Dikwijls heeft men de Lippenberen in gevangenschap kunnen waarnemen

zoowel in Indië als in Europa. In zijn vaderland trekken kunstenmakers

en dierenleiders partij van zijn leerzaamheid en richten hem, evenals

onzen Bruin, tot het verrichten van allerlei kunstjes af. Men voedert

hem met melk, brood, ooft en vleesch; de ervaring heeft geleerd,

dat hij aan brood en ooft duidelijk de voorkeur geeft boven ander

voedsel. Hij wentelt zich, als een slapende Hond ineengerold,

van de eene zijde op de andere, springt in 't rond, buitelt over

den kop, gaat op de achterpooten staan, en vertrekt zijn gezicht op

de zonderlingste wijze, als hem het een of ander stuk voedsel wordt

gegeven. Bovendien heeft hij een betrekkelijk goedaardig, vriendelijk

en oprecht uiterlijk.

Drie merkwaardige dieren van Oost-Azië vereenigen wij tot de tweede

onderfamilie van de Beren, welker leden wij _Katberen_ (_Ailurinae_)

zullen noemen. Deze vormen een overgang van de Groote Beren tot de

Civetkatten, en onderscheiden zich vooral door hunne voeten, welker

behaarde zolen en meer of minder terugtrekbare klauwen eenigszins

aan die van de Katten herinneren.--

De eerste plaats in deze onderfamilie komt toe aan de voor ruim 20

jaren door David ontdekte _Kattenpootbeer_ (_Ailuropus melanoleucus_),

daar hij als 't ware het midden houdt tusschen de Groote Beren en

de leden van het volgende geslacht. Hij is kleiner dan onze Gewone

Landbeer, van 't puntje van den staart tot aan de spits van den snuit

ongeveer 1.5 M. lang. Zijne breede zolen zijn behaard en komen niet

over hun geheele lengte met den grond in aanraking. De kop heeft

een korten snuit en is naar verhouding breeder dan bij eenig ander

Roofdier. Hij heeft een dichte, beerachtige vacht, die grootendeels

wit is; zwart van kleur zijn een ring om de oogen, de ooren, de

voorpooten tot aan de schoften, de achterpooten en de spits van

den staart.--Van de levenswijze van dit dier in den natuurstaat is

nagenoeg niets bekend. Het bewoont de ontoegankelijkste wouden van

de gebergten van Oost-Tibet.

De vertegenwoordiger van het tweede geslacht der onderfamilie,

de _Panda_ of _Roode Katbeer_ (_Ailurus fulgens_), houdt in sommige

opzichten het midden tusschen den Kattenpootbeer en de Binturong. Zijn

romp schijnt wegens de dichte en zachte vacht plomper dan hij is; de

lang behaarde kop is zeer breed en kort, de snuit eveneens; de lange

staart is slap en ruig behaard, ziet er derhalve zeer dik uit; de ooren

zijn klein en afgerond, de oogen klein; de korte pooten hebben dicht

behaarde zolen, die slechts met de voorste helft den grond aanraken,

en korte teenen met sterk gekromde klauwen. In grootte stemt de Panda

ongeveer met een forschen kater overeen. Het haarkleed is dicht en

lang, aan de bovendeelen schel en schitterend donkerrood gekleurd,

aan den rug met een licht goudgeel waas overtogen, omdat hier de

haren in gele spitsen eindigen; de onderdeelen zijn glanzig zwart,

zoo ook de pooten, met uitzondering van een donker kastanjeroode

dwarsstreep over de buiten- en voorzijde; de staart is vuurrood,

met onduidelijke, lichtere, smalle ringen.

De Panda bewoont de zuidoostelijke gedeelten van den Himalaja van

ongeveer 2000 tot 4000 M. hoogte. Van het leven van dit even fraai

gekleurde als sierlijke dier is niet veel bekend. Bij paren of

familiën komt hij in de wouden voor, beklimt de boomen en kiest de

daarin voorkomende holten of de kloven in de rotsen tot woonplaats;

hij begeeft zich echter ook veel op den bodem om voedsel te zoeken. Dit

bestaat bijna uitsluitend uit plantaardige stoffen; af en toe plundert

hij, naar men zegt, de Vogelnesten; ook eet hij Insekten.

