onze Beer, een tijd lang een zeer gezellig en grappig dier. Zijn vel
is, ondanks de lengte en dikte van het haar, zoo fijn en sierlijk van
kleur, dat het den kleinen klant zeer goed staat. Palliser, die een
Grisli meenam naar Europa, roemt zijn gevangene zeer. Hij at, dronk en
speelde met de matrozen en vermaakte alle reizigers, zoodat de kapitein
van het schip den jager later verzekerde, dat het hem wel zou aanstaan,
als hij op iedere reis een jongen Beer kon medekrijgen. Dit dier had
een merkwaardigen vriendschapsbond gesloten met een kleine Antilope,
die zijn reisgenoot was en verdedigde haar eens op zeer ridderlijke
wijze. Toen de Antilope bij het verlaten van 't schip door de straten
werd geleid, kwam een kolossale Bullebijter op haar toeschieten en
greep haar aan, zonder zich in het minst te storen aan het geschreeuw
en de stokslagen der geleiders. Gelukkig gingen Palliser en zijn Beer
denzelfden kant uit; nauwelijks had het dier gezien wat er voorviel,
of hij rukte zich los, had in 't volgende oogenblik den vijand van
zijn vriendin bij den kraag gepakt en hem weldra zoodanig afgestraft,
dat de Hond jammerlijk huilend wegliep.
Gevangene Grislis verschillen door hun inborst en gedrag niet merkbaar
van hunne Europeesche verwanten. In den Londenschen dierentuin waren
er twee, die o. a. merkwaardig waren, doordat zij de zegeningen van de
veeartsenijkunde ondervonden. Zij werden in hun jeugd door een hevige
oogontsteking aangetast, ten gevolge waarvan zij blind werden. Men
besloot ze te genezen. Nadat men de beide patiënten van elkander
gescheiden had, deden de oppassers aan ieder een sterken halsband om
en trokken den kop van den kolossalen Beer tot dicht bij de traliën,
om hem zonder bezwaar den met chloroform bevochtigden spons onder
den neus te houden. Het anaestheticum werkte buitengewoon snel en
goed. Reeds na weinige minuten lag het reusachtige dier bewusteloos
en bewegingloos als dood in zijn kooi en de oogarts kon nu gerust
naar binnen gaan om de operatie te verrichten. Juist toen men bezig
was de kooi donker te maken, ontwaakte het dier, waggelde nog, alsof
het dronken was, heen en weer, en scheen des te onvaster van beweging
te worden, maarmate het meer en meer zijn bewustzijn herkreeg. Allengs
scheen de Beer echter te bemerken, wat er gedurende zijn doodslaap met
hem gebeurd was; toen men hem weinige dagen later weder onderzocht, was
hij zich bewust geworden van het verkrijgen van zijn gezichtsvermogen;
duidelijk merkbaar was het, dat hij het daglicht aangenaam vond, of
althans de tegenstelling begreep tusschen den voortdurenden nacht,
waarin hij vroeger verkeerde, en den klaarlichten dag, dien hij
nu waarnam.
De meest bekende Beer van Amerika, de _Baribal_, _Moeskwa_ of
_Zwarte Beer_ (_Ursus americanus_), een wijd verbreid en betrekkelijk
goedaardig dier, dat althans veel minder gevaarlijk is dan de Grijze
Beer en de Landbeer, bereikt een lengte van hoogstens 2 M. bij een
schouderhoogte van iets meer dan 1 M. Van den Landbeer onderscheidt
hij zich hoofdzakelijk door den smalleren kop, den meer puntig
toeloopenden, van het voorhoofd niet scherp gescheiden snuit, de
zeer korte zolen alsmede door de samenstelling en de kleur van zijn
vacht. Deze bestaat uit lange, stijve en gladde haren, die alleen
aan het voorhoofd en rondom den snuit kort zijn. Hun kleur is glanzig
zwart, aan beide zijden van den snuit in vaalgeel overgaande. Een vlek
van dezelfde kleur bevindt zich dikwijls ook voor de oogen. Zeldzamer
ziet men Baribals met wit gerande lippen en witte strepen op de borst
en de kruin. De jongen zijn lichtgrijs, zij krijgen in 't begin van
hun tweede levensjaar het donkere haarkleed van hunne ouders, maar
eerst later even lange haren als deze.
