Onder de in ons vaderland in 't wild levende Zoogdieren staat de _Vos_

(_Vulpes vulgaris_) ongetwijfeld bovenaan. Waarschijnlijk is geen ander

dier, tenzij de Jakhals, zoo beroemd en zoo algemeen bekend als onze

vriend Reintje, het zinnebeeld van de list, geveinsdheid en valschheid,

van de lust tot het plegen van overtredingen en, om het zoo eens uit

te drukken, van de gemeene ridderlijkheid. Hem roemt het spreekwoord,

hem prijst de sage, hem verheerlijkt het gedicht; Duitschlands grootste

dichter Goethe, achtte hem een waardigen held voor zijne zangen. Of hij

zulk een roem volkomen verdient, is echter een andere vraag. "De Vos

van de sage en van de dichters," schrijft Pechuel-Loesche, "en de Vos

van de werkelijkheid, zijn twee zeer verschillende dieren. Wie dezen

geheel onbevooroordeeld nagaat, vindt bij hem niet in buitengewone

mate de veelgeprezene tegenwoordigheid van geest, schranderheid, list

en vindingrijkheid, ook niet de onovertroffene fijnheid van zinnen,

welke hem worden toegeschreven. Naar het mij voorkomt, onderscheidt

hij zich van de andere Roofdieren, en meer bepaaldelijk van de Wolven,

door geen enkele in 't oogloopende begaafdheid; hoogstens kan men

toegeven, dat dit onophoudelijk vervolgde dier zich zeer goed weet

te voegen naar de omstandigheden, hoewel hij in dit opzicht niet

bekwamer is dan andere dieren, die met behoorlijke zintuigen begaafd

zijn. Evenals zoovele van deze, de weerlooze er onder begrepen,

zullen waarschijnlijk vele oude Vossen door velerlei ervaringen een

buitengewone schranderheid verkrijgen; iedere jager, die met deze

roovers herhaaldelijk in aanraking komt, zal mij echter toestemmen, dat

er ook zeer vele niet-schrandere, ja zelfs werkelijk domme schepsels

onder zijn--en dit zijn niet alleen de onervaren jongen, maar ook

sommige oude dieren. De Vos is een vogelvrije spitsboef; hij verstaat

zijn beroep, omdat hij toch op zijn wijze aan den kost moet komen;

hij is vermetel, maar alleen als de honger hem kwelt, en wanneer hij

jongen te verzorgen heeft; ook geeft hij in moeilijke omstandigheden

geen bewijzen van tegenwoordigheid van geest of van overleg, maar

geraakt geheel van streek; hij laat zich vangen in vallen, die toch

maar recht lomp gesteld zijn, en laat zich herhaaldelijk op deze wijze

beetnemen; in 't open veld laat hij de sleden, die zich in een kring

om hem heen bewegen, binnen het bereik van een schot naderen; hij

is telkens weer opnieuw bevreesd voor onschadelijke middelen om hem

schrik aan te jagen; hij laat zich, ondanks al het geraas en geschiet

bij een drijfjacht in een bosch, toch op korten afstand van daar bij

een volgende gelegenheid omsingelen, in plaats van zich tijdig uit

de voeten te maken--om kort te gaan, dit dier, dat meedoogenloozer

vervolgd wordt dan eenige andere bewoner van bosch en veld, heeft,

in weerwil van de hiervoor ruimschoots bestaande gelegenheid, niet

geleerd, de streken van den mensch te doorzien, en zijne handelingen

dienovereenkomstig in te richten. Het schrandere Reintje van de

overlevering en de Vos in bosch en veld kunnen niet goed als een en

hetzelfde dier beschouwd worden; deze onderscheidt zich door geen

enkel sterk op den voorgrond tredend talent van andere dieren."

