hij niets anders; wanneer echter de nood hem dwingt, of als hij aan
dierlijk voedsel gewoon geraakt is, wordt hij dikwijls een roofdier
in de letterlijke beteekenis van het woord. Hij tracht zijn buit te
beloeren of te bekruipen; groot vee wordt, naar men zegt, door hem
nagejaagd, tot het uitgeput is; wanneer het op hooge bergen graast,
drijft hij het uiteen, en dwingt het, zich in een afgrond te storten,
waarna hij voorzichtig naar beneden klautert en zich aan het door den
val gedoode dier zat vreet. Door iedere gelukkige jacht neemt zijn
vermetelheid toe. In den Oeral wordt de Beer als de ergste vijand van
de Paarden beschouwd. Voerlieden en postrijders weigeren soms 's nachts
door een bosch te rijden, hoewel het niet zeer waarschijnlijk is, dat
de Beer Paarden voor den wagen aanvalt. In de weide grazende Paarden
zijn echter nooit veilig voor hem. Een met mij bevriende berenjager,
Von Beckmann, verhaalt mij als ooggetuige hoe het Roofdier bij den
aanval handelt. In de nabijheid van een moerassig met kreupelhout
begroeid terrein graasden verscheidene Paarden onder de oogen van den
jager, die bewegingloos in een hinderlaag lag. Op eens kwam uit het
kreupelhout een Beer te voorschijn, die langzaam sluipend de Paarden
hoe langer hoe meer naderde, totdat deze hem opmerkten en zoo snel
mogelijk op de vlucht sloegen. Met groote sprongen ging de Beer hen
achterna, haalde het eene Paard in een merkwaardig korten tijd in,
sloeg het met den eenen poot op den rug, pakte het met den anderen
van voren in 't aangezicht, wierp het op den grond en scheurde het
de borst open. Toen hij zag, dat een van de beide gevluchte dieren
lam was en niet ontsnappen kon, verliet hij de neergevelde prooi,
liep het tweede slachtoffer na, haalde het spoedig in en doodde het
eveneens. Gedurende den strijd schreeuwden de beide Paarden geweldig.
Als Meester Bruin eens stoutmoedig geworden is, gaat hij ook de
stallen bezoeken, hij tracht er de deur van open te breken, of in
het dak een opening te maken, zooals naar men zegt, in Skandinavië
meermalen geschied is. Zijn buitengewone spierkracht stelt hem in
staat om zelfs groote dieren mee te sleepen. Van de geweldige kracht
van groote Beren geeft Krementz verscheidene voorbeelden. Een Beer brak
in zijn doodstrijd houten palen van 6 à 10 cM. dikte; een andere nam
een pas door hem gegrepen en nog zieltogende koe met de voorpooten
op en droeg haar, terwijl hij op de achterpooten ging, door een
beek naar het bosch. Een bij 't vuur zittende boschwachter werd van
achteren overvallen door een zonder opzet uit zijn winterverblijfplaats
opgeschrikten Beer, "die hem door een geweldigen slag en ruk met de
voorpooten den hersenpan verbrijzelde, zoodat de man oogenblikkelijk
dood was." Een vierde Beer trok een in een kuil gestorten, levenden
Eland, wiens gewicht op 300 KG. geschat werd, naar boven en sleepte
hem een halve KM. ver door het moeras.
Hoewel Herten, Reeën en Gemzen door hunne waakzaamheid en snelle
beweging den Beer niet zelden ontkomen, jaagt deze toch in 't noorden
van Skandinavië gedurende langen tijd de Rendieren achterna. Zelfs
op Visschen maakt hij jacht; hij volgt, om ze te verschalken, den
loop der rivieren over een grooten afstand.