Het laatste geslacht van de onderfamilie wordt vertegenwoordigd

door den _Binturong_ (_Arctitis binturong_). Deze is grooter dan de

Panda: zijn lengte bedraagt 1.35 à 1.5 M., waarvan bijna de helft

op den zeer langen rolstaart komt. De romp is krachtig, de kop dik,

de snuit verlengd; de pooten zijn kort en gespierd; de voeten hebben

naakte zolen, en vijf teenen, die met tamelijk stevige, een weinig

terugtrekbare klauwen gewapend zijn. Een dichte, tamelijk lang-

en ruigharige vacht bekleedt den romp en den staart; alleen aan den

snuit en de pooten is zij kortharig. De korte, afgeronde ooren zijn

met haarkwastjes voorzien. Dikke, witte snorharen aan beide zijden

van den snuit omgeven het gelaat als met een stralenkrans. De kleur

van het haar is dof zwart, aan den kop vertoont het een grijsachtige,

aan de ledematen een bruinachtige tint.

Het verbreidingsgebied van den Binturong omvat Borneo, Java,

Sumatra, het Maleische Schiereiland, Tenasserim, Arakan, Assam en

Siam. Ook van dit dier is van de levenswijze in den natuurstaat tot

dusver zeer weinig bekend. Het leidt een nachtelijk leven, houdt

zich vooral in boomen op, en is langzaam in zijne bewegingen. Het

is een alleseter, en versmaadt zoomin kleine Zoogdieren, Vogels,

Visschen, Wormen en Insekten, als vruchten en andere plantaardige

voedingsmiddelen. Daar het eenzame bosschen bewoont en verborgen

leeft, ziet men het zelden. Zijn stem bestaat, naar men zegt, uit een

luid gehuil. Hoewel de Binturong woest en kwaadaardig van natuur is,

worden exemplaren, die jong in gevangenschap geraken, schielijk tam

en zijn even zachtmoedig als speelsch.

In een derde onderfamilie vereenigen wij een aantal middelmatig groote,

tot Amerika beperkte leden van de Berenfamilie, n.l. de _Kleine Beren_

(_Procyoninae_).

Het geslacht der _Waschberen_ (_Procyon_) onderscheidt zich door de

volgende kenmerken: De bouw van den romp is gedrongen, de kop van

achteren zeer verbreed, de snuit kort; de groote oogen liggen dicht

bij elkander, de groote, afgeronde ooren zijn geheel aan de zijden

van den kop geplaatst; de pooten zijn betrekkelijk hoog en dun, de

voeten hebben onbehaarde zolen, middelmatig lange, slanke teenen en

tamelijk forsche, zijdelings samengedrukte klauwen; de staart is lang,

de beharing overvloedig, lang en sluik.

De _Gewone Waschbeer_ of _Schoep_, de _Raccoon_ der Amerikanen

(_Procyon lotor_) bereikt, bij 65 cM. romplengte en 25

cM. staartlengte, een schouderhoogte van 30 à 35 cM. De vacht is

geelachtig grijs, met zwart gemengd. Witachtig grijs is een bundel

haren in de oorstreek, die achter het oor door een bruinzwarte vlek

begrensd wordt; de zijden van den snuit en de kin hebben een gelijke

kleur. Van het voorhoofd tot aan het puntje van den neus en om het

oog strekken zich zwartbruine strepen uit; boven de oogen begint

een geelachtig witte streep, die tot naar de slapen loopt. De voeten

zijn bruinachtig geelgrijs, de lange haren van het onderbeen en van

den voorarm zijn zeer donker bruin. De grijsachtig gele staart is met

zwartbruine ringen geteekend en eindigt in een zwartbruine spits. Geen

van deze kleuren steekt sterk bij de andere af; gezamenlijk brengen

zij reeds op geringen afstand den indruk van grijs te weeg, welke

kleur even goed bij die van de boomschors als bij die van den met

versch of droog gras begroeiden bodem past.