De Baribal is over geheel Noord-Amerika verbreid. Men heeft hem in
alle boschrijke gewesten van de oostkust tot aan de grenzen van
Kalifornië en van het hooge noorden tot in Mexico gevonden. Het
woud biedt hem alles wat hij noodig heeft; hij verandert echter van
verblijfplaats met de jaargetijden, in verband met hunne verschillende
voortbrengselen. Gedurende de lente zoekt hij gewoonlijk zijn voedsel
in de vruchtbare rivierdalen en houdt zich daarom op in de dichte
bosschen, die de oevers der stroomen en meren omzoomen; in den zomer
trekt hij zich terug in het midden van het aan vruchtboomen zoo rijke
woud; in den winter eindelijk graaft hij zich op een zooveel mogelijk
aan aller oog onttrokken plaats een geschikt leger, waarin hij met
tusschenpoozingen of ook wel langen tijd achtereen slaapt. Over dezen
"winterslaap" loopen de berichten uiteen. Eenige zeggen, dat slechts
sommige Beren zich weken lang in hun leger verbergen, terwijl de
overigen ook in den winter van de eene plaats naar de andere zwerven,
ja zelfs van de noordelijke gewesten naar de zuidelijke verhuizen;
andere meenen, dat dit alleen in zachte winters geschiedt, en dat
gedurende koudere winters alle Zwarte Beren winterslaap houden. Zooveel
althans is zeker, dat men juist in den winter dikwijls op den Baribal
jacht maakt en hem in zijn leger opzoekt.
De Baribal is, hoe dom, plomp en onhandig hij er ook uitziet, een
waakzaam, wakker, krachtig, vlug, behendig en volhardend dier. Hij
loopt zoo snel, dat een man hem niet kan inhalen; het zwemmen verstaat
hij uitmuntend en in het klimmen is hij een baas. Hij is althans
in alle lichaamsoefeningen meer ervaren dan onze Bruine Beer, met
wien hij overigens in vele opzichten overeenstemt. Niet dan hoogst
zelden valt hij den mensch aan; integendeel bij 't zien van dezen,
zijn ergsten vijand vlucht hij zoo snel mogelijk; zelfs wanneer hij
gewond is, houdt hij niet altijd stand, hoewel hij, wanneer hij geen
uitweg meer ziet, gevaarlijk kan worden.
Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen, en wel uit
gras, bladen, half rijp en rijp graan, bessen en zeer verschillende
soorten van boomvruchten. Hij vervolgt echter ook het vee en durft,
evenals ons Bruintje, zelfs de weerbare Runderen aanvallen. Voor den
landman is hij altijd schadelijk, om 't even of hij de aanplantingen
plundert of de kudden verontrust; hem valt daarom hetzelfde lot ten
deel als aan onzen Beer: zonder verschooning wordt hij vervolgd en op
allerlei wijzen uitgeroeid, zoodra hij het waagt, zich in de nabijheid
van den mensch te vertoonen.
De jacht op den Baribal geschiedt op verschillende wijzen. Vele van
deze dieren worden in groote klemmen gevangen, de meeste echter met de
buks geschoten. Goede Honden bewijzen hierbij uitmuntende diensten,
daar zij de nabijheid van den Beer door blaffen aankondigen, of hem
nopen in een boom te vluchten, zoodat de jager tijd heeft op zijn
gemak te mikken en hem op de juiste plaats te treffen.