Vóór den aanvang van den winter maakt de Beer zich een rustplaats
gereed, hetzij tusschen rotsen, òf in een reeds bestaand hol, dat hij
zoo noodig verwijdt, òf in een door hem zelf gegraven hol, òf in een
hollen boom, dikwijls ook tusschen struikgewas of op een droog eiland
in het broekland of moeras. Zoodra de felle koude begint, zoekt de
Beer zijn schuilplaats op en brengt hier het koude jaargetijde in
slapenden of halfslapenden toestand door. Het tijdstip waarop de
woning betrokken wordt, hangt af van het klimaat in iedere streek en
van de weersgesteldheid in ieder jaar. Terwijl de berin zich meestal
reeds in het begin van November te ruste begeeft, zwerft de Beer,
naar ik zelf in Kroatië door het volgen van een spoor gewaar werd,
nog in het midden van December rond, om 't even, of er sneeuw ligt en
strenge koude heerscht, of niet. Volgens de verzekering van Russische
berenjagers onderzoekt hij voor het slapengaan zorgvuldig de omgeving
van zijn slaapplaats, en verwisselt deze voor een andere, wanneer hij
in verschillende richtingen sporen van menschen ontmoet. Als het midden
in den winter begint te dooien, verlaat de Beer zelfs in Rusland en
Siberië somtijds zijn leger om te drinken, en neemt dan soms tevens
voedsel op. Dat hij in Lijfland 3 à 4 maanden lang geheel onder de
sneeuw begraven ligt, in dezen tijd volstrekt geen Voedsel gebruikt
en met volkomen ledig spijskanaal gevonden wordt, is volkomen zeker.
Bij zacht weder daarentegen duurt zijn winterrust misschien slechts
weinige weken, en in een zachter klimaat denkt hij waarschijnlijk in
't geheel niet aan zulk een afzondering. Hierop wijzen de opmerkingen,
die men bij gevangen Beren gedaan heeft. Deze hebben geen winterslaap
en gedragen zich over 't algemeen in den winter nagenoeg op dezelfde
wijze als in den zomer. Zoolang het voedsel hun geregeld wordt
verschaft, eten zij bijna evenveel als gewoonlijk; in zachte winters
slapen zij weinig meer dan in den zomer.
De berin werpt gewoonlijk 2 of 3, dikwijls 1 of 4, zeer zelden echter
5 jongen. De moeder maakt in den regel voor hen een volslagen nest
gereed; meermalen heeft men echter opgemerkt, dat zij ze eenvoudig op
de sneeuw neerlegt. Als het kroost door een gevaar bedreigd wordt,
draagt de moeder het met de tanden dikwijls ver weg. Opmerkelijk is
het dat de moeder, als zij in grooten nood verkeert, hare jongen,
zoolang zij nog zeer klein en onbeholpen zijn, dikwijls snood in
den steek laat, terwijl zij ze steeds moedig verdedigt, wanneer zij
wat grooter geworden zijn. In zulke omstandigheden beschouwt zij
zich als alleenheerscheres in de streek, die zij als verblijfplaats
heeft gekozen, en beantwoordt iedere storing met een onmiddellijken
aanval. In enkele gevallen wordt zij een schrik voor allen, die haar
woongebied moeten doortrekken; het komt zelfs voor, dat zij het verkeer
geheel belemmert; hij die zonder Honden in haar nabijheid komt, loopt
gevaar, gewond of gedood te worden. Ongeveer in de vierde levensmaand
zijn de jongen zooveel gegroeid, dat zij de moeder kunnen volgen;
deze oefent hen vlijtig in 't klimmen, brengt hen op de hoogte van
de middelen om voedsel te vinden, en geeft hen onderricht in vele
den Beer noodzakelijke kundigheden.
