar, Biezeman?” offreerde van Everdingen op zekeren avond na
afloop van de rol.
„Alsjeblieft, jonker,” antwoordde Biezeman, wien deze titulatuur zeer
voornaam leek. „O, neem me niet kwalijk!”
De aanleiding tot deze uitroep was een lucifer, die in van Everdingen’s
gezicht terecht kwam. Biezeman had namelijk van hem afgezien het met
een vlugge beweging wegknippen van zulk een stokje, nadat het had
dienst gedaan; doch in zijn pogingen om het te imiteeren kon hij er
alsnog niet de gewenschte richting aan geven, zoodat de houtjes nu eens
achterwaarts, dan weer zijwaarts vlogen, maar nooit rechtuit.
„Wil je een kop thee? Of misschien liever een glas bier?” noodde van
Everdingen.
„Als ik het zoo voor het zeggen heb, dan zou ik wel een glaasje bier
willen; ten minste wanneer de jonker meedrinkt,” zeide Biezeman.
De ander stond op en kwam weldra met een flesch terug, terwijl de
jongen glazen bracht.
„Ik moest het zelf halen,” zeide van Everdingen, „want het zit achter
slot. De bedienden weten er anders te goed weg mee.”
„Dat zal waar zijn. Nu, santjes jonker,” salueerde Biezeman. „Ja,
moeder de vrouw zei nog gister... of was het van morgen... nee toch
gister, dat het zonde was zooals ze bij u huishouden en den boel
verrinneweeren.”
„Zooveel moois is hier anders niet,” zeide van Everdingen glimlachend
rondziende over de eenvoudige meubelen.
„Neen, dàt is het ook niet. Maar... o ja, nou weet ik temet waarom ze
dat zei, van morgen. Uw jongen stond goed te wasschen, aan de kalie; en
daar had-ie z’n eigen lorrige broek bij uitgetrokken, en een slaapbroek
van den jonker bij aangedaan. ’t Was wel geen batik, zei ze, maar van
dat gedrukte goedje dat de baren altijd meebrengen, en toch nog te mooi
als dat zoo’n slampamper het over z’n vuile body heentrekt. Ik zei dat
het jammer was dat ik het niet gezien had, want dan had ik er die dikke
rottan van me eens over laten gaan. Ik dacht, de jonker zou het me niet
verakkeseerd hebben als ik eens op z’n slaapbroek ranselde wanneer hij
hem zelf niet aan had; wel?”
„Zeker niet,” lachte van Everdingen. „Maar je hebt gelijk, ’t is niet
in den haak. Wil je wel gelooven dat ik er in de laatste dagen dikwijls
aan gedacht heb, nog maar gebruik te maken van het aanbod dat je
huishoudster me indertijd heeft laten doen?”
„Waarlijk? Nou daar doe je goed aan,” zei Biezeman. „Ik ga het dadelijk
aan moeder de vrouw vertellen, dan moet ze morgen den marsch in.”
„Zoo’n haast heeft het niet,” begon van Everdingen, doch de ander vond
dat het wel haast had, en was blij dat hij den goeden royalen jonker
een dienst kon bewijzen.
Zoo ging „moeder de vrouw” er op uit, om na een week terug te keeren
met het „iets” dat totnogtoe in van Everdingen’s woning ontbroken had,
en Minah heette.
Minah was een stadskind. Zij had altijd gewoond bij haar moeder, die
als kokki, bij een europeesche familie haar verblijf hield in de
bijgebouwen; zoodoende wist Minah precies hoe het in een huishouden
behoorde te gaan. Haar komst bracht een groote ommekeer teweeg; kokki
was nooit meer ziek, de jongen bleef van alles af, het paard kreeg wat
hem toekwam, en van Everdingen had rust en comfort in huis.
Tegen het einde van den Oostmousson verhuisde ook Biezeman naar het
andere einde van Sabrang, en had nu elk der employé’s zijn eigen
afdeeling van omstreeks 250 bouws.
Tik, tik, deed het op het gegalvaniseerd ijzeren dak der
administrateurswoning, een geluid zoo lang niet gehoord, dat Korman,
die in zijn kantoor zat te werken, zijn boeken en papieren in den steek
liet om zich naar buiten te spoeden en te zien of het werkelijk ging
regenen.
Een klein wolkje zweefde boven het emplacement, langzaam
voortschuivende in de richting van den hoogsten bergtop, als
aangetrokken door het gezelschap natuurgenooten dat daar reeds
vergaderd was. Het was als een bode van den westmousson, die met eenige
droppels kwam waarschuwen: hier zijn we.
Li was met haar kindje op den arm ook in de voorgalerij gekomen. Haar
blik richtende naar de vlakte, zag zij op eens, een weinig linksaf, een
groote rookpluim, zich statig verheffend in de blauwe lucht.
„Wat is dat pa?” vroeg zij.
Korman wendde zich om en keek in de door Li aangewezen richting. Toen
haalde hij de schouders op.
„Het is die malle kerel met zijn alang-alang,” zeide hij onverschillig.
„Kan het geen kwaad voor onze tuinen?” vroeg Li.
„Te drommel ja, daar zeg je zoo wat,” riep Korman schrikkende.
