De _laatste familie_ van de Orde der Roofdieren is die der _Beren_

(_Ursidae_). Zij omvat, behalve de groote vormen, die wij reeds sedert

onze kinderjaren onder den naam van Beren kennen, en die wegens hun

zeer eigenaardigen lichaamsbouw gemakkelijk te onderscheiden zijn,

ook nog een aantal kleinere soorten, die in vele opzichten van de

eigenlijke Beren verschillen; zelfs worden in deze familie dieren

opgenomen, waarvan het twijfelachtig is, of zij hier wel op hun

plaats zijn.

De romp van de groote Beren is ineengedrongen, die van de kleinere

dikwijls slank, de kop langwerpig rond, middelmatig lang, met naar

voren sterk versmalde, maar gewoonlijk recht afgestompte snoet;

de hals is naar verhouding kort en dik; de ooren zijn kort en de

oogen betrekkelijk klein. De pooten zijn middelmatig lang; aan voor-

en achterpooten beide komen vijf teenen voor; de groote, gekromde

klauwen zijn niet (of alleen bij de meest afwijkende vormen een

weinig) terugtrekbaar en daardoor aan de spits dikwijls zeer sterk

afgesleten. De voetzolen, die bij 't gaan over hun geheele lengte

den bodem aanraken, zijn bijna geheel onbehaard.

Het gebit bestaat uit 36 à 43 tanden, nl. 3 snijtanden en 1 hoektand

in elke helft van iedere kaak (evenals bij alle Roofdieren), voorts,

bij de Eigenlijke Beren, aan weerszijden 6 kiezen in de bovenkaak

en 7 kiezen in de onderkaak, bij de overige leden der familie òf 6,

òf 5 kiezen in elke helft van iedere kaak. De achterste kiezen zijn,

evenals bij de overige Roofdieren, knobbelkiezen; de voorste of kleine

kiezen echter zijn voor het verwerken van dierlijk voedsel geschikt; de

scheurkies, die bij de overige leden der orde een scheiding tusschen de

beide genoemde soorten van kiezen vormt, verschilt hier niet veel van

de daarachter gelegen knobbelkiezen; deze zijn stomp en in de onderkaak

steeds langer dan breed; de kleine kiezen zijn kegelvormig en vertakt,

of hebben slechts onbeduidende, zijdelingsche spitsen. De snijtanden

zijn betrekkelijk groot en hebben dikwijls een gelobde kroon; de

hoektanden zijn forsch en meestal met kanten of lijsten voorzien.

Het schedelgedeelte van het geraamte van den kop is verlengd en

vertoont groote kammen, waaraan de krachtige voor 't sluiten van

den bek dienende slaapspieren en de niet minder forsche, den kop

terugtrekkende nekspieren ontspringen. De halswervels zijn kort en

stevig, evenals de 19 of 20 rug- en lendewervels, waarvan er 14 of

15 ieder één paar ribben dragen. Het heiligbeen bestaat uit 3 à 5,

de staart uit 7 à 34 wervels.

De tong is glad, de maag een eenvoudige buis: de dunne en dikke darm

verschillen niet veel in dikte; de blinde darm ontbreekt geheel.

De Beren bestonden reeds in het tertiaire tijdvak. Tegenwoordig

strekt hun verbreidingsgebied zich uit over geheel Europa, Azië en

Amerika en over een deel van Noodwestelijk Afrika. Zij bewonen even

goed de warmste als de koudste landen, de hooggebergten zoowel als

de door ijs geblokkeerde kusten. Bijna alle soorten houden zich op

in dichte, uitgestrekte wouden of in rotsachtige gewesten, meestal

in de eenzaamheid. Sommige geven de voorkeur aan waterrijke of

vochtige landstreken en aan de nabuurschap van rivieren, beken,

meren, moerassen en van de zee, terwijl andere meer van droge

gewesten houden. Eén enkele soort is aan de zeekust gebonden en gaat

zelden dieper landwaarts in; daarentegen onderneemt zij op drijvende

ijsschotsen, en ook over groote afstanden zwemmend, verdere reizen dan

alle andere soorten; zij doorkruist de Noordelijke IJszee en begeeft

zich van het eene werelddeel naar het andere. De zwerftochten van

alle overige Beren blijven binnen engere kringen beperkt. De meeste

leven eenzaam en houden zich alleen in den paartijd bij hun wijfje op;

eenige zijn gezellig en vereenigen zich tot troepen. Sommige graven

holen in den grond en slaan daarin hun leger op; andere zoeken een

schuilplaats in holle boomen of in rotskloven. De meeste Beren zijn

nachtdieren of halve nachtdieren, gaan na zonsondergang op roof uit

en brengen den geheelen dag slapend door in hunne schuilplaatsen.