De jonge Beren, die eindelijk door hun moeder verstooten worden,
zwerven, naar men zegt, gedurende den zomer in de nabijheid van
het oude leger rond, en gebruiken dit bij slecht weder, zoolang
zij niet verdreven worden; ook vereenigen zij zich gaarne met
andere jongen van hun soort. Een opmerking van de Russische boeren
en jagers, die door Eversmann voor 't eerst bekend werd gemaakt,
maar die nadere bevestiging vereischt, werpt een eigenaardig licht
op deze vereenigingen. Deze lieden zeggen, dat de berin hare oudere
kinderen voor het oppassen van de jongere gebruikt, en ze zoo noodig
tot deze dienstverrichting dwingt; daarom wordt zulk een tweejarige,
met de moeder en hare andere kinderen rondzwervende Beer "Pestoen",
d. w. z. kinderenoppasser, genoemd. Van een Berenfamilie, die de
Kama-rivier overgetrokken was, verhaalt Eversmann het volgende: "Toen
de moeder aan den anderen oever aangekomen was, zag zij, dat de Pestoen
haar langzaam nasloop, zonder de jongere kinderen, die nog aan den
anderen oever waren, bij den overtocht behulpzaam te zijn. Zoodra hij
binnen haar bereik is, geeft de moeder hem stilzwijgend een oorvijg,
die zijn geheugen in zoover opfrischt, dat hij terugkeert en een der
beide jongen in den bek naar den overkant brengt. De moeder ziet hem
na, terwijl hij weder teruggaat om het andere jong te halen. Toen hij
dit echter midden in de rivier laat vallen, gaat zij op hem toe en
straft hem opnieuw af, waarna hij zijn plicht doet, en de familie in
vrede verder trekt." Onder de boeren en jagers van Rusland en Siberië
wordt algemeen verhaald, dat iedere berin hare jongen door een Pestoen
laat begeleiden. Deze heeft o. a. tot taak de jongen te bewaken, die in
't dichte geboomte verborgen zijn, terwijl de oude een prooi bekruipt,
of zich verzadigt aan een gedood dier, dat zij niet meevoeren kan;
hij deelt in den winter met haar hetzelfde leger en wordt eerst dan
uit zijn dienst ontslagen en vrij gelaten, als een ander in zijn
plaats is aangesteld. Daarom ziet men soms ook wel een vierjarigen
Pestoen bij een Berenfamilie.
Jonge Beren, die een leeftijd van ongeveer 5 of 6 maanden bereikt
hebben, zijn hoogst vermakelijke dieren. Zij zijn zeer bewegelijk en
niet minder snaaksch; voortdurend voeren zij de dolste streken uit. Uit
iedere handeling blijkt hun kinderlijke aard. Zij houden bijzonder
veel van spelen, klimmen dikwijls puur en alleen uit baldadigheid in
de boomen, plukharen met elkander als levenslustige knapen, springen in
't water, loopen noodeloos en doelloos rond, en halen allerlei grappen
uit. Hun verzorger toonen zij geen bijzondere genegenheid; zij zijn
tegen iedereen even vriendelijk en maken geen onderscheid tusschen den
eenen persoon en den anderen. Hij, die hun iets te eten geeft, is hun
lieveling; wie hen op de een of andere wijze vertoornt, wordt als een
vijand beschouwd, en wanneer dit mogelijk is, ook op vijandige wijze
behandeld. Zij zijn prikkelbaar als kinderen; men kan hun genegenheid
spoedig winnen, maar ook even spoedig weer verspelen. Lomp en onhandig,
vergeetachtig, onachtzaam, sukkelachtig, onnoozel zijn zij evenals
hunne ouders; bij hen komen echter deze eigenschappen duidelijker uit.
De berenjacht behoort tot de gevaarlijke jachtbedrijven; in den
laatsten tijd worden echter de vreeswekkende verhalen, die hierover
vroeger de ronde deden, door geoefende berenjagers weersproken. Alle
leden van de Berenfamilie zijn buitengewoon bevreesd voor goede
Honden; deze moeten in allen gevalle als de beste helpers van den
jager beschouwd worden. In het zuidoosten van Europa doodt men de
Beren, wanneer zij het vetst zijn, hoofdzakelijk op drijfjachten,
zeldzamer "op den aanstand" en slechts bij uitzondering in of vóór
zijn winterleger; in Rusland daarentegen zoekt men ze juist in den
winter bij voorkeur op. Daar de Beer zich laat drijven en altijd op
dezelfde wijze "wisselt," d. w. z. dezelfde paden volgt, vooral bij
't verlaten en binnenkomen van 't bosch, kunnen ervaren jagers, die
het dier hebben nagegaan, bij drijfjachten zoowel als bij 't schieten
op den "aanstand" (d. i. van uit een hinderlaag) met vrij groote
zekerheid op een goeden uitslag rekenen, verondersteld natuurlijk dat
zij de "wissels" kennen. Koelbloedigheid en een vaste hand, goede en
beproefde wapenen zijn onontbeerlijke vereischten van een berenjager.
