Het voedsel van den IJsbeer bestaat uit nagenoeg alle dieren, die

de zee of de onherbergzame kusten van zijn vaderland bewonen. Zijn

vreeselijke lichaamskracht, welke die van alle overige beerachtige

Roofdieren nog aanmerkelijk overtreft, en de reeds genoemde

behendigheid in 't water, maken het hem tamelijk gemakkelijk, zich

van het noodige te voorzien. Zijn liefste wild zijn de Zeehonden, en

hij is sluw en bekwaam genoeg, om deze schrandere en behendige dieren

te overmeesteren. Als hij van verre een Rob op het droge ziet liggen,

begeeft hij zich stil en onhoorbaar in de zee, zwemt tegen den wind in

naar zijn slachtoffer toe, nadert het met de grootste voorzichtigheid,

en duikt plotseling uit de zee op, in de onmiddellijke nabijheid van

het dier, dat dan reddeloos verloren is. De Robben liggen in deze

ijzige gewesten gewoonlijk dicht bij de gaten en spleten van het ijs,

waardoor zij in staat zijn zich onmiddellijk te water te begeven. Deze

openingen weet de IJsbeer, die onder de oppervlakte van de zee

voortzwemt, met groote scherpzinnigheid te bereiken; de gevreesde kop

van den verschrikkelijksten vijand der onbeholpen Zeehonden vertoont

zich plotseling, als 't ware in hun eigen huis, in den eenigen gang,

waardoor zij anders misschien hadden kunnen ontvluchten. Visschen weet

de IJsbeer buit te maken door te duiken en ze zwemmend te vervolgen,

of door ze in de met water gevulde spleten van het ijs te drijven,

en ze hier uit te halen. Landdieren overvalt hij alleen, als het

hem aan ander voedsel ontbreekt; Rendieren, IJsvossen en Vogels zijn

echter in 't geheel niet veilig voor zijne aanslagen. Osborne zag een

wijfjes-IJsbeer steenblokken omkantelen, om hare jongen van Lemmingen

te voorzien, en Brown heeft, evenals Kükenthal opgemerkt, dat hij in

grooten getale de eieren van de Eidereenden opvreet. Zelfs moeielijk

toegankelijke broedplaatsen van zeevogels worden over 't algemeen

geregeld door hem bezocht; bij het opeischen van zijn aandeel in den

overvloed van eieren en nestvogels der arctische kusten moet hij in

sommige gevallen treffende bewijzen van zijn klimkunst geven. Doode

dieren eet hij even graag als versch vleesch; men beweert, dat hij

zelfs de lijken van zijne soortgenooten niet versmaadt. In de zeeën,

die door Robben-slagers en Walvisch-vangers bezocht worden, leveren

de van huid en spek beroofde lijken van de Zeehonden en Walvisschen

hem een overvloed van voedsel, dat hij op een gemakkelijke wijze

verkrijgt. Toch is hij volstrekt niet uitsluitend vleescheter;

hij maakt daar, waar dit mogelijk is, ook gebruik van plantaardige

stoffen, vooral van bessen, gras en mos, zooals herhaaldelijk werd

opgemerkt door personen, die dikwijls IJsberen ontmoet hebben. Vele

oude dieren zijn, naar het schijnt, in den zomer op gunstig gelegen

plaatsen hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend planteneters; de inhoud

van de maag van gedoode exemplaren leverde hiervoor het stellig bewijs.