Meer dan alle overige Roofdieren zijn de Beren, naar het schijnt,

alleseters in den volsten zin van het woord; zij kunnen zich geruimen

tijd achtereen uitsluitend met plantaardige stoffen voeden. Zij

eten niet alleen allerlei sappige vruchten, maar ook zaden, graan

in rijpen en halfrijpen toestand, wortels, sappige grassen, knoppen

van boomen, bloemkatjes enz. Gevangene Beren heeft men langen tijd

achtereen uitsluitend met haver gevoed, zonder eenige vermindering

van hun welstand op te merken. In hun jeugd ontlenen zij hun voedsel

waarschijnlijk geheel aan het plantenrijk en ook later geven de meeste

soorten de voorkeur aan plantaardig voedsel boven vleesch. Zij zijn

niet kieschkeurig en eten behalve de opgenoemde plantendeelen ook

dieren en wel Kreeften en Schelpdieren, Insekten en hunne larven,

Visschen, Vogels en hunne eieren, Zoogdieren en lijken van dieren, deze

echter alleen zoolang zij nog versch zijn en geen stank verbreiden. In

de nabijheid van menschelijke woningen richten zij schade aan; de

sterkste soorten worden tijdelijk als roovers gevaarlijk, door wanneer

de honger hen kwelt ook groote dieren aan te vallen en vooral onder

het groote vee verwoestingen aan te richten. Eenige zijn hierbij zoo

stoutmoedig, dat zij tot in de dorpen doordringen. Voor den mensch

worden zelfs de sterkste Beren in den regel alleen dan gevaarlijk,

wanneer hij hen stoort, verschrikt, wondt, of op eene andere wijze

uitdaagt.

Ten onrechte worden de bewegingen van de Beren plomp en langzaam

genoemd. De groote soorten zijn gewoonlijk niet bijzonder vlug en

behendig, maar toonen eene merkwaardige volharding; de kleine soorten

echter bewegen zich uiterst flink en snel. De Beren zetten bij het gaan

de geheele zool op den grond en verplaatsen bedachtzaam den eenen poot

na den anderen; wanneer zij echter in drift geraken, gaat hun gang

in een soort van galop over, die een vreemdsoortigen indruk maakt,

maar hun beweging zeer bespoedigt; zelfs de groote soorten wekken in

dezen toestand door hunne snelheid en behendigheid, onze verbazing. De

logst gebouwde Beren kunnen bovendien op de achterpooten staan, en in

deze houding gaan; zij kunnen zóó op een waggelende, maar toch niet

onbeholpen wijze een korten afstand doorloopen. Bijna alle leden

van deze familie kunnen vrij goed klimmen, hoewel zij, wegens hun

zwaarte, slechts in enkele gevallen deze kunst beoefenen, en haar,

de groote soorten althans, op meer gevorderden leeftijd, in 't geheel

niet meer in praktijk brengen. Sommige schuwen het water, terwijl de

overige uitmuntend zwemmen en eenige diep en lang achtereen duiken

kunnen. Den IJsbeer treft men dikwijls op een afstand van vele mijlen

van de kust in zee zwemmend aan; men is dan in de gelegenheid zijne

vlugheid en onvermoeidheid te bewonderen. Door hun groote spierkracht

zijn de Beren in staat, om zeer vermoeiende bewegingen met gemak te

verrichten, en bezwaren te overwinnen, die voor andere dieren in de

hoogste mate hinderlijk zouden zijn; bij hunne rooverijen komt deze

eigenschap hun soms zeer goed te pas; zij zien er niet tegen op,

wild en vee van de grootste soort mede te voeren.

