(_Ursidae_). Zij omvat, behalve de groote vormen, die wij reeds sedert
onze kinderjaren onder den naam van Beren kennen, en die wegens hun
zeer eigenaardigen lichaamsbouw gemakkelijk te onderscheiden zijn,
ook nog een aantal kleinere soorten, die in vele opzichten van de
eigenlijke Beren verschillen; zelfs worden in deze familie dieren
opgenomen, waarvan het twijfelachtig is, of zij hier wel op hun
plaats zijn.
De romp van de groote Beren is ineengedrongen, die van de kleinere
dikwijls slank, de kop langwerpig rond, middelmatig lang, met naar
voren sterk versmalde, maar gewoonlijk recht afgestompte snoet;
de hals is naar verhouding kort en dik; de ooren zijn kort en de
oogen betrekkelijk klein. De pooten zijn middelmatig lang; aan voor-
en achterpooten beide komen vijf teenen voor; de groote, gekromde
klauwen zijn niet (of alleen bij de meest afwijkende vormen een
weinig) terugtrekbaar en daardoor aan de spits dikwijls zeer sterk
afgesleten. De voetzolen, die bij 't gaan over hun geheele lengte
den bodem aanraken, zijn bijna geheel onbehaard.
Het gebit bestaat uit 36 à 43 tanden, nl. 3 snijtanden en 1 hoektand
in elke helft van iedere kaak (evenals bij alle Roofdieren), voorts,
bij de Eigenlijke Beren, aan weerszijden 6 kiezen in de bovenkaak
en 7 kiezen in de onderkaak, bij de overige leden der familie òf 6,
òf 5 kiezen in elke helft van iedere kaak. De achterste kiezen zijn,
evenals bij de overige Roofdieren, knobbelkiezen; de voorste of kleine
kiezen echter zijn voor het verwerken van dierlijk voedsel geschikt; de
scheurkies, die bij de overige leden der orde een scheiding tusschen de
beide genoemde soorten van kiezen vormt, verschilt hier niet veel van
de daarachter gelegen knobbelkiezen; deze zijn stomp en in de onderkaak
steeds langer dan breed; de kleine kiezen zijn kegelvormig en vertakt,
of hebben slechts onbeduidende, zijdelingsche spitsen. De snijtanden
zijn betrekkelijk groot en hebben dikwijls een gelobde kroon; de
hoektanden zijn forsch en meestal met kanten of lijsten voorzien.
Het schedelgedeelte van het geraamte van den kop is verlengd en
vertoont groote kammen, waaraan de krachtige voor 't sluiten van
den bek dienende slaapspieren en de niet minder forsche, den kop
terugtrekkende nekspieren ontspringen. De halswervels zijn kort en
stevig, evenals de 19 of 20 rug- en lendewervels, waarvan er 14 of
15 ieder één paar ribben dragen. Het heiligbeen bestaat uit 3 à 5,
de staart uit 7 à 34 wervels.
De tong is glad, de maag een eenvoudige buis: de dunne en dikke darm
verschillen niet veel in dikte; de blinde darm ontbreekt geheel.
De Beren bestonden reeds in het tertiaire tijdvak. Tegenwoordig
strekt hun verbreidingsgebied zich uit over geheel Europa, Azië en
Amerika en over een deel van Noodwestelijk Afrika. Zij bewonen even
goed de warmste als de koudste landen, de hooggebergten zoowel als
de door ijs geblokkeerde kusten. Bijna alle soorten houden zich op
in dichte, uitgestrekte wouden of in rotsachtige gewesten, meestal
in de eenzaamheid. Sommige geven de voorkeur aan waterrijke of
vochtige landstreken en aan de nabuurschap van rivieren, beken,
meren, moerassen en van de zee, terwijl andere meer van droge
gewesten houden. Eén enkele soort is aan de zeekust gebonden en gaat
zelden dieper landwaarts in; daarentegen onderneemt zij op drijvende
ijsschotsen, en ook over groote afstanden zwemmend, verdere reizen dan
alle andere soorten; zij doorkruist de Noordelijke IJszee en begeeft
zich van het eene werelddeel naar het andere. De zwerftochten van
alle overige Beren blijven binnen engere kringen beperkt. De meeste
leven eenzaam en houden zich alleen in den paartijd bij hun wijfje op;
eenige zijn gezellig en vereenigen zich tot troepen. Sommige graven
holen in den grond en slaan daarin hun leger op; andere zoeken een
schuilplaats in holle boomen of in rotskloven. De meeste Beren zijn
nachtdieren of halve nachtdieren, gaan na zonsondergang op roof uit
en brengen den geheelen dag slapend door in hunne schuilplaatsen.
