"De Neusbeer," zegt Hensel, "is in Brazilië zoo menigvuldig, dat ik

niet minder dan 200 schedels van dit dier heb kunnen verzamelen. Door

onderlinge vergelijking van deze schedels en door het veelvuldig

nagaan van den Coati in vrijen toestand, ben ik tot de overtuiging

gekomen, dat de oude mannetjes, die men als vertegenwoordigers van een

bijzondere soort heeft beschouwd, van de overige alleen verschillen

door hun eenzame levenswijze. Op een bepaalden leeftijd verlaten

zij het gezelschap van de wijfjes, en keeren slechts in den paartijd

tot hen terug. Nooit merkt men eenzaam levende wijfjes op; wanneer

men een wijfje alleen ziet, is het misschien toevallig door de jacht

van haar bende afgeraakt; het zou ook kunnen zijn, dat deze zich wel

degelijk in de nabijheid bevindt, maar voor den jager verborgen bleef.

"De Neusberen zijn dagdieren; zij rusten des nachts, maar openbaren

van den morgen tot den avond een rustelooze bedrijvigheid. Gedurende

den dag zijn zij, naar het schijnt, onophoudelijk onderweg; zij steken

dan hun neus in elke voor hen toegankelijke ruimte. Hun voedsel bestaat

vermoedelijk uit een mengelmoes van allerlei aan het planten- en het

dierenrijk ontleende eetwaren. Gaarne bezoeken zij de plantages om

maïskolven te plukken, vooral zoolang de korrels nog week zijn."

Kleine dieren van allerlei soort vallen hun ten buit, Insekten en

hunne larven, Wormen en Slakken schijnen voor hen lekkernijen te

zijn. Als zij een Worm in den bodem, een Kever-larve in het rottende

hout opmerken, geven zij zich de grootste moeite deze prooi te

overmeesteren; zij wroeten ijverig met de voorpooten, steken van tijd

tot tijd den neus in het door hun gegraven gat, en speuren, zooals

onze Honden doen, wanneer zij op het veld de Muizen vervolgen, totdat

zij hun doel eindelijk bereikt hebben. Onder geschreeuw en gefluit,

gegraaf en gewroet, geklauter en getwist gaat de morgen voorbij;

als het heeter wordt in 't bosch, maakt de bende aanstalten om een

geschikte plaats voor een middagslaapje te vinden. Zoodra een gunstig

gelegen boom of een schaduwrijk heesterboschje gevonden is, gaat

ieder hunner zoo gemakkelijk mogelijk op een tak liggen en dut in. Des

namiddags wordt de reis voortgezet, die tegen den avond door de zorg

voor een goede slaapplaats op nieuw afgebroken wordt. Als de Coatis

een vijand bemerken, geven zij hunne metgezellen hiervan onmiddellijk

kennis door luide, fluitende geluiden en klimmen ten spoedigste in

een boom; alle overige volgen dit voorbeeld; in een oogwenk is het

geheele gezelschap over de takken van de kroon verdeeld. Als men ze

achternaklimt, of eenvoudig stoort door met een bijl hevig tegen

den stam te slaan, gaan zij verder buitenwaarts naar de spits van

den tak, springen vandaar naar beneden en nemen de vlucht. Als zij

niet gestoord worden, gaan zij met den kop naar onderen gericht van

den stam af. Zij draaien daarbij de achterpooten naar buiten en naar

achteren en klemmen zich hiermede vast aan den stam. Op de takken

begeven zij zich voorzichtig verder; sprongen, zooals de Apen doen,

b.v. van den eenen boom naar den anderen, vallen niet in hun smaak,

hoewel zij er toe in staat zijn; want in behendigheid evenaren zij

ongeveer de Apen en de Katten. Veel logger dan in de takken der boomen

zijn hunne bewegingen op den grond. Op den vlakken bodem stappen zij

en houden den staart loodrecht omhoog gericht, of maken korte sprongen;

hunne zolen komen hierbij altijd slechts voor de helft met den grond in

aanraking. Alleen als zij staan, of zich op de achterpooten verheffen,

rusten de voeten op de geheele zool. Hun beweging op den bodem schijnt

zeer onbeholpen, hoewel zij met vrij groote snelheid galoppeeren. Naar

het schijnt, zijn zij bang voor 't water, waarin zij zich alleen in

den hoogsten nood begeven; zij zijn echter voldoende ervaren in het

zwemmen om rivieren en stroomen te kunnen overtrekken.