Zonder de vraag van Li zou hij er niet aan gedacht hebben; doch nu
drong het tot hem door, dat de brand gemakkelijk kon overslaan op de
hoopen droog vuil die tusschen de koffieboompjes lagen; vooral in de
grenstuinen. Onmiddellijk moesten er maatregelen worden genomen. Hij
zond een boodschap naar Gerlings, en ging zelf Rencke aanzeggen om
onverwijld met al het volk naar de grens te trekken. Daar gekomen liet
hij kappen, tot een breede strook voor den grond lag. Het afgesneden
gras werd toen naar den uitersten rand gebracht en in brand gestoken,
terwijl de koelies zich in de tuinen posteerden, alle vonken en
brandende stukjes die de wind daarheen voerde, dadelijk blusschend.
„Ziezoo, dat gevaar is geweken,” zeide Korman toen het vuur zich
langzaam verwijderde. „Gerlings, blijf jij met vijftig man hier,
zoolang als je denkt dat het noodig is.”
„Jawel meneer,” antwoordde de employé. „En, zoudt u niet denken dat het
goed was vannacht een man of tien op wacht te zetten? De brand mocht
eens door het bosch ginds terugkomen, hi hi hi.”
„Daar zou anders geen aardigheid aan zijn,” merkte de chef op. „’t Is
goed, doe dat maar.”
„Me dunkt ik hoor schieten,” zeide Rencke.
„Dat is bamboe,” meende Korman. „Zonde van ’t mooie goed.”
„Neen,” zeide Rencke luisterende, „het was een geweerschot. Daar hoor
ik er weer een... nog een.”
„Ik geloof dat je gelijk hebt,” stemde Korman toe. „Die beroerde kerel
is zeker op jacht gegaan.”
„Kijk daar, een hert, hi hi hi!” riep Gerlings.
Zij zagen allen tegelijk op. Een prachtig hert was met een hoogen
sprong uit de vlammen te voorschijn gekomen, en bleef toen staan,
angstig snuivend, wankelend, nog eenmaal het zware gewei trotsch in den
nek werpend, om tegelijk op de knieën te zinken en zieltogend neer te
storten.
Eenige koelies vlogen er op af en hielpen het edele dier door een paar
arit-slagen uit zijn lijden. Ook de drie europeanen liepen er heen.
„Zie, een schotwond,” zeide Rencke, wijzende op een bloedige plek nabij
den schouder. „Dat is zijn dood geweest, en niet de vlammen, hoewel die
hem ook flink toegetakeld hebben.”
„We zullen hem naar huis laten brengen,” zeide Korman, een mandoer
wenkende. „Er zal nog wel een lekker boutje uit te snijden zijn. En om
het gewei zullen we loten... of neen, ik weet beter; het is voor hem
die ’t langst zijn lachen kan houden. Wat zeg jij daarvan, Gerlings?”
„Hi hi hi,” grinnikte Gerlings, terwijl Rencke zich op dat gezicht ook
niet kon inhouden, maar in een luiden lach uitbarstte.
„Dan is het voor mij,” zeide Korman. „En laat nu het volk inrukken.
Hier, Setrodimedjo, laat dit hert naar de lodjie [85] brengen.”
Acht man hadden er een zware vracht aan. Nauwelijks waren zij er mee
heen, of de europeanen zagen langs den boschrand den heer van Os
aankomen, in zwart bestoven kleeren, het geweer aan den draagriem over
zijn schouder hangend.
„Bonjour heeren!” riep hij. „Jelui hebt er ook den brand ingestoken,
zie ik. Een mooie jacht gehad daardoor. Vijf herten! Allen bij den
ingang van het ravijntje ginds, aan den boschkant. Maar één, ’n
mannetje, is mij ontsnapt. Als ik het niet zelf gezien had zou ik het
niet gelooven; hij is na het ontvangen van het schot terug gerend,
dwars tegen het vuur in!”
„Ik was hier om mijn tuinen te beschermen,” antwoordde Korman.
„Jongens ja,” zeide van Os. „Dat zie ik. Ik had je wel mogen
waarschuwen. Neem me niet kwalijk...”
„Soedah!” zeide Korman. „Als je mee wil gaan, dan krijg je vanavond een
stukje hertebout. Wij hebben namelijk den vluchteling opgevangen. Kijk,
daar gaat hij.”
„Waarachtig,” zeide van Os, den stoet ziende op de hoogste slingering
van den zigzagweg in de verte. „Hij komt je wel toe voor de moeite. Ik
wil graag meegaan, want ik erken dat ik bekaf ben; en als je ook nog
een koelie wilt sturen naar Marialand, dan zal ik je dubbel verplicht
zijn.”
De zware rookwolken van den brand hadden de beide europeanen van
Sabrang naar het hoofdkwartier gelokt, waar zij aankwamen toen de
anderen juist terugkeerden. Korman noodigde hen uit tot ’s avonds te
blijven; men kon dan een partijtje maken, waartoe toch wel weinig
gelegenheid meer zou zijn, zoodra de op komst zijnde regens de drukte
van het planten meebrachten.
Men zat aan tafel. Korman diende de soep, toen op eens allen opkeken.
De hoefslag van een dravend paard deed zich hooren, hetgeen de komst
van een europeaan meldde, aangezien inlanders hun paarden liefst in den
telgang of een drieslag, die daar veel op gelijkt, rijden en bovendien
geen inlander Rencke’s woning zou passeeren zonder af te stijgen.
Het was de heer Messner, voor wien, nadat allen die hem vreemd waren
zich hadden voorgesteld, een plaats aan tafel werd ingeruimd.
„Ik dacht zoo waar,” helderde hij zijn laat bezoek op, „dat jelui allen
waart afgebrand. Het volk wist verschrikkelijke verhalen te doen. Hier
in de buurt vernam ik eindelijk de ware toedracht der zaak, en ik
schold mij zelven voor een ezel dat ik dat niet eer begrepen had.”