Reintje leeft, honderden malen geschilderd in woord en beeld,

in ieders voorstelling en is dus wel bekend. Voor hen, die minder

met de natuur vertrouwd zijn, diene de volgende beschrijving. Hij

wordt hoogstens 1.4 M. lang, waarvan omstreeks 50 cM. op den staart

komen; de schouderhoogte is 35, hoogstens 38 cM. De kop is breed,

het voorhoofd plat, de snoet, die plotseling smaller wordt, is lang

en dun. De oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die aan den voet

breed zijn en naar boven spitser worden, staan rechtop. De romp

schijnt wegens het dikke haarkleed dik, maar is in werkelijkheid

buitengemeen slank; toch is hij buitengewoon krachtig en voor de

meest omvangrijke bewegingen geschikt. De pooten zijn dun en kort, de

staart is lang en ruig behaard, de vacht dicht en zacht. Reintje met

zijn geheele edele familie draagt een kleed, dat uitmuntend bij zijn

rooversbedrijf past. De kleur, een vaal, grijsachtig rood, dat geheel

in overeenstemming is met de kleur van den bodem, past even goed bij

de bosschen met breedgebladerde boomen als bij die met naaldboomen, om

't even of zij hoog of laag zijn, ook is het even goed geschikt voor

de heide als voor het veld of voor een steenachtigen of rotsachtigen

bodem. Meer dan bij andere dieren schijnt bij den Vos het kleed zich

naar het land te schikken; want de Vos in zuidelijke landen vertoont

met die der noordelijke gewesten en de Vos der bergstreken met die der

vlakten een niet onbelangrijk verschil. Bij zijne in de steppe en in

de woestijn levende verwanten blijkt, zooals wij later zullen zien,

de gelijkheid van haarkleur en bodem nog duidelijker. Bij nauwkeurige

beschouwing van het kleed van onzen roover merken wij ongeveer

de volgende verdeeling van kleuren op: Aan de geheele bovenzijde

is de vacht roestrood of geelrood; het voorhoofd, de schouders en

het achterste deel van den rug tot aan den staartwortel zijn met

wit overtogen, omdat ieder haar afzonderlijk op deze plaatsen in een

witten top eindigt; de lippen, de wangen en de keel zijn wit. Een witte

streep loopt bij de pooten af; de borst en de buik zijn aschgrauw,

de flanken witachtig grijs, de voorpooten rood, de ooren evenals de

voeten zwart, de staart eindelijk is roestrood of geelachtig rood,

met een zwartachtig waas bedekt en aan de spits van dezelfde kleur of

wit. Al deze kleurschakeeringen gaan volkomen onmerkbaar in elkander

over, geen enkele steekt schel bij de overige af, en juist daardoor

komt het, dat het geheele haarkleed voor alle omstandigheden recht

goed geschikt is.

Reintje bewoont het grootste deel van de noordelijke helft van ons

halfrond. Zijn verbreidingsgebied omvat geheel Europa, Noord Afrika,

het westen en het noorden van Azië; wij mogen ook Afghanistan,

het westelijk deel van den Himalaja en Tibet er bij voegen, want de

daar voorkomende vormen zullen moeielijk van hem gescheiden kunnen

worden. Nergens ontbreekt hij geheel; in vele gewesten komt hij

veelvuldig voor. Wegens zijn alzijdigheid kan hij overal geschikte

woonplaatsen vinden, waar andere Roofdieren, uit gebrek hieraan, zich

niet kunnen ophouden; zijn list, sluwheid en behendigheid stellen

hem in staat om zich in het bezit van deze woonplaatsen te handhaven

met een volharding en hardnekkigheid, die werkelijk voorbeeldeloos

zijn. Daar de Wolf hem vijandig is, komt hij betrekkelijk zelden voor

in de eigenlijke door Wolven bewoonde gewesten; zijn aantal neemt daar

echter gewoonlijk in dezelfde mate toe, als dat der Wolven vermindert.