Onder hunne zinnen neemt de reuk de belangrijkste plaats in; het

gehoor is goed, het gezicht middelmatig, de smaak niet bijzonder en

het gevoel nog minder ontwikkeld; bij sommige echter is de lange snuit,

een voor het tasten bestemd orgaan. Eenige soorten zijn verstandig en

schrander; zij laten zich eenigszins africhten, maar bereiken nimmer

een hoogen trap van geestesontwikkeling. Enkele worden zeer tam,

maar laten geen bijzondere gehechtheid aan hun meester en verzorger

blijken. Hierbij komt, dat op lateren leeftijd de wilde-beestenaard

bij hen meer en meer voor den dag komt; zij worden dan valsch en

prikkelbaar, opvliegend en boosaardig; de sterkste soorten zijn dan

gevaarlijk. De Beren geven hunne gemoedsaandoeningen te kennen door

verschillende nuanceeringen van hun in vele opzichten merkwaardige

stem, die uit een dof gebrom, gesnuif en gemurmel of uit een knorrend

en fluitend, soms ook blaffend geluid bestaat.

Alle in noordelijke gewesten levende, groote soorten van Beren zwerven

alleen gedurende den zomer rond, en trekken zich bij den aanvang van

den winter in een schuilplaats, een leger terug. Zij hebben echter

_geen echten_, _onafgebroken winterslaap_, maar verkeeren in een

half slapenden, half wakenden toestand; zoodra er iets verdachts

gebeurt, zijn zij dadelijk bij de hand. Zij verlaten echter hoogst

zelden hun winterkwartier en maken nog minder dikwijls gebruik van

voedsel. Opmerkelijk is het, dat alleen de Land-Beren den winter op de

genoemde wijze slapend doorbrengen, terwijl de IJs- of Zee-Beren zelfs

bij de strengste koude nog rondzwerven, of zich hoogstens bij een zeer

hevige sneeuwjacht te ruste begeven, en door de sneeuw zelf een woning

voor zich laten bouwen, d. w. z. zich eenvoudig laten insneeuwen.

Het drachtige wijfje zoekt een schuilplaats in een als nest ingericht

leger, en werpt hier 1 à 6 jongen, die bij de geboorte blind zijn,

en door hun moeder met de meeste zorgvuldigheid gezoogd, verzorgd,

beschermd en verdedigd worden. Zoodra zij geleerd hebben, zich

eenigszins te bewegen, wekken zij in hooge mate de belangstelling

van de toeschouwers door hunne potsierlijkheid en speelschheid.

De schade, die de Beren aanrichten, wordt ongeveer vergoed door het

nut, dat zij verschaffen, vooral, omdat vele soorten zich alleen in

weinig bevolkte streken ophouden, waar zij om die reden den mensch

niet zeer benadeelen kunnen. Van bijna alle soorten wordt het vel

gebruikt en als een uitmuntende grondstof voor pelterijen hoog

geschat. Bovendien wordt hun vleesch gegeten, terwijl ook hunne

beenderen, pezen en darmen dienst doen.

Wij verdeelen de Berenfamilie in _drie onder-familiën_, waarvan de

eerste de _Groote Beren_ (_Ursinae_) omvat, de logste vormen van de

geheele groep, met een kop, die in een langen snuit eindigt, kleine

oogen en ooren, middelmatig lange pooten, voeten met vijf teenen en

een onbehaarde zool, stompe, niet terugtrekbare klauwen, een kort

staartje en een dichte, ruige, uit haarbosjes bestaande pels. Deze

onderfamilie bevat twee geslachten: de _Eigenlijke Beren_ (_Ursus_)

en de _Lippenberen_ (_Melursus_).