„Nu,” zeide Korman, „als onze vriend van Os me niet reeds vroeger had
meegedeeld dat het zijn plan was, zou ik ook eer aan een ongeluk
gedacht hebben dan aan ernst.”
„Toch had ik het moeten inzien,” zeide Messner; en zich tot van Os
wendende ging hij voort: „uw werkwijze heeft me groote belangstelling
ingeboezemd, en ik ben zeer nieuwsgierig naar de resultaten, die ik
voor u hoop dat goed zullen zijn.”
En hij gaf als zijn meening te kennen dat zij goed moesten zijn, tevens
verklarende waarom hij zoo dacht, daarbij een wetenschap van détails
tentoonspreidende, die van Os met steeds klimmende verbazing aanhoorde.
„Als ik niet beter wist,” zeide de administrateur van Marialand
eindelijk, „zou ik denken dat u dagelijks bij mij geweest was om toe te
zien, ja tot in mijn boeken toe uw oog had geslagen. Hoe in ’s
heerennaam weet u al die dingen?”
„Och, het volk praat onder elkaar over alles en nog wat,” zeide
Messner; „en dan hoort men allicht iets; temeer daar ik, zooals gezegd,
veel belang stelde in wat u deed.”
Om niet onbeleefd te zijn leidde van Os het discours van zijn eigen
zaken af. Hij had intusschen voor Messner een groot respect opgevat,
hetgeen reeds gebleken was uit de wijze waarop hij met hem gesproken
had, zoo geheel afwijkende van zijn half-ironisch antwoorden op alle
vragen en beweringen van Korman. Ook was het hem aangenaam iemand
ontmoet te hebben van zoo groote practische kennis, aan wien hij bij
het voorkomen van moeielijke vraagstukken raad zou kunnen vragen,
vooruit wetende dien ook te zullen ontvangen.
Toen het tafellaken was weggenomen, en Li zich naar achter begeven had,
haalde Korman kaarten en fiches, terwijl de bediende glazen bracht en
in een hoek van de binnengaanderij een voorraad flesschen neerzette,
die iemand licht op het idée had kunnen brengen dat hier een nieuwe
toko in dranken stond geopend te worden.
Gaandeweg werd de voorraad minoeman in den hoek kleiner, en de
gezichten naar evenredigheid rooder, misschien ook door de animo van
het sliekoer, zooals het getal 21 in het javaansch uitgedrukt wordt.
Na middernacht bleekten de gelaatstrekken meer en meer op, vooral als
er een naar buiten geweest was, zonder dat de anderen daar veel notitie
van namen, daar zij toch vroeger of later denzelfden tocht moesten
doen, soms met niet geringen spoed, om zich op het voorerf „van de
stomachale en cerebrale patentialiteit te libereeren,” volgens de
zegswijze van zeker apothekersbediende.
Er werd met afwisselend geluk gespeeld; behalve door Korman, die steeds
verloor, en door Rencke, die aldoor won. Toen de zon opging had de
eerstgenoemde omstreeks driehonderd gulden aan den tweeden af te
dragen, terwijl winst en verlies van de andere spelers onbeduidend
waren.
Zij hielden op, en gingen zitten in de voorgalerij, op luierstoelen,
zich vermakend met de grillige vormen der wolkjes in de morgenlucht,
die voor hun vermoeide oogen allerlei gestalten van wilde dieren
aannamen. Li was vroeger opgestaan dan gewoonlijk, op last van Korman,
die wist hoe lekker een kop koffie smaakt na zulk een nacht, en liet
dezen drank door de bedienden presenteeren. Daarna werd er ontbeten met
een glas bier, „om op te frisschen”, en na afloop kwamen de paarden
voor, om een ieder naar zijn huis terug te voeren, hetgeen deze
verstandige dieren met veel tact deden.
De regens vielen dit jaar vroeg in en verrasten eigenlijk van
Everdingen, die nog een kleine honderd bouws overhield, waarvan het
bosch nog niet gekapt was, dan wel nog te versch om te willen branden.
Toch was er goed gewerkt, hetgeen vooral te danken was aan den
overvloed van werkvolk in die streek; in dit seizoen nog vermeerderd
met vluchtelingen uit een naburige residentie, waar hongersnood had
geheerscht.
Ware dit laatste het geval niet geweest, dan zou het Korman nooit
gelukt zijn zooveel bosch in één jaar te kappen; en hij zegende de
ramp, die de onvoorzienigheid van hen die tot voorzien geroepen waren,
over het ongelukkige gewest gebracht had.
Toch had de aanwezigheid van dat vreemde volk voor de onderneming
Watoeombo een blijvend nadeel medegebracht, hoewel de administrateur
dat niet inzag; integendeel, hij noemde het een voordeel....
De javaan die de landstreek verlaat waar hij geboren is, waar zijn
ouders, zijn grootouders geleefd hebben en begraven liggen, behoort
niet tot het beste deel der natie. Over het algemeen ziet dat volk in
emigratie een schande; er zijn er die liever doodhongeren, en, eer dat
geschiedt, de afschuwelijkste daden plegen, dan hun dessa te verlaten;
kinderen zijn in zulke dagen lastposten, in wier altijd hongerige magen
de schaarsche voorraad voedsel veel te snel verdwijnt, en dus gaarne
worden omgezet in wat rijst.... Dat zijn echter gewone zaken, waartoe
nu misschien met een bloedend hart, maar toch gemakkelijker wordt
overgegaan dan tot het verlaten van den grond waaruit men als het ware
gesproten is.
