den Wolf wordt hij gevangen en opgegeten; ook de Honden hebben zulk
een hekel aan hem, dat zij gaarne jacht op hem maken, om hem te
verscheuren. Merkwaardig is het, dat drachtige en zoogende moervossen
dikwijls door de Honden gespaard of zelfs in 't geheel niet vervolgd
worden. De overige Zoogdieren kunnen Reintje niets doen: onder de
Vogels heeft hij echter verscheidene zeer gevaarlijke vijanden. De
Havik neemt zonder bezwaar jonge Vossen op, de Steenarend zelfs
volwassene, hoewel hem dit soms slecht bekomt. Tschudi maakt melding
van zulk een geval: "Een Vos die over een gletscher liep, werd door
een Steenarend gegrepen, die hem meevoerde in de lucht. Weldra echter
begon de Roofvogel vreemdsoortige bewegingen met de vleugels te maken,
daalde en kwam achter een rotspunt terecht. De persoon, die dit had
waargenomen, beklom de spits en zag tot zijn verwondering de Vos hem
pijlsnel voorbijloopen; aan den anderen kant vond hij den stervenden
Arend met opengebeten borst. Het was den Vos mogelijk geweest gedurende
zijn onvrijwillige luchtreis den hals te strekken, den roover bij den
strot te pakken en dezen door te bijten. Welgemoed hinkte hij nu heen,
maar zal waarschijnlijk wel levenslang een herinnering aan zijn snelle
luchtvaart behouden hebben." In de overige klassen van het dierenrijk
heeft de Vos geen vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden,
wel echter zulke, die hem het leven zuur maken, o. a. Vlooien. Dat
hij deze onaangename gasten verjaagt, door een bosje mos in den bek
te nemen, zich langzaam te water te begeven, zoodat achtereenvolgens
alle lichaamsdeelen met uitzondering van den kop ondergedompeld en
meteen door de Vlooien verlaten worden, die op deze wijze, wanneer
ook de kop onder water wordt gehouden, ten slotte alle in het mos
aanlanden, en te gelijk met dit weggeworpen worden, is een fabel.
Het is gebleken, dat de Vos onderhevig is aan nagenoeg alle ziekten,
waaraan de Honden kunnen lijden, ook de vreeselijkste van allen,
de hondsdolheid. Er zijn zelfs voorbeelden van bekend, dat Vossen
door deze ziekte aangetast op klaarlichten dag in dorpen doordrongen,
en hier ieder die hun in den weg kwam, beten. Volgens Noll komt de
genoemde ziekte onder de Vossen soms epidemisch voor en verbreidt
zij zich dan over een groot gebied.
Ook in het dierenrijk merkt men soms op, dat verwanten, die door
lichamelijke eigenaardigheden veel op elkander gelijken, naar den
geest in allerlei opzichten uiteenloopen. Zulk een ontaarding wordt
opgemerkt bij den _Poolvos_, die zeer veel overeenkomst met ons Reintje
vertoont, maar zich toch door levenswijze en gewoonten aanmerkelijk
van hem onderscheidt; hij is een der onnoozelste en tevens een der
indringerigste, een der domste en toch een der sluwste leden van
het Vossengeslacht.
De _Poolvos_, _IJsvos_ of _Steenvos_ (_Vulpes lagopus_) is kenbaar aan
de korte, rondachtige ooren, de korte pooten, de eeltballen onder de
teenen, die, evenals het overige lichaam, dicht behaard zijn, den zeer
ruigen, vollen staart en eindelijk aan de vreemdsoortige kleur. Hij
is aanmerkelijk kleiner dan onze Vos, ongeveer 95 cM. lang, waarvan
ruim een derde op den staart komt. In den zomer komt zijn beharing in
kleur met die van den grond of van de rotsen overeen; in den winter
is zij meestal sneeuwkleurig. Er zijn echter ook IJsvossen, die in
den winter een bruinachtig leikleurig, bruinachtig blauw of bruin
haarkleed krijgen. Deze zoogenaamde "Blauwe Vossen" moeten, evenals
de bontgevlekte IJsvossen, beschouwd worden als verscheidenheden van
den Witten Vos; deze komt het veelvuldigst voor.