Meer dan alle overige Roofdieren zijn de Beren, naar het schijnt,
alleseters in den volsten zin van het woord; zij kunnen zich geruimen
tijd achtereen uitsluitend met plantaardige stoffen voeden. Zij
eten niet alleen allerlei sappige vruchten, maar ook zaden, graan
in rijpen en halfrijpen toestand, wortels, sappige grassen, knoppen
van boomen, bloemkatjes enz. Gevangene Beren heeft men langen tijd
achtereen uitsluitend met haver gevoed, zonder eenige vermindering
van hun welstand op te merken. In hun jeugd ontlenen zij hun voedsel
waarschijnlijk geheel aan het plantenrijk en ook later geven de meeste
soorten de voorkeur aan plantaardig voedsel boven vleesch. Zij zijn
niet kieschkeurig en eten behalve de opgenoemde plantendeelen ook
dieren en wel Kreeften en Schelpdieren, Insekten en hunne larven,
Visschen, Vogels en hunne eieren, Zoogdieren en lijken van dieren, deze
echter alleen zoolang zij nog versch zijn en geen stank verbreiden. In
de nabijheid van menschelijke woningen richten zij schade aan; de
sterkste soorten worden tijdelijk als roovers gevaarlijk, door wanneer
de honger hen kwelt ook groote dieren aan te vallen en vooral onder
het groote vee verwoestingen aan te richten. Eenige zijn hierbij zoo
stoutmoedig, dat zij tot in de dorpen doordringen. Voor den mensch
worden zelfs de sterkste Beren in den regel alleen dan gevaarlijk,
wanneer hij hen stoort, verschrikt, wondt, of op eene andere wijze
uitdaagt.
Ten onrechte worden de bewegingen van de Beren plomp en langzaam
genoemd. De groote soorten zijn gewoonlijk niet bijzonder vlug en
behendig, maar toonen eene merkwaardige volharding; de kleine soorten
echter bewegen zich uiterst flink en snel. De Beren zetten bij het gaan
de geheele zool op den grond en verplaatsen bedachtzaam den eenen poot
na den anderen; wanneer zij echter in drift geraken, gaat hun gang
in een soort van galop over, die een vreemdsoortigen indruk maakt,
maar hun beweging zeer bespoedigt; zelfs de groote soorten wekken in
dezen toestand door hunne snelheid en behendigheid, onze verbazing. De
logst gebouwde Beren kunnen bovendien op de achterpooten staan, en in
deze houding gaan; zij kunnen zóó op een waggelende, maar toch niet
onbeholpen wijze een korten afstand doorloopen. Bijna alle leden
van deze familie kunnen vrij goed klimmen, hoewel zij, wegens hun
zwaarte, slechts in enkele gevallen deze kunst beoefenen, en haar,
de groote soorten althans, op meer gevorderden leeftijd, in 't geheel
niet meer in praktijk brengen. Sommige schuwen het water, terwijl de
overige uitmuntend zwemmen en eenige diep en lang achtereen duiken
kunnen. Den IJsbeer treft men dikwijls op een afstand van vele mijlen
van de kust in zee zwemmend aan; men is dan in de gelegenheid zijne
vlugheid en onvermoeidheid te bewonderen. Door hun groote spierkracht
zijn de Beren in staat, om zeer vermoeiende bewegingen met gemak te
verrichten, en bezwaren te overwinnen, die voor andere dieren in de
hoogste mate hinderlijk zouden zijn; bij hunne rooverijen komt deze
eigenschap hun soms zeer goed te pas; zij zien er niet tegen op,
wild en vee van de grootste soort mede te voeren.