Onder hunne zinnen neemt de reuk ongetwijfeld een eerste plaats in,

daarop volgt het gehoor, terwijl het gezicht, de smaak en het gevoel

betrekkelijk zwak zijn. Des nachts kunnen zij niet zien, over dag is

hun gezichtsvermogen niet bijzonder goed; het gevoel zetelt, naar het

schijnt, bijna uitsluitend in den slurfvormigen neus, die tevens hun

voornaamste tastwerktuig is.

Naar Rengger bericht, werpt de in vrijheid levende Neusberin in October

3 à 5 jongen in een hollen boom, in een gat van den grond, in een met

dicht struikgewas begroeide kloof of in een anderen schuilhoek. Hier

houdt zij haar kroost zoolang verborgen, totdat het haar op al hare

zwerftochten kan volgen.

Bij het teekenen van de Neusberen-familie in den Breslauer dierentuin

deed Mützel de volgende ervaringen op: "De eerste indruk, dien het

geheele gezelschap op mij maakte, was hoogst eigenaardig. In de

diepste stilte verzorgde de moeder hare jongen. Zij zat of liever

lag op het breede gedeelte van 't heiligbeen op haar strooleger; hare

uiteengespreide achterpooten waren naar voren gericht; de rug leunde

tegen den wand van 't hok; zij besnuffelde en belekte hare kinderen,

die den buik van het oude dier bedekten en ijverig zogen. Van de

moeder zag men niet anders dan het aangezicht en de voorpooten,

terwijl de vijf met ringen geteekende staarten van de jongen,

ieder uit een bruinen haarbal ontspringend, straalswijs de moeder

omkransten. Weldra echter kwam er verandering van tooneel. Mijn

tegenwoordigheid leidde de aandacht van de moeder van hare jongen

af. Nieuwsgierig stond zij van haar leger op, en trachtte haar

nakomelingschap te bewegen de tepels los te laten; deze bleven

er echter aan vastgehecht op één na; het zuigend kroost werd dus

langs den bodem meegesleept naar het traliewerk; het eene jong,

dat losgelaten had, maar nog slaapdronken voor haar uitwaggelde,

schoof zij eenvoudig op zij. Eerst na een geruimen tijd, die door de

moeder besteed werd om mij terdeeg te bekijken, ontwaakte ook in de

jongen het besef, dat er iets buitengewoons aan de hand moest zijn;

zij hielden op, de oude lastig te vallen, en maakten op hun beurt

kennis met mij, waardoor ik in staat werd gesteld, ze aan alle zijden

te beschouwen. In weerwil van hunne echt jeugdige vormen hebben zij

geheel de kleur van de volwassen dieren, juist daardoor krijgen hunne

gezichten een hoogst komieke uitdrukking. De glanzig zwarte neus,

die voortdurend in snuffelende beweging is, het lange aangezicht,

de schitterende, onschuldige, zwarte, op parels gelijkende oogen,

die nog niet door witte neus-strepen, maar door een kring van 3 of

4 lichte vlekken, met bruine gedeelten er tusschen, zijn omgeven, de

wangen, die een wit en bruin getakte teekening vertoonen, de gewelfde

kruin, met de middelmatig groote, witte ooren, die voortdurend in

beweging zijn, het beerachtig afgeronde lichaam, de lange, ruige, met

ringen geteekende, omhoog gedragen staart vormen een vreemdsoortig,

potsierlijk geheel, vooral als de dieren loopen of klimmen. Al

hunne bewegingen zijn komiek, half schroomvallig, half flink, en

boeien voortdurend de aandacht van den toeschouwer, die zich door

de buitengewoon goedaardige en argelooze gelaatsuitdrukking van deze

kleine dieren ten zeerste tot hen aangetrokken gevoelt.