Het vaderland van den Waschbeer is Noord-Amerika, men vindt hem hier

niet alleen in het zuiden, maar ook in het voor den pelterijhandel

zoo belangrijke noorden, van welk gebied hij althans de zuidelijkste

streken bewoont. Tegenwoordig is hij in de bewoonde gewesten wegens

de aanhoudende vervolgingen, waaraan hij blootstaat, veel zeldzamer

geworden, dan hij vroeger was; ook van hier heeft men hem echter niet

geheel kunnen verdrijven. In het binnenland, vooral in de met bosch

bedekte streken, komt hij nog in menigte voor. Het liefst houdt hij

zich op in wouden met rivieren, meren en beken. In den regel begint

hij eerst te jagen, als de schemering invalt, en brengt hij den dag

slapend door, zoolang de zon helder schijnt, rust hij in holle boomen,

of op dikke, bebladerde boomtakken; op plaatsen, waar hij in 't geheel

niet gestoord wordt, heeft hij echter geen bijzonderen jachttijd,

maar zwerft zoowel over dag als 's nachts door zijn uitgestrekt gebied.

De Waschbeer is een wakker, bevallig dier, dat door zijne

groote vlugheid en lenigheid een aangenamen indruk maakt. Als hij

onverschillig voortslentert, houdt hij den kop omlaag, kromt den rug

naar boven en sluipt in schuinsche richting tamelijk langzaam over

den weg; zoodra hij echter een ontdekking doet, die hem belangstelling

inboezemt, b.v. als hij een spoor vindt of een argeloozen buit opmerkt,

verandert zijn voorkomen geheel. Het ruige vel wordt glad, de breede

ooren worden gespitst, loerend gaat hij op de achterpooten staan,

vervolgt daarna vlug huppelend of loopend zijn weg, of klimt met

een behendigheid, die men niet van hem verwacht zou hebben, niet

alleen bij schuins geplaatste en loodrechte stammen naar boven,

maar ook over horizontale takken, zoowel langs de bovenzijde als

langs de onderzijde. Dikwijls ziet men hem als een Luiaard of

een Aap met geheel naar onderen hangend lichaam schielijk langs

horizontale takken voortloopen, en zonder te missen, sprongen doen

van den eenen tak op den anderen, waaruit een ongewone meesterschap

in 't klimmen blijkt. Ook op den grond is hij volkomen thuis, hij

weet zich door sprongen, waarbij hij alle vier pooten tegelijk op

den grond zet, zeer snel voort te bewegen. Zijn karakter heeft iets

aapachtigs. Hij is vroolijk, opgewekt, nieuwsgierig, plaagzuchtig en

belust op allerlei dolle streken, maar ook moedig als het noodig is,

en bij het bekruipen van zijn prooi listig als een Vos. Met zijne

soortgenooten leeft hij in zeer goede harmonie; zelfs als hij oud is,

speelt hij uren achtereen met andere dieren van zijn soort, in de

gevangenschap zelfs met ieder dier, dat met hem spelen wil.