Naar alle waarschijnlijkheid houden de meeste IJsberen geen

winterslaap. Gedurende den geheelen winter krijgt men deze dieren

te zien en kan men jacht op hen maken. In dit jaargetijde leven zij

voortdurend in de nabijheid van het open water, dus aan de zeekust of

op het drijfijs. De drachtige wijfjes maken een uitzondering op dezen

regel; zij zoeken tegen den aanvang van den winter een schuilplaats

op en werpen hier jongen in de koudste maanden van het jaar. Kort

na de paring, die, naar gezegd wordt, in Juli plaats heeft, maakt

de berin zich een rustplaats gereed onder rotsen of overhangende

ijsblokken. Soms bepaalt zij zich tot het graven van een kuil in

de sneeuw, waarin zij zich nedervlijt; wegens de groote hoeveelheid

sneeuw, welke op deze breedten valt, is dit winterverblijf na verloop

van korten tijd met een dik en tamelijk warm sneeuwdek voorzien. De

berin heeft, eer zij zich hier terugtrok, een groote hoeveelheid vet

in haar onderhuidsbindweefsel opgehoopt; hierop teert zij gedurende

den geheelen winter; want zij verlaat haar leger niet, voordat de

lentezon tamelijk hoog aan den hemel staat. Intusschen heeft zij hare

jongen ter wereld gebracht. Veel eerder dan de jongen van den Landbeer

begeleiden deze hun moeder op hare reistochten. Zij worden door haar

zeer zorgvuldig en liefderijk verpleegd, gevoed en beschermd. Zelfs

wanneer zij reeds half of bijna geheel volwassen zijn, deelt de

moeder in alle gevaren van haar kroost; reeds gedurende hun prille

jeugd leert zij hun het bedrijf, waardoor zij later in hun onderhoud

moeten voorzien, n.l. zwemmen en Visschen vervolgen. De kleine, aardige

diertjes zijn spoedig zoowel in de eene als in de andere kunst ervaren,

maar vatten hun taak zoo gemakkelijk mogelijk op; zelfs wanneer zij

reeds tamelijk groot geworden zijn, kiezen zij onbezorgd den rug van

hun moeder als rustplaats, zoodra zij vermoeid zijn van den arbeid.

De ontdekkingsreizigers en de walvischvangers hebben roerende

voorbeelden medegedeeld van de zelfopofferende liefde van de IJsberin

voor hare jongen. "Een berin," verhaalt Scoresby, "die twee jongen

bij zich had, werd door eenige gewapende matrozen op een ijsveld

vervolgd. In den beginne scheen zij de jongen tot grooteren spoed

te willen aansporen, door vooruit te loopen en telkens om te kijken,

ook trachtte zij door eigenaardige gebaren en een bijzondere, angstige

toon van haar stem hun het gevaar mede te deelen; toen zij echter zag

dat hare vervolgers haar te na kwamen, deed zij haar best de jongen

vooruit te drijven, te schuiven en te stooten; werkelijk ontkwam zij

gelukkig met haar kroost."

De boeken vermelden vele door IJsberen veroorzaakte ongelukken;

menig Walvischvanger heeft voor de hoogst vermetele poging om

zulk een dier met onvoldoende wapens te bevechten, met zijn

leven moeten boeten. Zulke verhalen komen veelvuldig voor in

reisbeschrijvingen uit vroegeren tijd, zelden echter in die van den

laatsten tijd. Op tweeërlei wijze kan men deze soms zeer sterk in

't oog loopende tegenstrijdigheid verklaren: het kan zijn, dat men

vroeger de gevaarlijkheid van den IJsbeer zeer overschat heeft;