Zijne woonplaatsen worden altijd met de uiterste voorzichtigheid

gekozen. Het zijn diepe, gewoonlijk vertakte, in een ruime kamer

uitkomende holen in rotskloven, tusschen wortels of op andere

gunstig gelegen plaatsen. Liefst graaft hij deze holen niet zelf,

maar neemt oude verlaten holen van Dassen in bezit, of bewoont ze

gemeenschappelijk met Grimbaard, zonder zich te storen aan diens

afkeerigheid van het gezelschap van andere dieren. Alle groote

Vossenholen zijn oorspronkelijk door Dassen aangelegd. Voorzoover

hiertoe gelegenheid bestaat, graaft de Vos zijn hol aan een

berghelling, zoodat de gangen naar boven gericht zijn, zonder te

dicht onder den bodem te liggen. In volkomen vlakke streken ligt de

kamer dikwijls dicht onder de oppervlakte. In den herfst en den winter

vestigt hij, vooral in vlakke gewesten, gaarne zijn verblijf in hoopen

opeengestapeld rijshout of steenen; in sommige gevallen moet een oude

knotwilg of zelfs een ondiepe kuil te midden van de dichte struiken

als woning en als kraamkamer dienst doen. Bij plasregen, storm, koud

weder en gedurende den paartijd, ook wel in den zomer gedurende de

grootste hitte, of zoolang de moervos kleine jongen heeft, vindt men

onzen struikroover gewoonlijk in zijn hol; bij gunstig weer echter

doorloopt hij zijn jachtgebied, en gebruikt het eerste, het beste

geschikte plekje, dat hier te vinden is, als rustplaats. In vlakten,

die arm aan bosschen zijn, bijvoorbeeld in de landbouwdistricten van

Onder-Egypte, graven de Vossen slechts ten behoeve van hunne jongen

werkelijke holen, terwijl de ouden onder den zachten hemel van dit

land jaar in jaar uit in de open lucht leven.

De Vos houdt zijne rooftochten liever 's nachts dan over dag; op

stille plaatsen jaagt hij echter ook graag bij 't licht der zon. In

de lange dagen van de zomermaanden gaat hij op gedekte plaatsen van

zijn gebied dikwijls verscheidene uren vóór zonsondergang met zijne

jongen op roof uit; bij langdurige koude en als er veel sneeuw ligt,

rust hij, naar 't schijnt, alleen gedurende de morgenuren uit;

hij begint dan reeds om 10 uur voormiddags in de velden rond te

zwerven. Evenals de Hond is hij zeer op warmte gesteld. Bij fraai

weder legt hij zich op een ouden boomstam of op een steen neder om

zich in de zon te koesteren en verdroomt dan in de verkwikkelijkste

gemoedsrust menig uurtje. Daar waar hij zich veilig gevoelt, geeft

hij zich ook op weinig of niet gedekte plaatsen tamelijk zorgeloos

aan den slaap over, snorkt luid als een Hond, en slaapt zoo vast,

dat de jager, wiens aandacht door een schranderen Hond op den Vos werd

gevestigd, hem soms in dezen toestand kan verrassen en bespieden. Met

het aanbreken van de schemering of reeds in de namiddaguren begint hij

zijn rooftocht. Uiterst voorzichtig sluipt hij langzaam voort, kijkt en

speurt van tijd tot tijd en tracht voortdurend gedekt te zijn; zijne

wegen, passen of "wissels" (d.w.z. de paden, waarlangs hij het bosch

binnenkomt of verlaat) zijn daarom altijd tusschen struiken, steenen,

hoog gras en dergelijke dekkingsmiddelen gelegen. Alleen wanneer het

strikt noodig is, verlaat hij het met dicht struikgewas gevulde deel

van 't woud; hij doet dit stellig alleen daar, waar enkele struiken

en dergelijke dekkingsmiddelen voor hem als 't ware een brug vormen,

waarlangs hij een ander even gunstig gelegen deel van het woud kan

bereiken. Daarom kennen ervaren jagers de "passen" van den Vos zeer

goed, en kunnen vrij zeker vooruit bepalen, welken wissel Reintje in

de op dat tijdstip bestaande omstandigheden zal kiezen.