De Poolvos bewoont, zooals zijn naam aanduidt, het hooge noorden,
zoowel van de Oude als van de Nieuwe Wereld, en is op de eilanden
niet zeldzamer dan op het vastland. Waarschijnlijk heeft hij zich
met het drijfijs over het geheele noordelijke gedeelte van de aarde
verbreid; men heeft althans dikwijls Poolvossen op zulke door de
natuur gevormde, in zee drijvende vlotten aangetroffen; men vond ze
als eenige vertegenwoordigers van de Zoogdierenklasse, in verrassend
groot aantal op eilanden, die ver van alle andere, door hen bewoonde
streken verwijderd zijn; men moet dus wel aannemen, dat zij te eeniger
tijd hierheen verhuisd zijn. Alleen wanneer er slecht weer ophanden
is, of op plaatsen, waar hij zich niet recht veilig gevoelt, zoekt
de Poolvos een schuilplaats in holen in het gesteente, of ook wel in
door hem zelf gegraven gangen; hij verlaat deze dan alleen 's nachts,
om op roof uit te gaan. Op alle plaatsen echter, waar hij het niet
noodig acht, zich over dag voor den mensch te verbergen, geeft hij
zich de moeite niet, zelf holen te graven, maar loert onder steenen,
struiken en andere voorwerpen, die hem een schuilplaats bieden,
op buit. Hij is geen lekkerbek, en maakt gebruik van elke soort van
dierlijk voedsel, die hij krijgen kan; het liefst maakt hij jacht
op Muizen; de Lemmingen vervolgt hij dikwijls zeer ver, als zij in
groote troepen hunne woonplaatsen in de gebergten verlaten, om zich
naar de vlakten te begeven; met hen trekt hij de rivieren en meren
over. Uit de klasse der Vogels rooft hij Sneeuwhoenderen, Pluvieren,
Strand- en Zeevogels; vooral onder hunne jongen richt hij een groote
slachting aan. Bovendien eet hij alle dieren, die door de zee op de
kust worden geworpen.
De Poolvossen worden dikwijls tot troepen vereenigd aangetroffen;
er heerscht echter geen groote eensgezindheid in deze gezelschappen;
integendeel, onder hunne leden hebben dikwijls bloedige gevechten
plaats, die voor den toeschouwer zeer belangwekkend zijn. De eene pakt
den anderen aan, werpt hem op den grond, trapt met de pooten op hem
om, en houdt hem zoo lang vast, totdat hij van oordeel is, dat hij hem
genoeg gebeten heeft. De kampioenen schreeuwen intusschen als Katten;
terwijl zij, als zij ongeduldig worden, met schelle stem huilen.
De geestesgaven van dit dier zijn volstrekt niet gering; maar
toch komen bij 't nagaan van zijne talenten de zonderlingste
tegenstrijdigheden aan 't licht, zoodat men dikwijls niet weet, hoe
deze of gene handeling beoordeeld moet worden. List, geveinsdheid,
kunstvaardigheid, in een woord verstand, werden opgemerkt bij alle
exemplaren, die men nagegaan heeft; tevens toonden zij echter een
domme brutaliteit, zooals bij geen ander dier voorkomt. Ik heb mij
hiervan persoonlijk kunnen overtuigen. Wij ontmoetten 's avonds een
van deze Vossen op het Doverfjeld in Noorwegen en schoten met de
buks _zeven maal op hem_, zonder hem te treffen. In plaats van nu
te vluchten, _volgde deze Vos ons nog wel 20 minuten lang_, zooals
een goed gedresseerde Hond zijn meester volgt; eerst daar waar het
rotsachtig gedeelte van het gebergte eindigt, acht hij het raadzaam
om te keeren. Hij liet zich door goed gemikte steenworpen evenmin
verdrijven, als hij zich aan de dicht bij hem langs fluitende kogels
had gestoord.