Was het dan te verwonderen, dat de meeste dier uitgewekenen
opiumschuivers waren, die zonder dien stimulans niet werken konden? In
de dessa van den assistent-wedhono stond wel een kit, doch de voorraad
was daar in de eerste dagen niet voldoende; en ook ging het niet aan
dat telkens een deel der koelies afwezig was, op weg om zich de zoo
noodige tjandoe te verschaffen. Er één te sturen om voor allen te halen
was ondoenlijk, daar de bepalingen het vervoeren van een eenigszins
groote hoeveelheid verbieden.
Op zekeren dag reed Korman naar de stad en besprak de zaak met den
opiumpachter. Het gevolg was, dat deze van toen af geregeld een aantal
dier bekende ronde blikken doosjes zond, die één thail opium bevatten.
Zij gingen wel vergezeld van stukjes papier met roode chineesche
karakters beschreven, teneinde hun wettige afkomst te staven, maar toch
was het tegen de wet om er meer dan één in huis te hebben. Dus zond
Korman ze altijd dadelijk na ontvangst weg, naar de employé’s. Deze
moesten hem voor elk doosje twaalf gulden verantwoorden, waartoe zij er
honderd en twintig pessans uit lieten maken, in stukjes blad gewikkeld,
die de koelies voor tien cent kochten.
Aan den pachter betaalde Korman negen gulden per thail. Het voordeel
dat deze handel opleverde paraisseerde echter niet in de boeken.
Later, toen de vreemde koelies reeds lang vertrokken waren, bestond
deze opiumverkoop nog. Het gebruik der tjandoe had zich geworteld; het
was niet meer uit te roeien. Het gaat daarmee als met de papaverplant
zelf, die eenmaal gezaaid en opgekomen, niet meer te vernietigen is; en
wilde iemand voorgoed een einde maken aan alle reglementeering van de
opium, en daarmee tevens aan het door moreelen en immoreelen dwang
veroorzaakte opiummisbruik, hij had met een zakje papaverzaad slechts
een toer te maken over Java, en overal, liefst op plaatsen die weinig
bezocht worden, een weinigje te laten vallen. Eer men het bemerkte zou
de plant inheemsch zijn geworden, onder het bereik van iedereen.
Het jaar naderde zijn einde. Zware regens hadden de nietige berg-kalies
in stroomen herschapen, die groote steenen in hun vaart meesleepend,
een geweld maakten als van een onafgebroken onweer. Schurende langs het
gevelde bosch had het water ook verscheiden boomstammen meegevoerd, die
aan den kant waren blijven liggen, of na het branden in het ravijntje
waren gestort waardoor de kalie liep, zijnde dat de gemakkelijkste
manier om ze uit den weg te krijgen. Doch thans leverden die stammen
een niet gering gevaar op voor de brug aan den ingang van het perceel,
onderstrooms van den breeden steen. Want hiertegen stootende, bestond
er kans dat zij dwars kwamen te liggen, en een opstopping
veroorzaakten, die doorbrekende, noodlottig had kunnen worden voor de
brug.
Om dit te voorkomen had Korman aan weerszijden van de kalie een
afdeeling koelies geposteerd, die met lange bamboes de boomen zooveel
mogelijk in den stroom hielden, links of rechts van den breeden steen.
Om twaalf uur wandelde hij er met Rencke heen.
De regen had opgehouden en er was een wind opgestoken sterker dan men
op Java gewoon is. Zwaar kruiden de grauwe wolken in het zwerk
daarboven, en beneden raasde de bandjir, het gejoel der koelies
overstemmende.
Korman schreeuwde hun een bevel toe, dat niet verstaan werd en ook
overbodig was. Want sneller dan een order kon uitgesproken en begrepen
worden dreven de boomstammen voorbij, en bij het werk der Javanen op
den oever kwam alles neer op oogenblikkelijk zien en handelen. En zij
deden het goed. Als er een zware stam aankwam stonden zij gereed, met
gevelde bamboe, het bovenlijf heen en weer wiegelend op de maat van een
klagend recitatief, dat sneller en sneller ging naarmate de stam
dichter bij kwam, en eindigde in een algemeen gehuil bij het stooten op
het juiste oogenblik dat de boom voorbij schoot.
„Het mindert al,” merkte Rencke op, nadat zij er ongeveer tien minuten
gestaan hadden.
„Zooveel te beter,” zeide Korman, „want als dat vannacht moest
voortduren gaf ik niet veel voor het leven van onze brug.”
„Hé, dat is sterk!” riep Rencke uit, die zijn aandacht op het
stroomende water bleef vestigen. En hij ging eenige passen vooruit, in
de richting van de brug.
De aanleiding tot dien uitroep was het minderen der hoeveelheid water,
die als plotseling tot op een derde van zooeven slonk, terwijl het
geraas nu ook in vergelijking met eenige oogenblikken geleden in een
stilte overging... neen, zich scheen te verwijderen. Want in de
verte...
„Gévédé, Rencke! Terug!” gilde Korman. De koelies aan deze zijde weken
van den oever; die van de overzijde wierpen de staken neer en holden
over de brug alsof zij om hun leven liepen, Rencke meetrekkende in hun
vaart.
Korman tierde en vloekte, trachtend hen tegen te houden; maar het ging
niet; zij kenden het naderend gevaar, dat hen alle vrees voor den
europeaan deed vergeten.