De Waschbeer eet alles wat eetbaar is; toch is hij naar 't schijnt,

een fijnproever, die, als de gelegenheid zich voordoet, altijd de

beste stukken voor zichzelf weet uit te zoeken. Het plantenrijk

verschaft hem uitmuntende voedingsmiddelen: ooft van allerlei soort,

kastanjes, wilde druiven, maïs, zoolang de kolven nog week zijn; hij

zoekt echter ook de Vogels in hunne nesten op, weet listig een Hoen

of een Duif te bekruipen, verstaat meesterlijk de kunst om zelfs het

verborgenste nest op te sporen, en doet zich dan tegoed aan de eieren,

die hij verbazend behendig weet te openen en te ledigen, zonder iets

van hun inhoud verloren te laten gaan. Niet zelden dringt hij in de

tuinen en woningen door met het doel om Hoenderen te rooven en hunne

nesten te plunderen; om deze reden staat hij bij de "farmers" in geen

goeden reuk. Zelfs het water moet hem schatting betalen. Behendig

vangt hij Visschen, Kreeften en Schelpdieren; ter wille van deze

lekkernijen waagt hij zich bij ebbe dikwijls ver in de zee. De dikke

larven van sommige Kevers zijn, naar het schijnt, een waar gastmaal

voor hem; Sprinkhanen weet hij zeer behendig te vangen. Hij heeft de

eigenaardigheid zijn voedsel vooraf in het water te dompelen, en het

tusschen zijne voorpooten te wrijven, alsof hij het afwaschte. Dit

doet hij echter alleen dan, als hij niet bijzonder hongerig is; als

dit wel het geval is, laten de eischen van de maag hem waarschijnlijk

geen tijd voor de overigens zoozeer door hem geliefde, spelender wijs

verrichte bezigheid, waaraan hij zijn naam te danken heeft.

In Mei werpt het wijfje hare 4, 5 of 6 zeer kleine jongen op een

tamelijk zorgvuldig samengesteld leger in een hollen boom.

De Waschbeer wordt niet alleen wegens zijn goede pels vervolgd, maar

ook uit zuivere lust voor de jacht opgezocht en gedood. Wanneer men

alleen zijn vel verlangt, vangt men hem gemakkelijk in klemmen en

vallen van allerlei soort, die met een Visch of een stukje vleesch

als lokaas voorzien zijn. Minder eenvoudig is de jacht op dit dier. De

Amerikanen geven zich met een waren hartstocht aan dit vermaak over,

en dit wordt begrijpelijk, als men hunne jachtverhalen leest. Men

jaagt hem namelijk niet over dag, maar des nachts, met behulp van

Honden en bij fakkellicht. Als de Raccoon zijn eenzaam leger verlaten

heeft, en met zachte, onhoorbare schreden door het kreupelhout glijdt,

als het overigens in het woud zeer stil geworden is onder den invloed

van den nacht, gaan de jagers en de Honden op weg. Een goede, ervaren

Hond volgt het spoor, en de geheele troep rent den nu vluchtenden,

behendigen Beer na, die eindelijk met aapachtige snelheid in een boom

klimt, en zich hier in de donkerste gedeelten van de kroon tusschen de

takken tracht te verbergen. Beneden om den boom vormen de Honden een

kring, blaffend en huilend; boven ligt het vervolgde dier op zijn gemak

uit te rusten, gedekt door den donkeren mantel van den nacht. Daar

komen de jagers aan. De fakkels worden op een hoop geworpen, met droog

hout, harsrijke takken, pijnkegels en andere brandstoffen bedekt,

zoodat plotseling onder den boom een flink vuur ontbrandt, welks

vlammen in den omtrek een tooverachtig licht verbreiden. Nu begeeft

een in 't klimmen ervaren persoon zich in den boom, en neemt boven

in de takken de taak van de Honden over. De mensch en de aapachtige

Beer klauteren in de kroon van den boom rond, totdat eindelijk de

Raccoon zich op een heen en weer wiegelenden tak begeeft, in de hoop

een anderen boom te zullen bereiken. Zijn vervolger snelt hem na zoo

ver hij kan, en begint plotseling den tak met geweld te schudden. Het

beklagenswaardige dier moet zich nu stevig vasthouden, om niet op

den grond geslingerd te worden. Doch dit helpt hem niets. Nader

en nader komt zijn vijand, steeds moeielijker wordt het den Beer

om zich vast te houden, een misgreep, en in duizelende vaart stort

hij naar beneden. Een jubelend geblaf van de Honden begeleidt zijn

val, en wederom begint de jacht met vernieuwden ijver. Wel doet

de Waschbeer nog een- of tweemaal een poging om aan de Honden te

ontkomen, en beklimt daartoe nogmaals een boom; eindelijk echter

wordt hij de buit van zijne jachtlustige, viervoetige tegenstanders,

en blaast onder hunne beten den laatsten adem uit.