"De veelvuldig verbreide meening," schrijft Krementz, "dat de Beer
bij den aanval steeds op de achterpooten gaat staan en zoo zijn
tegenstander te gemoet gaat, is volkomen onjuist; in dit geval zou
men zich trouwens gemakkelijker tegen hem kunnen verweren, dan wanneer
hij op vier pooten blijft gaan. Ik heb eigenhandig 29 Beren geschoten
en heb er omstreeks 65 zien schieten; ik was er bij tegenwoordig, dat
Beren van allerlei grootte en soort een mensch aanvielen; ik zelf ben
ook meermalen door hen aangevallen; ik heb echter slechts éénmaal een
Beer en een Berin gezien, die bij den aanval overeind gingen staan,
en zóó, in opgerichte houding den tegenstander een eind weegs te
gemoet gingen. Ik wil hiermede echter volstrekt niet beweren, dat
de Beren bij den aanval nimmer deze houding aannemen, maar alleen,
dat zulke gevallen, waarvan in vele geschriften over de jacht en
in andere wetenschappelijke werken melding wordt gemaakt, uiterst
zeldzaam zijn. De aanval van den Beer geschiedt meestal plotseling
en snel; soms zoekt hij door een snelle en hevige, zijwaartsche
beweging van een voorpoot den tegenstander te slaan, soms verheft
hij zich gedurende den snellen gang plotseling op de achterpooten
in de onmiddellijke nabijheid van zijn vijand, en tracht dezen door
een hevigen stoot met de voorpooten ter aarde te werpen, soms brengt
hij hem hiermede een hevigen slag toe, die met een ruk gepaard gaat,
en bijt intusschen snel; hij houdt zich echter, wanneer menschen
en Honden in de nabijheid zijn, nooit lang bij zijn slachtoffer op,
maar kiest spoedig het hazenpad."
De Beer wordt echter niet alleen op "jachtmatige wijze," maar ook
met minder ridderlijke wapenen bevochten. Voor de Berenjacht worden
mannenmoed en mannenkracht in hooge mate vereischt. Zij die door
het roofdier schade lijden, moeten om het te dooden dikwijls tot
list hun toevlucht nemen. In Galicië en Zevenburgen legt men op
zijne "wissels" en boschpaden zware klemmen, die aan een ketting
bevestigd zijn, welke door een lang, stevig touw aan een zwaar blok
is vastgehecht. Vroeg of laat trapt de Beer op een van deze klemmen,
zijn poot wordt er door omvat; tevergeefs tracht hij zich van dit
lastig en pijnlijk aanhangsel te ontdoen of de hieraan gehechte
ketting stuk te bijten, die ten slotte aan een boom vastraakt,
waarna het dier, door nuttelooze pogingen om los te komen uitgeput,
ellendig om 't leven komt. De jager, die om den anderen dag bij de
"wissels" langs gaat, vindt den Beer door het nagaan van het spoor
van den voortgesleepten klem, van den ketting, of van het blok.
"De Aziaten," verhaalt Steller, "vereenigen vele balken, die zij op
elkander leggen, tot een gebouw, dat instort en de Beren verplettert,
zoodra deze op de voor hen gestelde vallen gaan staan. Zij graven
een kuil, bevestigen daarin een spits toeloopenden, glad gemaakten
en aan de spits in 't vuur geharden paal, die zich eenige voeten
hoog boven den bodem van den kuil verheft; de opening van den kuil
maken zij onzichtbaar, door haar met gras te bedekken. Met behulp van
een touw plaatsen zij thans een buigzaam 'schrikhout,' dat, als de
Beer met den voet op het touw trapt, losspringt en het dier zoodanig
verschrikt, dat het hard aan den loop gaat, en minder voorzichtig is
dan gewoonlijk, hierdoor in den kuil valt, zich spietst op den paal
en dus zelfmoord pleegt."
