niet minder dan 200 schedels van dit dier heb kunnen verzamelen. Door
onderlinge vergelijking van deze schedels en door het veelvuldig
nagaan van den Coati in vrijen toestand, ben ik tot de overtuiging
gekomen, dat de oude mannetjes, die men als vertegenwoordigers van een
bijzondere soort heeft beschouwd, van de overige alleen verschillen
door hun eenzame levenswijze. Op een bepaalden leeftijd verlaten
zij het gezelschap van de wijfjes, en keeren slechts in den paartijd
tot hen terug. Nooit merkt men eenzaam levende wijfjes op; wanneer
men een wijfje alleen ziet, is het misschien toevallig door de jacht
van haar bende afgeraakt; het zou ook kunnen zijn, dat deze zich wel
degelijk in de nabijheid bevindt, maar voor den jager verborgen bleef.
"De Neusberen zijn dagdieren; zij rusten des nachts, maar openbaren
van den morgen tot den avond een rustelooze bedrijvigheid. Gedurende
den dag zijn zij, naar het schijnt, onophoudelijk onderweg; zij steken
dan hun neus in elke voor hen toegankelijke ruimte. Hun voedsel bestaat
vermoedelijk uit een mengelmoes van allerlei aan het planten- en het
dierenrijk ontleende eetwaren. Gaarne bezoeken zij de plantages om
maïskolven te plukken, vooral zoolang de korrels nog week zijn."
Kleine dieren van allerlei soort vallen hun ten buit, Insekten en
hunne larven, Wormen en Slakken schijnen voor hen lekkernijen te
zijn. Als zij een Worm in den bodem, een Kever-larve in het rottende
hout opmerken, geven zij zich de grootste moeite deze prooi te
overmeesteren; zij wroeten ijverig met de voorpooten, steken van tijd
tot tijd den neus in het door hun gegraven gat, en speuren, zooals
onze Honden doen, wanneer zij op het veld de Muizen vervolgen, totdat
zij hun doel eindelijk bereikt hebben. Onder geschreeuw en gefluit,
gegraaf en gewroet, geklauter en getwist gaat de morgen voorbij;
als het heeter wordt in 't bosch, maakt de bende aanstalten om een
geschikte plaats voor een middagslaapje te vinden. Zoodra een gunstig
gelegen boom of een schaduwrijk heesterboschje gevonden is, gaat
ieder hunner zoo gemakkelijk mogelijk op een tak liggen en dut in. Des
namiddags wordt de reis voortgezet, die tegen den avond door de zorg
voor een goede slaapplaats op nieuw afgebroken wordt. Als de Coatis
een vijand bemerken, geven zij hunne metgezellen hiervan onmiddellijk
kennis door luide, fluitende geluiden en klimmen ten spoedigste in
een boom; alle overige volgen dit voorbeeld; in een oogwenk is het
geheele gezelschap over de takken van de kroon verdeeld. Als men ze
achternaklimt, of eenvoudig stoort door met een bijl hevig tegen
den stam te slaan, gaan zij verder buitenwaarts naar de spits van
den tak, springen vandaar naar beneden en nemen de vlucht. Als zij
niet gestoord worden, gaan zij met den kop naar onderen gericht van
den stam af. Zij draaien daarbij de achterpooten naar buiten en naar
achteren en klemmen zich hiermede vast aan den stam. Op de takken
begeven zij zich voorzichtig verder; sprongen, zooals de Apen doen,
b.v. van den eenen boom naar den anderen, vallen niet in hun smaak,
hoewel zij er toe in staat zijn; want in behendigheid evenaren zij
ongeveer de Apen en de Katten. Veel logger dan in de takken der boomen
zijn hunne bewegingen op den grond. Op den vlakken bodem stappen zij
en houden den staart loodrecht omhoog gericht, of maken korte sprongen;
hunne zolen komen hierbij altijd slechts voor de helft met den grond in
aanraking. Alleen als zij staan, of zich op de achterpooten verheffen,
rusten de voeten op de geheele zool. Hun beweging op den bodem schijnt
zeer onbeholpen, hoewel zij met vrij groote snelheid galoppeeren. Naar
het schijnt, zijn zij bang voor 't water, waarin zij zich alleen in
den hoogsten nood begeven; zij zijn echter voldoende ervaren in het
zwemmen om rivieren en stroomen te kunnen overtrekken.