De uitvoerigste en tevens prettigste beschrijving van dit dier werd
reeds in de vorige eeuw door Steller gegeven: "Op Bering-eiland komen
geen andere viervoetige landdieren voor, dan de Steen- of IJsvossen,
die er zonder twijfel op het drijfijs gekomen zijn. Zij voeden zich met
hetgeen de zee op de kust werpt en hebben zich onbeschrijfelijk sterk
vermenigvuldigd. Door hunne verregaande vrijpostigheid en vermetelheid
zijn zij veel lastiger dan de Gewone Vos, die ook in geslepenheid
bij hen achterstaat. Gedurende ons rampspoedig verblijf op dit eiland
ben ik maar al te goed in de gelegenheid geweest den waren aard dezer
dieren te leeren kennen. Zoowel over dag als 's nachts drongen zij in
onze woningen door, en stalen alles wat zij maar meesleepen konden,
ook voorwerpen, die voor hen niets nut waren, zooals messen, stokken,
zakken, schoenen, mutsen enz. Op een onbegrijpelijk kunstige wijze
wisten zij een last van ettelijke poeds gewicht van onze vaten met
leeftocht af te wentelen en hieruit het vleesch te stelen, zoodat
wij aanvankelijk bijna niet konden gelooven, dat zij dezen diefstal
begaan hadden. Als wij het vel van een dier aftrokken, gebeurde het
dikwijls, dat wij 2 of 3 Vossen, onder de bedrijven door, met onze
messen doodstaken, omdat zij ons het vleesch uit de handen wilden
rukken. Als wij iets zoo goed mogelijk in den grond begraven en het
met steenen bezwaard hadden, wisten zij het niet alleen op te sporen,
maar ook, als menschen, met de schouders de steenen er af te schuiven;
gedurende dezen arbeid hielpen zij elkander zooveel mogelijk. Als wij
iets op een paal in de lucht bewaarden, dan groeven zij den grond
om den paal weg, zoodat deze omviel; soms ook klauterde een hunner
als een Aap of een Kat bij den paal op, en wierp al wat zich daarop
bevond, met ongeloofelijke behendigheid en list naar beneden. Zij
gaven acht op al ons doen en laten, en vergezelden ons, wat wij ook
deden. Als de zee een dood dier op de kust wierp, verslonden zij het
tot ons groot nadeel, eer nog een mensch er bij kon komen; als zij niet
alles dadelijk konden opeten, sleepten zij het overige bij stukken en
brokken naar het gebergte en begroeven het onder de steenen om het
voor ons te verbergen. Terwijl zij heen en weer liepen, zoo lang er
nog wat over te brengen was, stonden eenige van hen op schildwacht,
om te letten op de komst van menschen. Zoodra deze wachters iemand in
de verte zagen aankomen, begon de geheele troep gemeenschappelijk in
't zand te graven, totdat de Zeeotter of Zeebeer zoo goed in den grond
verstopt was, dat men er geen spoor meer van kon ontdekken. Des nachts,
als wij op den grond sliepen, trokken zij ons de slaapmutsen van
't hoofd, de handschoenen onder 't hoofd weg, en namen ook de huiden
van Bevers"--zoo werden in Steller's tijd de Zee-otters genoemd,--"en
andere dieren mede, die op en onder ons lagen. Als wij op den pas door
ons gedooden Bever gingen liggen, om hem tegen de dieven te beveiligen,
vraten de Vossen, onder de menschen door, het vleesch en de ingewanden
uit het dier. Wij sliepen daarom altijd met knuppels in de handen,
om hiermede, als wij door de Vossen gewekt werden, deze dieren te
kunnen slaan en verjagen."
De IJsvossen worden gejaagd gedeeltelijk om ze uit te roeien,
gedeeltelijk ter wille van hun huid, welker waarde afhangt van de
kleur. De witte zijn niet zeer gezocht, de blauwe zijn des te hooger
in prijs, naarmate zij donkerder zijn. Wanneer de bodem met een dikke
sneeuwlaag bedekt is, graven de Vossen hierin holen, waaruit zij door
de met spaden van rendier-geweien gewapende Ostjaken en Samojeden
worden opgedolven. Het dier wordt eenvoudig bij den staart gepakt en
met den kop tegen den grond geslingerd om het te dooden.