Zeer eigenaardig zijn vele wijzen van jagen der Indianen, nog
eigenaardiger de plechtigheden, die plaats hebben tot het bevredigen
van den geest van den Beer, zoodra hij uit het lichaam is geweken,
en die het bewijs leveren van een godsdienstige vereering van dit
dier. Alexander Henry, die de door pelsjagers bezochte gewesten
bereisde, verhaalt, hoe zijne gastheeren zich gedroegen tegenover
een zooeven door hem gedooden Beer. "Onmiddellijk na den dood van
het dier kwamen alle Indianen dicht bij het lijk staan. De 'oude
moeder,' zooals wij haar noemden, nam den kop van het dier in hare
handen, liefkoosde en kuste hem herhaaldelijk, en verzocht den Beer
duizendmaal om vergiffenis, dat men hem het leven had benomen; ook
verzekerde zij, dat het geen Indianen waren geweest, die dit deden,
maar dat stellig een Engelschman zich aan deze misdaad had schuldig
gemaakt. De lijkdienst duurde niet bijzonder lang; kort daarna werd
een aanvang gemaakt met het villen en verdeelen van den Beer. Allen
hielpen mede om de huid, het vleesch en het vet van het dier te dragen
en namen daarop den terugtocht aan. Zoodra men thuis gekomen was, werd
de berenkop versierd met zilveren armbanden en andere versierselen,
die de familie bezat. Daarna plaatste men hem op een stellage en legde
voor zijn neus een groote hoeveelheid tabak. Den volgenden morgen
werden toebereidselen voor een feest gemaakt. De hut werd schoon
gemaakt en aangeveegd, de kop van den Beer hoog geplaatst en een
nieuwe doek, die nog nooit gebruikt was, er over uitgebreid. Nadat
de pijpen gereed waren gemaakt, blies een Indiaan tabaksrook in de
neusgaten van den Beer. Hij verzocht mij, hetzelfde te doen, omdat ik,
die het dier gedood had, daardoor zeker den toorn van het dier zou
doen bedaren. Ik deed mijn best, mijn welwillenden en vriendelijken
gastheer tot de overtuiging te brengen, dat de Beer niet meer leefde;
mijne woorden vonden echter geen geloof. Ten slotte hield mijn
gastheer een rede, waarin hij den Beer trachtte te verheerlijken,
en eerst daarna begonnen wij van het Berenvleesch te smullen."
Alle Baribals die ik heb leeren kennen, onderscheidden zich door
hunne zachtmoedigheid en goedaardigheid in 't oogloopend van hunne
verwanten. Zij maken tegen hunne oppassers nooit gebruik van hun
kracht, erkennen volkomen de oppermacht van den mensch en laten zich
met groot gemak behandelen. Zij hebben althans meer vrees voor den
oppasser als deze voor hen. Zij zijn echter ook bang voor ieder ander
dier. Een kleine Olifant, die langs de hokken der door mij verzorgde
Baribals werd geleid, bracht onder hen zooveel schrik teweeg, dat zij
ijlings in den boom klommen, die in hun hok was geplaatst, alsof zij
daar beschutting wilden zoeken. Zij houden er niet van, met andere
Beren, die men bij hen brengt, te vechten; zelfs een klein, moedig
dier van hun eigen soort kan over hen de baas spelen.
Aan gevangene exemplaren kan men voortdurend opmerken, hoe gemakkelijk
en behendig de Baribals klimmen kunnen. Als zij ergens door verschrikt
worden, springen zij met één afzet ongeveer 2 M. hoog tot op de
eerste takken van een gladden eikenstam en klimmen dan zeer snel en
met vasten tred tot in den top omhoog. Eens toen de oppasser een oude
berin in haar hok wilde drijven, sprong zij over hem heen in den boom.
De stem van den Baribal gelijkt op die van den Landbeer, maar is veel
zwakker en klagender.