Onder hunne zinnen neemt de reuk de belangrijkste plaats in; het
gehoor is goed, het gezicht middelmatig, de smaak niet bijzonder en
het gevoel nog minder ontwikkeld; bij sommige echter is de lange snuit,
een voor het tasten bestemd orgaan. Eenige soorten zijn verstandig en
schrander; zij laten zich eenigszins africhten, maar bereiken nimmer
een hoogen trap van geestesontwikkeling. Enkele worden zeer tam,
maar laten geen bijzondere gehechtheid aan hun meester en verzorger
blijken. Hierbij komt, dat op lateren leeftijd de wilde-beestenaard
bij hen meer en meer voor den dag komt; zij worden dan valsch en
prikkelbaar, opvliegend en boosaardig; de sterkste soorten zijn dan
gevaarlijk. De Beren geven hunne gemoedsaandoeningen te kennen door
verschillende nuanceeringen van hun in vele opzichten merkwaardige
stem, die uit een dof gebrom, gesnuif en gemurmel of uit een knorrend
en fluitend, soms ook blaffend geluid bestaat.
Alle in noordelijke gewesten levende, groote soorten van Beren zwerven
alleen gedurende den zomer rond, en trekken zich bij den aanvang van
den winter in een schuilplaats, een leger terug. Zij hebben echter
_geen echten_, _onafgebroken winterslaap_, maar verkeeren in een
half slapenden, half wakenden toestand; zoodra er iets verdachts
gebeurt, zijn zij dadelijk bij de hand. Zij verlaten echter hoogst
zelden hun winterkwartier en maken nog minder dikwijls gebruik van
voedsel. Opmerkelijk is het, dat alleen de Land-Beren den winter op de
genoemde wijze slapend doorbrengen, terwijl de IJs- of Zee-Beren zelfs
bij de strengste koude nog rondzwerven, of zich hoogstens bij een zeer
hevige sneeuwjacht te ruste begeven, en door de sneeuw zelf een woning
voor zich laten bouwen, d. w. z. zich eenvoudig laten insneeuwen.
Het drachtige wijfje zoekt een schuilplaats in een als nest ingericht
leger, en werpt hier 1 à 6 jongen, die bij de geboorte blind zijn,
en door hun moeder met de meeste zorgvuldigheid gezoogd, verzorgd,
beschermd en verdedigd worden. Zoodra zij geleerd hebben, zich
eenigszins te bewegen, wekken zij in hooge mate de belangstelling
van de toeschouwers door hunne potsierlijkheid en speelschheid.
De schade, die de Beren aanrichten, wordt ongeveer vergoed door het
nut, dat zij verschaffen, vooral, omdat vele soorten zich alleen in
weinig bevolkte streken ophouden, waar zij om die reden den mensch
niet zeer benadeelen kunnen. Van bijna alle soorten wordt het vel
gebruikt en als een uitmuntende grondstof voor pelterijen hoog
geschat. Bovendien wordt hun vleesch gegeten, terwijl ook hunne
beenderen, pezen en darmen dienst doen.
Wij verdeelen de Berenfamilie in _drie onder-familiën_, waarvan de
eerste de _Groote Beren_ (_Ursinae_) omvat, de logste vormen van de
geheele groep, met een kop, die in een langen snuit eindigt, kleine
oogen en ooren, middelmatig lange pooten, voeten met vijf teenen en
een onbehaarde zool, stompe, niet terugtrekbare klauwen, een kort
staartje en een dichte, ruige, uit haarbosjes bestaande pels. Deze
onderfamilie bevat twee geslachten: de _Eigenlijke Beren_ (_Ursus_)
en de _Lippenberen_ (_Melursus_).