Een jong gevangen Waschbeer wordt gewoonlijk zeer spoedig en in

hooge mate tam. Door zijne gezelligheid en vroolijkheid, door de

ongedurigheid die hem eigen is, door zijn nimmer ophoudenden lust

tot beweging, als ook door zijn potsierlijk aapachtig voorkomen,

verschaft hij allen, die hem nagaan, een aangenaam tijdverdrijf. Hij

is zeer gesteld op liefkoozingen, maar toont toch nimmer een groote

gehechtheid. Tot grappen maken en spelen is hij dadelijk bereid, en

knort intusschen zachtjes van pret, evenals jonge Honden in dit geval

gewoon zijn te doen. Zijne handelingen herinneren in ieder opzicht aan

de gebaren der Apen. Altijd weet hij zich ergens mede bezig te houden;

niets van 't geen in zijn omgeving gebeurt, ontgaat hem. Bij zijne

wandelingen door huis en hof, voert hij veel kattekwaad uit. Alles

wil hij onderzoeken, overal van snoepen, in de proviandkast zoowel

als op het erf en in den tuin.

"Tot de meest in 't oog loopende eigenschappen van den Waschbeer,"

schrijft L. Beckmann, "behooren zijne grenzenlooze nieuwsgierigheid

en hebzucht, zijn eigenzinnigheid en de lust om alle hoeken en gaten

te doorsnuffelen. Een scherpe tegenstelling hiermede vormen zijne

koelbloedigheid, zelfbeheersching en humor. De voortdurende strijd

tusschen deze eigenaardigheden levert, zooals licht te begrijpen

is, dikwijls de vreemdsoortigste uitkomsten op. Zoodra hij inziet,

dat het hem onmogelijk is, zijn doel te bereiken, maakt de vurigste

nieuwsgierigheid onmiddellijk plaats voor een doffe onverschilligheid;

even plotseling wordt hardnekkige eigenzinnigheid door berusting en

handelbaarheid gevolgd. Omgekeerd gaat hij uit trage lusteloosheid

dikwijls geheel onverwachts, na een buiteling, tot de uitgelatenste

vroolijkheid over; in weerwil van al zijne zelfbeheersching en

schranderheid begaat hij soms de domste streken, zoodra slechts zijn

begeerigheid geprikkeld is."

"In de talrijke ledige uren, die iedere gevangene Waschbeer heeft,

doet hij allerlei kunstjes om de verveling te verdrijven. Soms zit

hij op zijne achterpooten in een eenzamen hoek, en is met een zeer

ernstige uitdrukking op zijn gelaat bezig, zich een stroohalm over den

neus te binden, soms speelt hij, schijnbaar in diep gepeins verzonken,

met de teenen van een zijner achterpooten of grijpt naar de heen en

weer slingerende spits van zijn langen staart. Een andere maal ligt

hij op den rug, heeft zich een grooten hoop hooi of dorre bladen op den

buik gestapeld en tracht nu deze losse massa neer te drukken door zijn

staart met de voorpooten stijf daarover heen te trekken. Als hij bij

het metselwerk kan komen, krabt hij met zijne scherpe nagels de kalk

uit de voegen, en richt in korten tijd een ongeloofelijke verwoesting

aan. Evenals Jeremia op de puinhoopen van Jerusalem, zit hij dan midden

op zijn puinhoop, kijkt met een somberen blik om zich heen, en licht,

uitgeput door den zwaren arbeid, met de voorpooten zijn halsband op.