Door de goedgeefschheid van welwillende vrienden kunnen de Baribals
zeer verwend worden. Zij weten, dat zij gevoederd worden, en herinneren
hem, die het mocht vergeten hun iets te geven, door een klagend
gesmeek aan zijn gewoonte. Zoo geraken zij aan het bedelen gewend;
zij doen het op een wijze, waaraan niemand weerstand kan bieden;
de houdingen, die zij aannemen, als zij de armen uitstrekken, zijn
zoo potsierlijk, in hun gejammer weten zij zooveel verscheidenheid
te brengen, dat iedereen er door tot mildheid wordt bewogen.
Een van de Aziatische vertegenwoordigers van het Berengeslacht is
de _Kraag-beer_, de _Zwarte Himalaja-beer_ van de Engelsche jagers,
de _Kama_ van de Japaneezen (_Ursus torquatus_). Hij is betrekkelijk
slank van gestalte; de kop waaraan het voorhoofd en de rug van den
neus ongevoelig in elkander overgaan, eindigt in een spitsen snuit,
de ooren zijn rond en betrekkelijk groot, de pooten middelmatig lang,
de voeten kort, de teenen met korte, maar krachtige nagels gewapend. De
beharing en de kleur wisselen, naar het schijnt, tamelijk af, indien
het namelijk waar blijkt te zijn, dat de mededeelingen hierover op een
zelfde soort en niet op twee verschillende soorten betrekking hebben.
Wallich vond dezen Beer in Nepal; Siebold zegt in zijn werk over de
dierenwereld van Japan, dat de Kama niet alleen in China en Japan,
maar ook in de meeste gebergten van het vasteland en van de eilanden
van Zuid-Azië veelvuldig voorkomt. In Noord-Indië en Kaschmir bewoont
de Kraag-beer bij voorkeur dicht begroeide gedeelten van het woud in
de nabijheid van akkers en wijnbergen, in het zuidoosten van Siberië
daarentegen de hoogstammige bosschen. Hij kan uitmuntend klauteren en
klimt met gemak in de hoogste boomen; van de Birar-Toengoesen vernam
Radde, dat deze Beer zelden op den bodem komt, zich des zomers in de
kronen der boomen prieeltjes maakt door takken naar elkander toe te
buigen en dooreen te schuiven en des winters in zittende houding in
holle boomen slaapt, dat hij lafhartig en niet gevaarlijk is, omdat
hij een kleinen bek heeft, en alleen bijten kan, en niet, zooals
de Landbeer, ook scheuren. Adams kreeg geheel andere berichten; hij
verzekert, dat de Kraag-beer door de bewoners van de gebergten van
Indië zeer gevreesd wordt. Blanford zegt van hem, dat hij meer dan de
andere Beren begeerig is naar vleesch, dat hij niet alleen klein vee
en Herten, maar ook Runderen en Paarden doodt, nu en dan ook krengen
vreet, maar toch hoofdzakelijk van plantaardig voedsel leeft.
De gevangene Kraag-beren, die tegenwoordig in alle groote dierentuinen
te zien zijn, gelijken door hun gedrag het meest op den Baribal,
hebben nagenoeg dezelfde eigenaardigheden en gewoonten als deze,
staan wat hunne geestvermogens betreft nagenoeg op dezelfde hoogte
en onderscheiden zich van hem hoogstens door de sierlijkheid van
hunne bewegingen.
Van de tot dusver genoemde soorten van de Berenfamilie wijkt de
_Maleische Beer_, de _Broean_, of--zooals, volgens Von Rosenberg, de
naam eigenlijk luidt--de _Biroeang_ der Maleiers (_Ursus malayanus_)
aanmerkelijk af. Hij heeft een gerekt, maar toch plomp gebouwd
lichaam, een dikken kop met breeden snuit, kleine ooren, zeer kleine,
onnoozele oogen en naar verhouding zeer groote teenen met lange,
krachtige klauwen. Zijn lengte bedraagt tennaastenbij 1.4 M., zijn
hoogte ongeveer 70 cM. De kortharige, maar dichte vacht is glanzig
zwart, met uitzondering van de vaalgele zijden van den snuit en een
gele of althans lichte vlek op de borst, die meestal den vorm van
een hoefijzer heeft, maar soms ringvormig is.