't is ook wel mogelijk, dat zijn grimmige aard zich langzamerhand,

misschien tengevolge van een nadere kennismaking met den mensch,

aanmerkelijk gewijzigd heeft. Hoe dit ook zij, de voorstelling,

die men indertijd van de gevaarlijkheid dezer dieren verkreeg,

door op allen toe te passen, wat bij eenigen werd opgemerkt, is

niet juist. De ervaringen van hen die in laatste tientallen van

jaren dikwijls IJsberen nagegaan en jacht op hen gemaakt hebben,

is hiermede geheel in tegenspraak. Lamont, die voor zijn genoegen, in

zijn eigen schip jachtreizen ondernam en ook het hooge noorden bezocht,

schrijft over den IJsbeer: "Ik houd hem voor het sterkste Roofdier ter

wereld; evenals alle overige wilde dieren zal hij echter, zeer zeldzame

gevallen uitgezonderd, voor den mensch geen stand houden, zoolang hij

hem ontwijken kan." Nordenskiöld vat zijn eigene ervaringen en die

van vele hem bekende walvischvangers en robbenjagers in de volgende

volzinnen samen: "Een ongewapend mensch, die een IJsbeer ontmoet, zal

hem gewoonlijk door eenige hevige bewegingen en door luid geschreeuw

kunnen verjagen; wie op de vlucht gaat, kan er zeker van zijn, het

dier weldra achter zich aan te zullen hebben. Als de Beer gewond wordt,

neemt hij altijd de vlucht. Dikwijls legt hij met den poot sneeuw op de

wonde; soms graaft hij gedurende zijn doodstrijd met de klauwen een gat

in de sneeuw om zijn kop er in te verbergen. Soms zwemt een Beer naar

het voor anker liggend vaartuig toe; wie op afgelegen plaatsen zijn

tent opslaat, vindt des morgens dikwijls in de nabijheid een Beer, die

gedurende den nacht de tent besnuffeld heeft, zonder het te wagen er

in door te dringen. Vroeger veroorzaakte het zien van een Beer schrik

bij de Noordpoolreizigers, thans echter aarzelen de zeedieren-jagers

niet, om zelfs een groote troep Beren onmiddellijk met de lans aan

te vallen. Op het geweer verlaten zij zich minder. Menigmaal hebben

zij in korten tijd verscheidene, soms wel 12 van deze dieren, met

den lans gedood. Mij is slechts één enkel geval bekend, waarin een

Noorsche jager door een Beer ernstig gewond werd."

De berichten over IJsberen in het Oosten van Groenland stemmen met de

zooeven genoemde mededeelingen overeen. "Ontmoetingen met IJsberen,"

schrijven Copeland en Payer "hebben zeer ongelijke gevolgen. Gedurende

een sledetocht komt het niet zelden voor, dat de reizigers, als zij

wegens gebrek aan tijd of andere dringende omstandigheden genoodzaakt

zijn van de jacht af te zien, een of meer IJsberen voorbijtrekken,

die zich dikwijls op een afstand van slechts weinige schreden

bevinden. Meestal verraadt de houding dezer dieren in dit geval geen

ander gevoel dan nieuwsgierigheid en verbazing. Soms ook bepalen zij

er zich toe, rondom de slede te drentelen, waarbij zij den kop steeds

daarheen gericht houden. Klentzer, een van onze matrozen, heeft echter

eens in onze winterhaven in een positie verkeerd, die even hachelijk

als komisch was. Klentzer liep ongewapend langs de hellingen van

den Germaniaberg, toen hij op een afstand van 2000 schreden van

het schip dicht achter zich een Beer opmerkte. De ongeloofelijke

snelheid van deze dieren, die iedere poging om te vluchten verijdelt,

was hem bekend; ook wist hij, dat men reeds dikwijls met goed gevolg

de aandacht van het dier van de vervolging afgeleid heeft, door van

tijd tot tijd een voorwerp te laten vallen, terwijl men intusschen

zonder zijn gang te bespoedigen, onder voordurend hulpgeroep nader

bij het schip tracht te komen. Achtereenvolgens wierp hij daarom

muts, handschoenen, stok enz. van zich, welke de Beer een voor een

vernielde. Toch stond deze eindelijk naast hem, en besnuffelde zijn

hand als een Hond. Toen nam de man, die onophoudelijk om hulp riep,

het even wanhopig als machteloos besluit, om zijn vijand, in geval

hij hem aanviel, met den riem, dien hij juist van zijn middel had

losgegespt, te worgen. Zijn luidkeels geroep om hulp werd op het

schip gehoord. Wij wapenden ons zoo schielijk mogelijk, maar het

ergste was te vreezen. Door den grooten afstand zou de Beer tijd

genoeg gehad hebben om zijn slachtoffer tien maal te verscheuren,

maar hij draalde hiermede zoolang, dat wij hem door onze nadering,

ons geroep en onze schoten op de vlucht konden drijven. Over steil

afhellende rotsmassa's holde hij terug--en was als weggeblazen."