Hij maakt jacht op alle dieren, van de jonge Ree tot aan den Kever,

vooral echter op Muizen, die waarschijnlijk den hoofdschotel van

zijne maaltijden vormen. Hij verschoont jong noch oud, vervolgt

zeer ijverig de Hazen en Konijnen en besluipt zelfs de jongen van

Reeën en Edelherten. Hij plundert niet alleen de nesten van alle op

den bodem broedende Vogels, welker eieren en jongen hij verslindt,

maar tracht ook de oude, in 't vliegen ervaren Vogels door list te

overmeesteren en bereikt niet zelden zijn doel. Hij zwemt en waadt

door poelen en moerassen om de te midden van het water broedende

Vogels te bereiken; er zijn voorbeelden van bekend, dat hij broedende

Zwanen heeft gedood. Bovendien overvalt hij het pluimvee, en sluipt

des nachts tot op de erven van eenzaam gelegen boerderijen; als hij

een goede schuilplaats heeft, besluipt hij de tamme Vogels zelfs op

klaarlichten dag. In groote tuinen en wijngaarden komt hij stellig

veel vaker te gast, dan men gewoonlijk meent. Op beide plaatsen,

vangt hij Sprinkhanen, Meikevers en engerlingen, Regenwormen, enz.,

of zoekt zoete peren, pruimen, druiven en andere bessen. Bij de

beek slentert hij rond, om een mooie Forel of een domme Kreeft te

verschalken, aan het zeestrand vreet hij de netten van de visschers

leeg, in het bosch ledigt hij de vogelstrikken van de jagers. Zoo

komt het, dat zijn tafel bijna altijd goed voorzien is, en hij alleen

dan in nood geraakt, als zeer diepe sneeuw hem de jacht buitengewoon

bemoeilijkt. Dan behelpt hij zich met al wat eetbaar is, niet alleen

met krengen, die hij geregeld en in ieder jaargetijde opzoekt, en,

evenals vele Honden bijzonder graag schijnt te eten, maar ook met oude

verdroogde beenderen, zelfs met een stuk half vergaan leder; gaarne

bezoekt hij ook de leger- en stookplaatsen van de houthakkers om de

overblijfselen van hunne maaltijden op te zoeken. Met de gevangen prooi

speelt hij, als hij half verzadigd is, lang en op een gruwzame wijze,

voordat hij haar doodt.

Bij zijne jachttochten zorgt hij in de eerste plaats voor zijn eigen

veiligheid. Alles wat hem niet bekend is, wekt zijn argwaan en als

hij eerst wantrouwig is geworden, kunnen alleen de kwellingen van

den honger hem tot onvoorzichtige daden verleiden. In dit geval

echter toont hij een werkelijk onbeschaamde vermetelheid. Hij komt

op klaarlichten dag op het erf, haalt vandaar voor de oogen van

de bewoners een Hoen of een Gans weg en gaat met zijn buit aan den

haal. Slechts in den uitersten nood laat hij een zoo moeilijk verworven

prooi in den steek, dikwijls keert hij later weer terug om te zien,

of hij haar toch niet medenemen kan. Dezelfde driestheid toont hij

soms in omstandigheden, die een allersnelste vlucht dringend noodig

maken. Zoo pakte een Vos, die bij een drijfjacht door de Honden

achtervolgd werd en reeds twee maal de hagelkorrels rondom zich had

hooren fluiten, in vollen ren een aangeschoten Haas en droeg hem

een eind weegs voort. Een andere stond bij een drijfjacht uit het

door de jagers omsingelde veld op, roofde een gewonden Haas, beet

hem ten aanschouwen van het jachtgezelschap dood, begroef hem nog

schielijk in de sneeuw en ontvluchtte daarna midden door den kring

van drijvers en schutters. De houtvester Liebig verhaalt, dat een

Vos op het erf van een boer in Moravië kwam om Hoenderen te stelen,

met stokslagen verjaagd werd, terugkeerde, nogmaals verdreven werd,

ten derden male een poging deed, maar toen er het leven bij inschoot.

De Vos loopt snel, langen tijd achtereen en toont bij deze beweging

groote behendigheid en slimheid. Hij kan sluipen, op een onhoorbare

wijze over den bodem voortglijden, maar ook loopen, rennen en

buitengewoon groote sprongen doen. Zelfs goede Jachthonden zijn zeer

zelden in staat hem in te halen. Als hij hard loopt, is de staart bijna

in horizontale richting achterwaarts gestrekt, bij langzamer beweging

sleept hij bijna over den grond. Als hij loert, ligt hij met den buik

op den grond; om te rusten gaat hij niet zelden, evenals de Hond,

ineengerold op een zijde of zelfs op den rug liggen; zeer dikwijls

zit hij ook geheel op de wijze van de Honden op zijn achterkwartier en

slaat den ruigen staart sierlijk om zijne voorpooten. Voor het water

is hij volstrekt niet schuw, integendeel hij kan zonder moeite en

snel zwemmen; ook in 't klimmen is hij niet onervaren; soms vindt men

hem in boomen, die een voor zijn klimvermogen geschikten vorm hebben,

hoog boven den grond.