De Biroeang bewoont Borneo, Java, Sumatra en het Maleische
schiereiland. Van zijn leven in vrijen toestand is zeer weinig
bekend. Zeker weet men echter, dat hij uitmuntend klimmen kan,
misschien beter dan alle zijne verwanten; naar men zegt, leeft
hij evenveel op de boomen als op den grond, en voedt hij zich
uitsluitend met plantaardige stoffen en Insecten, hoewel hij nu en
dan waarschijnlijk wel een Zoogdier of een Vogel buit maakt. Volgens
Marsden richt hij in de cacaoplantages op Sumatra soms groote schade
aan, en klimt hij ook in de kokospalmen om er de malsche, jonge
uitspruitsels van op te eten.
Naar het schijnt, wordt dit dier in zijn vaderland niet zelden
gevangen gehouden, omdat men dezen even snaakschen, als goedaardigen en
onschadelijken klant zelfs aan kinderen als speelkameraad geven kan, en
hem naar zijn eigen verkiezing op het erf kan laten rondloopen. _Sir_
Stamford Raffles, die een van deze Beren bezat, kon hem gerust in de
kinderkamer toelaten, en was nimmer genoodzaakt hem aan een ketting
te leggen of door slagen te bestraffen. Meer dan eens kwam hij zeer
netjes aan tafel en vroeg om wat eten. In dit geval toonde hij zich
een echten fijnproever, daar hij geen andere vruchten dan mangos
eten en niets anders dan champagne drinken wilde. Van dezen wijn
was hij een hartstochtelijk liefhebber, en als hij een tijdlang
zijn lievelingsdrank niet kreeg, verloor hij, naar het scheen,
zijn goed humeur. Maar deze uitmuntende kameraad verdiende wel
een glas wijn. Iedereen in huis hield van hem; hij gedroeg zich in
alle opzichten voorbeeldig; want hij deed zelfs het kleinste dier
geen kwaad.
Geheel anders, althans zoover mijne ervaringen reiken, is het gedrag
van den Biroeang als hij bij ons in een hok gevangen zit: hij is dom,
maar niets minder dan goedaardig, eerder koppig en valsch. Hoe goed hij
ook verzorgd wordt, toont hij zich toch maar zelden vriendschappelijk
gezind jegens zijn oppasser.
Wanneer men de zienswijze van eenige natuuronderzoekers volgt en
het tamelijk geringe verschil in gedaante en levenswijze, dat bij
onze Land-beren voorkomt, reeds voldoende acht om deze dieren tot
verschillende soorten te brengen, is het verklaarbaar, dat men
den _IJsbeer_ (_Ursus maritimus_) als vertegenwoordiger van een
zelfstandig geslacht beschouwt. De eerste zeevaarders, die van dezen
Beer melding hebben gemaakt, meenden trouwens in hem slechts een
verscheidenheid van onzen "Bruin" te ontdekken, wiens vel door het
klimaat der koude poolgewesten met de hun eigenaardige sneeuwkleur
was begiftigd; deze dwaling duurde echter niet lang, omdat men zeer
spoedig de belangrijke punten van verschil opmerkte, die tusschen de
Landberen en den IJsbeer bestaan. De laatstgenoemde onderscheidt zich
van de tot dusver genoemde soorten der familie door den meer gerekten
romp met langen hals, door de korte, forsche en krachtige pooten,
welker voeten veel langer en breeder zijn dan die der andere Beren,
en welker teenen door sterke spanvliezen bijna tot op de helft van hun
lengte met elkander verbonden zijn. Hij is verreweg de grootste van
alle Beren, want bij een schouderhoogte van 1.3 à 1.4 M. bereikt hij
een lengte van 2.5 à 2.8 M. en een gewicht van 600 KG., in bijzonder
vetten toestand zelfs 800 KG.