"In het gebied van de oostkust van Spitsbergen," schrijft ons

Kükenthal, "aan den rand van een samenhangende ijsmassa, die zich

tot het Noordoostland uitstrekte, troffen wij een buitengewoon groot

aantal IJsberen aan, waarvan wij er in den loop van 6 weken 18 doodden

en 2 levend vingen."

De IJsbeer wordt ter wille van zijn vleesch, vet en vel gejaagd, waar

men hem ook ontmoet. Men tracht hem te vangen met geweren, lansen en

vallen; sommige jagers maken ook, volgens Seemann, van de volgende

list gebruik. Zij buigen een stuk balein, dat omstreeks 10 cM. breed

en 60 cM. lang is, tot een klein bundeltje samen, omgeven het met

Zeehondenvet en laten dit bevriezen. Daarna zoeken zij den Beer op,

plagen hem door een pijlschot, werpen den vetklomp neer en vluchten. De

Beer besnuffelt het achtergelaten voorwerp, bemerkt dat het eetbaar

is, en brengt door het in te slikken zijn dood teweeg, want in de

warme maag wordt het vet week, de balein ontspant zich en verscheurt

de ingewanden. Wij willen in 't midden laten of dergelijke verdachte

stukken vet door het wantrouwige en "geplaagde" dier werkelijk in

hun geheel verzwolgen worden; maar moeten erkennen, dat de IJsberen,

als zij zich veilig achten, de meest verschillende en vreemdsoortige

voorwerpen verzwelgen. Ook houden zij er bijzonder veel van om den

voorraad, dien de Poolreizigers hier en daar in de ijswoestijnen voor

latere tijden neerleggen, te onderzoeken en zich toe te eigenen. Het

is gebleken, dat het beste middel om deze rooverijen te keer te gaan,

bestaat in het bedekken van den goederenvoorraad met zand, dat men met

water overgiet, totdat het geheel besloten is in een bevroren aardlaag

van voldoende dikte. Houten huizen worden door de Beren vernield,

steenhoopen, kisten, vaten enz. rukken zij uiteen, en verslinden de nu

voor hen toegankelijke schatten, voor zoover zij ze door hun keelgat

kunnen krijgen. Kane verhaalt, dat deze roovers, behalve vleesch

en scheepsbeschuit, ook koffie, zeildoek en de Amerikaansche vlag

opvraten, kortom den geheelen inhoud van de bergplaats met uitzondering

van de ijzeren voorwerpen. Een IJsbeer, die door de manschappen van

Mc. Cluze, gedurende een van de expedities tot redding van Franklin

gedood werd, had zijn maag volgestopt met rozijnen, pekelvleesch,

tabak en hechtpleister, welk maal hij natuurlijk alleen in een

der vernielde goederenbergplaatsen in het hooge noorden had kunnen

doen. De IJsberen ontroofden aan de Duitsche Noordpoolreizigers de

meettoestellen tot het bepalen van de basislengte en de ijssporen,

verslonden, terwijl de reizigers op een sledetocht uit waren, de

suiker en de stearinekaarsen, kauwden zelfs de kaoetsjoekflesschen en

de pakjes tabak stuk, en trokken de kurk uit de spiritusflesch; met

het onderzoek van een belangrijk dagboek waren zij gelukkig nog maar

juist begonnen, toen hunne misdrijven ontdekt en zij weggejaagd werden.