H. Elliot, die gedurende het tijdperk van 1880-90 het Bering-eiland
bezocht, en een studie heeft gemaakt van de hier levende pelsdieren
en van de wijze waarop deze gejaagd worden, verhaalt van den Poolvos
niets, wat aan de ervaringen van Steller herinnert, maar geeft van
dit dier allerlei andere berichten. Zoo vernemen wij door hem, dat
de bewoners van Attoe, het westelijkste eiland van den eilandenketen
der Aleoeten, den Blauwen Vos opzettelijk in hun vaderland ingevoerd
hebben, hem daar als het ware in vrijheid aanfokken, en veel zorg
dragen voor het zuiver houden van het ras. De Gewone Roode Poolvos was
op Attoe reeds uitgeroeid, toon de inboorlingen er de fraaie Blauwe
Vossen van de Pribylow-eilanden brachten; andere Poolvossen, welker
huiden minder waard zijn, kunnen op dit afgelegen eiland niet komen,
waarheen voor hen niet eens door het ijs een brug wordt gebouwd;
bovendien zorgen de inboorlingen er goed voor, dat het op hun eiland
voorkomende ras niet bedorven wordt. Daar er geene nadeelige kruising
kan plaats vinden, heeft het vel van de Blauwe Vossen van Attoe zijn
schoonheid onverminderd behouden, gelijk algemeen erkend wordt;
de inboorlingen brengen ieder jaar 200 à 300 van deze huiden in
den handel.
De bronsttijd van den Poolvos valt in de maanden April en
Mei. Omstreeks het midden of het einde van Juni werpt het wijfje
in een hol of in een rotsspleet 9 of 10, soms zelfs 12 jongen. Bij
voorkeur graven de moervossen hun hol boven op een berg of aan den
rand er van. Zij houden zeer veel van hunne jongen, maar juist door
het middel dat zij aanwenden om hun kroost voor gevaren te beveiligen,
verraden zij de plaats, waar het zich bevindt. Zoodra zij namelijk een
mensch, al is deze nog ver af, zien aankomen, beginnen zij te blaffen
en te keffen, waarschijnlijk om den vijand door vreesaanjaging van
hun hol verwijderd te houden.
Op de Poolvossen wordt op zeer verschillende wijzen jacht
gemaakt. Zij worden geschoten, in netten, in strikken en ook wel
in klemmen gevangen. Behalve de menschen zijn vermoedelijk ook de
IJsberen voor hen gevaarlijk; naar het schijnt, worden zij ook door
Zee-arenden vervolgd: Steller zag, dat een Zee-arend een IJsvos
met de klauwen greep, omhoog voerde en daarna liet vallen, om hem
door den val te dooden. Voor ons is alleen het vel van dit dier van
belang. Noordpoolreizigers, die in nood verkeerden, hebben ook wel
eens zijn vleesch gegeten, maar getuigen eenstemmig, dat het geen
lekkernij is.
Jong gevangen IJsvossen worden tamelijk tam en kunnen er aan
gewend worden hun meester te volgen. Bij ons zijn zij meestal zeer
prikkelbaar; zoodra men ze aanraakt, knorren zij als kwaadaardige
Honden; hunne groene, glinsterende oogen schitteren dan vurig en
valsch. Als zij met andere dieren van hun soort in één hok zijn
opgesloten, houden zij geen vrede.
Van de overige soorten van Vossen mag ik hier alleen nog maar
vermelden die, welke zich van de reeds genoemde door een bijzonder
eigenaardige levenswijze of door een in 't oog vallende kleur zeer
onderscheiden. Tot de kleine soorten van dit geslacht behoort de
_Steppenvos_, die door de Russen _Korsak_, door de Mongolen _Kirsa_
of _Kirassoe_ genoemd wordt (_Vulpes corsac_.) Hij is aanmerkelijk
kleiner dan ons Reintje, daar zijn lichaamslengte hoogstens 55 à 60
cM. bedraagt, ongerekend den 35 cM. langen staart. In gestalte en aard
gelijkt hij veel op den Gewonen Vos. De kleur van zijn dichte vacht
varieert minder dan die van den Wolf en van den Vos, maar wisselt af
met den tijd van 't jaar. Het jonge zomerhaar heeft een roodachtige
kleur, het winterhaar heeft een breeden, zilverwitten ring onder de
donkerder gekleurde spits, waardoor de kleur van het geheele dier
soms meer vaalwit is.