De romp van den IJsbeer is veel plomper, maar toch meer gerekt, de
hals aanmerkelijk dunner en langer dan bij den Gewonen Beer, de kop
langwerpig, neergedrukt, en betrekkelijk smal, het achterhoofd zeer
verlengd, het voorhoofd plat, de van achteren dikke snuit is van voren
spits; de ooren zijn klein, kort en zeer afgerond, de neusgaten verder
geopend en de muil minder diep gespleten dan bij den Landbeer. De
dikke en kromme klauwen zijn slechts middelmatig lang; de staart is
zeer kort, dik en stomp, en steekt nauwelijks buiten de vacht uit. De
lange, vlokkige, overvloedige en dichte beharing bestaat uit korte
wol en sluike, glanzige, zachte, bijna wollige bovenharen, die aan
den kop, den hals en den rug het kortst, aan 't achterdeel, de buik
en de pooten het langst zijn; ook de zolen zijn er mede bekleed. Op
de lippen en boven de oogen bevinden zich een gering aantal borstelige
haren; aan de oogleden ontbreken de wimpers. Met uitzondering van een
donkeren ring om de oogen, van den onbehaarden top van den neus, van
de randen der lippen en van de klauwen, is de IJsbeer sneeuwkleurig;
bij de jonge dieren is dit kleed zuiver zilverwit, terwijl het bij
de oudere, naar men beweert tengevolge van het tranige voedsel, een
geelachtige tint verkrijgt. Het jaargetijde oefent niet den geringsten
invloed op de kleur uit.
De IJsbeer bewoont de noordelijkste gewesten der aarde, de eigenlijke
ijsgordel van de pool, en komt alleen daar voor, waar het water
gedurende een groot deel van het jaar of aanhoudend, althans
gedeeltelijk tot ijs verstijft. Hoe ver hij zich noordwaarts begeeft,
kon tot dusver niet uitgemaakt worden; zoo ver de mensch echter in deze
ongastvrije gewesten doorgedrongen is, heeft hij hem als levenslustige
bewoner van den aan 't leven vijandigen aardgordel ontmoet, terwijl
hij in zuidelijke richting slechts bij uitzondering nog op den 55en
NB. graad waargenomen wordt. Hij is geen uitsluitend bewoner van een
der drie noordelijke werelddeelen, maar is hun gemeenschappelijk
eigendom. Door geen ander wezen bedreigd of in gevaar gebracht,
trotseert hij onbeschroomd de ijzigste koude en de vreeselijkste
beroeringen van den dampkring, waarvan wij ons bijna geen denkbeeld
kunnen vormen, zwerft door het land en doorkruist de zee nu eens over
de haar bedekkende ijsmassa's, dan weer door de onstuimige golven;
in ieder geval moet de sneeuw zelf hem een kleed, een beschutting,
een leger leveren. Aan de oostkust van 't noordelijkste deel van
Noord-Amerika, in de gewesten die de Baffins- en Hudsonsbaaien
omzoomen, in Groenland en Labrador, op Spitsbergen en andere eilanden,
is hij gemeen en zoowel op den vasten grond als op het drijfijs te
vinden, in Azië is het dubbel-eiland Nowaja-Semlja zijn hoofdzetel;
hij wordt echter ook op de Nieuw-Siberische eilandengroep en zelfs op
het vasteland aangetroffen, hoewel dit laatste alleen dan geschiedt,
als de ijsschotsen hem derwaarts voeren; zoo landt hij menigmaal
op Lapland en ook wel op IJsland aan. Dikwijls zag men IJsberen
op deze wijze te midden van het overigens ijsvrije water op grooten
afstand van de kust voortdrijven. Soms komen zij tot troepen vereenigd
voor. Scoresby bericht, dat hij eens op de kust van Groenland wel 100
IJsberen bijeenzag, waarvan er 20 gedood werden. Het onbewoonde eiland