Andere zeer aardige, beschrijvingen van vangmiddelen: hoe de Beer
zichzelf aan een plank vastnagelt en als hij rechtop gaat staan zich
met de plank het uitzicht beneemt;--hoe hij in blinde drift vecht met
een blok hout, dat voor de opening van een hollen boom, waarin Wilde
Bijen hun nest gemaakt hebben, is opgehangen, of dat met een strik aan
de helling van een berg is neergelegd, welke strijd in beide gevallen
eindigt met het naar beneden storten en doodvallen van het dier;--hoe
hij met stukken hout, die men hem toereikt, terwijl hij zich in zijn
hol bevindt, zich zelf den uitgang verspert,--en andere stukjes meer,
kunnen evenmin als de bekende Tijgervangst met koolbladen en vogellijm,
ernstig opgenomen worden, voordat betrouwbare ooggetuigen er voor in
staan. In Noorwegen, Rusland, Zevenburgen en Spanje komt het soms voor,
dat geoefende, stoutmoedige jagers, door eenige Honden vergezeld,
zonder andere wapens dan lans en mes, den Beer te gemoet gaan en met
hem op leven en dood strijden.
Het voordeel, dat een gelukkige berenjacht oplevert, is niet
onbelangrijk. Voor het vleesch worden goede prijzen besteed; het
berenvet, dat geroemd wordt als middel om den haargroei te bevorderen,
wordt zeer gezocht en duur betaald. Dit vet is wit, wordt nooit hard,
en zal niet licht rans worden, als men het in gesloten potten bewaart;
de onaangename smaak, die het in verschen toestand heeft, verdwijnt
na het verhitten met uien. Het vleesch van een jongen Beer heeft een
fijnen, aangenamen smaak; de pooten van oude, vette Beren worden,
gebraden of gerookt, als een lekkernij beschouwd. De fijnproevers
houden het meest van de voeten; men moet echter eerst aan hun uitzicht
gewend zijn, omdat zij, na het verwijderen van 't haar en voor de
keuken gereed gemaakt, afkeer wekken wegens hun overeenkomst met
een bijzonder grooten menschenvoet. Ook de kop van den Beer gaat
door voor een voortreffelijk gerecht. De waarde van het vel is zeer
verschillend; het vel van kleine exemplaren brengt niet veel op;
voor dat van de grootere dieren wordt tegenwoordig, volgens Lomer,
al naar de fraaiheid van uitzicht, 36 à 150 gulden betaald.
Nog in het begin van de vorige eeuw gold het laten vechten van een
gevangen Beer met groote Honden voor een echt vorstelijk vermaak. Met
dit doel hielden sommige Duitsche vorsten er Beren op na. "August _de
Sterke_", verhaalt Von Flemming, "had er twee. Eens gebeurde het,
dat één van deze dieren uit den tuin van Augustusburg ontsnapte,
in een slagerswinkel een vierde deel van een kalf van den haak
rukte, en, toen de slagersvrouw het verjagen wilde, haar en hare
kinderen om 't leven bracht, waarna de ter hulp gesnelde menschen het
doodschoten." De voor den strijd bestemde Beer werd naar de kampplaats
gereden in een hok, dat door één ruk aan een touw van uit de verte
op zulk een wijze geopend kon worden, dat de wanden aan alle zijden
neervielen, en de gevangene in eens bevrijd was. Hierna liet men
groote, forsche Honden op hem los. Als deze den Beer vasthielden,
kon hij zonder groot bezwaar door één man afgemaakt worden. In
de Dresdener slottuin hadden in 't jaar 1630 binnen 8 dagen drie
berengevechten plaats. De beide eerste malen moesten zeven Beren met
Honden, de derde maal echter met groote Evers vechten, van welke er
vijf in den strijd bezweken; een van deze Beren had een gewicht van
400 KG. De Beren werden bovendien nog door voetzoekers getergd en met
een in 't rood gekleede pop geplaagd. Gewoonlijk werden de Beren, als
de Honden hen vasthielden, door de groote heeren eigenhandig gedood;
August _de Sterke_ was gewoon hun den kop af te houwen.
Zelfs nog in den tegenwoordigen tijd worden op sommige plaatsen zulke
kampspelen vertoond. Op het terrein voor stierengevechten te Madrid
laat men soms Beren met stieren strijden, en in Parijs werden nog in
het begin van deze eeuw Honden losgelaten tegen Beren, die aan den
ketting lagen. Kobell, die getuige was van een dergelijk schouwspel,
verhaalt, dat de Beer de op hem aanstormende Honden door slagen
met zijne kolossale pooten rechts en links neervelde en intusschen
vreeselijk bromde. Toen de Honden nog vermeteler werden, greep hij
er verscheidene achtereenvolgens aan, schoof ze onder zijn lichaam
en drukte ze dood, terwijl hij den anderen zware wonden toebracht en
ter zijde slingerde.