Donderend kwam het nader, een verwarde massa vluchtende boomen,
vallende en weer opstaande, springende tientallen van meters ver,
ledematen verliezende door de wrijving tegen elkaar, maar rennende in
ijdel pogen om te ontkomen aan den vervolger: het van woede ziedende
water.
Kalm wachtte de breede steen in het midden der kalie den schok af,
rustig in zijn onwrikbare kracht, wetend dat voor hem alles moest
wijken of tegen hem verpletterd worden.
Daar kwam het, met een slag die de aarde deed dreunen; een golf vloog
over den steen weg, de luchtdruk deed de brug reeds buigen en zwiepen
nog eer de massa haar bereikte...
Weer dreven enkele stammen in den bandjir, als even te voren; maar nu
stonden er geen koelies meer ter bescherming van de brug, want die was
weg.
Korman mopperde verschrikkelijk. Het was alsof het verlies van de brug
hem half ruïneerde. Midden in die bui kwam een koelie met een briefje
van Gerlings.
„Meer uitroepteekens dan woorden,” zeide Korman. „’t Is alsof hij zelfs
in zijn schrijven dat lamme gegrinnik niet laten kan. Heb jij rijst
over.”
De laatste vraag was aan Rencke gericht, die hoofdschuddend antwoordde.
Het was in de laatste dagen van het jaar. Korman had met Benoit een
contract, waarbij bepaald was dat hij voor de gelden die hij in den
loop van een jaar ontving, vijf procent rente moest betalen,
onverschillig of hij die op 1 Januari dan wel op 31 December kreeg;
daarna kostte het kapitaal hem negen procent ’s jaars. Om nu in het
laatst van December nog een remise aan te vragen, vond hij jammer, om
de vijf procent; dus stelde hij het uit tot 1 Januari, en intusschen
werd het volk niet betaald. Dat kon; men kan met javanen veel doen,
doch voor één ding moest gezorgd worden: rijst.
Het volk nam van huis, als zij op de onderneming gingen werken, rijst
mee voor vijf dagen; bleef het langer, dan werd er rijst gekocht van
den voorraad dien ieder opzichter daarvoor had liggen. De verstrekking
geschiedde nagenoeg tegen inkoopsprijs, doch men woog het niet... het
werd gemeten met een takkeran van vijf of tien katties, waarvan er
honderd veertig in een picol gingen! De winst paraisseerde alweer niet
in de boeken...
Nu had Gerlings den bodem van zijn rijsthok gezien, en vroeg om
instructies. Geld om rijst te koopen was er niet, en de koelies vroegen
natuurlijk om rijst. Hij had nog slechts een beetje; hoe moest hij
doen?
In gewone gevallen zou Korman beter nagedacht hebben en getracht er in
te voorzien, doch nu hij zijn brug kwijt was, en daardoor ontstemd,
krabbelde hij met potlood een kort antwoord op het ontvangen briefje,
daarop neerkomende dat hij ’t zelf niet had en het ook niet kon... hier
volgde een minder kiesche uitdrukking. Gerlings moest nu zelf maar zien
hoe hij het bolwerkte.
Gerlings had echter niet gevraagd om geen antwoord te bekomen. Enfin,
hij zou morgen wat minder geven dan de aanvragen, en overmorgen nòg
minder of niets, een weinig op zij leggen voor zijn eigen gebruik, en
dan... dan moest Korman het weten. Hij had het vooruit niet geweten, en
thans zijn plicht gedaan door te waarschuwen. Ultra posse nemo
obligatur!
Den volgenden dag trokken de koelies lange gezichten; wat niet
misstond, meende Gerlings, daar de javaan van nature een veel te kort
gezicht heeft. Den dag daarna, nòg langer; en met nieuwjaarsmorgen....
Rencke had juist rol gehouden en stond in zijn voorgalerij, gereed om
naar de administrateurswoning te gaan en te feliciteeren. Korman was
eerst van plan geweest de employé’s op oudejaarsavond uit te noodigen;
maar die brug....!
Een galoppeerend paard kwam door de kampong, bereden door een inlander,
die Rencke’s huis voorbij zou zijn gerend, als hij niet op het laatste
oogenblik gezien had dat de toewan ziender in zijn voorgalerij stond.
„Waarheen? Wat is er?” riep Rencke.
De inlander scheen zich een oogenblik te beraden of hij toch maar door
zou gaan, doch dàt was te bar; hij liet het paard staan en kwam naar
Rencke toe, dezen een stukje papier toestoppende, confuus, zonder één
der door de hormat [86] voorgeschreven beleefdheidsvormen.
„Gévédé!”
Rencke vloekte anders nooit, maar nu flikkerden zijn oogen; met één
greep had hij zijn karwarts van het rek aan den muur, en voortsnellende
vatte hij de manen van het wachtende paard, sprong er op, en holde weg,
in de richting vanwaar de koelie gekomen was.
Hellingen op, af, ’t deed er niet toe, vooruit maar. In verkeerden
galop om een hoek, ’t zou wat, ’n indisch paard springt vanzelf over!
De laatste bocht, en vóór hem lag een pleintje en Gerlings huis.
Het paard zette de ooren in den nek, Rencke’s lippen scheidden zich, de
witte tanden blootleggende; maar zonder vaart te minderen, integendeel,
harder nog, vloog hij de opeengepakte massa inlanders op het lijf, eer
zij hem zagen.