De stem van den Vos bestaat uit een kort afgebroken gekef, dat in een

sterker en hooger geluid eindigt. Volwassen Vossen "blaffen" alleen,

als er stormachtig weer op til is, bij onweders, bij felle koude en

in den paartijd; de jongen daarentegen schreeuwen en keffen telkens

als zij honger hebben of zich vervelen. Als de Vos toornig is, of in

gevaar verkeert, laat hij een woedend gesnater hooren; een smartkreet

verneemt men van hem alleen dan, als hij door een kogel getroffen is,

of wanneer een schot hagel hem een poot verbrijzeld heeft; bij iedere

andere verwonding zwijgt hij hardnekkig. In den winter, n.l. als

het sneeuwt en vriest, schreeuwt hij luid en op klagenden toon; het

meest hoort men echter zijn stem in den paartijd; men verneemt dan

van hem soms ook geluiden, die deels aan het geschreeuw van den Raaf,

deels aan dat van den Pauw herinneren.

Reintje is geen gezellig dier en verschilt ook in dit opzicht

van de Wolven. Wel treft men niet zelden verscheidene Vossen in

hetzelfde kreupelboschje en zelfs in een en hetzelfde hol aan,

in den regel echter gaat iedere Vos zijn eigen gang en bekommert

zich om de andere dieren van zijn soort slechts in zoover, als

door hem dienstig en voordeelig wordt geacht. Vriendschap voor

andere dieren kent de Vos evenmin als gezelligheid. Toch heeft men

herhaaldelijk opgemerkt, dat hij zelfs met zijn doodvijand, met den

Hond, vriendschappelijk verkeerde; dit geschiedt echter stellig alleen

bij hooge uitzondering. Ook zijn betrekking tot Grimbaard moet niet

als een vriendschappelijke verhouding opgevat worden; het is Reintje

volstrekt niet om den Das, maar alleen om diens woning te doen.

Negen weken (juister gezegd: 60 à 63 dagen) na de paring, in het

einde van April of in 't begin van Mei, werpt de moervos jongen,

welker aantal tusschen 3 en 12 afwisselt; waarschijnlijk is het meest

voorkomende aantal jongen in een nest 4 à 7. De moeder behandelt ze

met groote teederheid, verlaat hen gedurende de eerste levensdagen in

't geheel niet, later slechts gedurende korten tijd als de schemering

reeds ver gevorderd is, en is er blijkbaar steeds ijverig op bedacht

hun verblijfplaats geheim te houden.

Een maand of anderhalf na hun geboorte wagen de aardige, met roodachtig

grijze wol bekleede roofjonkers zich op een stil uur vóór het hol,

om zich door de zon te laten koesteren en om met elkander en met hun

steeds bereidwillige moeder te spelen. Deze brengt hun voedsel in

overvloed, van den eersten tijd af ook reeds levende dieren: Muizen,

Vogeltjes, Vorschen en Kevers; zij leert hare hoopvolle spruiten

de bedoelde dieren te vangen, te plagen en te verslinden. Zij is in

dezen tijd voorzichtiger dan ooit te voren, ziet in de onschuldigste

zaak reeds gevaar voor haar kroost, en brengt het bij het geringste

gedruisch in het hol terug, of sleept het, zoodra zij van de een of

andere vervolging de lucht krijgt, met den bek naar een ander hol;