De Romeinen kregen hunne Beren hoofdzakelijk uit den Libanon,
maar verhalen, dat zij er ook eenige uit Noord-Afrika en Libye
hebben laten komen. Hunne mededeelingen over de levenswijze van
dit dier bevatten vele fabelen. Plinius schreef Aristoteles na,
maar voegde aan de betrekkelijk zeer juiste beschrijving van dezen
uitmuntenden Griekschen dierkundige eenige fabels toe. Oppianus geeft
een voortreffelijk verslag van de merkwaardige berenjachten der
Armeniërs aan den Tigris. Julius Capitolinus eindelijk beschrijft
de kampspelen in het circus en vermeldt daarbij, dat Gordianus _de
eerste_ op één dag 1000 Beren in het strijdperk bracht.
De naaste verwant van den Landbeer is de over geheel Noord-Amerika
verbreide _Grijze Beer_ of _Grisli-beer_, die schertsenderwijs
door de Amerikanen ook wel _Old Ephraïm_ wordt genoemd (_Ursus
cinereus_, _U. ferox_). Door lichaamsbouw en uitzicht gelijkt hij
op onzen Beer; hij is echter grooter, zwaarder, plomper en forscher
dan deze. De kleur van de vacht wisselt sterk af tot ijzergrauw en
licht roodbruin; de eerstgenoemde kleur gaat dikwijls gepaard met
een eigenaardigen zilverachtigen, de laatstgenoemde met een aan
goud herinnerenden weerschijn, veroorzaakt door de zilverwit of
geelachtig gekleurde spitsen van het bovenhaar. De Amerikaansche
jagers zijn daarom gewoon van den _Eigenlijken Grisli-beer_, den
_Bruinen Beer_ en den _Kaneelbeer_ te onderscheiden, en beschouwen
den laatstgenoemden niet alleen als den fraaisten, maar ook als
den gevaarlijksten. Zijn verbreidingsgebied omvat het westen van
Noord-Amerika, in de zuidelijke gedeelten van de Vereenigde Staten
ongeveer beginnend bij het Rotsgebergte, in de noordelijke (Dakota)
reeds van den Missouri af. Hoe verder westwaarts de streek gelegen is,
des te veelvuldiger komt hij voor, vooral in de gebergten. Zuidwaarts
komt hij nog in de hooglanden van Mexico voor; noordwaarts gaat hij
tot aan den Poolcirkel en nog verder.
De levenswijze van den Grijzen Beer komt tamelijk wel met die van den
onzen overeen; hij houdt ook, evenals deze, zijn winterrust; zijn gang
is echter meer waggelend of wiegelend, en al zijne bewegingen zijn
plomper. Naar gezegd wordt, is hij slechts gedurende zijn jeugd in
staat boomen te beklimmen, maar kan op lateren leeftijd zulke kunsten
niet meer verrichten; hier staat tegenover, dat hij met gemak zelfs
over breede rivieren zwemt. Hij is een geweldige roover en ruimschoots
sterk genoeg, om ieder schepsel in zijn vaderland te overwinnen. In
vroegere berichten wordt hij uitdrukkelijk een vreeselijk en boosaardig
dier genoemd. Volgens deze toont hij zelfs voor den mensch geen vrees,
maar valt hem zonder aarzeling aan, om 't even of hij te paard rijdt
dan wel te voet gaat, gewapend is of niet, hem beleedigde, of er niet
aan gedacht heeft, hem iets in den weg te leggen. Om al deze redenen
verwierf de jager, die overwinnaar was geweest in een strijd met Old
Ephraïm, de bewondering en hoogachting van alle mannen, die van hem
hoorden, van de blanken zoowel als van de Indianen, door wie het dooden
van dit Roofdier zonder voorbehoud als een meesterstuk van jagersmoed
geprezen wordt. Onder alle Indianenstammen verschaft het bezit van
een halsketen, die uit de klauwen en tanden van dezen Beer bestaat,
aan den drager van dit zegeteeken een hoogachting, die bij ons ter
nauwernood aan een vorst of aan een roemrijken veldheer ten deel zou
vallen. Alleen hij, die zich den bedoelden keten eigenhandig en door
eigen kracht verworven heeft, mag hem onder de Indianen dragen. Voorts
wordt bericht, dat deze kolossus, die de menschen, welke hij ziet,
vermetel aanvalt, om ze te vernietigen, dadelijk de vlucht neemt,
als hij de lucht van hen krijgt, zonder ze te zien. In even hooge
mate als hij, volgens deze berichten, schroomvallig wordt door
het waarnemen van de lucht van den mensch, vreezen alle dieren de
zijne. De huisdieren stellen zich aan, alsof zij de lucht kregen van
een Leeuw of van een Tijger, en zelfs het doode dier, ja zelfs zijn
vel, boezemt hun nog een hevigen schrik in. Enkele jagers beweren
zelfs, dat ook de overigens zoo vraatzuchtige Amerikaansche Wilde
Honden den Beer eerbiedigen en zijn lijk niet aanroeren.