Een paniek ontstond, en het gedrang van de in geen bepaalde richting
vluchtende javanen zou Rencke hebben ingemetseld, als niet zijn paard
trappend en bijtend ruimte had gehouden, terwijl hij zelf ieder dien
hij bereiken kon met de karwarts bewerkte.
Eindelijk was het pleintje leeg; alle koelies waren de kampong in, waar
zij zich in de huizen verscholen. Eén lag vlak vóór Gerlings huis,
kermende van de pijn. Het was een der belhamels geweest, die het dak
beklommen had, om dat openbrekende, een toegang tot de woning te maken.
Want de aanval kon noch aan den voorkant, noch van achter geschieden,
aangezien telkens als zij het probeerden een geweerloop den koelies
door een of andere opening tegenblonk.
Rencke klopte aan de deur, luid roepende: „Hé, Gerlings! Waar zit je?”
„Zijn ze weg?” klonk het van binnen.
„Ja.”
„Wacht dan even, ik moet den boel opruimen.”
Rencke ondervroeg intusschen den koelie die op den grond lag. Hij was
gevallen, en had pijn aan zijn been.
Rencke hurkte neer en bezag het. Den voet opbeurende gaf deze op
zonderlinge wijze mee in het enkelgewricht, terwijl de koelie een luid
adoeh [87] uitstootte.
„Die is er uit,” dacht Rencke hardop. Hij had aan boord wel eens meer
gevallen van dien aard zien behandelen; en, vertrouwende op zijn goed
geluk, stond hij op, nam het been mee de hoogte in, zette zijn
rechtervoet tot steun op de heup van den inlander en trok met een
krachtigen ruk aan den voet, dien dadelijk daarop naar binnen buigende.
De patiënt was flauwgevallen, maar het ontwrichtte lichaamsdeel was
weer op zijn plaats gebracht.
Rondziende als om hulp, bespeurde Rencke den huisjongen van Gerlings,
loerende langs den hoek van het huis. Hij riep hem.
„Die man is van het dak gevallen, meneer,” lichtte hem de jongen in.
„Ook al goed,” zeide Rencke. „Hier, houd den voet vast zooals ik hem nu
heb. Ziezoo.”
Toen ging hij weer naar de deur terug, die na nog eenig gestommel door
Gerlings werd geopend, maar voorzichtig, met de linkerhand, terwijl hij
in de rechter een revolver hield.
„Kom, wees nu niet gek,” zeide Rencke met een trap tegen de deur. „Wat
moeten ze wel van je denken!”
„Gelukkig dat je er bent,” zeide Gerlings, die erg bleek zag. „Ze
wilden me vermoorden!” En hij maakte een beweging om, toen Rencke er in
was, de deur weer te sluiten.
„Open!” beval deze. „Open, zeg ik je. En laat nu je meid een stuk goed
geven om dien kerel daarbuiten te verbinden.”
Gerlings moest het zelf halen, want zijn huishoudster lag voorover op
het bed, kreunende den dood af te wachten dien zij meende dat haar
beschoren was, en tot niets in staat.
De javaan, die intusschen weer bijgekomen was, werd door Rencke
verbonden en toen op een mat gelegd in het smalle voorgalerijtje.
„Vertel me nu eens wat er gebeurd is,” zeide Rencke.
„Van morgen, op de rol, vroeg mij een uit het volk wanneer er betaling
was,” zeide Gerlings. „Ik antwoordde: zoodra als ik van den toewan
besaar geld krijg. Toen zegt de vent brutaal: We willen het nu hebben;
en tegelijk beginnen de anderen op te staan en te schreeuwen. Ik weg,
het huis in, hi hi hi! Wat er verder buiten gebeurd is heb je zelf
gezien; maar ze schreeuwden en scholden om er beroerd van te
worden....”
„Hoe heb je dien staljongen weg kunnen sturen?” vroeg Rencke.
„O, die kwam de achterdeur in juist toen ik die wou sluiten, en zei:
Meneer geef mij een briefje voor den toewan besaar. Ik heb wat op het
rapportpapiertje gekrabbeld, en toen is hij de achterdeur weer
uitgegaan. Verder weet ik niet.”
„Hm,” deed Rencke. „Laat dan nu de kenthong slaan; we zullen die rol
nog eens overhouden.”
„En als ze dan weer beginnen? Zou ik er niet eerst vandoor gaan?”
„Je blijft! Hoor eens Gerlings, als je wilt dat ik je help en je
sauveer bij den oude, dan doe je nu precies wat ik zeg.”
Gerlings gaf zijn jongen last om de kenthong te slaan. Een tiental
inlanders kwamen op dat sein langzaam aanzetten. Het waren de mandoers.
Voor Rencke neerhurkende, deed een hunner het woord, betuigende dat zij
niet aan het geval schuld hadden; dat de koelies nu ook berouw hadden
over hun daad; dat zij zoo bang waren, dat zij niet durfden komen voor
meneer’s aangezicht; dat eindelijk, wat meneer wilde bevelen door hen
zou worden uitgevoerd, al was het om te sterven!
Rencke glimlachte even en zag Gerlings aan. Daarop gelastte hij de
mandoers om in alle kampong-huizen aan te zeggen dat er straks nog
eenmaal op de kenthong zou worden geslagen. Wie dan niet verscheen zou
door hem, Rencke, uit zijn huis worden gehaald, en met den zoodanige
zou het slecht afloopen.
Zij kwamen als geranselde honden op de stem van den meester; zwijgend
hurkten zij neer, dicht opeen, als zocht een ieder steun bij zijn
buurman. Rencke telde hen af en deelde hen in, volgens de opgave van
Gerlings. Voor dat hij het sein gaf tot oprukken, sprak hij hen aan.