Hoewel iedereen onzen _Gewonen Beer_ meent te kennen, zijn de

dierkundigen het er nog niet over eens geworden, of zij zijne

verschillende afwijkingen in één soort vereenigen of over verscheidene

soorten verdeelen moeten. Wanneer men slechts één soort aanneemt, dan

mag men niet uit het oog verliezen, dat deze, de _Landbeer_, _Bruine_,

_Gewone_ of _Aasbeer_ (_Ursus arctos_), zeer vele afwijkingen vertoont,

niet alleen wat de beharing en de kleur, maar ook wat de gestalte

en vooral den schedelvorm betreft. De over 't algemeen dichte vacht,

die rondom het aangezicht, aan den buik en achter de pooten langer is

dan aan de overige lichaamsdeelen, kan uit lange of korte, gladde of

gekroesde haren bestaan; haar kleur wisselt af door alle tinten van

zwartbruin tot donkerrood en geelbruin, of van zwartachtig grijs en

zilvergrijs tot een vale isabelkleur; de witte halsband, die bij jonge

dieren dikwijls voorkomt, blijft vaak tot op hoogen leeftijd aanwezig,

of komt dan weder, evenals in de jeugd, te voorschijn. De snuit

is meer of minder verlengd, het voorhoofd meer of minder afgeplat,

de romp soms zeer ineengedrongen, soms een weinig slanker; de pooten

zijn verschillend van lengte. Hiernaar onderscheidt men de in Europa

inheemsche vormen in twee groepen: een aantal verscheidenheden worden

samengevat onder den naam _Aasbeer_ (_Ursus arctos_); deze heeft een

door lange pooten gesteunden, verlengden romp en een langen kop met

hoog voorhoofd en langen snuit; zijn uit sluike haren samengestelde

vacht vertoont vale of grijsachtige nuances; de andere Beren vormen

de groep, die _Bruine Beer_ of _Mierenbeer_ (_Ursus formicarius_)

heet: de meer ineengedrongen romp wordt bij hen door kortere, dikkere

pooten gedragen, terwijl de breedere kop een platter voorhoofd en

een korteren snuit heeft.

De Beer kan bij 1 à 1.25 M. schouderhoogte een lengte van 2 à 2.2

M. bereiken. Zijn gewicht wisselt gewoonlijk af tusschen 150 en 250

KG., maar kan bij zeer forsche en vette exemplaren tot 350 KG. stijgen.

Indien alle vormen tot één soort vereenigd worden, dan heeft deze

een verbreidingsgebied, dat zich van Spanje tot Kamtschatka, van

Lapland en Siberië tot aan den Atlas, den Libanon en het westelijk

gedeelte van den Himalaja uitstrekt. In Europa bewoont de Landbeer

ook thans nog alle hooggebergten: de Pyreneeën, Alpen, Karpaten,

Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavische Alpen, den

Kaukasus en den Oeral, benevens de uitloopers en een deel van de

omstreken dezer gebergten, voorts geheel Rusland, geheel Noord- en

Middel-Azië (met uitzondering van de kale steppen), Syrië, Palestina,

Perzië, Afghanistan, den Himalaja, oostwaarts tot in Nepal, in Afrika

eindelijk den Atlas. Hij komt veelvuldig voor in Rusland, Zweden

en Noorwegen, Zevenburgen, in de lage landen van het Donaugebied,

Turkije en Griekenland; hij is niet zeldzaam in Krain en Kroatië, in de

bergstreken van Spanje en Italië; hij is reeds zeer zeldzaam geworden

in Zwitserland en Tyrol, bijna geheel uitgeroeid in Frankrijk en in

de Oostenrijksch-Duitsche landen en geheel verdwenen uit Duitschland,

België, Nederland, Denemarken en Groot-Britannië. Enkele overloopers

vertoonen zich nu en dan in het Beiersche hooggebergte, in Karinthië,

Stiermarken, Moravië en misschien ook in het Bohemerwoud. Voorwaarden

voor hun verblijf zijn groote, samenhangende, moeielijk toegankelijke

of althans weinig bezochte bosschen, waar vele bessen en dergelijke

vruchten groeien. Holen onder boomwortels, in boomstammen of in rotsen,

donkere, ondoordringbare wildernissen en broeklanden met droge eilanden

verschaffen hun een schuilplaats, waar zij zich trachten te beveiligen

tegen hun aartsvijand, den mensch.

De Beer, het logste en zwaarste Roofdier van Europa, is, evenals

de meeste zijner naaste verwanten, een log en tamelijk stompzinnig

wezen. Zijne bewegingen schijnen echter onhandiger dan zij werkelijk

zijn. Hij is een telganger en beweegt dus bij 't gaan de pooten

van dezelfde zijde gelijktijdig, waardoor hij een onbeholpen,

schommelenden en slingerenden gang heeft; wanneer hij echter zijne

schreden versnelt en tot een galop overgaat, komt hij vlug vooruit

en kan met gemak een mensch inhalen; ook in andere omstandigheden

merkt men bij hem een vlugheid en behendigheid op, die men niet van

hem verwacht zou hebben. Hij kan uitmuntend zwemmen en goed klimmen;

op lateren leeftijd, als hij groot en zwaar geworden is, klimt hij

echter niet meer in de boomen, althans niet in gladde stammen zonder

takken. De geweldige spierkracht en de groote, harde klauwen komen den

Beer bij het klimmen goed te pas; zelfs bij zeer steile rotswanden kan

hij omhoogstijgen. Onder zijne zinnen munten het gehoor en de reuk uit;

het gezicht is tamelijk slecht, de smaak echter, naar het schijnt,

zeer goed ontwikkeld.