Onder hunne zinnen neemt de reuk ongetwijfeld een eerste plaats in,
daarop volgt het gehoor, terwijl het gezicht, de smaak en het gevoel
betrekkelijk zwak zijn. Des nachts kunnen zij niet zien, over dag is
hun gezichtsvermogen niet bijzonder goed; het gevoel zetelt, naar het
schijnt, bijna uitsluitend in den slurfvormigen neus, die tevens hun
voornaamste tastwerktuig is.
Naar Rengger bericht, werpt de in vrijheid levende Neusberin in October
3 à 5 jongen in een hollen boom, in een gat van den grond, in een met
dicht struikgewas begroeide kloof of in een anderen schuilhoek. Hier
houdt zij haar kroost zoolang verborgen, totdat het haar op al hare
zwerftochten kan volgen.
Bij het teekenen van de Neusberen-familie in den Breslauer dierentuin
deed Mützel de volgende ervaringen op: "De eerste indruk, dien het
geheele gezelschap op mij maakte, was hoogst eigenaardig. In de
diepste stilte verzorgde de moeder hare jongen. Zij zat of liever
lag op het breede gedeelte van 't heiligbeen op haar strooleger; hare
uiteengespreide achterpooten waren naar voren gericht; de rug leunde
tegen den wand van 't hok; zij besnuffelde en belekte hare kinderen,
die den buik van het oude dier bedekten en ijverig zogen. Van de
moeder zag men niet anders dan het aangezicht en de voorpooten,
terwijl de vijf met ringen geteekende staarten van de jongen,
ieder uit een bruinen haarbal ontspringend, straalswijs de moeder
omkransten. Weldra echter kwam er verandering van tooneel. Mijn
tegenwoordigheid leidde de aandacht van de moeder van hare jongen
af. Nieuwsgierig stond zij van haar leger op, en trachtte haar
nakomelingschap te bewegen de tepels los te laten; deze bleven
er echter aan vastgehecht op één na; het zuigend kroost werd dus
langs den bodem meegesleept naar het traliewerk; het eene jong,
dat losgelaten had, maar nog slaapdronken voor haar uitwaggelde,
schoof zij eenvoudig op zij. Eerst na een geruimen tijd, die door de
moeder besteed werd om mij terdeeg te bekijken, ontwaakte ook in de
jongen het besef, dat er iets buitengewoons aan de hand moest zijn;
zij hielden op, de oude lastig te vallen, en maakten op hun beurt
kennis met mij, waardoor ik in staat werd gesteld, ze aan alle zijden
te beschouwen. In weerwil van hunne echt jeugdige vormen hebben zij
geheel de kleur van de volwassen dieren, juist daardoor krijgen hunne
gezichten een hoogst komieke uitdrukking. De glanzig zwarte neus,
die voortdurend in snuffelende beweging is, het lange aangezicht,
de schitterende, onschuldige, zwarte, op parels gelijkende oogen,
die nog niet door witte neus-strepen, maar door een kring van 3 of
4 lichte vlekken, met bruine gedeelten er tusschen, zijn omgeven, de
wangen, die een wit en bruin getakte teekening vertoonen, de gewelfde
kruin, met de middelmatig groote, witte ooren, die voortdurend in
beweging zijn, het beerachtig afgeronde lichaam, de lange, ruige, met
ringen geteekende, omhoog gedragen staart vormen een vreemdsoortig,
potsierlijk geheel, vooral als de dieren loopen of klimmen. Al
hunne bewegingen zijn komiek, half schroomvallig, half flink, en
boeien voortdurend de aandacht van den toeschouwer, die zich door
de buitengewoon goedaardige en argelooze gelaatsuitdrukking van deze
kleine dieren ten zeerste tot hen aangetrokken gevoelt.