Het verbreidingsgebied van den Korsak strekt zich uit van de steppen
om de Kaspische Zee tot aan Mongolië; men vindt het dier echter alleen
in gewesten, die de kenmerken van steppen of woestijnen vertoonen,
nooit in bosschen en diensvolgens evenmin in gebergten. In den
regel heeft hij geen vaste woonplaats: hij graaft zelf geen holen,
maar zwerft meestal rond en rust eenvoudig onder den blooten hemel,
of maakt hoogstens van een bij toeval gevonden Bobak-hol gebruik,
misschien nadat hij het een weinig wijder heeft gemaakt. In zulke
Marmotten-holen worden, naar men zegt, dikwijls verscheidene (altijd
minstens twee) Korsaks bijeengevonden. Waarschijnlijk bestaat het
voedsel van dit dier vooral uit Alpenhazen en Woelmuizen; bovendien
maakt hij jacht op Vogels, Hagedissen en Vorschen, waarschijnlijk
ook op groote Insecten, vooral Sprinkhanen.
Wegens zijn zachte, dichte, warme en mooie winterpels wordt hij
vooral door de Kirgisen ijverig vervolgd. Men vangt hem in vallen
en strikken, die voor de uitgangen van zijn hol geplaatst worden;
ook wordt hij door rook uit zijn schuilplaats verdreven en daarna
door de Honden gegrepen. Behalve Honden hebben de Tataren ook andere
en veel gevaarlijker dieren voor de jacht op den Korsak afgericht,
n.l. Steenarenden en Edelvalken: aan deze gevleugelde roovers kan de
arme schelm natuurlijk niet ontkomen.
Ik heb den Korsak geruimen tijd achtereen in leven gehouden en ook bij
anderen dikwijls in gevangenschap gezien, maar kan geen noemenswaard
verschil tusschen zijn gedrag en dat van onzen Vos ontdekken. Hij is
een van de gelukkigste bewoners van een dierentuin, gevoelt zich in
de voor hem bestemde kooi weldra thuis, schuwt zoomin de zomerhitte
als de winterkoude, en stelt zich met dezelfde gelijkmoedigheid aan de
stralen van de zon bloot, als waarmede hij zich bij strenge vorst op
den steenen vloer van zijn kooi nedervlijt. Met zijne medegevangenen
verdraagt hij zich even goed of even slecht als de Vos.
Allerliefste Vosjes bewonen Afrika en de aangrenzende deelen van
Azië. Dwergachtige leden van de Hondenfamilie in 't algemeen en van
het Vossengeslacht in 't bijzonder, buitengewoon sierlijk gebouwd en
met een vaalgeel haarkleed bedekt, onderscheiden zij zich van hunne
verwanten vooral door de groote ooren, die bij twee hunner alle gewone
verhoudingen ver overschrijden, maar die ook bij de verwante soorten
de ooren van de andere Vossen aanmerkelijk overtreffen. Men heeft ze
_Grootoorige Vossen_ of _Feneks_ genoemd; hun gebit komt met dat van
de andere Vossen overeen.
Wanneer de verzengende zonnestralen meer en meer tot de horizontale
richting naderen en alle dieren, die over dag hun voedsel zoeken,
herleven in de koelte van den avond, denkt een meer of minder somber
gekleurde en toch zeer sierlijke schaar er aan, haar dagwerk of liever
haar nachtwerk te beginnen. Van de gruwzame Hyenas en de huilende
Jakhalzen, die omstreeks dezen tijd hongerig rondzwerven om voedsel
te zoeken, wil ik hier niet spreken, evenmin van de Woestijnlossen:
het is noodig nog een andere woestijnroover, en wel de sierlijkste
en fraaiste van alle, aan u voor te stellen. Dit is de _Fenek_ of
_Woestijnvos_ (_Vulpes zerdo_), een dier, dat nog beter zelfs dan de
Gazelle de woestijn kenmerkt. Men denke zich een vossentronie, teer
en fijn, listig, geslepen en sluw van uitdrukking als die van ons
Reintje; aan beide zijden van dit gelaat, waarin een paar ongewoon
groote oogen schitteren, steekt een oor omhoog, zoo groot, als er in
het geheele Vossengeslacht geen te vinden is, terwijl van de overige
leden der Hondenfamilie slechts één hem in dit opzicht nabij komt. Op
de buitengewoon fijne, sierlijke voetjes rust een slanke romp, die
in een dikken, langen pluimstaart eindigt. Uit het geheele voorkomen
van dit dier blijkt, dat het even vlug als behendig moet zijn; van
de uitmuntende werking zijner zintuigen geven de direct zichtbare
afdeelingen dezer organen een voorgevoel.