Er valt niet aan te twijfelen, dat deze (en andere dergelijke)
mededeelingen gedeeltelijk onjuist, gedeeltelijk sterk overdreven
zijn. Zij werden verbreid en geloofd in een tijd, toen het "Verre
Westen" nog weinig bezocht werd, toen men voor avontuurlijke verhalen
een vreeselijk schepsel noodig had, dat geschikt was, om in de Nieuwe
Wereld een soortgelijke rol te spelen, als de meest beruchte Roofdieren
van de Oude Wereld. Toevallig voorkomende, ongunstige ervaringen
met één dier van deze soort, werden als kenschetsend voor al deze
dieren in alle omstandigheden voorgesteld, en zoo werd de Grisli een
schrikbeeld van het onbekende "Verre Westen". Wel is reeds menig mensch
door den Grijzen Beer om 't leven gebracht; maar dit kan evenzeer
van onzen Beer getuigd worden; gewonde Beren hebben zich verweerd;
overvallen Beren, vooral wijfjes, die hare jongen bedreigd achtten,
hebben waarschijnlijk ook dikwijls den mensch aangevallen, zonder
door dezen uitgetart te zijn; om al deze redenen is echter de Grijze
Beer niet verschrikkelijker dan zijn Europeesche geslachtsgenoot,
en evenmin toont hij meer moed dan deze; integendeel over 't algemeen
komt hij door zijn geheelen aard met dezen overeen.
De Grijze Beer voedt zich met plantaardige stoffen, eet zeer gaarne
vruchten, noten en wortels, doodt echter ook dieren; bovendien moet hij
zeer behendig Visschen vangen. In Alaska, waar hij zeer veelvuldig
voorkomt, ontmoet men bijna overal paden, die hij vastgetreden
heeft en geregeld volgt, hetzij aan de oevers van stroomen, of op
eenzame vlakten, in moerassen of in bergstreken; de richting en de
loop van deze paden zijn zoo verstandig gekozen, dat men het best
doet er gebruik van te maken, om langs den kortsten weg van de eene
plaats naar de andere te komen. "Aan de steile verhevenheden van de
bergachtige kust aan de westzijde van Cook's Invaart," schrijft Elliot,
"kan men soms troepen van 20 of 30 van deze plompe dieren bijeen zien,
die daar bessen en wortels zoeken. Hunne vellen hebben echter geen
groote waarde, daar zij grof, ongelijk behaard en stoppelig zijn. Daar
deze dieren bovendien zeer wild zijn, wordt er niet algemeen jacht op
gemaakt, behalve door de mannen van den Kenai-stam, die, evenals alle
jagers onder de inboorlingen, voor hen een groote achting gevoelen,
en gewoon zijn eerst een lofrede op den Beer uit te spreken, voordat
zij trachten hen te dooden. Daar de inboorlingen er niet van houden de
oorden te bezoeken, waar vulkanische werkingen plaats hebben, vormt de
omgeving van kraters, heete bronnen en dampgaten een toevluchtsoord
voor wilde dieren, vooral voor Beren, daar zij alle zeer goed weten,
dat de mensch hen daar in den regel niet komt storen."