„Mannen, gij allen, hoort! En antwoordt als ik u vraag: Was de duivel
van morgen in u gevaren, dat ge opstond tegen uw heer? Hebt ge grieven,
welnu waarom daarover niet gesproken, niet beraadslaagd? Dat zou
mannen-adat [88] geweest zijn. Wat ge nu hebt gedaan was het werk van
honden, die slechts blaffen en bijten, omdat toewan Allah hun niet
gegeven heeft te spreken. Ziet, Hij zelf heeft u geoordeeld, de handen
losmakende van uw makker die op het dak zat, tot hij viel, en nu met
een gebroken been daar ligt. Waar Hij alzoo strafte, zal ik het niet
meer doen. Is er onder u een die verstandig spreken kan, en mij zeggen
wat ge wilt, dat hij voorkome.”
Er heerschte groote stilte terwijl aller blikken zich vestigden op een
javaan, die ongeveer in het midden zat. Deze aarzelde, maar eindelijk,
gedrongen door de stomme uitnoodiging van al zijn makkers, stond hij op
en ging naar Rencke toe. Zonder te hurken, terwijl een donkerder waas
het bruine gezicht overtoog, wees hij met gestrekten duim op Gerlings.
„Die daar....”
Een welgemikte oorveeg maakte een eind aan den volzin, en deed den
spreker onderste boven tuimelen, midden in een plas water. Een gesmoord
lachen doorliep de rijen der koelies.
„Ik heb genoeg gehoord,” sprak Rencke. „De kapala kampong zal mij
straks verder inlichten, en met hem zal ik beraadslagen. Gaat nu allen
heen, aan het werk.”
Zij gingen, behalve de voorvechter, die op een wenk van Rencke door het
kampong-hoofd werd aangehouden.
„Dat is afgeloopen,” zeide Rencke tot Gerlings. „Maak even de rekening
op van dit heer, dan zullen we hem opzenden naar den assistent-wedhono.
Maar wat mankeer je, man; je staat te beven op je voeten!”
„Toen je daareven dien man sloeg, dacht ik: we zijn er bij! Het is
dezelfde die van morgen begon.”
„Je hebt gezien hoe je zoo’n zaakje aan moet pakken. Drink wat.... en
geef mij ook maar een brandy-soda,” zeide Rencke, die, nu alles voorbij
was toch ook eenige werking van zijn zenuwen bespeurde.
Nog waren zij daarmee bezig, terwijl Gerlings op een stukje papier het
bedrag had opgeteekend van het loon dat de gevangen belhamel verdiend
had, toen voor de deur de staljongen van Gerlings verscheen, het paard
van Rencke, den plongko, aan den teugel houdende.
„Kijk, dat is een goed idée!” zeide Rencke. „Nu moesten we samen naar
Watoeombo rijden om den oude te feliciteeren.... ’t is waar ook....
gezegend nieuwjaar!”
„Slamat [89]!” antwoordde Gerlings. „Hi hi hi!”
Na den koelie onder geleide van het kampong-hoofd te hebben afgezonden,
vertrokken ook de beide opzichters.
Te Watoeombo zat Korman in niet geringe spanning de terugkomst van
Rencke af te wachten. Hij had van den staljongen alles vernomen, en
vreesde dat de moedige jonge man het offer zou zijn geworden van zijn
voortvarendheid, en meer nog, dat het oproerige volk hierheen zou
komen. Hij gaf last om zijn paard te zadelen en bleef in de
voorgaanderij op en neer loopen, steeds den weg die naar Gerlings’
afdeeling leidde, in het oog houdende. Plotseling bevangt hem de
gedachte aan Li en zijn kind, en hij vervloekte zichzelf dat hij den
plongko had weggezonden. Hoe moesten die twee nu wegkomen als het
gevaar dreigde? De kleine kon hij zelf op het paard nemen....
Gelukkig! Daar kwamen van Everdingen en Biezeman.
Toen deze twee hoorden wat er gaande was, wilden zij er onmiddellijk
heen rijden. Doch Korman hield hen terug.
„Rencke is gegaan zonder mij eerst te raadplegen,” zeide hij. „Als een
dolleman is hij weggehold. En nu moet de zaak in orde zijn, of je zoudt
door er heen te gaan nog meer bederven. Laat ons bedaard afwachten tot
er bericht komt.”
Zij behoefden niet lang meer te wachten. Korman loosde een zucht van
verlichting toen hij de twee opzichters ongedeerd aan zag komen, en
betuigde Rencke zijn groote tevredenheid, toen deze met weinig woorden
rapport had gedaan.
„Alleen,” zeide hij, „had je niet mogen gaan zonder mij. Ik heb er
genoeg over in gezeten. Maar enfin, ’t is goed afgeloopen; dus zullen
we er maar over zwijgen. Ja, zooals je zegt, er moet rijst heen. Wie
heeft over?”
„Op Sabrang ligt meer dan we noodig hebben,” zeide van Everdingen.
„Dan zal ik om één uur volk sturen,” zeide Korman, en zoo geschiedde.
Na de rijsttafel, toen de anderen vertrokken waren, werd er tusschen
Korman en Gerlings een heftig gesprek gevoerd. De laatste weigerde
eenvoudig naar zijn afdeeling terug te gaan, tenzij hij geld had om het
volk af te betalen; en of Korman hem al beduidde dat er geen geld was,
dat hij, nu er rijst was niets te vreezen had, dat hij de heele
afdeeling op de flesch hielp door zijn lafheid, en eindelijk dat hij te
kiezen had, tusschen zijn onmiddellijk ontslag of het doen van zijn
plicht, Gerlings antwoordde onveranderlijk: „Ik doe het niet; ik durf
niet.”