Hoewel iedereen onzen _Gewonen Beer_ meent te kennen, zijn de
dierkundigen het er nog niet over eens geworden, of zij zijne
verschillende afwijkingen in één soort vereenigen of over verscheidene
soorten verdeelen moeten. Wanneer men slechts één soort aanneemt, dan
mag men niet uit het oog verliezen, dat deze, de _Landbeer_, _Bruine_,
_Gewone_ of _Aasbeer_ (_Ursus arctos_), zeer vele afwijkingen vertoont,
niet alleen wat de beharing en de kleur, maar ook wat de gestalte
en vooral den schedelvorm betreft. De over 't algemeen dichte vacht,
die rondom het aangezicht, aan den buik en achter de pooten langer is
dan aan de overige lichaamsdeelen, kan uit lange of korte, gladde of
gekroesde haren bestaan; haar kleur wisselt af door alle tinten van
zwartbruin tot donkerrood en geelbruin, of van zwartachtig grijs en
zilvergrijs tot een vale isabelkleur; de witte halsband, die bij jonge
dieren dikwijls voorkomt, blijft vaak tot op hoogen leeftijd aanwezig,
of komt dan weder, evenals in de jeugd, te voorschijn. De snuit
is meer of minder verlengd, het voorhoofd meer of minder afgeplat,
de romp soms zeer ineengedrongen, soms een weinig slanker; de pooten
zijn verschillend van lengte. Hiernaar onderscheidt men de in Europa
inheemsche vormen in twee groepen: een aantal verscheidenheden worden
samengevat onder den naam _Aasbeer_ (_Ursus arctos_); deze heeft een
door lange pooten gesteunden, verlengden romp en een langen kop met
hoog voorhoofd en langen snuit; zijn uit sluike haren samengestelde
vacht vertoont vale of grijsachtige nuances; de andere Beren vormen
de groep, die _Bruine Beer_ of _Mierenbeer_ (_Ursus formicarius_)
heet: de meer ineengedrongen romp wordt bij hen door kortere, dikkere
pooten gedragen, terwijl de breedere kop een platter voorhoofd en
een korteren snuit heeft.
De Beer kan bij 1 à 1.25 M. schouderhoogte een lengte van 2 à 2.2
M. bereiken. Zijn gewicht wisselt gewoonlijk af tusschen 150 en 250
KG., maar kan bij zeer forsche en vette exemplaren tot 350 KG. stijgen.
Indien alle vormen tot één soort vereenigd worden, dan heeft deze
een verbreidingsgebied, dat zich van Spanje tot Kamtschatka, van
Lapland en Siberië tot aan den Atlas, den Libanon en het westelijk
gedeelte van den Himalaja uitstrekt. In Europa bewoont de Landbeer
ook thans nog alle hooggebergten: de Pyreneeën, Alpen, Karpaten,
Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavische Alpen, den
Kaukasus en den Oeral, benevens de uitloopers en een deel van de
omstreken dezer gebergten, voorts geheel Rusland, geheel Noord- en
Middel-Azië (met uitzondering van de kale steppen), Syrië, Palestina,
Perzië, Afghanistan, den Himalaja, oostwaarts tot in Nepal, in Afrika
eindelijk den Atlas. Hij komt veelvuldig voor in Rusland, Zweden
en Noorwegen, Zevenburgen, in de lage landen van het Donaugebied,
Turkije en Griekenland; hij is niet zeldzaam in Krain en Kroatië, in de
bergstreken van Spanje en Italië; hij is reeds zeer zeldzaam geworden
in Zwitserland en Tyrol, bijna geheel uitgeroeid in Frankrijk en in
de Oostenrijksch-Duitsche landen en geheel verdwenen uit Duitschland,
België, Nederland, Denemarken en Groot-Britannië. Enkele overloopers
vertoonen zich nu en dan in het Beiersche hooggebergte, in Karinthië,
Stiermarken, Moravië en misschien ook in het Bohemerwoud. Voorwaarden
voor hun verblijf zijn groote, samenhangende, moeielijk toegankelijke
of althans weinig bezochte bosschen, waar vele bessen en dergelijke
vruchten groeien. Holen onder boomwortels, in boomstammen of in rotsen,
donkere, ondoordringbare wildernissen en broeklanden met droge eilanden
verschaffen hun een schuilplaats, waar zij zich trachten te beveiligen
tegen hun aartsvijand, den mensch.
De Beer, het logste en zwaarste Roofdier van Europa, is, evenals
de meeste zijner naaste verwanten, een log en tamelijk stompzinnig
wezen. Zijne bewegingen schijnen echter onhandiger dan zij werkelijk
zijn. Hij is een telganger en beweegt dus bij 't gaan de pooten
van dezelfde zijde gelijktijdig, waardoor hij een onbeholpen,
schommelenden en slingerenden gang heeft; wanneer hij echter zijne
schreden versnelt en tot een galop overgaat, komt hij vlug vooruit
en kan met gemak een mensch inhalen; ook in andere omstandigheden
merkt men bij hem een vlugheid en behendigheid op, die men niet van
hem verwacht zou hebben. Hij kan uitmuntend zwemmen en goed klimmen;
op lateren leeftijd, als hij groot en zwaar geworden is, klimt hij
echter niet meer in de boomen, althans niet in gladde stammen zonder
takken. De geweldige spierkracht en de groote, harde klauwen komen den
Beer bij het klimmen goed te pas; zelfs bij zeer steile rotswanden kan
hij omhoogstijgen. Onder zijne zinnen munten het gehoor en de reuk uit;
het gezicht is tamelijk slecht, de smaak echter, naar het schijnt,
zeer goed ontwikkeld.