Zeer jong gevangen IJsberen kunnen getemd en ook eenigszins afgericht

worden. Zij laten toe, dat hun meester hen in hun hok bezoekt; ook

stoeien zij wel met hem; de gevangenschap bevalt hun echter volstrekt

niet. Zelfs in hun vaderland en in hun prille jeugd gevoelen zij zich

binnenshuis niet op hun gemak; men kan hun geen grooter genoegen

aandoen, dan door hun te veroorlooven, zich in de sneeuw en op het

ijs rond te wentelen. In een groote ruimte met een diep en wijd

waterbekken, zooals tegenwoordig in een goed ingerichten dierentuin

voor den IJsbeer gemaakt is, bevindt dit dier zich tamelijk wel; uren

lang speelt hij in 't water met zijne medegevangenen, of ook wel met

blokken hout, ballen enz. Op lateren leeftijd wordt hij prikkelbaar

en hartstochtelijk. Tegenover andere dieren van zijn soort is hij,

zoodra het eten in het spel komt, onverdraagzaam en slecht gehumeurd,

hoewel het tusschen twee even sterke IJsberen slechts zelden tot een

werkelijken strijd komt en zij hun toorn alleen te kennen geven door

elkander af te snauwen. Bij zeer goede verzorging is het mogelijk,

IJsberen verscheidene jaren lang in 't leven te houden.

Het vleesch en het spek van den IJsbeer worden door alle bewoners van

het hooge noorden gaarne gegeten. Ook de Europeesche jagers gebruiken

het, nadat zij het vet er uit verwijderd hebben en vinden het niet

onsmakelijk; zij beweren echter, dat het gebruik van dit vleesch

dikwijls onpasselijkheid veroorzaakt. Vooral de lever van het dier

heeft, naar men zegt, een zeer schadelijke werking, en wordt door

sommigen ronduit vergiftig genoemd.

Het vel van den IJsbeer is duurder dan dat van eenig ander lid der

Berenfamilie: al naar de grootte en de fraaiheid wordt er 120 à 300

gulden voor betaald.

De _Lippenbeer_ of _Honigbeer_, de _Slothbear_ der Engelschen, die in

Indië _Aswail_ heet (_Melursus labiatus_), wordt als vertegenwoordiger

van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat hij in gestalte

en aard in 't oog loopend verschilt van de tot dusver behandelde

Eigenlijke Beren. Hij onderscheidt zich door een korten, dikken

romp, korte pooten, vrij groote voeten, welker teenen met kolossale,

sikkelvormige klauwen gewapend zijn, een verlengden snuit met stompe

spits en lippen, die ver vooruitgestoken kunnen worden; zijn lang,

vlokkig haar vormt in den nek manen en hangt ook aan de zijden ver

naar beneden. Dat dit dier een vreemden indruk maakt, blijkt o.a. uit

den naam _Beerachtige Luiaard_ (_Bradypus ursinus_), waaronder het

voor 't eerst beschreven werd. Door een schrijver werd het zelfs als

"het naamlooze dier" aangeduid. In Europa werd de Lippenbeer tegen

het einde van de vorige eeuw bekend; in het begin van deze eeuw werd

hij voor 't eerst levend naar hier gebracht.

De lengte van den Lippenbeer bedraagt, met inbegrip van het 10 à 12

cM. lange staartstompje, hoogstens 1.8 M.; de hoogte in de schoften is

dan 85 cM. Op het breede en platte voorhoofd volgt de lange, smalle,

spits toeloopende, slurfvormige snuit, die hoogst eigenaardige

eigenschappen heeft. De neusvleugels zijn buitengewoon beweeglijk,

maar worden in dit opzicht nog overtroffen door de lange, uiterst

rekbare lippen. Reeds in den rusttoestand steken zij tamelijk ver voor

de kaken uit; zij kunnen echter in sommige gevallen zoozeer verlengd,

vooruitgestoken, samengevouwen en omgeslagen worden, dat zij een soort

van buis vormen, die bijna geheel de rol van een slurf vervult. De

lange, smalle en platte, van voren afgestompte tong, helpt mede tot

het vormen en bruikbaar maken van deze buis, die het dier gebruikt niet

alleen om voorwerpen van allerlei aard te grijpen en naar zich toe te

trekken, maar ook om zich hieraan vast te zuigen. Overigens zijn aan

den kop nog op te merken de korte, stomp toegespitste, rechtopstaande

ooren en de kleine, scheef geplaatste oogen, welke eenigszins

aan varkensoogen herinneren; men ziet echter van den geheelen kop

maar zeer weinig, omdat zelfs de kort behaarde snuit grootendeels

bedekt wordt door de in 't oog loopend lange, borstelige haren van

de kruin. Ook de staart is wegens de lange beharing onzichtbaar;