zelfs wanneer zij zeer in 't nauw gebracht is, grijpt zij in haast nog

een jong, om voor zijn veiligheid te zorgen. Niet zelden gelukt het

den ervaren jager de spelende familie te bespieden. Als de jongen een

zekere grootte bereikt hebben, liggen zij bij goed weder 's morgens en

's avonds gaarne vóór den ingang van het hol, en wachten de thuiskomst

van de moeder af; als het wachten hun te lang duurt, blaffen zij, en

verraden hierdoor hun aanwezigheid. Reeds in Juli vergezellen de jonge

dieren de jagende moervos of gaan alleen op de jacht, zoeken overdag

of in de schemering een Haasje, Muisje, Vogeltje of ander diertje te

verschalken, of behelpen zich met een Kever. Tegen het einde van Juli

verlaten de jongen het hol voor goed en begeven zich met hun moeder

naar de graanvelden, die hun een rijke vangst beloven en een volkomen

veiligheid verschaffen. Na den oogst zoeken zij dicht struikgewas,

heiden en rietbosschen op, ontwikkelen zich intusschen tot volleerde

jagers en sluwe struikroovers en verlaten eindelijk in het laatst

van den herfst hun moeder om op hun eigen houtje fortuin te zoeken.

Jong gevangen Vosjes kunnen gemakkelijk grootgebracht worden, omdat

zij het gewone voedsel van jonge Honden voor lief nemen. Zij worden,

als men zich veel met hen bemoeit, weldra tam en vermaken hun verzorger

door hunne opgewektheid en vlugge bewegingen.

"Verscheidene Vossen heb ik grootgebracht," verhaalt Lenz; "van deze

was de laatste, een wijfje, de tamste, omdat ik dezen kreeg, toen hij

nog zeer jong was. Hij was juist begonnen zelf te eten, maar was toen

reeds zoo boosaardig en bijtlustig, dat hij, als hij een lekker brokje

vóór zich had, voortdurend knorde, en, hoewel niemand hem hinderde,

toch om zich heen beet in het stroo en het hout. Door vriendelijke

behandeling werd hij weldra zoo tam, dat ik hem zonder bezwaar een

pas door hem gedood Konijntje uit den bloedigen bek kon nemen en,

in plaats daarvan, mijn vinger er in kon leggen. Over 't algemeen

speelde, hij, zelfs toen hij volwassen was, buitengewoon graag met mij,

was buiten zichzelf van vreugde, als ik hem bezocht, kwispelstaartte

als een Hond en sprong huilend om mij heen. Even vriendelijk was hij

voor iederen vreemdeling; zelfs kon hij vreemdelingen op 50 passen

afstands, als zij den hoek van 't huis omgingen, dadelijk reeds van

mij onderscheiden; onder luid gehuil noodigde hij ze uit, bij hem

te komen, welke eer hij mij en mijn broeder, die hem gewoonlijk met

voedsel voorzagen, in den regel niet bewees, waarschijnlijk, omdat

hij wist, dat wij toch wel zouden komen."

Reintje wordt door de jachtliefhebbers zeer gehaat en is door hen

vogelvrij verklaard; voortdurend wordt hij vervolgd: voor hem bestaat

geen tijd van gesloten jacht. Men schiet hem, vangt hem in klemmen

(zoogenaamde zwanehalzen), vergiftigt hem, delft hem op uit zijn

veilig hol en slaat hem met een lompen knuppel dood, vervolgt hem op

drijfjachten tot hij dood neervalt, haalt hem met boren en tangen uit

den grond, kortom men tracht hem op allerlei wijzen uit te roeien. Van

het standpunt van den jager, gezien, volgens wiens meening de bosschen

en velden alleen ter wille van het wild schijnen te bestaan, mag zulk

een onverbiddelijke, bijna onmenschelijke vervolging gerechtvaardigd

heeten, van ieder ander gezichtspunt beschouwd, is zij het niet. Want

de bosschen en velden worden niet ten behoeve van de Reeën, Hazen,

Woer-, Berk- en Hazelhoenders, Patrijzen en Fazanten aangelegd, bebouwd

en onderhouden, maar zijn voor een veel belangrijker doel bestemd. Het

is daarom de plicht van allen, die zich met boschkultuur, landbouw

en veeteelt bezighouden, van bosch en veld zooveel mogelijk alles te

doen verdwijnen, wat hun opbrengst verminderen of ze op andere wijze

benadeelen kan. Nu zal toch wel niemand in vollen ernst willen beweren,

dat een der genoemde soorten van wild voor onze velden en bosschen

nuttig kan zijn: alle zonder uitzondering moeten integendeel als

schadelijke dieren beschouwd worden. Men kan de door hen veroorzaakte

schade over 't hoofd zien en vergeven, haar wegcijferen kan men niet.