De opperhoutvester Krementz heeft onlangs zijne veeljarige ervaringen
over de Beren der Rokitno-moerassen in Rusland in een zeer leerrijk
geschrift openbaar gemaakt; hij komt er echter uitdrukkelijk tegen op,
dat al wat door hem bij deze dieren opgemerkt is, ook op de Beren
in andere gewesten toepasselijk zou zijn. "Over 't algemeen," zegt
Krementz, "kan men den Beer niet gruwzaam of bloeddorstig noemen. Als
hij bloeddorstig was, zou hij dagelijks in de gelegenheid zijn,
dit op de een of andere wijze te toonen, en dan zou met het oog op
de buitengewone spierkracht van dit dier de vraag wel overweging
verdienen, of het niet noodzakelijk ware, hem met meer ijver te
vervolgen. Mij is echter geen enkel geval ter oore gekomen, dat hij
bij een ontmoeting met den mensch dezen zou hebben aangevallen. Hij zal
integendeel in de meeste dergelijke gevallen ten spoedigste vluchten,
of in 't volle bewustzijn van zijn kracht op een wezen zoo zwak als
wij geen acht slaan, hoogstens zal hij zijn verstoordheid te kennen
geven door een schijnaanval met kort afgebroken bromgeluiden. De Beer
is veeleer goedig van aard, hoewel hij in geen geval te vertrouwen is;
vooral wil hij niet geplaagd en niet plotseling in zijn rust gestoord
worden. Onverschilligheid is een zijner kenmerkende eigenschappen. Hij
is zeer op zijn gemak gesteld. Zijn aanval verraadt een zekere
openhartigheid, een afkeer van kronkelwegen, een ridderlijkheid,
die gunstig afsteekt bij de lafhartige moordlust van den Wolf en de
arglistige valschheid van den Los. In enkele gevallen openbaart hij
zelfs een zekeren galgenhumor."
Een enkele blik op het gebit van den Beer leert ons, dat hij een
alleseter is en meer geschikt voor plantaardig dan voor dierlijk
voedsel. Het best zou hij in dit opzicht met een Zwijn vergeleken
kunnen worden: ook dit dier is al wat eetbaar is, welkom. In den
regel vormen plantaardige stoffen het voornaamste deel van zijn maal;
kleine dieren, vooral Insecten, Slakken en dergelijke dienen als
toespijs. Maanden achtereen stelt hij zich met zulk voedsel tevreden,
verzadigt zich als een Rund met de pas ontkiemde rogge of met het
malsche gras, vreet rijpend koren, knoppen, ooft, eikels, boschbessen,
paddenstoelen enz., wroet onder de bedrijven Mierennesten open,
en vergast zich op de larven en poppen, zoowel als op de volwassen
dieren, welker eigenaardige zure smaak hem welgevallig schijnt,
of hij ontdekt door den reuk een Bijennest, welks inhoud hem een
smakelijk dessert verschaft. In het zuidelijk gedeelte van Karinthië
brengt men de bijenkorven des zomers naar het gebergte, om ze, in
overeenstemming met den bloeitijd der Alpen-planten, meer of minder
hoog in de bergen te plaatsen. Soms komt een Beer uit Krain deze streek
bezoeken, en richt dan groote schade aan door de korven te vernielen
en van hun inhoud te berooven. Eenige jaren geleden trok zulk een
zwerver van den eenen bijenstal naar den anderen en vernielde meer
dan 100 korven, waarbij er 8 waren van mijn zegsman, den houtvester
Wippel. Men moet niet meenen, dat de Beer onverschillig is voor de
steken der Bijen, integendeel, hij bromt van pijn, rolt over den
grond, tracht de kwelgeesten met de pooten van zich af te strijken,
en ruimt zelfs het veld, als de Bijen het hem al te lastig maken;
hij zoekt dan een schuilplaats in het bosch of in het water, maar
keert toch vroeger of later terug, om den strijd tegen de bezitters
der zoo geliefkoosde lekkernij te hervatten.