"Maar ik wilde iets nieuws zien en hield daarom de moeder een Muis

voor. Vlug als de wind kwam zij er op af, beet het diertje eerst

hevig in den kop, hoewel het reeds dood was, legde het daarna voor

zich op den grond en begon, terwijl zij den buit met de voorpooten

vasthield, aan het achtereinde te eten. Dit bevreemdde mij. De

oppasser zeide mij echter, dat de Neusberen gewoonlijk hun prooi

bij het achtereinde begonnen te verslinden en niet zooals andere

dieren aan het kopeinde. Bij het tweede gerecht, een doode Rat,

vond ik deze mededeeling volkomen bevestigd. Ook de Rat kreeg een

beet in den kop, werd daarna beroken en van achteren af verslonden;

op den staart volgden de pooten, daarna het overige deel van den

romp, terwijl de kop voor 't laatst bewaard bleef. De Muis was na

weinige seconden verdwenen, het verslinden van de Rat hield echter

langer aan. Zooals te verwachten was, gaven de jongen het verlangen

te kennen om aan den maaltijd deel te nemen. De moeder liet dit echter

niet toe. Misschien achtte zij dit voedsel nog niet geschikt voor hare

kinderen, waarschijnlijk echter dacht zij alleen aan zichzelf; in allen

gevalle zij snauwde hare jongen driftig af, duwde ze naar rechts en

naar links op zijde, en smeet ze, toen zij bleven aandringen, met de

voorpooten zijwaarts en naar achteren uit den weg. De jongen waren

dadelijk weer op de been, en omringden opnieuw de smullende moeder;

zooals zij daar stonden vol belangstelling en verlangen toeziende,

den snuffelenden neus onophoudelijk in beweging, alle vijf staartjes

omhoog gericht, nu en dan op de wijze der Katten met het puntje van

den staart kleine kringen beschrijvend--vormden zij een prachtige

voorstelling van jeugdige begeerigheid. Eindelijk was het heerlijke

gerecht verslonden, op een klein stukje na; ook dit was echter

niet voor de jongen bestemd, maar werd in een voor hen onbereikbaar

gat gebracht, ongeveer 1/2 M. boven den bodem, en met den langen,

beweeglijken neus zoo goed mogelijk weggestopt. Verzadigd en zeer

prettig gestemd stapte de moeder nu naar haar leger, en strekte zich

hierop uit om rust te nemen, terwijl op den voorgrond het volgende

vermakelijke schouwspel vertoond werd.

"De moeder had bij vergissing twee stukjes van 't vel van de Rat

laten liggen, en op deze armzalige overblijfselen van den maaltijd

vielen de kleintjes met zooveel ijver en gretigheid aan, als ooit in

een dergelijk geval getoond kan worden. Er ontstond een kibbelpartij,

die mij tranen deed lachen. De vijf bonte aangezichten, de vijf wollige

lichamen, de vijf omhoog geheven staarten geraakten in elkander verward

en tuimelden over elkander heen, de clownachtige strijders liepen,

vielen en buitelden over en door elkander, rolden over den vloer,

huppelden over de lijdzame moeder heen, klommen den boom op en af,

en deden dit alles met zulk een haast, dat het de grootste moeite

kostte, een van hen voortdurend in 't oog te houden."