De opperhoutvester Krementz heeft onlangs zijne veeljarige ervaringen

over de Beren der Rokitno-moerassen in Rusland in een zeer leerrijk

geschrift openbaar gemaakt; hij komt er echter uitdrukkelijk tegen op,

dat al wat door hem bij deze dieren opgemerkt is, ook op de Beren

in andere gewesten toepasselijk zou zijn. "Over 't algemeen," zegt

Krementz, "kan men den Beer niet gruwzaam of bloeddorstig noemen. Als

hij bloeddorstig was, zou hij dagelijks in de gelegenheid zijn,

dit op de een of andere wijze te toonen, en dan zou met het oog op

de buitengewone spierkracht van dit dier de vraag wel overweging

verdienen, of het niet noodzakelijk ware, hem met meer ijver te

vervolgen. Mij is echter geen enkel geval ter oore gekomen, dat hij

bij een ontmoeting met den mensch dezen zou hebben aangevallen. Hij zal

integendeel in de meeste dergelijke gevallen ten spoedigste vluchten,

of in 't volle bewustzijn van zijn kracht op een wezen zoo zwak als

wij geen acht slaan, hoogstens zal hij zijn verstoordheid te kennen

geven door een schijnaanval met kort afgebroken bromgeluiden. De Beer

is veeleer goedig van aard, hoewel hij in geen geval te vertrouwen is;

vooral wil hij niet geplaagd en niet plotseling in zijn rust gestoord

worden. Onverschilligheid is een zijner kenmerkende eigenschappen. Hij

is zeer op zijn gemak gesteld. Zijn aanval verraadt een zekere

openhartigheid, een afkeer van kronkelwegen, een ridderlijkheid,

die gunstig afsteekt bij de lafhartige moordlust van den Wolf en de

arglistige valschheid van den Los. In enkele gevallen openbaart hij

zelfs een zekeren galgenhumor."

Een enkele blik op het gebit van den Beer leert ons, dat hij een

alleseter is en meer geschikt voor plantaardig dan voor dierlijk

voedsel. Het best zou hij in dit opzicht met een Zwijn vergeleken

kunnen worden: ook dit dier is al wat eetbaar is, welkom. In den

regel vormen plantaardige stoffen het voornaamste deel van zijn maal;

kleine dieren, vooral Insecten, Slakken en dergelijke dienen als

toespijs. Maanden achtereen stelt hij zich met zulk voedsel tevreden,

verzadigt zich als een Rund met de pas ontkiemde rogge of met het

malsche gras, vreet rijpend koren, knoppen, ooft, eikels, boschbessen,

paddenstoelen enz., wroet onder de bedrijven Mierennesten open,

en vergast zich op de larven en poppen, zoowel als op de volwassen

dieren, welker eigenaardige zure smaak hem welgevallig schijnt,

of hij ontdekt door den reuk een Bijennest, welks inhoud hem een

smakelijk dessert verschaft. In het zuidelijk gedeelte van Karinthië

brengt men de bijenkorven des zomers naar het gebergte, om ze, in

overeenstemming met den bloeitijd der Alpen-planten, meer of minder

hoog in de bergen te plaatsen. Soms komt een Beer uit Krain deze streek

bezoeken, en richt dan groote schade aan door de korven te vernielen

en van hun inhoud te berooven. Eenige jaren geleden trok zulk een

zwerver van den eenen bijenstal naar den anderen en vernielde meer

dan 100 korven, waarbij er 8 waren van mijn zegsman, den houtvester

Wippel. Men moet niet meenen, dat de Beer onverschillig is voor de

steken der Bijen, integendeel, hij bromt van pijn, rolt over den

grond, tracht de kwelgeesten met de pooten van zich af te strijken,

en ruimt zelfs het veld, als de Bijen het hem al te lastig maken;

hij zoekt dan een schuilplaats in het bosch of in het water, maar

keert toch vroeger of later terug, om den strijd tegen de bezitters

der zoo geliefkoosde lekkernij te hervatten.