"Maar ik wilde iets nieuws zien en hield daarom de moeder een Muis
voor. Vlug als de wind kwam zij er op af, beet het diertje eerst
hevig in den kop, hoewel het reeds dood was, legde het daarna voor
zich op den grond en begon, terwijl zij den buit met de voorpooten
vasthield, aan het achtereinde te eten. Dit bevreemdde mij. De
oppasser zeide mij echter, dat de Neusberen gewoonlijk hun prooi
bij het achtereinde begonnen te verslinden en niet zooals andere
dieren aan het kopeinde. Bij het tweede gerecht, een doode Rat,
vond ik deze mededeeling volkomen bevestigd. Ook de Rat kreeg een
beet in den kop, werd daarna beroken en van achteren af verslonden;
op den staart volgden de pooten, daarna het overige deel van den
romp, terwijl de kop voor 't laatst bewaard bleef. De Muis was na
weinige seconden verdwenen, het verslinden van de Rat hield echter
langer aan. Zooals te verwachten was, gaven de jongen het verlangen
te kennen om aan den maaltijd deel te nemen. De moeder liet dit echter
niet toe. Misschien achtte zij dit voedsel nog niet geschikt voor hare
kinderen, waarschijnlijk echter dacht zij alleen aan zichzelf; in allen
gevalle zij snauwde hare jongen driftig af, duwde ze naar rechts en
naar links op zijde, en smeet ze, toen zij bleven aandringen, met de
voorpooten zijwaarts en naar achteren uit den weg. De jongen waren
dadelijk weer op de been, en omringden opnieuw de smullende moeder;
zooals zij daar stonden vol belangstelling en verlangen toeziende,
den snuffelenden neus onophoudelijk in beweging, alle vijf staartjes
omhoog gericht, nu en dan op de wijze der Katten met het puntje van
den staart kleine kringen beschrijvend--vormden zij een prachtige
voorstelling van jeugdige begeerigheid. Eindelijk was het heerlijke
gerecht verslonden, op een klein stukje na; ook dit was echter
niet voor de jongen bestemd, maar werd in een voor hen onbereikbaar
gat gebracht, ongeveer 1/2 M. boven den bodem, en met den langen,
beweeglijken neus zoo goed mogelijk weggestopt. Verzadigd en zeer
prettig gestemd stapte de moeder nu naar haar leger, en strekte zich
hierop uit om rust te nemen, terwijl op den voorgrond het volgende
vermakelijke schouwspel vertoond werd.
"De moeder had bij vergissing twee stukjes van 't vel van de Rat
laten liggen, en op deze armzalige overblijfselen van den maaltijd
vielen de kleintjes met zooveel ijver en gretigheid aan, als ooit in
een dergelijk geval getoond kan worden. Er ontstond een kibbelpartij,
die mij tranen deed lachen. De vijf bonte aangezichten, de vijf wollige
lichamen, de vijf omhoog geheven staarten geraakten in elkander verward
en tuimelden over elkander heen, de clownachtige strijders liepen,
vielen en buitelden over en door elkander, rolden over den vloer,
huppelden over de lijdzame moeder heen, klommen den boom op en af,
en deden dit alles met zulk een haast, dat het de grootste moeite
kostte, een van hen voortdurend in 't oog te houden."