Als de schemering aanvangt, hoort gij soms een zacht gekrijsch, dat
moeielijk beschreven kan worden, en ziet gij, wanneer het u meeloopt,
tusschen de zandheuvels, tusschen de steenen, in de lage landen
tusschen het gras onzen Fenek voortsluipen, uiterst bedachtzaam,
uiterst voorzichtig, in alle richtingen loerend, kijkend, speurend en
luisterend. Niets ontgaat aan het waarnemingsvermogen van dezen goed
voor zijn taak berekenden roover. De Sprinkhaan ginds, die nog een
sprong doet, voor hij zich te ruste begeeft, heeft genoeg gedruisch
gemaakt, om door de groote ooren van den Fenek opgemerkt te worden;
meer door nieuwsgierigheid dan door eetlust gedreven, sluipt de
sierlijke gestalte nader om den levenmaker te dooden; de vlugge
Hagedis heeft zich verroerd, en dadelijk is de Fenek bij de hand, om
te zien, wat er te doen is. Maar zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
uit andere dieren, n.l. uit Vogels. Wee den Woestijn-Leeuwerik,
die toevallig dicht bij het pad zit, dat de Fenek bewandelt! Hij
is verloren, wanneer hij maar even de vleugels beweegt; zijn dood
is zeker, als hij, in den droom zijn eenvoudig lied gedachtig,
een enkelen toon laat hooren! Wee ook het Woestijnhoen, want juist
deze Duif wordt door den Vos het ijverigst vervolgd! Hij behoeft er
niet veel te vangen: een enkele reeds verschaft hem een lekker maal,
genoeg voor hem en misschien ook voor zijn hongerig gezin. Gij moest
hem eens zien sluipen, als zijn fijne neus de lucht gekregen heeft
van een toom Woestijn-Hoenderen! Misschien heeft slechts één van hen
het pad gekruist, dat door den gauwdief gevolgd wordt, maar dit is
voldoende. Na een zorgvuldig onderzoek van het spoor, gaat hij met den
neus dicht langs den grond, onhoorbaar en onzichtbaar voort. De Fenek
kent de Woestijn-Hoenderen wel, en zijn oog is scherpzichtiger dan
dat van de meeste reizigers. Hij laat zich niet bedriegen door steenen
of aardhoopen, die in kleur met de gezochte prooi overeenkomen; want
zijn fijne neus en uitmuntend gehoor hebben bij het opsporen van den
buit ook hun advies uit te brengen. Hoe gering ook het gedruisch moge
zijn, dat het Woestijn-hoen voortbrengt, als het den kop in de vederen
gestoken heeft; hoe onmerkbaar de beweging ook moge schijnen, die het
bezorgde, reeds half-slapende mannetje maakt, als het de omgeving
bespiedt, hoe onbeduidend, voor ons onmerkbaar de reuk moge zijn,
die het spoor van den Vogel kenmerkt: den Fenek ontgaat dit alles
niet. Reeds is zijn overtuiging ten volle gevestigd; hij sluipt nu
naderbij, bijna op den buik kruipend, onmerkbaar voor het oog zoowel
als voor het oor. Daar, achter den laatsten struik, maakt hij halt. Hoe
gloeien zijne oogen! de ooren zijn zoover mogelijk uitgespreid en met
de opening naar voren gericht. Wat kijkt hij begeerig naar de zich
veilig wanende, sluimerende Vogels! De geheele gestalte is vol leven,
en toch is er geen beweging aan waar te nemen. De geheele ziel van den
Vos ligt in zijn aangezicht, en toch ziet dit er even onbeweeglijk
en rustig uit, als hij zelf, die met het woestijnzand een geheel
schijnt uit te maken. Op eens, één enkele sprong, door een kortstondig
gefladder gevolgd: het Woestijnhoen is bezweken. Snel vliegen de
andere op, luidruchtig kleppen hunne vleugelslagen. Besluiteloos
dwalen zij in 't nachtelijk duister rond en laten zich na korten
tijd weer op den bodem neder, misschien zonder nog recht te weten,
welke nachtelijke bezoeker hen heeft opgeschrikt.