De blanke bewoners van Zuid-Amerika en Mexico maken hoofdzakelijk voor

hun genoegen jacht op de Neusberen. Zij begeven zich in de bosschen

met eenige Honden en laten door deze het verlangde wild opsporen. Bij

het zien van de Honden vluchten de Neusberen luid schreeuwend op

de naastbijgelegen boomen en de jagers, die hiervan door het geblaf

hunner helpers in kennis worden gesteld, zijn nu in de gelegenheid om

te toonen, dat zij goede schutters zijn. Om den Neusbeer naar beneden

te doen tuimelen, moet men hem doodelijk treffen, want de gewonde

dieren leggen zich meestal op een gaffelvormigen tak neder en kunnen

slechts met groote moeite vandaar verwijderd worden. Een enkele Hond

kan tegen een Neusbeer niet veel uitrichten. Vooral de eenzaam levende

Neusbeer weet een goed gebruik te maken van zijne scherpe tanden; als

de Hond hem op de hielen zit, draait hij zich moedig om, schreeuwt van

woede en bijt duchtig om zich heen. In ieder geval verkoopt hij zijn

leven duur genoeg en stelt niet zelden 5 of 6 Honden buiten gevecht,

voordat hij voor de overmacht bezwijkt. Zijn vleesch wordt niet alleen

door de inboorlingen, maar ook door de Europeanen gaarne gegeten.

Het is niet moeielijk een Neusbeer in gevangen staat in 't leven te

houden. Hij schikt zich in zijn lot, maar toont nimmer een bijzondere

voorliefde voor zijn oppasser, hoe tam hij ook wordt. Evenals de

Apen speelt hij met iedereen en ook met zijne huisgenooten uit

het dierenrijk, b.v. met Honden, Katten, Hoenderen en Eenden. Bij

't eten mag men hem echter volstrekt niet storen, want zelfs het

tamste exemplaar bijt naar menschen en dieren, die hem zijn voedsel

willen ontrukken. In vele opzichten toont hij een groote mate van

zelfstandigheid, ja zelfs van bandeloosheid. Hij onderwerpt zich

volstrekt niet aan den wil van den mensch, maar geraakt in drift,

als men hem tot iets dwingen wil. Niet eens door slagen kan men hem

gehoorzaamheid leeren, integendeel manmoedig verweert hij zich, en

bijt duchtig, als hij gekastijd wordt, zijn oppasser even zoo goed

als ieder ander.

Van een dier met zulk een prikkelbaren, onbuigzamen aard kan men niet

veel leerzaamheid verwachten. Het is bijna niet mogelijk den Neusbeer

ergens toe af te richten. Rengger zag er een, die op bevel van zijn

meester als een Poedel kunstjes deed en op den nagebootsten knal van

een geweer als dood op den grond viel: exemplaren die zoo leerzaam

zijn, moeten als zeldzame uitzonderingen beschouwd worden.

Als men hem vrij rondloopen laat, wordt hij in huis zeer lastig. Hij

doorwoelt alles met den neus en werpt alle voorwerpen om. Hij kan met

den neus vrij wat kracht uitoefenen en van zijne voorpooten met groote

behendigheid gebruik maken. Niets laat hij onaangeroerd. Als hij zich

van een boek meester gemaakt heeft, slaat hij alle bladen om, door

afwisselend beide voorpooten snel in beweging te brengen. Geeft men

hem een sigaar, dan ontrolt hij deze geheel door dezelfde beweging;

als hij een voorwerp ziet staan, dat zijn aandacht trekt, geeft hij

er eerst met den rechter-, daarna met de linkerpoot een slag tegen,

totdat het op den grond valt.

Zoo heel lang is het nog niet geleden, dat de eigenaar van een

menagerie in Parijs met het volste recht kon zeggen, dat hij

aan de dierkundigen een onbekend, uit Amerika afkomstig dier zou

toonen. Ongeveer terzelfder tijd, in het laatste vierde deel van

de vorige eeuw, kwam het bedoelde wezen te Londen, waar het even

sterk als te Parijs de aandacht van de natuuronderzoekers trok. Dit

raadselachtig dier was de Rolstaartbeer, die men destijds zoo goed als

in 't geheel niet kende. Eenigen hielden hem voor een Lemuride. Anderen

meenden, met het oog op zijn van het tandenstelsel der Halfapen

zeer verschillend gebit, hem bij de Civetkatten te moeten voegen,

en noemden hem Mexicaansche Wezel. Met deze veronderstelling was

het bezit van een rolstaart niet best te rijmen; terwijl ook het

gebit--dat zich vooral door de stompheid der kiezen onderscheidt,

en op het gebruik van plantaardig en dierlijk voedsel wijst--niet

veel overeenstemming vertoont met dat van de Viverren. Eindelijk

gaf men hem (met eenige andere, niet minder eigenaardige wezens)