De blanke bewoners van Zuid-Amerika en Mexico maken hoofdzakelijk voor
hun genoegen jacht op de Neusberen. Zij begeven zich in de bosschen
met eenige Honden en laten door deze het verlangde wild opsporen. Bij
het zien van de Honden vluchten de Neusberen luid schreeuwend op
de naastbijgelegen boomen en de jagers, die hiervan door het geblaf
hunner helpers in kennis worden gesteld, zijn nu in de gelegenheid om
te toonen, dat zij goede schutters zijn. Om den Neusbeer naar beneden
te doen tuimelen, moet men hem doodelijk treffen, want de gewonde
dieren leggen zich meestal op een gaffelvormigen tak neder en kunnen
slechts met groote moeite vandaar verwijderd worden. Een enkele Hond
kan tegen een Neusbeer niet veel uitrichten. Vooral de eenzaam levende
Neusbeer weet een goed gebruik te maken van zijne scherpe tanden; als
de Hond hem op de hielen zit, draait hij zich moedig om, schreeuwt van
woede en bijt duchtig om zich heen. In ieder geval verkoopt hij zijn
leven duur genoeg en stelt niet zelden 5 of 6 Honden buiten gevecht,
voordat hij voor de overmacht bezwijkt. Zijn vleesch wordt niet alleen
door de inboorlingen, maar ook door de Europeanen gaarne gegeten.
Het is niet moeielijk een Neusbeer in gevangen staat in 't leven te
houden. Hij schikt zich in zijn lot, maar toont nimmer een bijzondere
voorliefde voor zijn oppasser, hoe tam hij ook wordt. Evenals de
Apen speelt hij met iedereen en ook met zijne huisgenooten uit
het dierenrijk, b.v. met Honden, Katten, Hoenderen en Eenden. Bij
't eten mag men hem echter volstrekt niet storen, want zelfs het
tamste exemplaar bijt naar menschen en dieren, die hem zijn voedsel
willen ontrukken. In vele opzichten toont hij een groote mate van
zelfstandigheid, ja zelfs van bandeloosheid. Hij onderwerpt zich
volstrekt niet aan den wil van den mensch, maar geraakt in drift,
als men hem tot iets dwingen wil. Niet eens door slagen kan men hem
gehoorzaamheid leeren, integendeel manmoedig verweert hij zich, en
bijt duchtig, als hij gekastijd wordt, zijn oppasser even zoo goed
als ieder ander.
Van een dier met zulk een prikkelbaren, onbuigzamen aard kan men niet
veel leerzaamheid verwachten. Het is bijna niet mogelijk den Neusbeer
ergens toe af te richten. Rengger zag er een, die op bevel van zijn
meester als een Poedel kunstjes deed en op den nagebootsten knal van
een geweer als dood op den grond viel: exemplaren die zoo leerzaam
zijn, moeten als zeldzame uitzonderingen beschouwd worden.
Als men hem vrij rondloopen laat, wordt hij in huis zeer lastig. Hij
doorwoelt alles met den neus en werpt alle voorwerpen om. Hij kan met
den neus vrij wat kracht uitoefenen en van zijne voorpooten met groote
behendigheid gebruik maken. Niets laat hij onaangeroerd. Als hij zich
van een boek meester gemaakt heeft, slaat hij alle bladen om, door
afwisselend beide voorpooten snel in beweging te brengen. Geeft men
hem een sigaar, dan ontrolt hij deze geheel door dezelfde beweging;
als hij een voorwerp ziet staan, dat zijn aandacht trekt, geeft hij
er eerst met den rechter-, daarna met de linkerpoot een slag tegen,
totdat het op den grond valt.
Zoo heel lang is het nog niet geleden, dat de eigenaar van een
menagerie in Parijs met het volste recht kon zeggen, dat hij
aan de dierkundigen een onbekend, uit Amerika afkomstig dier zou
toonen. Ongeveer terzelfder tijd, in het laatste vierde deel van
de vorige eeuw, kwam het bedoelde wezen te Londen, waar het even
sterk als te Parijs de aandacht van de natuuronderzoekers trok. Dit
raadselachtig dier was de Rolstaartbeer, die men destijds zoo goed als
in 't geheel niet kende. Eenigen hielden hem voor een Lemuride. Anderen
meenden, met het oog op zijn van het tandenstelsel der Halfapen
zeer verschillend gebit, hem bij de Civetkatten te moeten voegen,
en noemden hem Mexicaansche Wezel. Met deze veronderstelling was
het bezit van een rolstaart niet best te rijmen; terwijl ook het
gebit--dat zich vooral door de stompheid der kiezen onderscheidt,
en op het gebruik van plantaardig en dierlijk voedsel wijst--niet
veel overeenstemming vertoont met dat van de Viverren. Eindelijk
gaf men hem (met eenige andere, niet minder eigenaardige wezens)
een plaats in de familie der Beren.