Woedend was Korman in zijn kantoor gegaan, en zat daar het ontslag van
den employé te schrijven.
Door de open binnengalerij had Li het geheele gesprek aangehoord, en
toen Korman zich verwijderde, kwam zij naar voren. Zij vermaande
Gerlings toch te doen wat zijn plicht was.
„Geloof mij,” zeide zij; „er is geen gevaar meer. Daar! wil ik uw njai
een bezoek gaan brengen en vannacht overblijven?”
„Laat meneer Korman zelf komen,” zeide Gerlings. „Me dunkt dat het hem
als administrateur in de eerste plaats past zijn ondergeschikten bij te
staan waar zij niet verder alleen kunnen.”
„Meneer Korman,” vond Li, „moet als administrateur op het hoofdkwartier
zijn. Dáár is de plaats die den toewan besaar past.”
„Een mooie toewan besaar!” riep Gerlings uit. „Wil ik u eens wat
zeggen, nonja? Hij is zelf te bang! Hi hi hi!”
Met een blik vol minachting nam Li hem op, en zonder een woord te
zeggen draaide zij zich om. Juist kwam Korman weer uit zijn kantoor,
een beschreven stuk postpapier in de hand.
„Nu, gaan of niet?”
„Neen.”
„Hier dan; je hebt je ontslag.”
„Liever dan vermoord te worden,” zeide Gerlings, het papier aannemende.
„Ik groet u; hi hi hi!”
Een ontslag was zoo erg niet in die dagen. Men ging ergens in een
logement zitten, wachtte tot er een administrateur kwam die iemand
noodig had, of informeerde bij den logementhouder waar er in den
omstreek een vacature was. Gerlings nam het dan ook niet erg zwaar op,
doch maakte haast met zijn vertrek; want één ding wist hij: als
namelijk Korman in de gelegenheid was de redenen van het ontslag op
zijn manier ruchtbaar te maken, eer Gerlings een betrekking had, dan
kreeg hij er geen. Men mocht in dien tijd zijn wat men wilde, mits men
geen last had met het volk. Wat zijn achterstallig tractement betrof,
plus de zes weken die hij daarboven te vorderen had, dat zou hij
trachten te innen zoodra hij een nieuwe plaatsing bekomen had.
Rencke ging tijdelijk naar de verlaten afdeeling, doch den derden dag
kon hij reeds weer op Watoeombo terugkeeren. Er was een nieuwe employé
uit de lucht komen vallen!
Gerlings had dezen in het logement ontmoet. Ze hadden elkaar hun
lotgevallen verteld, en het gevolg was, dat Gerlings naar de
suikerfabriek ging die de andere verlaten had, en deze zijn lang mager
lichaam op een picolpaard zette en zich naar Watoeombo liet dragen,
waar hij omstreeks den middag aankwam.
Korman wist niet wat hij zag, toen de optocht voor zijn huis stil
hield, en de aankomende zijn voeten uit de touwtjes die voor
stijgbeugels dienden nam, om vervolgens het nietige paardje gewoon van
onder zijn lange beenen uit, weg te laten loopen.
„Mijn naam is Menier de Brisson,” stelde hij zich voor.
„De boekhouder van Sonokling?” vroeg Korman.
„Geweest, meneer. Misschien wist u dat meneer van Sloten naar Holland
gaat?”
„Ja, en Parser wordt administrateur.”
„Juist meneer. En met dezen heb ik eens standjes gehad over de
indeeling van de wachten, ’s nachts, in den maaltijd,” zeide Brisson.
„Toen heeft hij ongelijk gekregen. Maar hij heeft het mij nooit
vergeven; en nu hij baas wordt begrijpt u....”
„Jawel, dat spreekt. Dus kom je om een betrekking. Wel, je treft het,
Gerlings is een paar dagen geleden weggegaan.... Ben je moe?”
„O neen meneer, alleen wat gevoelig van het lange zitten op het
tjekattahan, [90] dat voor zadel dienst deed.”
„Dat is minder,” lachte Korman. „Ik zal je iemand meegeven naar de
afdeeling van Gerlings. Je zult daar meneer Rencke vinden, die je wel
van alles op de hoogte zal brengen. Er is op ’t oogenblik weinig te
doen, daar gisteren, na de betaling, veel volk is weggegaan.”
Brisson was weldra op weg, en Korman wenschte zich geluk met de
aanwinst, daar hij van dien jongen man veel goeds gehoord had.
Ook Rencke was blij dat hij zoo spoedig werd afgelost, en nog meer toen
Korman hem mededeelde dat zijn tractement met vijftig gulden ’s maand
verhoogd werd, waardoor hij nu driehonderd vijftig gulden kreeg. Hem
werd echter opgedragen van nu aan het werk op de andere afdeeling te
surveilleeren.
„Dit is een zeer geringe vermeerdering van werk,” zeide Korman; „en het
voordeel er van is dat je een gelijke positie hebt als van Everdingen.
Ik had er bij de aanstelling van Gerlings niet zoo gauw aan gedacht;
maar nu ging het gemakkelijk.”
Voor de onderneming maakte de tractementsverhooging van Rencke geen
verschil, daar Brisson vijftig gulden minder kreeg dan Gerlings, te
weten tweehonderd gulden.