een plaats in de familie der Beren.

De _Rolstaartbeer_, _Kinkajoe_, _Manaviri_ of _Cuchumbi_, zooals

het dier in zijn vaderland, het noorden van Brazilië, genoemd wordt

(_Cercoleptes coudivolvulus_), voltooit de reeks van overgangsvormen

van de Beren tot de Civetkatten. De zeer gerekte, maar plompe romp

staat laag op de pooten; de kop is buitengewoon kort, dik en zeer

kort van snuit; de oogen zijn middelmatig groot, de ooren klein, de

vijf teenen halverwege onderling vergroeid en met stevige klauwen

gewapend, de zolen onbehaard. De staart, welks lengte die van het

lichaam overtreft, is een even volmaakte rolstaart als die van

vele Buideldieren of van de Brulapen. In volwassen toestand is

de Rolstaartbeer 90 cM. lang, waarvan 47 cM. op den staart komen,

terwijl de schouderhoogte 17 cM. bedraagt. De zeer dichte, tamelijk

lange, een weinig gekroesde, zachte, fluweelachtig glanzige beharing

is aan de boven- en buitenzijde licht grijsachtig geel met een flauw

roodachtig waas en zwartachtig bruine golvingen, die vooral aan den

kop en in den nek duidelijk zichtbaar zijn.

Tegenwoordig weten wij, dat de Rolstaartbeer een tamelijk uitgestrekt

verbreidingsgebied heeft. Hij komt voor in het geheele noorden van

Brazilië, in Peru en verder noordwaarts tot in Mexico, zelfs nog in

het zuiden van Louisiana en in Florida. Hij leeft in de oerwouden,

vooral in de nabijheid van groote rivieren en wel op boomen. Hij

heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; den dag brengt hij slapend

in holle boomen door, des nachts echter toont hij zich zeer levendig;

hij klimt dan buitengewoon behendig en vlug in de kronen der hooge

boomen rond, waar hij zijn voedsel zoekt. Hierbij bewijst de rolstaart

hem uitmuntende diensten. Wat vaardigheid in 't klimmen betreft, wordt

hij door slechts weinige Apen overtroffen. Al zijne bewegingen zijn

uiterst behendig en zeker. Hij kan zich met de achterpooten en met

den rolstaart aan takken en twijgen vasthouden, en zich zoo goed aan

een boom vastklemmen, dat hij met den kop benedenwaarts uit den boom

afdalen kan. Bij 't gaan laat hij de geheele zool op den grond rusten.