De _Rolstaartbeer_, _Kinkajoe_, _Manaviri_ of _Cuchumbi_, zooals
het dier in zijn vaderland, het noorden van Brazilië, genoemd wordt
(_Cercoleptes coudivolvulus_), voltooit de reeks van overgangsvormen
van de Beren tot de Civetkatten. De zeer gerekte, maar plompe romp
staat laag op de pooten; de kop is buitengewoon kort, dik en zeer
kort van snuit; de oogen zijn middelmatig groot, de ooren klein, de
vijf teenen halverwege onderling vergroeid en met stevige klauwen
gewapend, de zolen onbehaard. De staart, welks lengte die van het
lichaam overtreft, is een even volmaakte rolstaart als die van
vele Buideldieren of van de Brulapen. In volwassen toestand is
de Rolstaartbeer 90 cM. lang, waarvan 47 cM. op den staart komen,
terwijl de schouderhoogte 17 cM. bedraagt. De zeer dichte, tamelijk
lange, een weinig gekroesde, zachte, fluweelachtig glanzige beharing
is aan de boven- en buitenzijde licht grijsachtig geel met een flauw
roodachtig waas en zwartachtig bruine golvingen, die vooral aan den
kop en in den nek duidelijk zichtbaar zijn.
Tegenwoordig weten wij, dat de Rolstaartbeer een tamelijk uitgestrekt
verbreidingsgebied heeft. Hij komt voor in het geheele noorden van
Brazilië, in Peru en verder noordwaarts tot in Mexico, zelfs nog in
het zuiden van Louisiana en in Florida. Hij leeft in de oerwouden,
vooral in de nabijheid van groote rivieren en wel op boomen. Hij
heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; den dag brengt hij slapend
in holle boomen door, des nachts echter toont hij zich zeer levendig;
hij klimt dan buitengewoon behendig en vlug in de kronen der hooge
boomen rond, waar hij zijn voedsel zoekt. Hierbij bewijst de rolstaart
hem uitmuntende diensten. Wat vaardigheid in 't klimmen betreft, wordt
hij door slechts weinige Apen overtroffen. Al zijne bewegingen zijn
uiterst behendig en zeker. Hij kan zich met de achterpooten en met
den rolstaart aan takken en twijgen vasthouden, en zich zoo goed aan
een boom vastklemmen, dat hij met den kop benedenwaarts uit den boom
afdalen kan. Bij 't gaan laat hij de geheele zool op den grond rusten.