Het is niet mogelijk den Beer in de vrije natuur op zijne dagelijksche
zwerftochten te volgen, zijn doen en laten na te gaan en te bespieden;
wanneer men hem toevallig ontmoet, of hem opwacht op plaatsen, die
geregeld door hem bezocht worden, zooals op drinkplaatsen, kan men
hem slechts gedurende korten tijd waarnemen, zoodat ook hierdoor
weinig licht verspreid wordt over de in vele opzichten nog duistere
levenswijze van den Beer. Meer leeren ons hierover de versche sporen
van het dier op den besneeuwden of berijpten grond, daarom deelen
wij hier een verslag mede van de uitkomsten, die door het nagaan van
zulke sporen verkregen zijn: "De middelmatig groote Beer verliet
vroeg in den morgen het bosch en nam zijn weg over een weiland,
keerde een stuk van een sparrenstam om, dat aan den rand der weide
lag, krabde hieronder op enkele plaatsen den grond open, en zocht er
naar Wormen, poppen en larven. De schors van den reeds voor 2 jaar
omgehouwen stam had hij op verscheidene plaatsen losgescheurd, om
uit het daaronder voorkomende poeder de vette larven van Boktorren en
dergelijke houtborende dieren op te lezen. Terwijl hij door 't bosch
verder ging, hield hij zich bezig met het blootwoelen van den met
afgevallen bladen bedekten grond, het uiteenwerpen van mierenhoopen,
het omkeeren van stukken schors en hout, die op den grond lagen,
het afvreten van boschbessen en paddestoelen. Op enkele plaatsen had
hij met de klauwen sterk in den grond gekrabd; na het uiteenwerpen
van een verschen drekhoop van een Eland, was hij op het spoor van
dit wild voortgegaan; daarna begaf hij zich naar een broekland of
moerassig gedeelte van het bosch; toen hij er 100 schreden ver in
doorgedrongen was, ging hij plotseling links af naar het bosch terug,
waaruit hij gekomen was, en deed van uit het moeras een sprong naar
verscheidene Hazelhoenderen in het bosch, zooals uit de vederen
bleek, die daar waren blijven liggen en het bewijs leverden van de
overhaaste vlucht der overrompelde dieren. Vervolgens keerde hij in
't broekland terug, begaf zich regelrecht naar het aan de overzijde
gelegen bosch, zonder onderweg iets te doen wat vermelding verdiend;
in het bosch haalde hij een ledig lijster-nest uit een hazelaar,
trachtte met klauwen en tanden de opening van een holte in een
eikenstam te verwijden, om bij den honig van een zwerm wilde Bijen
te kunnen komen, vrat boschbessen, besnuffelde den ingang van een
Dassenhol, en liet op een met gras begroeide open plaats vele sporen
van zijn heen- en weerloopen achter. Bij nader onderzoek bleek het,
dat daar veel drek lag van jonge Berkhoenderen, welker wegen hij
ijverig nagegaan had. Van hier uit trok hij door een nat, dicht
met elzen begroeid stuk broekland naar een met oude sparren bezet
terrein, liet zijn drek vallen, ontschorste het onderste deel van den
stam van een dooden spar, krabde den grond los, zette zich met zijn
achterdeel er op, terwijl hij zich op de voorpooten, naar 't scheen,
heen en weer bewoog, want de afdrukken van de klauwen waren hier in
grooten getale te zien en de grond was door het veelvuldig neerzetten
en de sterke drukking der zolen saamgeperst. Daarna richtte hij zijne
schreden naar een opene, met boekweit bezaaide plek, liep hierover
naar een laag gelegen afdeeling van het bosch, die met zacht hout en
sparren begroeid was en waar veel boomstammen lagen; terwijl hij hier
doortrok, ging hij bij voorkeur bij de boomstammen langs, kroop onder
den boven den grond uitstekenden wortel van een scheef staanden spar
door, gleed bij 't loopen over een op den grond liggenden esp uit,
en zonk met het achterste deel van 't lichaam tamelijk diep in het
moeras; ten slotte begaf hij zich naar den drogeren bodem van een
nabijgelegen, dicht met sparren bezet terrein en verdween hierin,
zonder dat zijn spoor verder nagegaan werd."