St. Mattheus in de Beringzee, schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid
voor hen te hebben; het wemelt er letterlijk van deze dieren. Honderden
IJsberen wonen hier ongestoord, van de geheele overige wereld
afgesloten. Ook ten noorden van de Beringstraat zijn zij veelvuldig;
waar een overvloed van voedsel te vinden is, verzamelen zij zich
dikwijls in grooten getale. "Wij zagen," schrijft Pechuel-Loesche,
"op een ijsveld een buitengewoon talrijke verzameling van Beren; het
was duidelijk, dat hiervoor een bijzondere reden bestond. Deze bleef
niet lang voor ons verborgen. Het gezwollen lijk van een Walvisch
was naar den rand van het ijsveld gedreven; de Beren hadden zich
tot een gastmaal vereenigd. Vermakelijk was het te zien, hoe deze in
't wit gekleede feestelingen, waarvan sommige zich op afschuwelijke
wijze bevuild hadden bij de stellig moeitevolle ontleding van den
vleeschberg, hun strandrecht uitoefenden. Over onze komst waren zij
volstrekt niet gesticht; zij schenen niet weinig lust te gevoelen,
om hun buit tegen de naderende boot te verdedigen. Toen echter de
stevigste voorvechter met een door kogels verbrijzelden nek ter
aarde stortte en een tweede zwaar verwond was, namen zij merkwaardig
snel de vlucht. Als een bende mokkende Wolven vormden zij op veiligen
afstand een kring om ons heen en maakten, terwijl zij onzen terugtocht
afwachtten, op plompe wijze allerlei dreigende bewegingen."
De IJsbeer is over 't geheel genomen log van beweging, maar in de
hoogste mate volhardend. Dit blijkt vooral bij 't zwemmen, in welke
kunst deze Beer meesterlijk ervaren is. De snelheid, waarmede hij zich
uren achtereen op gelijkmatige wijze, zonder bijzondere inspanning
door het water beweegt, wordt door Scoresby op 4 à 5 KM. per uur
geschat. Zijn groote massa vet komt hem bij 't zwemmen uitmuntend
te pas, daar het soortelijk gewicht van zijn lichaam hierdoor
tennaastenbij gelijk wordt aan dat van het water. Daarom kan hij
zich dagen lang in 't water ophouden; hij doorkruist onafzienbare
watervlakten en wordt dikwijls ver van 't land en van het drijfijs
in de open zee aangetroffen. Zoolang men hem niet van al te nabij
bedreigt, zal hij zich, volgens de ervaringen van Pechuel-Loesche,
steeds met het achterste deel van het lichaam het eerst te water
begeven; de behoedzame, bijna beschroomde wijze, waarop hij zich er
in laat glijden, maakt een zeer komischen indruk. Even uitmuntend
als hij zich aan de oppervlakte van het water beweegt, verstaat hij
de kunst van duiken. Men heeft opgemerkt, dat hij Zalmen uit het
water heeft gehaald, waaruit een vaardigheid in 't duiken blijkt,
die in zeer hooge mate bewondering verdient. Ook op het land is
hij volstrekt niet zoo onbeholpen en onbekwaam, als zijn gewone,
langzame en omzichtige gang zou doen vermoeden. Wanneer hij in zijn
schijnbaar plompen draf of galop vervalt, beweegt hij zich, zelfs op
het oneffene ijs en den hobbeligen bodem, met een verrassende snelheid;
hij weet daarbij met groote omzichtigheid overal den gemakkelijksten
weg te kiezen. Zijne zintuigelijke vermogens zijn buitengewoon scherp,
vooral het gezicht en de reuk. Als hij over groote ijsvelden gaat,
beklimt hij, volgens Scoresby, de ijsblokken, en ziet rond naar
buit. Doode Walvisschen of een in 't vuur geworpen stuk spek ruikt
hij op ongeloofelijk grooten afstand.