Allen die den gevangen Rolstaartbeer tot dusver hebben nagegaan,
verklaren eenstemmig, dat hij tegenover menschen zich zachtaardig
en goedhartig toont en zeer spoedig even gemeenzaam wordt als een
Hond, zich gaarne laat liefkoozen, de stem van zijn meester herkent
en diens gezelschap zoekt. Hij geeft zich moeite om zijn verzorger
over te halen met hem te spelen of zich met hem te bemoeien en
behoort daarom in Zuid-Amerika tot de meest geliefde huisgenooten
van de inboorlingen. Ook in den gevangen staat slaapt hij bijna den
geheelen dag. Hij bedekt daarbij zijn lichaam en vooral den kop met
den staart. Hij eet al wat men hem voorzet: brood, vleesch, ooft,
gekookte aardappelen, groenten, suiker, ingemaakte eetwaren; hij drinkt
melk, koffie, water, wijn en zelfs brandewijn, wordt door het gebruik
van alcoholische dranken beschonken en blijft dan verscheidene dagen
ziek. Nu en dan valt hij ook wel Vogels aan, doodt ze, zuigt hun het
bloed uit en laat het overige liggen. Kappler, die den Rolstaartbeer
in Guyana leerde kennen, zegt van hem: "Hij voedt zich uitsluitend
met vruchten en wordt bijzonder tam. Ik kreeg van de Indianen een jong
dier, dat volkomen vrij rondliep. Niemand wist, waar het zich over dag
ophield. Zoodra wij 's avonds aan tafel gingen zitten, kwam _Wawa_,
zooals wij hem noemden, en vermaakte ons door zijne potsierlijke
liefkoozingen, waartoe ook behoorde, dat hij mij zijn lang tongetje in
den mond, de ooren en den neus trachtte te steken. Hij at rijpe bananen
en andere vruchten. Als men het huis sloot, werd Wawa buiten de deur
gezet; deze klom dan in de broodvrucht-, kokos- of avogato-boomen,
want op den grond hield hij zich niet graag op. Ik had hem meer dan
een jaar gehad, toen hij plotseling stierf."
Een klein Roofdier, dat vroeger tot de familie der Civetkatten werd
gerekend, is, volgens latere onderzoekingen nog het naast aan de
zooeven beschrevene, Amerikaansche Kleine Beren verwant. Het is
het _Katfret_ (_Bassaris astuta_), dat, zooals reeds in 1651 door
Hernandez werd medegedeeld, bij de Mexicanen _Cacamizli_ heet. Het
volwassen mannetje bereikt een totale lengte van ongeveer 95 cM.,
waarvan twee vijfden op den staart komen. Door zijn gestalte herinnert
dit dier aan een kleinen Vos, door zijn kleur aan de Neusberen.
Volgens de berichten, die tot dusver over den Cacamizli gegeven zijn,
bewoont hij in Mexico rotskloven en verlaten gebouwen, in Texas
hoofdzakelijk holle boomen. In de stad Mexico komt hij veelvuldig
voor; Charlesworth meent zelfs, dat hij zijn leger nooit ver van
menschelijke woningen opslaat, omdat de mensch door het fokken van
Hoenderen het Roofdier in de gelegenheid stelt, zonder veel moeite
door de jacht in zijn onderhoud te voorzien.
De Cacamizli is een levendig, speelsch en wakker dier, dat door
zijne bewegingen en standen dikwijls aan het Eekhoorntje herinnert
en hieraan zijn Mexicaanschen naam "Kateekhoorn" dankt. Als het
uit zijn hol wordt opgejaagd, neemt het geheel en al de sierlijke
houding van het genoemde Knaagdier aan, door den staart over den rug
te leggen. Het kan uitmuntend klimmen; het kan echter niet met de
zekerheid en behendigheid van den Eekhoorn van tak tot tak springen,
maar loopt, wanneer het verschrikt wordt gemaakt, zoo lang mogelijk
op een tak voort en tracht dan langs een zijtak een anderen boom te
bereiken. Soms ziet men het, op de bovenzijde van een tak liggend, zich
in de zon koesteren. Het ligt dan half opgerold en zonder beweging,
alsof het sliep; bij het geringste teeken van gevaar sluipt het
echter zoo schielijk mogelijk in zijn hol, en komt daaruit eerst na
het ondergaan van de zon weer te voorschijn.
Hoewel de Cacamizli zeer schuw en eenzelvig is, kan hij vrij
gemakkelijk getemd worden; als men hem gedurende langen tijd in
een kooi gehouden heeft, kan men hem zelfs naar vrije verkiezing
binnenshuis laten rondloopen. Dikwijls wordt hij door de Mexicanen
als een schoothondje behandeld; door het vangen van Muizen en Ratten
is hij als huisdier nuttig.