terwijl de nog langere haren van den hals en den nek dichte, gekroesde,

ruige manen vormen. In het midden van den rug vormen de hier dooreen

gewarde haren gewoonlijk twee zeer groote verhevenheden, die er

uitzien, alsof het dier een bult heeft. Het geheele voorste deel van

het dier verkrijgt hierdoor een zeer wanstaltig voorkomen, dat nog

belangrijk toeneemt door den plompen, loggen romp en de korte, dikke

pooten. Zelfs de voeten zijn vreemdsoortig; de buitengewoon lange,

scherpe en gekromde klauwen maken een bijzonder eigenaardigen indruk,

waardoor men werkelijk aan den Luiaard herinnerd wordt. Ook het gebit

krijgt door het vroegtijdig uitvallen van de snijtanden een uitzicht,

dat tot vergissing aanleiding zou kunnen geven. De kleur van de grove

haren is glanzig zwart; de snuit is grijs of vuil wit van kleur, op de

borst komt een witte hoefijzervormige vlek voor. Soms hebben ook de

teenen een zeer lichte kleur. De klauwen zijn in den regel witachtig

hoornkleurig, de zolen echter zwart. De jongen onderscheiden zich

van de ouden door geringere ontwikkeling van de manen aan den kop en

de schouders, waardoor de betrekkelijk groote ooren duidelijker voor

den dag komen; hunne klauwen zijn donkerder, de snuit is tot achter

de ooren geelachtig bruin en de hoefijzervormige vlek op de borst

geelachtig wit.

De Lippenbeer bewoont geheel Voor-Indië, bijna van den voet van den

Himalaja af tot aan de zuidspits, bovendien Ceylon. Hij houdt van

heuvelachtige gewesten en dsjungels, en is, hoewel er veel jacht op

hem gemaakt wordt, ook thans nog een van de veelvuldigst voorkomende

groote dieren van Indië; in enkele gewesten is hij trouwens zoo

goed als uitgeroeid. Op Ceylon verbergt hij zich, naar Tennent

bericht, in de dichtste wouden van de heuvelachtige landschappen

aan de noordelijke en zuidoostelijke kust; op groote hoogte wordt

hij even zeldzaam aangetroffen als in de vochtige laaglanden. In het

gebied van Karetschie was hij gedurende een lang aanhoudende droogte

zoo veelvuldig, dat de vrouwen de door hen zoo geliefde baden en

wasschingen in de rivieren geheel moesten opgeven, daar zij niet

alleen op het land, maar ook in het water Beren ontmoetten; in het

water bevonden deze dieren zich zeer tegen hun zin; zij waren bij

het drinken in den stroom gevallen en konden wegens hun logheid er

niet weder uitkomen. Gedurende de heetste uren van den dag ligt onze

Beer in door de natuur gevormde of door hem zelf gegraven holen,

vooral tusschen rotsblokken aan heuvelhellingen en in ravijnen,

verborgen. Ondanks zijn dichte en donkere beharing heeft hij niet veel

last van de warmte. Gewoonlijk echter brengt de Beer de heetste uren

van den dag in de een of andere koele schuilplaats door en komt eerst

's nachts te voorschijn; toch ziet men hem ook wel in de morgen- en

avonduren. Zijne zinnen zijn, met uitzondering van den reuk, in 't

geheel niet scherp; hij hoort en ziet zoo slecht, dat het volstrekt

niet moeielijk is, hem tot op zeer korten afstand te bekruipen. Hij

klimt zeer goed in de rotsen; niet zelden laat hij zich, wanneer

hij een schot hoort, of op een andere wijze verschrikt wordt, hals

over kop van een steile helling afrollen; ditzelfde doen echter ook

andere Beren.