Allen die den gevangen Rolstaartbeer tot dusver hebben nagegaan,

verklaren eenstemmig, dat hij tegenover menschen zich zachtaardig

en goedhartig toont en zeer spoedig even gemeenzaam wordt als een

Hond, zich gaarne laat liefkoozen, de stem van zijn meester herkent

en diens gezelschap zoekt. Hij geeft zich moeite om zijn verzorger

over te halen met hem te spelen of zich met hem te bemoeien en

behoort daarom in Zuid-Amerika tot de meest geliefde huisgenooten

van de inboorlingen. Ook in den gevangen staat slaapt hij bijna den

geheelen dag. Hij bedekt daarbij zijn lichaam en vooral den kop met

den staart. Hij eet al wat men hem voorzet: brood, vleesch, ooft,

gekookte aardappelen, groenten, suiker, ingemaakte eetwaren; hij drinkt

melk, koffie, water, wijn en zelfs brandewijn, wordt door het gebruik

van alcoholische dranken beschonken en blijft dan verscheidene dagen

ziek. Nu en dan valt hij ook wel Vogels aan, doodt ze, zuigt hun het

bloed uit en laat het overige liggen. Kappler, die den Rolstaartbeer

in Guyana leerde kennen, zegt van hem: "Hij voedt zich uitsluitend

met vruchten en wordt bijzonder tam. Ik kreeg van de Indianen een jong

dier, dat volkomen vrij rondliep. Niemand wist, waar het zich over dag

ophield. Zoodra wij 's avonds aan tafel gingen zitten, kwam _Wawa_,

zooals wij hem noemden, en vermaakte ons door zijne potsierlijke

liefkoozingen, waartoe ook behoorde, dat hij mij zijn lang tongetje in

den mond, de ooren en den neus trachtte te steken. Hij at rijpe bananen

en andere vruchten. Als men het huis sloot, werd Wawa buiten de deur

gezet; deze klom dan in de broodvrucht-, kokos- of avogato-boomen,

want op den grond hield hij zich niet graag op. Ik had hem meer dan

een jaar gehad, toen hij plotseling stierf."

Een klein Roofdier, dat vroeger tot de familie der Civetkatten werd

gerekend, is, volgens latere onderzoekingen nog het naast aan de

zooeven beschrevene, Amerikaansche Kleine Beren verwant. Het is

het _Katfret_ (_Bassaris astuta_), dat, zooals reeds in 1651 door

Hernandez werd medegedeeld, bij de Mexicanen _Cacamizli_ heet. Het

volwassen mannetje bereikt een totale lengte van ongeveer 95 cM.,

waarvan twee vijfden op den staart komen. Door zijn gestalte herinnert

dit dier aan een kleinen Vos, door zijn kleur aan de Neusberen.

Volgens de berichten, die tot dusver over den Cacamizli gegeven zijn,

bewoont hij in Mexico rotskloven en verlaten gebouwen, in Texas

hoofdzakelijk holle boomen. In de stad Mexico komt hij veelvuldig

voor; Charlesworth meent zelfs, dat hij zijn leger nooit ver van

menschelijke woningen opslaat, omdat de mensch door het fokken van

Hoenderen het Roofdier in de gelegenheid stelt, zonder veel moeite

door de jacht in zijn onderhoud te voorzien.

De Cacamizli is een levendig, speelsch en wakker dier, dat door

zijne bewegingen en standen dikwijls aan het Eekhoorntje herinnert

en hieraan zijn Mexicaanschen naam "Kateekhoorn" dankt. Als het

uit zijn hol wordt opgejaagd, neemt het geheel en al de sierlijke

houding van het genoemde Knaagdier aan, door den staart over den rug

te leggen. Het kan uitmuntend klimmen; het kan echter niet met de

zekerheid en behendigheid van den Eekhoorn van tak tot tak springen,

maar loopt, wanneer het verschrikt wordt gemaakt, zoo lang mogelijk

op een tak voort en tracht dan langs een zijtak een anderen boom te

bereiken. Soms ziet men het, op de bovenzijde van een tak liggend, zich

in de zon koesteren. Het ligt dan half opgerold en zonder beweging,

alsof het sliep; bij het geringste teeken van gevaar sluipt het

echter zoo schielijk mogelijk in zijn hol, en komt daaruit eerst na

het ondergaan van de zon weer te voorschijn.

Hoewel de Cacamizli zeer schuw en eenzelvig is, kan hij vrij

gemakkelijk getemd worden; als men hem gedurende langen tijd in

een kooi gehouden heeft, kan men hem zelfs naar vrije verkiezing

binnenshuis laten rondloopen. Dikwijls wordt hij door de Mexicanen

als een schoothondje behandeld; door het vangen van Muizen en Ratten

is hij als huisdier nuttig.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 37 / 37 段