Nu is echter het benadeelen van den wildstand een der geringste

werkzaamheden van den Vos: in veel hoogere mate legt hij zich toe op

en maakt hij zich verdienstelijk door het verdelgen van Muizen. Deze

buitengewoon schadelijke Knaagdieren, maken, zooals reeds gezegd is,

zijn voornaamste voedsel uit: hij vangt er niet slechts zooveel,

als hij voor zijn levensonderhoud noodig heeft, n.l. 20 à 30 stuks

bij iederen maaltijd, maar bijt er dikwijls nog verscheidene tot

tijdverdrijf dood, die hij laat liggen. Hierdoor is hij in allen

gevalle hoogst nuttig. Het is volstrekt mijn bedoeling niet, hem

vrij te pleiten van de misdrijven, waaraan hij zich schuldig maakt;

want ik weet zeer goed, dat hij geen enkel zwakker dier verschoont,

vele nuttige Vogels verslindt en hunne nesten plundert, in de

pluimveestallen als een Marter moordt en andere schanddaden pleegt;

hiervoor echter geeft hij een voldoende vergoeding door het nut, dat

hij sticht. Voor het jachtveld is hij zeer schadelijk, in de bosschen

en op de weiden en akkers brengt hij echter meer nut dan schade teweeg;

dit maakt het verklaarbaar, waarom de jager hem haat en vervolgt,

terwijl de nietjagende landbouwer voor hem in de bres springt.

De jacht op den Vos verschaft den jager een buitengewoon groot

genoegen. Gewoonlijk wordt Reintje op drijfjachten gedood, dikwijls

schiet men hem "op den aanstand", na hem door het nabootsen van het

geluid van een jongen Haas of Muis gelokt te hebben, of doodt hem

bij helderen maneschijn vóór de schiethut op een plaats waar krengen

neergelegd zijn. Wanneer hij 's winters over de besneeuwde velden

op roof uitgaat, kan men op een voor jagers zeer aanlokkelijke wijze

jacht op hem maken. Op sommige plaatsen wordt de Vos ook nog wel met

Spionnen in het bosch gejaagd, waarbij men in den regel geen gebruik

maakt van drijvers, doch eenvoudig op de beste wissels goede schutters

plaatst. De door een schot gewonde Vos laat zelden klaagtonen hooren;

soms ziet men hem echter in dit geval opmerkelijke daden verrichten:

Winckell had met een kogel den voorpoot van een Vos dicht onder het

schouderblad stuk geschoten. Bij het vluchten sloeg de nu verlamde

poot hem voortdurend tegen den kop; dit hinderde den Vos, die den kop

omdraaide, den loshangenden poot schielijk afbeet, en nu even hard

wegliep, alsof hem niets mankeerde. De Vos is trouwens merkwaardig taai

van leven. Verscheidene voorbeelden zijn er bekend, dat Vossen, die

voor dood gehouden werden, plotseling weder opsprongen en wegliepen.

Levend wordt de Vos gevangen in vallen van allerlei soort, het meest

echter in "zwanehalzen"; dit zijn ijzeren vallen met slagveeren,

die in beweging komen, zoodra het lokaas (de vangbrok) wordt

weggenomen. Reeds verscheidene dagen voordat men het ijzer op de

hiervoor bestemde plaats stelt, moet men hier lokspijs of voerbrokken

leggen en hierdoor den Vos er aan gewennen, haar te bezoeken. Eerst

wanneer hij verscheidene nachten achtereen het voer heeft aangenomen,

wordt het schoongemaakte ijzer, dat met een weinig sterk riekend

lokaas bestreken is, ter juister plaatse voor aller oogen verborgen

gesteld met versche lokbrokken er om heen en met den vangbrok er op.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 30 / 37 段