Het is niet mogelijk den Beer in de vrije natuur op zijne dagelijksche

zwerftochten te volgen, zijn doen en laten na te gaan en te bespieden;

wanneer men hem toevallig ontmoet, of hem opwacht op plaatsen, die

geregeld door hem bezocht worden, zooals op drinkplaatsen, kan men

hem slechts gedurende korten tijd waarnemen, zoodat ook hierdoor

weinig licht verspreid wordt over de in vele opzichten nog duistere

levenswijze van den Beer. Meer leeren ons hierover de versche sporen

van het dier op den besneeuwden of berijpten grond, daarom deelen

wij hier een verslag mede van de uitkomsten, die door het nagaan van

zulke sporen verkregen zijn: "De middelmatig groote Beer verliet

vroeg in den morgen het bosch en nam zijn weg over een weiland,

keerde een stuk van een sparrenstam om, dat aan den rand der weide

lag, krabde hieronder op enkele plaatsen den grond open, en zocht er

naar Wormen, poppen en larven. De schors van den reeds voor 2 jaar

omgehouwen stam had hij op verscheidene plaatsen losgescheurd, om

uit het daaronder voorkomende poeder de vette larven van Boktorren en

dergelijke houtborende dieren op te lezen. Terwijl hij door 't bosch

verder ging, hield hij zich bezig met het blootwoelen van den met

afgevallen bladen bedekten grond, het uiteenwerpen van mierenhoopen,

het omkeeren van stukken schors en hout, die op den grond lagen,

het afvreten van boschbessen en paddestoelen. Op enkele plaatsen had

hij met de klauwen sterk in den grond gekrabd; na het uiteenwerpen

van een verschen drekhoop van een Eland, was hij op het spoor van

dit wild voortgegaan; daarna begaf hij zich naar een broekland of

moerassig gedeelte van het bosch; toen hij er 100 schreden ver in

doorgedrongen was, ging hij plotseling links af naar het bosch terug,

waaruit hij gekomen was, en deed van uit het moeras een sprong naar

verscheidene Hazelhoenderen in het bosch, zooals uit de vederen

bleek, die daar waren blijven liggen en het bewijs leverden van de

overhaaste vlucht der overrompelde dieren. Vervolgens keerde hij in

't broekland terug, begaf zich regelrecht naar het aan de overzijde

gelegen bosch, zonder onderweg iets te doen wat vermelding verdiend;

in het bosch haalde hij een ledig lijster-nest uit een hazelaar,

trachtte met klauwen en tanden de opening van een holte in een

eikenstam te verwijden, om bij den honig van een zwerm wilde Bijen

te kunnen komen, vrat boschbessen, besnuffelde den ingang van een

Dassenhol, en liet op een met gras begroeide open plaats vele sporen

van zijn heen- en weerloopen achter. Bij nader onderzoek bleek het,

dat daar veel drek lag van jonge Berkhoenderen, welker wegen hij

ijverig nagegaan had. Van hier uit trok hij door een nat, dicht

met elzen begroeid stuk broekland naar een met oude sparren bezet

terrein, liet zijn drek vallen, ontschorste het onderste deel van den

stam van een dooden spar, krabde den grond los, zette zich met zijn

achterdeel er op, terwijl hij zich op de voorpooten, naar 't scheen,

heen en weer bewoog, want de afdrukken van de klauwen waren hier in

grooten getale te zien en de grond was door het veelvuldig neerzetten

en de sterke drukking der zolen saamgeperst. Daarna richtte hij zijne

schreden naar een opene, met boekweit bezaaide plek, liep hierover

naar een laag gelegen afdeeling van het bosch, die met zacht hout en

sparren begroeid was en waar veel boomstammen lagen; terwijl hij hier

doortrok, ging hij bij voorkeur bij de boomstammen langs, kroop onder

den boven den grond uitstekenden wortel van een scheef staanden spar

door, gleed bij 't loopen over een op den grond liggenden esp uit,

en zonk met het achterste deel van 't lichaam tamelijk diep in het

moeras; ten slotte begaf hij zich naar den drogeren bodem van een

nabijgelegen, dicht met sparren bezet terrein en verdween hierin,

zonder dat zijn spoor verder nagegaan werd."

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 32 / 37 段