De Fenek is de kleinste van alle Vossen. Met inbegrip van zijn staart,
welks lengte ongeveer 20 cM. bedraagt, is hij hoogstens 65 cM. lang en
wordt in de schouderstreek te nauwernood 20 cM. hoog. Zijn geheele
lichaamsbouw is buitengewoon fijn, de kop loopt zeer spits toe,
de groote oogen hebben een rondachtige pupil, die door een bruin
regenboogvlies omgeven is. Het meest vallen voorzeker de ooren
op. Zij zijn bijna zoo lang als de kop, en zijn iets meer dan half
zoo breed. Het dier krijgt hierdoor een vreemdsoortig uitzicht; het
heeft tot op zekere hoogte het air van een Vledermuis. De binnenranden
der ooren zijn wit behaard, en wel zoo, dat aan de gehooropening
twee haarbosjes zich verheffen, die zich als 't ware in een baard
voortzetten, welke den rand der oorschelp volgt tot haar spits,
maar daar korter en dunner wordt. De kleine snoet pronkt met lange,
borstelvormige snorren, die ook tot de kenmerkende eigenaardigheden van
het dier behooren. Het haarkleed is zoo zacht als zijde, en wordt,
zoodra de winter nadert, aangevuld door een zeer dicht wolhaar,
dat bij 't verharen in vlokken losgeraakt, als het dier zijn lichaam
langs takken en dergelijke voorwerpen schuurt. Men zou kunnen meenen,
dat de Fenek in zijn warm vaderland geen dichte vacht noodig heeft;
maar de kleine baas schijnt voor de koude uiterst gevoelig te zijn en
een flinke beschutting hiertegen niet te kunnen ontberen. De kleur van
de geheele bovenzijde gelijkt volkomen op die van het woestijnzand,
de onderzijde is wit, boven het oog bevindt zich een witte vlek,
daarvóór echter een donkere streep. De zeer lange pluimstaart is bijna
geheel okerkleurig, de staartspits en een vlek aan den staartwortel
zijn zwart. Bij het wijfje is de pels altijd meer stroogeel; bovendien
wordt de kleur bij toenemenden leeftijd veel lichter.
In den gevangen staat is de Fenek, vooral wanneer hij jong in
de handen van den mensch gekomen is, een uiterst beweeglijke,
hoogst vermakelijke huisgenoot. Hij wordt zeer spoedig tam en aan
zijn meester gewoon. Vele dieren van deze soort werden zoo aan den
mensch gehecht, dat zij hem volgen, naar verkiezing uit- en ingaan en
's avonds in hun hok terugkeeren. Minder vriendelijk zijn zij voor
hunne soortgenooten. Mijne gevangenen waren bovenal op warmte gesteld;
dikwijls is het gebeurd, dat zij zich aan de nog gloeiende haardasch
haar en pooten brandden, zonder hun plaats te verlaten.
Het laatste lid van het talrijke geslacht der Vossen is de _Lepelhond_
(_Otocyon megalotis_), die in Zuid-Afrika thuis behoort. Wat zijn
uitwendig voorkomen betreft, gelijkt hij op een Vos en wel het meest
op den Fenek; men heeft hem zelfs dikwijls met dezen verward. Hij
is echter aanmerkelijk grooter en hooger op de pooten; zijn snoet is
veel korter en slechts de ooren gelijken op die van den Woestijnvos
en zijn bijna even groot.
Bij voorkeur houdt hij zich op in de met struikgewas bedekte;
hooge steppen van het binnenland van Zuid-Afrika, ten noorden van de
Oranje-rivier. Over dag ligt hij, evenals andere hem verwante dieren,
goed verborgen in het dichte struikgewas of in de door Aardvarkens
uitgeholde Termieten-woningen, des nachts zwerft hij rond; soms komt
hij met waarlijk erbarmelijke klaagtoonen in de nabijheid van de
bivouak-vuren. Zijn voedsel bestaat uit kleine dieren en afval van
dierlijke stoffen, vooral echter uit Treksprinkhanen.