Het voedsel van den Lippenbeer bestaat bijna uitsluitend uit

plantaardige stoffen en kleine, vooral Ongewervelde dieren;

naar men zegt, gebruikt hij slechts nu en dan eieren en kleine

Vogels. Alle berichtgevers verzekeren echter eenstemmig, dat hij geen

grootere dieren tracht buit te maken; wel zal hij soms doode dieren

verslinden. Sanderson en Mc. Master vermelden ieder één dergelijk

geval; den eenen keer betrof het een door een schot gedood hertje,

een anderen keer een door een Tijger gedooden Os. De jongen, die in

gevangenschap grootgebracht zijn, lusten echter graag vleesch, om 't

even of het gekookt of rauw is. Verscheidene soorten van wortels en

vruchten, de sappige bloemen van den moria-boom (_Bassia latifolia_),

die voor vele dieren een lekkernij zijn, raten uit Bijennesten,

zoowel wanneer zij met honig gevuld zijn, als wanneer zij jonge

dieren bevatten, rupsen, Slakken en Mieren vormen voornamelijk

zijn voedsel; zijne lange gekromde nagels bewijzen hem zeer goede

diensten bij het zoeken en opgraven van wortels en bij het openwoelen

van Mierennesten. Hij vernielt er zelfs de stevige woningen van de

Termieten mede, en richt dan onder deze dieren een groote slachting

aan. Sanderson verhaalt ook, dat de Lippenberen in vele gewesten trouw

de boschjes van Wilde Dadelpalmen bezoekt, wanneer men er het sap

uit aftapt, om er wijn van te maken. Zij beklimmen de 6 à 8 M. hooge

stammen tot in de toppen, waar de potten hangen, waarin men het sap

opvangt, en kantelen de gevulde potten met een poot zoover om, dat

zij er den inhoud uit kunnen slurpen. Men zou hun wel eenige liters

van dit vocht willen geven, als zij bij hunne onhandige rooverijen

niet zooveel potten braken. De benadeelde inboorlingen beweren, dat

de wijnroovers het niet de moeite waard achten weer naar beneden te

klauteren, maar zich eenvoudig op den grond laten vallen, en ook,

dat zij zich maar al te vaak een duchtigen roes verschaffen.

Tennent's berichten over den aard van den Lippenbeer worden

door latere mededeelingen niet in alle opzichten bevestigd. In

Oost-Indië verhaalt men, dat hij de Zoogdieren en ook de menschen

op de wreedaardigste wijze martelt, voordat hij ze verslindt. Hij

omvat zijn buit stevig met de armen en klauwen, om hem vervolgens op

zijn gemak en onder voortdurend zuigen met de lippen lid voor lid te

verbrijzelen. Gewoonlijk ontwijkt hij de menschen die in zijn nabijheid

komen, maar zijn langzaamheid verijdelt niet zelden zijn poging om

te vluchten, en nu gaat hij uit vrees, en met het doel om zich te

verdedigen, tot den aanval over. Zijn aanval is in zulke omstandigheden

zoo gevaarlijk, dat de Singaleezen hem als een der gevaarlijkste

Roofdieren beschouwen. Sanderson schrijft: "De Lippenberen zijn voor

ongewapende menschen niet ongevaarlijk. De houthakkers en andere

menschen, die in wouden en dsjungels hun beroep uitoefenen, worden

niet zelden leelijk door hen toegetakeld. Evenals alle wilde dieren

zijn zij het gevaarlijkst, wanneer men ze onverwachts ontmoet, omdat

zij dan allicht door vrees en schrik tot den aanval genoopt worden."

De jacht op dezen Beer heeft op verschillende wijzen plaats. Men

volgt hem na, wanneer men zijn spoor ziet, dat des morgens in het

met dauw bedekte gras en in de struiken duidelijk waarneembaar is;

men gaat in hinderlaag liggen in de nabijheid van zijn schuilplaats,

en wacht hem op, als hij van zijne nachtelijke rooftochten terugkeert;

men laat ten slotte gedeelten van den dsjungel, waar men Beren heeft

gezien, of hun aanwezigheid vermoedt, door drijvers afkloppen, en

schiet de dieren, zoodra zij zich vertoonen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 35 / 37 段