"Na een langdurige droogte kan hij bij 't zien van een gevulde

watertobbe in geestvervoering geraken; hij doet dan alle mogelijke

moeite om er bij te komen. Als hem dit gelukt is, onderzoekt hij

vooraf voorzichtig hoe hoog het water in de tobbe staat, want alleen de

pooten dompelt hij graag in het water, om spelender wijs verschillende

voorwerpen af te wasschen; hij zelf houdt er volstrekt niet van, tot

aan den hals in 't water te staan. Als het onderzoek een bevredigende

uitkomst heeft opgeleverd, begeeft hij zich met zichtbaar welgevallen

in het natte element, en tast op den bodem rond naar het een of ander

voorwerp, dat hij zou kunnen wasschen. Een oor van een gebroken pot,

een stukje porselein, een slakkenhuis zijn gewilde zaken en worden

dadelijk onder handen genomen.

"De bedoelde Waschbeer had met een grooten Patrijshond een verbond

van vrede en vriendschap gesloten. Hij liet zich gaarne met hem

samenkoppelen en beide volgden hun meester op den voet, terwijl de

Waschbeer alleen, zelfs aan de lijn, steeds zijn eigen weg wilde

gaan. Zoodra hij 's morgens van zijn ketting bevrijd werd, sprong

hij vroolijk heen, om zijn vriend op te zoeken. Op de achterpooten

staande omvatte hij den hals van den Hond met zijne lenige voorpooten,

en vleide zijn kop zeer teeder tegen dien van zijn vriend; daarna

betastte hij dezen nieuwsgierig aan alle zijden. Het scheen, dat hij

dagelijks nieuwe schoonheden aan hem ontdekte en bewonderde. Wanneer

er bijgeval het een of ander haperde aan de gladheid van het haarkleed,

trachtte hij dit gebrek dadelijk weg te likken of te strijken.

"Met de kleine bijtlustige Dashonden bemoeide hij zich niet graag;

toch kon hij soms geen weerstand bieden aan den inval om zulk een

krompoot van boven af te omarmen. Zoodra de streek gelukt was, maakte

hij van pret een hoogen bokkesprong achteruit en hapte intusschen

in de lucht tusschen de twee uitgebreide voorpooten door naar den

geringden, heen en weer slingerenden staart.

"Kleine Zoogdieren en Vogels van iedere soort viel hij moordzuchtig

aan; het was uiterst moeielijk hem zulk een prooi te ontrukken. Muizen,

Ratten en dergelijke dieren doodde hij door een snellen beet in den

nek, en verslond ze met huid en haar, omdat hij, hoe hij ook rukte

en wreef, niet goed klaar kon komen met het afstroopen van hun vel."

Een op de jacht gedoode Waschbeer levert een niet onbelangrijk voordeel

op. Zijn vleesch wordt niet slechts door de oorspronkelijke bewoners

van Amerika en door de negers, maar ook door de blanken gegeten, en

zijn vel brengt een goeden prijs op; pelswerk van Waschberen is een

zeer gezocht artikel. Van de bovenharen maakt men goede penseelen,

van het wolhaar vilt voor hoeden, de geheele staart wordt als "boa"

gebruikt.

Een tweede soort, de _Krabben-Waschbeer_ of _Aguara_ (_Procyon

cancrivorus_), vertegenwoordigt het geslacht in Zuid-Amerika, waar

hij vooral in de landen langs de oostkust voorkomt. Hij staat een

weinig hooger op de pooten dan de Raccoon, is grijsachtig zwart

of geelachtig grijs van kleur, aan de onderzijde lichter, met een

geelachtig geringden, ruigen staart en donkerkleurig aangezicht;

boven ieder oog bevindt zich een lichte vlek.

In een natuurlijke volgorde geplaatst met hunne verwanten, komen

de _Neusberen_ (_Nasua_) in de nabijheid van de Waschberen te

staan. Zij zijn gemakkelijk herkenbaar aan hun gerekten, slanken,

bijna marterachtigen romp, met korten hals en langen, spitsen kop,

hun dicht behaarden staart, welks lengte die van het overig lichaam

evenaart en hunne korte, krachtige pooten met breede voeten en naakte

zolen. Het meest in 't oog loopende kenteeken van deze dieren is

de neus. Hij verlengt zich bij wijze van een slurf tot ver voorbij

de mondspleet en heeft scherpkantige, gezwollen randen. De ooren

zijn kort en afgerond, de heldere oogen middelmatig groot, de vijf

onderling bijna geheel vergroeide teenen zijn met lange en spitse,

maar weinig gekromde nagels gewapend. Het gebit gelijkt op dat van

den Waschbeer, de tanden zijn echter een weinig slanker.

Van de vele soorten, waarin het geslacht der Neusberen door sommige

natuuronderzoekers verdeeld werd, worden tegenwoordig slechts twee als

goed gekenmerkt beschouwd. Vroeger onderscheidde men meer soorten,

omdat deze dieren in sommige opzichten nogal uiteenloopen, en ook,

zooals Hensel overtuigend heeft aangetoond, al naar hun leeftijd in

levenswijze verschillen. _De Prins_ von Wied onderscheidde in Brazilië

twee soorten, de _gezellige_ en de _eenzame Neusbeer_. Volgens Hensel's

onderzoekingen vertoonen deze beiden vormen echter geen soortverschil;

de "eenzame" Neusberen zijn eenvoudig brommige, oude mannetjes, die

zich van de in troepen levende "gezellige" afgescheiden hebben. Anders

is het gesteld met de beide soorten, die hieronder genoemd worden.

De bekendste soort van het geslacht is de _Coati_, in Guyana _Koeassie_

genoemd, die wij meer bepaaldelijk _Neusbeer_ zullen noemen (_Nasua

rufa_), en wiens verbreidingsgebied zeer groot is, daar het zich van

de noordkust van Zuid-Amerika tot aan Paraguay uitstrekt. In 't geheel

is hij, met inbegrip van den ongeveer 45 cM. langen staart, 100 à 105

cM. lang; de schouderhoogte bedraagt 27 à 30 cM. Het dichte en tamelijk

lange, maar niet vlokkige haarkleed bestaat uit stijve, grove, glanzige

bovenharen, die zich aan den staart verlengen, en uit kort, zacht,

eenigszins gekroesd wolhaar, dat vooral op den rug en aan de zijden

dicht bijeenstaat. De grondkleur, die op den rug tusschen rood en

grijsachtig bruin afwisselt, gaat aan de onderzijde in een geelachtige

tint over; het voorhoofd en de kruin zijn geelachtig grijs, de lippen

wit, de ooren aan de achterzijde bruinachtig zwart, aan de voorzijde

grijsachtig geel. Een ronde, witte vlek komt boven ieder oog voor,

een andere aan den buitensten ooghoek; twee dikwijls ineenvloeiende

vlekken staan onder het oog; een witte streep loopt langs den wortel

van den neus naar beneden. De staart is met ringen geteekend, die

bij afwisseling bruinachtig geel en zwartachtig bruin zijn.

De _Witsnuitbeer_ (_Nasua narica_) van Middel-Amerika moet, volgens

Hensel, als een afzonderlijke soort worden beschouwd. In grootte komt

hij met den Coati overeen en ook zijn kleur herinnert over 't algemeen

aan dezen. De vacht is aan de bovenzijde meer of minder donker,

al naar de lichte kleur van de haarspitsen meer op den achtergrond

treedt of duidelijker zichtbaar wordt. Een ring om 't oog, een boven

het oog beginnende, naar het puntje van den neus gerichte streep,

de boven- en de onderzijde van het voorste deel van den snuit zijn

geelachtig wit; iets donkerder zijn de zijden van den hals en de keel;

de overige onderdeelen zijn bruinachtig, de voeten geheel bruin.

Azara, Hensel, Rengger en de _Prins_ von Wied hebben uitvoerige

beschrijvingen gegeven van het leven van den Neusbeer in vrijen

toestand.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 36 / 37 段